Via deze pagina blijf je op de hoogte van recente stemmen, meningen en recensies van RonaldjK. Standaard zie je de activiteiten in de huidige en vorige maand. Je kunt ook voor een van de volgende perioden kiezen: januari 2025, februari 2025, maart 2025, april 2025, mei 2025, juni 2025, juli 2025, augustus 2025, september 2025, oktober 2025, november 2025, december 2025, januari 2026
Pauline Murray & The Invisible Girls - Pauline Murray & The Invisible Girls (1980) 4,0
30 april 2025, 12:30 uur
Je bent gezegend met een sympathieke stem en zingt in een band die Penetration heet. Als je dan verder wilt in de muziek, is het verstandig om onder een andere naam je carrière te vervolgen. Zeker als zelfs het demo-/livealbum van je oude groep de Britse albumlijst haalde.
Dus ging Pauline Murray onder eigen naam met nieuwe groep The Invisible Girls (allen ♂♂♂♂!) verder. Dit met new wave waar de scherpe kantjes vanaf waren gehaald. Toegankelijke liedjes die me enigszins doen denken aan hetgeen Altered Images een jaar later uitbracht. Moet ook denken aan Feargal Sharkey van The Undertones, toen hij solo van punk naar pop overstapte. In het geval van Murray: licht verteerbare wave of zo u wilt post-punk, lief en charmant.
Smaken verschillen. Hierboven wordt negatief geschreven over Murrays stem; in mijn oren is haar stem wel degelijk aangenaam. Wel herken ik dat gedurende het album een zekere verzadiging optreedt, maar begin de plaat met kant 2 (track 7) en ook die tweede helft blijkt diverse pakkende oorwurmpjes te bevatten.
Favorieten op kant 1: de vlotte opener Screaming in the Darkness met zijn lange zanglijnen, de single Dream Sequence die bij entree in de Britse hitsinglelijst, eind juli 1980, meteen zijn hoogste positie haalde, een uiterst bescheiden #67, het snelle European Eyes en in Shoot You Down meen ik bijna een nummer van The Smiths te herkennen.
Op kant 2 Thundertunes met heerlijke instrumentatie (pianolijnen!) en zang, When Will We Learn is weer alsof het een invloed op The Smiths zou worden en Mr. X heeft iets weg van Siouxsie and The Banshees; in Judgement Day klinkt met de zware baslijn iets door van de doemwave, zoals mijn vriendenkring dit destijds noemde. Even tellen: dat zijn maar liefst acht van de elf nummers.
De drie bonussen die in 1993 op de cd-editie landden, zijn aardig. Beste nummer hiervan is Animal Crazy met een sequencer plus digitale beat á la Giorgio Moroder. Dat Bernard Sumner van Joy Division/New Order met een gitaarsolo op Searching for Heaven en vooral albumproducer Martin Hannet ook een rol vervulden, zijn leuke feitjes.
Toch is het vooral op eigen kracht dat Pauline en de meeste liedjes mij overtuigen. De titelloze elpee haalde in oktober 1980 de Britse albumlijst, piekend op #25. Pas in 1989 bracht Murray opvolger Storm Clouds uit.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van de tweede van Adam and the Ants en vervolgt in augustus 1980. Een randgeval qua wave: het Nederlandse The Press en hun hit I'm Gonna Shoot the Deejay.
» details » naar bericht » reageer
Steve Morse - Live in Connecticut (2008)
30 april 2025, 09:34 uur
Cd-editie van de dvd, optreden uit 2001. Is dit Steve Morse (solo)? Blijkens YouTube is dit Dixie Dregs met toetsenist T. Lavitz, violist Jerry Goodman, drummer Rod Morgenstein en bassist Dave LaRue.
Lekkere dwarsdoorsnede van hun gevarieerde werk in volvet livegeluid.
» details » naar bericht » reageer
Steve Morse - Live in New York (2008)
30 april 2025, 09:29 uur
Audioversie van een (tv?-)optreden met (soms) bassist Dave LaRue en een drumcomputer. Heel knap wat Steve Morse kan en doet, maar ik mis het bandjesgevoel. Voor gitaristen echter een heerlijke clinic, zo vermoed ik. Was ongetwijfeld anders geweest als ik erbij had gezeten, maar op een laptop...
Te zien en horen op YouTube.
» details » naar bericht » reageer
Mario Fasciano, Steve Morse, Ian Paice, Don Airey - E-Thnik (2005) 4,0
30 april 2025, 08:53 uur
Een Italiaanstalige, vreemde eend in de bijt van zowel Deep Purple als Steve Morse, wiens discografie ik aan het doorspitten ben. Geen idee hoe de samenwerking met Italiaan Mario Fasciano tot stand kwam, maar feit is dat E-Thnik een aangenaam album is met daarop vooral folk en pop alsook enige rock.
Rate Your Music typeert dit als progressive rock, waar het album echter slechts kleine raakvlakken mee heeft. Naast Morse doen van Purple mee drummer Ian Paice en toetsenist Don Airey. Verder is een enkele onbekende gastmuzikant te horen. E-Thnik is te vinden op YouTube.
Nu kan ik wel enigszins begrijpen dat RYM het tot progressive rock rekent. Fasciano werkte namelijk ook samen met Rick Wakeman op een tweetal albums, vertelt Discogs. Wellicht dat iemand die dit leest meer weet over Fasciano en daarover kan vertellen? Lijkt dit bijvoorbeeld op werk van Angelo Branduardi? Ik hoop op Roxy6, die weleens in het land komt
.
'O Nainana' is een akoestische ballade in twee delen. Eerst gitaar en zang, later ondersteund door een toetsentapijtje. In het tweede deel speelt een accordeon (of is het een bandoneon?) een pakkende solo, gevolgd met strijkers in het slotakkoord. De stem van Fasciano (of is het een ander die zingt?) is warm als de muziek; niet opvallend, wél aangenaam. Ook La Notte delle Stelle is een ballade met wederom akoestische gitaar en accordeon/bandoneon.
Met Tarantella a Dispetto horen we voor het eerst drums, welkom Ian Paice. Morse dartelt op akoestische snaren in folkstijl. Na ruim een minuut valt Don Airey bij op Hammond en wordt het rockend, waarna achtereenvolgens een saxofoon- en fluitsolo volgen. De zanger blijkt ook deze stijl aan te kunnen.
L'amore Quando C'è is met een dikke 5 minuten het langste nummer van E-Thnik. Voor het eerst elektrische gitaar, warm en zeer ingetogen: de vierde ballade van het album. Een mooie zanglijn met mandoline die onmiddelijk aan Italië of Griekenland doet denken. Een elektrische gitaarsolo met lange noten volgt: Morse kan zich werkelijk aan iedere muzikale kleur aanpassen, hoe knap!
Een tweede solo van hem is beduidend sneller, het nummer is verrassend opgebouwd, buiten de kaders van zijn werk of dat van Deep Purple. Het zit 'm in de Italiaanse zon, want daarna pakt de mandoline zijn kans.
Het dromerige Che Sogno begint met fluit, waarna piano en zang toewerken naar een passievol slot. Met het instrumentale 'A Notte klinkt pas voor de tweede maal percussie: eerst conga's, dan drums. Het Hammond van Airey scheurt, waarna Morse voor het eerst zijn gitaar hetzelfde laat doen. Saxofoons vallen bij in een swingend nummer.
In het drumloze Sulo eerst piano, zang en synthesizer, als een symfonische rockballade; op 1'31" spelen hoorns een prachtig thema dat me aan The Man with the Child in His Eyes van Kate Bush doet denken.
Tu Si' Accussì wordt gedragen door een relaxte drumcomputer en zwoele synths; relaxte zang volgt. L'ala Della Musica is een weemoedig nummer met wederom synths en akoestische gitaar, dat langzamerhand steviger wordt met digitale drums. Progsynthpoprock.
Slotlied 'O Mare e L'anema is het stevige slot, maar nog steeds geen sprake van progrock. Een nummer in de stijl van Deep Purple en pas de derde keer dat Paice aan de bak mag, in dit geval om een rockende riff te ondersteunen. De stem van Fasciano schiet de hoogte in.
Eindoordeel: titel E-Thnik is vast een verwijzing naar 'ethnic', oftewel de kruisbestuiving tussen volken en culturen. Een verrassende en gevarieerde ontdekking, die me een 8 waard is.
Op YouTube is meer werk van Fasciano te vinden, zoals deze met Rick Wakeman. Maar sta me toe om vier jaar verder te reizen, als Steve Morse met zijn Band Out Standing in Their Field het licht doet zien.
» details » naar bericht » reageer
Steve Morse - Prime Cuts (2005) 4,0
29 april 2025, 09:00 uur
Een verzamelaar die méér is dan slechts "We kwakken de grootste successen bij elkaar". Niet alleen omdat het instrumentale solowerk van gitarist Steve Morse zich niet leent voor hits, ook omdat label Magna Carta met veel liefde een keuze maakte uit werk dat Morse bij hen opnam.
Hij vond er vanaf 2000 een warm én inspirerend welkom: het idee om zijn grootste invloeden eens bij elkaar te verwerken op zijn debuut voor dat label (Major Impacts uit 2000) is veelzeggend. De trackkeuze voor Prime Cuts is dus met passie gedaan en bovendien staat er werk op dat níet afkomstig is van zijn soloalbums, te weten tracks 3, 4 en 5, alsmede een remix op track 7.
Plus dat de geluidsdrager een interview met de man bevat en op streaming tref ik als bonustrack Migration aan, afkomstig van Major Impacts.
Eerst de "nieuwe" nummers: La Villa Strangiato duurt een dikke 9 minuten en is afkomstig van Working Man: Tribute to Rush (1996), met naast Morse op gitaren tevens slaggitaristen Brendt Allman en David Townson met de eindsolo voor James Murphy, bassist Billy Sheehan en drummer Mike Portnoy. Het leidt tot veel zwaarder werk dan ik ken van Morse en hóe lekker!
Dit wordt gevolgd door het akoestische The Clap van Tales From Yesterday: Tribute To Yes (1995). Quantum Soup duurt 11 minuten en staat oorspronkelijk op het album Feeding The Wheel (2001) van Jordan Rudess, toetsenist bij Dream Theater. Hij laat zijn klavieren heerlijk zingen en bovendien klinkt in zijn spel de nodige jazz. Met andere gitarist John Petrucci, violist Mark Wood en drummer Terry Bozzio is het volop genieten. Rudess werd overigens tevens toetsenist bij de incidentele reünietournees van Dixie Dregs, de eerste groep van Steve Morse.
Op Major Impacts staat ook Led On, dat we hier echter aantreffen in de geheel afwijkende versie van Sonic Residue from Vapourspace (2002) van Mark Gage. Duurt me met z'n 6 minuten lange beat van Indiase tabla's te lang.
Het overige werk komt dus van eerder werk van Morse. Van de Steve Morse Band komen Heightened Awareness en Busybodies voorbij, oorspronkelijk op Split Decision (2002). Van Morses soloalbums zijn afkomstig Prognosis van het al genoemde Major Impacts, gevolgd door Air On A 6 String en Wooden Music van Major Impacts 2 uit 2004. Opvallend is dat Morse en Magna Carta hierbij kozen voor twee nummers die knipogen naar J.S. Bach.
Méér dan een verzamelaar, dit cd'tje. In datzelfde 2005 bracht Morse met Deep Purple Rapture of the Deep uit én met leden van die groep het vrij obscuur gebleven E-thnik van de Italiaan Mario Fasciano. Dit album ontbreekt op MuMe, hier op Discogs.
Eens kijken of ik 'm kan toevoegen en anders ga ik door naar de Steve Morse Band en Out Standing in Their Field uit 2009. Maar nu eerst de heg snoeien...
» details » naar bericht » reageer
Adam and the Ants - Kings of the Wild Frontier (1980) 3,5
29 april 2025, 00:16 uur
Met debuutelpee Dirk Wears White Søx haalden Adam and the Ants in januari 1980 de eerste plaats van de kersverse Independant Album Chart in het Verenigd Koninkrijk.
Manager Malcolm McLaren, die furore maakte met de Sex Pistooltjes waarvan inmiddels de houdbaarheidsdatum verstreken is, zoekt een nieuwe melkkoe.
Die vindt hij in Adam en de Mieren: eerst neemt hij het management over en vervolgens de hele groep minus frontman Adam Ant, die moet toezien hoe zijn visie (romantische struikrovers uit de 18e eeuw in combinatie met postpunk-Burundiritmes) wordt gestolen.
Althans, zo begrijp ik het uit bovenstaande berichten, waarvoor dank aan Aazhyd en Saldek. Een verhaal dat mij totaal onbekend was. En verder begrijp ik dat Ant met gitarist Marco Pirroni een nieuwe Adam and the Ants opbouwde.
Blijkens Wikipedia speelde deze "groepskaping" zich in januari 1980 af. Ant en Pirroni zitten vervolgens allesbehalve stil. Al in juli dat jaar halen Adam and the Ants voor het eerst de Britse hitlijst: in eerste instantie piekt single Kings of the Wild Frontier in augustus bescheiden op #48, maar in 1981 haalt ie opnieuw de hitlijst: #2 in maart.
Ik zag ze met verbazing op de Nederlandse televisie, in mijn geval met single Antmusic, dat maart 1981 in de Nationale Hitparade tot #48 kwam. In Vlaanderen één week #30.
De muziek was leuk: een beetje gek, punk en pop tegelijk. En dan die kleding en gezichtsverf! Was dit de punkversie van shockrockers Kiss? Of de punkversie van tv-serie Dick Turpin, over de charmante struikrover (in de link een complete aflevering!
). Stand and deliver, zoals een latere hit heette!
In eigen land groeide het succes al in 1980. Eerste top 10-hit is Dog Eat Dog, november 1980 #4, Antmusic betreedt de Britse hitlijst in december '80 om in januari '81 twee weken #2 te halen.
En nóg opvallender: de heruitgave van de 1978-nonalbumsingle Young Parisians (dus met de oude bezetting) betreedt de dag na Kerst de Britse hitlijst en haalt in januari #9, terwijl Antmusic op #4 staat. De oorspronkelijk uit 1979 stammende non-albumsingle Zerox komt als heruitgave in februari nog eens tot #45 en hetzelfde gebeurt met Cartrouble uit 1980, dat in februari #33 haalt, waarmee er die weken soms drie singles van de groep in de Britse hitlijst staan.
Hallo, bent u er nog? Ter onderstreping de herhaalde vermelding dat er daarna nog die succesvolle heruitgave van single Kings of the Wild Frontier was. Antmania, was dat een term?
Over dit album: kauwgompunk op z'n charmantst, dansbaar en energiek. Een heel album lang is voor mij wat veel van het goede, maar ontegenzeglijk is het knap hoe hier een geluid wordt gecreëerd dat eigenwijs en onmiddelijk herkenbaar is. Met dank aan de jongensachtige zanglijnen en de dreunende dubbele drumpartijen op z'n Burundi's.
Ook vallen de bijdragen van Pirroni op: zo lijkt Killer in the Home geïnspireerd door Rumble van gitaarpionier Link Wray en elders denk ik gitaarlijnen van Hank B. Marvin van The Shadows te horen. De man speelt uitermate gevarieerd met de wortels in oerrock'n'roll en tegelijkertijd is er de stijl die Ant voor oren had.
Elpee Kings of the Wild Frontier staat bij de Britten vanaf 17 januari 1980 tot half mei twaalf weken #1, zij het niet ononderbroken. Maar eigenlijk is dat nog knapper. Dan is het evenmin verbazend dat albumdebuut Dirk Wears White Søx alsnog de belangrijkste albumlijst haalt: maart '81 twee weken #16. In Nederland haalt Kings (de elpee) in juli '81 #11. In 2016 verscheen deze uitgebreide heruitgave van de plaat.
Het succes zette zich voort met de nodige singles van de opvolger Prince Charming, het album dat in november '81 verscheen. Daar ben ik voorlopig nog niet.
Mijn reis door de new wave bevindt zich eind juli 1980. Ik reisde van de verzamelaar met Neue Deutsche Welle genaamd Verschwende Deine Jugend en vervolg bij het solodebuut van Pauline Murray.
PS - Zou het kunnen dat acteur Johnny Dep voor zijn filmkarakter Jack Sparrow is geïnspireerd door Adam Ant?
» details » naar bericht » reageer
Steve Morse - Major Impacts 2 (2004) 4,0
28 april 2025, 13:15 uur
Vier jaar na Major Impacts verscheen Major Impacts 2, waar Steve Morse opnieuw zijn invloeden laat horen en meestal in eigen jasje giet. Verschil met deel 1 is dat hij nu ook complete genres als 'impact' aanduidt. Zijn vaste begeleiders, bassist Dave LaRue en drummer Van Romain, zijn weer van de partij, waarbij Morse naast gitaar ook toetsen bespeelde. Dit op wederom een volledig instrumentaal album.
Ik luister via streaming en het hoesje op Discogs is slechts deels leesbaar: niet te zien is welk nummer naar welke naam of welk genre verwijst. Ik maak er dus een spelletje van: welke invloed hoort bij welk nummer? Taalgrapjes in sommige liedtitels helpen. Mij corrigeren staat uiteraard vrij.
Bij de aangename akoestische opener Wooden Music vermoed ik dat de wortels liggen bij Crosby, Stills, Nash & Young, het swingende Where Are You? uit hoorbaar zijn liefde voor The Who en Errol Smith moet de ode aan Aerosmith zijn, omdat iets doorklinkt van hun Walk This Way. Cool Wind, Green Hills is een eerbetoon aan de 'Celtic ballad', de rijke toetsenprogrock van Organically Grown aan Emerson, Lake and Palmer oftewel ELP.
Is het vlotte 12 Strings on Carnaby Street met zijn lange, zingende gitaarlijnen de ode aan Lynyrd Skynyrd? Kan haast niet anders, zoals ZZ Top de inspiratie voor het boogierockende Zig Zags vormde. Voor Abracadab werd inspiratie gevonden bij Genesis, Tri County Barn Dance is de razendsnelle pickingode aan country en bluegrass met bovendien een vliegende bassolo en Air on a 6 String aan Johann Sebastian Bach. Ja, het gaat vele kanten op.
Dan kan het niet anders of het heerlijke, massief stoempende Motor City Spirit put uit de nalatenschap van Spirit, Ted Nugent en Deep Purple, dezelfde waar Morse dan inmiddels alweer tien jaar deel van uitmaakt. In Ghost of the Bayou wordt cajun geëerd en ten slotte Leonard's Best. Is dat het eerbetoon aan The Yardbirds en Britpop?
Meer dan "slechts" een buitenklasse gitarist hoor je hier een enorme muziekliefhebber die bovendien een brede smaak heeft. Juist die grote variatie maakt dat ik dit met een dikke 8 waardeer.
Wel ben ik licht verbaasd omdat nergens ronduit zijn liefde voor fusion/jazzrock klinkt. Op de eerste Major Impacts klonk die overigens wél in het nummer The White Light, een buiging naar het werk van John McLaughlin, maar gezien het oeuvre van de gitarist zou je meer in die hoek verwachten.
Een minpunt is het echter niet, dit album biedt immers volop variatie, méér dan enig solowerk dat hij hiervoor deed. Wat dat betreft keerden de dagen van Dixie Dregs terug.
Morse was in 2004 ook te horen op het project Living Loud. In 2005 verscheen de verzamelaar Prime Cuts met daarop tevens werk dat ik niet op zijn soloalbums tegenkwam. Op daarnaartoe.
» details » naar bericht » reageer
Verschwende Deine Jugend (2002) 3,5
Alternatieve titel: Punk und New Wave in Deutschland (1977-83), 28 april 2025, 09:31 uur
Ben op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave, momenteel in 1980. Afkomstig van het debuut van de Engelse Hazel O'Connor kom ik bij de single So Froh van Ede+Die Zimmermänner a.k.a. Skafighter. Te vinden op deze verzamelaar uit 2002.
Titel Verschwende Deine Jugend: Punk und New Wave in Deutschland (1977-83) geeft precies aan wat dit is: een spijker-op-de-kop dwarsdoorsnede van die genres in (voor zover ik kan overzien) Wést-Duitsland. Een DDR-groep als Silly ontbreekt.
Ik weet niet meer waarom ik So Froh uitkoos en niet één van de andere nummers. Omdat ik ska kan waarderen en getrokken werd door de vreemde groepsnaam Ede+Die Zimmermänner a.k.a. Skafighter?
De single met dit nummer erop bevat drie nummers, So Froh staat op de B-kant. Vrolijke ska met zowel mannelijke als vrouwelijke zang. Het verscheen in 2014 nog eens op verzamelaar Zurück in der Zirkulation, een album dat ik, o verrassing, niet op Discogs aantref maar wél op mijn streaming platform. Hier klinken vooral jolige gitaarliedjes met dikke knipoog. Die Zimmermänner (zoals de groep zich nadien noemde) is géén skagroep.
Terug naar deze verzamelaar: die fungeert als soundtrack bij wat de Duitse auteur Jürgen Teipel een Doku-Roman noemt, genaamd Verschwende Deine Jugend. Een boek dat in 280 pagina's middels interviews en anekdotes het verhaal achter de muziek vertelt. Hoe new wave als Neue Deutsche Welle een alternatief gezicht kreeg, waarbij ook ruimte was voor beeldende kunstenaars. In West-Duitsland waren deze muziek en kunst namelijk nauw verbonden. De titel verwijst naar het D.A.F.-nummer met dezelfde naam, op cd 2 te vinden als track 22.
Het album is als afspeellijst deels op YouTube te vinden, maar als ik weer eens in Duitsland ben, moet ik toch eens op zoek naar de originele dubbelaar.
Die Zimmermänner brachten in 1982 hun eerste volledige album uit, genaamd 1001 Wege Sex zu Machen Ohne Daran Spaß zu Haben; So Froh staat hier niet op.
Aan dat album ben ik nog lang niet toe, dit is immers 1980! Op naar de Britse hitparadewave van Adam and the Ants met hun doorbraakplaat Kings of the Wild Frontier.
» details » naar bericht » reageer
Living Loud - Living Loud (2005) 4,0
27 april 2025, 23:43 uur
De Australische bassist en liedschrijver Bob Daisley had een groot juridisch geschil met de firma Ozzy Osbourne, die zijn auteursrecht niet meer erkende. Dat terwijl hij als lid van Blizzard of Oz, zoals Ozzy's nieuwe groep zou gaan heten, voor de eerste twee albums met Randy Rhoads de meeste muziek schreef plus de teksten.
Daisley had een indrukwekkend cv opgebouwd met groepen als Widowmaker, in 1978 Rainbow, in 1982 het gerevitaliseerde Uriah Heep vanaf het jaar erop Gary Moore.
Met zijn maatje uit die dagen bij Ozzy, drummer Lee Kerslake (tevens ex-Uriah Heep), besloot hij zélf iets met muziek uit deze periode te doen. Hij vroeg landgenoot met whiskystrot Jimmy Barnes (Cold Chisel) en van Deep Purple toetsenist Don Airey (tevens ex-Rainbow, -Ozzy en -Moore) plus - grote verrassing - Steve Morse (ex-Dixie Dregs en nadien solo actief).
Morse is slechts twee jaar vóór Randy Rhoads geboren; ze waren dus generatiegenoten. Hij koos ervoor Rhoads' partijen niet klakkeloos te kopiëren, wat in combinatie met Barnes' zang een fris effect heeft.
De nummers uit de jaren Osbourne vormen de rode draad: I Don't Know, Crazy Train, Flying High Again, Mr. Crowley, Tonight en Over the Mountain.
De overige zes nummers waren nieuw voor mij. Favorieten zijn het bluesgetinte Every Moment a Lifetime, protestlied In the Name of God en slotlied Walk Away, dat klinkt alsof Daisley het schreef met Led Zeppelin in gedachten.
Daisley publiceerde in 2013 een biografie genaamd For Facts Sake, waarin hij over zijn rijke carrière vertelt en ongetwijfeld ook over dit album. In Nederland slechts te verkrijgen voor te veel geld, maar steeds opnieuw duikt de titel op...
Volgende album dat Morse opnam verscheen nog in datzelfde 2004 onder solovlag: Major Impacts 2.
» details » naar bericht » reageer
Hazel O'Connor - Breaking Glass (1980) 4,5
27 april 2025, 22:18 uur
In 1981 klonk af en toe Will You? van nieuwe naam Hazel O'Connor op Hilversum 3, het haalde ondanks een fraaie videoclip in juli slechts #9 in de Tipparade. Een aardig liedje vond ik, zij het wel wat overdramatisch en theatraal. Daar zit ik 44 jaar later anders in. Sterker nog, het hele album Breaking Glass is bijzonder aangenaam.
Eigenlijk raar dat ik het toen matig vond, want diezelfde theatrale kant klonk bij Lene Lovich die ik wél ontzettend leuk vond. Ook de stemmen van de zangeressen lijken op elkaar, waarbij O'Connor in tegenstelling tot Lovich niet aan hoge gilletjes doet. Andere associaties zijn met Toyah en Siouxsie.
Tegelijkertijd heeft Breaking Glass een eigen geluid. Meest opvallend zijn de saxofoons van Wesley Magoogan, die de nodige ruimte krijgen. Het doet denken aan hetgeen Roxy Music op hun eerste vijf albums deed, maar dan in het jasje van new wave. Vooral uptempo, bijna felle nummers met hier en daar toetsen van O'Connor en producer Tony Visconti; opvallend genoeg speelt de gitaar een dienende, ondergeschikte rol, tegelijkertijd zijn de partijen van Bob Carter effectief bij deze muziek.
Tsja, kies dan maar eens favorieten... Zwakke nummers kom ik sowieso niet tegen. De überfavo's: opener met klein begin maar knallend vervolg Writing on the Wall, het eveneens pittige Monsters in Disguise en Who Needs It en het wat plechtige Will You? op kant 1, dat weg heeft van een Frans chanson.
De tweede plaatkant start met de smeuïge synths van Eighth Day die bovendien geluidseffecten bij de tekst bieden, de andere uptempo nummers Blackman, Give Me an Inch en de met strijkers opgeluisterde slotlied If Only. Deze elpee kom ik zo af en toe tegen in platenbakken met tweedehands vinyl. De eerstvolgende keer dat dat gebeurt, neem ik 'm mee.
Geen wonder dat de muziek het in het eigen Engeland wél goed deed, mogelijk mede omdat dit de soundtrack bij de film Breaking Glass is. Die stamt net als het album uit 1980, het bescheiden succes in Nederland hobbelde ook nog eens achteraan. Van die film hier de trailer en daar de gehele film, gratis op YouTube. In de film zijn trouwens ook kort Rat Scabies van The Damned en Boy George te zien.
Vier singles haalden de Britse hitlijst: Eighth Day stond in september 1980 twee weken #5, Give Me an Inch in november #41 en Will You? in juni 1981 #6. Als die laatste single verschijnt, is haar tweede album Sons and Lovers alweer enkele maanden uit en heeft een derde hitsingle opgeleverd met D-Days.
Bij dat album kom ik later tijdens mijn reis door de new wave van 1980, waarbij mijn vorige station bij de (post-)punks van Penetration was en mijn volgende uit Duitsland komt: het nummer So Froh van Ede+Die Zimmermänner, vanaf 2002 te vinden op verzamelaar Verschwende Deine Jugend: Punk und New Wave in Deutschland (1977-83).
» details » naar bericht » reageer
Al Stewart - Live Indian Summer (1981) 4,5
Alternatieve titel: Live at the Roxy L.A. 1981, 27 april 2025, 14:22 uur
Met mijzelven heb ik de afspraak dat als ik een tweedehands album van Al Stewart op vinyl tegenkom, ik die koop. Zo gebeurde met Live: Indian Summer, dat ik in Houten bij De Groeverij uit de bak plukte. Van een album van Al Stewart krijg je namelijk nooit spijt, is mijn ervaring.
Wel werd ik tweemaal licht op het verkeerde been gezet: kant 1 is hartstikke studio (opgenomen in Los Angeles), de volgende drie zijden zijn live (in de Roxy, Los Angeles). En aangezien je de platen bovenin Stewarts hoofd eruit moet halen, zou de hoesfoto eigenlijk een kwartslag naar rechts moeten worden gedraaid. Het zijn slechts details.
Tot 2019 verwarring omtrent de tracklist (vinyl versus de in 2011 nog overheersende cd), die door Mssr Renard terecht is hersteld op de oorspronkelijke volgorde uit 1981. Een fraaie dwarsdoorsnede van Stewarts werk van '74 tot '81, opgenomen met zijn begeleidingsgroep Shot In The Dark, dezelfde waarmee zijn tot dan toe laatste studioplaat 24 Carrots uit 1980 werd opgenomen én de groep die in datzelfde '81 zelfstandig een titelloos album uitbracht.
Liveversies die in details van de oorspronkelijke studioversies verschillen, waarbij de noviteiten altijd (extra) aangenaam zijn. En de vijf nieuwe nummers mogen er ook zijn, waarbij ik voorlopig het uptempo Princess Olivia tot favoriet bombardeer.
Muziek die je op hete dagen doet afkoelen en in de winter laat opwarmen, dankzij het schrijftalent en de kalme stem van Stewart. En dat ie hier strak in het chique pak van die tijd zit, vind ik hélemaal prima. Wél heb ik moeite om vier favorieten te vinden, een klus die qua uitkomst van draaibeurt tot draaibeurt verschilt. Gewoon een heerlijk en tijdloos album zonder enige zwak moment.
» details » naar bericht » reageer
Roxy Music - Siren (1975) 4,0
25 april 2025, 17:46 uur
Love Is the Drug was een paar maanden vóórdat ik actief naar Hilversum 3 ging luisteren een hit (begin april '76 #9 in de Nationale Hitparade), maar wat hoorde je het nummer vaak op de radio! Tweestemmig door zowel Bryan Ferry als Bryan Ferry ingezongen (jaja, dat kan!), pakkend refrein, saxofoon dominant aanwezig. Perfecte popsingle. Pas nu ik de elpee heb, ontdek ik dat de straatgeluiden aan het begin nét wat langer duren dan op single.
Dankzij Eddie (de hoes noemt hem formeel Edwin) Jobsons viool zit extra sfeer in End of the Line, een kalm nummer. Sentimental Fool is zowel zwoel als dreigend; het zit 'm in de akkoorden en de falsetzang die Ferry licht inzet; het eerste nummer waarbij ik aan de vervreemding van vorige albums moet denken Via Phil Manzanera's stevige gitaarintro van Whirlwind wordt dat pakkend voortgezet
Kant 2 start met de pianopartij van She Sells, waarbij ik bijna denk naar Al Stewart te gaan luisteren. Spoedig vallen de overige groepsleden bij plus een strijkersgroep en Andrew Mackay laat zijn sax weer zingen; vreemd dat dit nooit op single verscheen, met z'n opgeruimde zanglijn onmiddellijk pakkend.
Could It Happen to Me? is wat ingetogener, waarna Both Ends Burning als een soort pre-punk/wave over je heen komt walsen; niet in muzikaal geweld maar in sfeer.
Nightingale is eveneens uptempo maar lichter van sfeer, de hobo van MacKay brengt enige melancholie en via Just Another High volgt een kalm slot.
Iets van de gekte van voorheen is verdwenen. Dat komt niet alleen doordat Brian Eno lang en breed was vertrokken: de liedschrijvers (vaak Ferry, maar ook Mackay, Manzanera en Jobson) houden het iets conservatiever.
Voor het jongetje dat ik was, bleef Roxy Music een groep van "voor mijn tijd", al werd Virginia Plain in 1977 nog eens een hit. Dit bleef zo tot de comeback in 1979 met single Angel Eyes. Die was me veel te braaf.
Wat dat betreft is Siren een licht voorproefje op de jaren met kalmer werk. Toch zit er nog genoeg onvoorspelbaars in, gecombineerd met fraaie melodieën en arrangementen, om mij onder de indruk te laten zijn.
Plus dat ik de invloed van de groep op latere artiesten herken: ik denk bijvoorbeeld aan het debuut van Hazel O'Connor, dat ik deze dagen eveneens aan het beluisteren ben.
» details » naar bericht » reageer
Human Code - Break the Silence (2024) 3,5
25 april 2025, 13:18 uur
Zanger Mike Drive was/is zanger bij metalgroep Barren Cross, een groep die vooral actief was in de jaren '80 en nog incidenteel voor optredens bij elkaar komt. Maar de man met longen als kanonslopen is daarnaast met andere projecten bezig, waarbij hij vreemd genoeg slechts incidenteel werk uitbrengt, de vorige onder de vlag van Gale Force.
Zomer 2024 verscheen Break the Silence van Human Code, waarbij verder gitarist George Ochoa, net als Drive in de jaren '80 actief in wat toen white metal heette, in zijn geval in de groepen Recon en Deliverance; bassist Todd Libbey en drummer Terry Russell, in de jaren '80 op de drumkruk bij Holy Soldier.
Maar toen is toen, de vraag is of Break the Silence het gehoopte droomalbum is met deze cv's. Ik kwam vorig jaar het vooruitgeschoven openingsnummer tegen; titellied Break the Silence blies me aardig omver met z'n loodzware riffs en knallende zang. Massieve metal. Producer is Dino Elefante, die na enige jaren weer eens zo'n klus deed. Hij kan het nog, wát een geluid zet hij neer: zwaar en toch transparant.
Na de opener daalt het niveau echter geleidelijk; Say What You Mean is net wat minder pakkend, Rain is een ballade die mede dankzij Drives zang nog goed werkt ook - het schuift naar aor maar toch. In Genetic Dysfunction echter overtuigen noch riff, noch melodie. Het uptempo Don't Kill the Messenger is dan weer lekker.
Evermore is langzaam en zwaar maar pakt niet, met 40 Seconds volgt een tweede ballade maar die heeft het níet. Mede omdat de tempo's laag blijven, opnieuw bij het zware Socially Incorrect.
Blame Me wordt gered door de melodieën in zang en gitaar, Lying Whispers is meer van het langzame waarmee het album geen knallend slot bevat. Jammer.
Ja, het album is heavy, maar kent te weinig uptempo werk; ik moest denken aan hetgeen Ronnie James Dio deed in zijn latere carrière, waar ik dat ook een gemis vond. Diens briljante zang ten spijt bracht dat middelmatige albums.
Ben desondanks benieuwd of gouden keel Drive en riffman Ochoa op een volgend album met Human Code de lat hoger weten te leggen. Voor nu een (voor mij teleurstellend) zeventje.
» details » naar bericht » reageer
Dr. Strangely Strange - Anti-Inflammatory (2025) 4,0
25 april 2025, 12:33 uur
De folkies uit Dublin van Dr. Strangely Strange stonden aan de wieg van folkrock in die stad, eind jaren '60. In 1969 en '70 werd een tweetal albums uitgebracht, de tweede met gastgitarist Gary Moore, dezelfde die later als snelspelende hardrocker en bluesman te boek zou staan. Ook Philip Lynott en diens Thin Lizzy hadden de nodige raakvlakken met Dr. Strangely Strange.
Pas in 1997 volgde Alternative Medicine: The Difficult Third Album, gevolgd door twee albums met onuitgegeven materiaal uit de eerste jaren. Inmiddels zijn de leden achterin de zeventig of zelfs tachtigers, maar plotseling meldde mijn streamingplatform dat hun zesde album Anti-Inflammatory is verschenen.
In de groep spelen nog altijd zanger Tim Booth, gitarist Ivan Pawle, toetsenist Tim Goulding en violist Joe Thoma. Plus enkele gasten, waarbij een dameskoortje en een drummer. Wat klinkt is vriendelijke folk(rock) waarbij in de teksten nogal eens wordt verwezen naar de tijdelijkheid van het bestaan.
Up with the Lark begint stemmig en klein met piano en zang, waar later viool en fluit bijvallen. Het nummer trekt je langzaam in een Ierse sfeer en groeit bij vaker afspelen. Baby Bunting swingt daarop vrolijk en kreeg een visualiser, Like Water Like Wind begint met elektrische piano en is zo'n nummer over vergankelijkheid. In het instrumentale en akoestische Sulán brengt de viool melancholische, Keltische sferen.
Met Rosenallis Two-Step scheurt een elektrische gitaar ingetogen; het is vrolijk en een dameskoortje brengt extra sjeu.
Op Drive 'em Down meer milde folkrock, Murmuration is een ballade met akoestische gitaar en viool, waarbij wordt gemijmerd over het leven, terwijl het buiten winter is; een seizoen dat vaker voorkomt in de liedjes, terwijl het album toch echt afgelopen 11 april verscheen. Morning Song is het tweede instrumentale nummer: bijna plechtig wordt het gedragen door piano en viool.
Met Back in the Day wordt teruggeblikt: "Who would have thought back in the day we would still be here?" klinkt het verbaasd, waarna de jonge jaren worden beschreven. Ik zie bijna hoe Lynott en Moore vanaf een wolk de leden van Dr. Strangely Strange minzaam toeknikken.
Het instrumentale Vienna is het slotlied met slechts piano. Het is te snel voorbij, wat voor het gehele album (31 minuten) geldt. Dat is een goed teken. Een lief album, teder en speels.
Uitgebracht door label Think Like A Key is het onwaarschijnlijk dat je de plaat zomaar in een platenbak tegenkomt, maar even rondzoeken leert dat ie ook in Nederland is te bestellen op zowel cd als vinyl (alhoewel, die laatste is momenteel bij het label uitverkocht). En dus op streaming aanwezig.
» details » naar bericht » reageer
Steve Morse Band - Split Decision (2002) 3,5
25 april 2025, 08:25 uur
Krachtige hoes: snél kiezen, is de boodschap van Split Decision. Album nummer 7 van de Steve Morse Band, en nummer 5 met drummer Val Romain en bassist Dave LaRue, die bovendien meespeelden op Morses soloalbum Major Impacts (2000). Als Band is het de opvolger van het zes jaar eerder verschenen StressFest en de eerste voor label Magna Carta.
Hoes en titel suggereren dat de heren snel hebben toegehapt - sorry Partij voor de Dieren - toen Morse met het bericht kwam toe te zijn aan een volgend album. Sinds StressFest maakte hij als lid van Deep Purple tot dan toe één studioalbum, te weten Purpendicular en de opvolger Bananas (2003) was in de maak.
De vorige albums van (de) Steve Morse (Band) gingen wat mij betreft hier en daar kopje onder: niet altijd even interessant voor een niet-gitarist, met enerzijds knap spel maar anderzijds te grote eenvormigheid: rock met invloeden van fusion en klassiek. De variatie van het eerdere werk bij Dixie Dregs ontbrak. Tegelijkertijd zijn er altijd minimaal twee juweeltjes te vinden, leuk voor een afspeellijst.
Hamvraag is dus: ontkomt men aan voorspelbaarheid? Klinken dingen die niet eerder zijn gedaan en/of zijn er melodieën die om meer vragen?
Het zit 'm in details. Blijkens de tekst in het boekje werd drummer Val Romaine halverwege de jamsessies "painfully injured", wat er wellicht toe leidde dat er op de tweede helft volop ruimte is voor kalm en akoestisch werk.
Heightened Awareness brengt vriendelijke fusionrock, niks nieuws, maar in Busybodies klinkt barock 'n' roll: polyfonie dankzij gitaar en bas, die in de traditie van J.S. Bach en tijdgenoten wiskundige melodielijnen neerzetten.
Met het rockende Marching Orders keert het bekende geluid van Morse terug, waarna fel wordt geshred in Mechanical Frenzy met bovendien een pakkende bassolo.
Een fluit en blazers (toetsen?) in de filmische melodie van Great Mountain Spirits, een tweede noviteit in het oeuvre van Morse, die daar vervolgens een scheurende en later solerende gitaar aan toevoegt. Majorly Up sluit de eerste helft midtempo rockend en swingend af.
Gentle Flower, Hidden Beast bevat stevige, lekkere fusion waarin Morse verderop ouderwets rockend lósgaat en aan het einde een fraaie twingitaarmelodie.
Het wordt gevolgd door ballades. Eerst Moment's Comfort, dan het met subtiele piano opgeluisterde Clear Memories. Iets steviger met cleane elektrische gitaar is Midnight Daydream, Back Porch is akoestisch-virtuoos met mandoline. Natural Flow is het akoestische en dromerige slot in de folkmelodische stijl van Morse.
Is het verrassend? Voor degene die zijn werk kent een enkele keer. Anderzijds kan iedere gitarist die onbekend is met Morses werk een willekeurig album van hem kiezen: zij zullen zeker vrolijk worden. Ook hier. Satriani/vai, ken jij zijn muziek?
Met zijn werk bij twee groepen toch al een bezig baasje, vond Morse bovendien tijd voor een derde groep, te weten Living Loud. Daarin (ex-)leden van respectievelijk Uriah Heep, Rainbow, Cold Chisel, Deep Purple én de oorspronkelijke Blizzard of Oz van Ozzy Osbourne.
» details » naar bericht » reageer
Steve Morse - Major Impacts (2000) 3,5
24 april 2025, 09:31 uur
Wat is het verschil tussen Steve Morse solo en Steve Morse Band? Ik stel die vraag omdat hij op de albums vanaf 1991 (Southern Steel) met dezelfde bezetting werkt. Dus ook hier met bassist Dave LaRue en drummer Van Romain, waarbij Morse als altijd verantwoordelijk is voor alle composities.
Zit het erin dat Morse hier de productie alleen deed, zonder LaRue? En hadden zijn bandmaatjes geen inbreng in de arrangementen? Ik zou het niet weten. Officieel is Major Impacts pas het tweede soloalbum van Steve Morse, na zes albums met de Steve Morse Band, waarvan de laatste vier met LaRue en Romain.
Toch verrast het album. Allereerst de hoes, die de indruk wekt dat dit een cd in de reeks Knuffelrock is. Ik verwachtte ingetogen of zelfs akoestische muziek. Fout.
Blijkens de tekst in het boekje is de muziek een idee van zijn nieuwe label Magna Carta. Het is één lange ode aan de muzikanten die Morse beïnvloedden. Per nummer wordt vermeld wie de 'impacts' waren: Derailleur Gear is een ode aan Cream, Well, I Have aan Jimi Hendrix, TruthOla aan Jeff Beck, Eric Johnson en Alex Lifeson, Migration aan The Byrds, Led On aan Jimmy Page en The White Light aan John McLaughlin.
Op de tweede helft is How Does It Feel? beïnvloed door Rolling Stones, Bring It To Me een ode aan Mountain, Something Gently Weeps aan George Harrison, Free In The Park aan The Allman Brothers Band en ten slotte Yes plus zijn voormalige band Kansas die de inspiratie waren voor Prognosis.
De pompende opener Derailleur Gears heeft inderdaad in de begin- en slotlick weg van Hendrix, maar spoedig trekt Morse verder in eigen stijl met scheurende fusion- en progrock. Meer blues in de rock van Well, I Have, wat ik Morse niet eerder zo heb horen doen. In Truth Ola (de titel een knipoog naar Jeff Becks Beck-Ola) uptempo rock met vleugjes fusion en progrock inclusief slappende bas. Migration valt op dankzij getokkel op de elektrische gitaar en de nadruk op de melodie, die zó vocaal had kunnen worden gedaan. Misschien was een gastzanger(es) zelfs beter geweest.
Volgens de hoes speelt Morse alleen gitaar, maar op Led On klinkt die als een sitar, versterkt door de Indiase tabla's van Romain; het eerste deel is ingetogen, om na ruim twee minuten over te schakelen op luide, vierkante drums en scheurende gitaar; later keert het beginthema terug in luid jasje.
The White Light vormt een verstild slot van de eerste helft met akoestische gitaar en piano, door een onbekende gespeeld.
How Does It Feel? klinkt als een gepolijste Stones, tot in het tweede deel de gitaar extra scheurt; in Bring It to Me logge hardrock, opnieuw een nummer dat een gastvocalist(e) had kunnen gebruiken.
Vriendelijk en langzaam is Something Gently Weeps, waar de anonieme toetsenist het geluid verrijkt. Swingende rock met twingitaren middels Free in the Park en progrock in Prognosis met prachtig werk van Toetsenistus Anoniemus.
Verschillend per luisteraar, bepaalt de stilistische voorkeur vanzelf welke nummers tot favorieten worden. Als liefhebber van Kansas springt voor mij Prognosis er vooral uit, plus het toegankelijke Migration.
Geen verwijzing naar het werk van Ritchie Blackmore? Jawel hoor, in 1999 bracht Morse als lid van Deep Purple In Concert with the London Symphony Orchestra uit, waarop genoeg werk van Blackmore is te vinden. Kan me voorstellen dat hij voor dit solowerk toe was aan andere geluiden.
Twee jaar later verscheen onder de vlag van de Steve Morse Band Split Decision en nog eens twee jaar later een deel 2 van Major Impacts.
» details » naar bericht » reageer
Dixie Dregs - The Great Spectacular (1975) 4,0
23 april 2025, 19:11 uur
Jarenlang stond Free Fall te boek als het debuut van Dixie Dregs, het kwintet dat instrumentale rockfusion maakte met de nodige solo's op gitaar, viool en toetsen. In 1997 verscheen echter The Great Spectacular, waarmee de heren zich destijds hun eerste platencontract verworven.
Blijkt dat die eerste "demo" wel degelijk op vinyl was verschenen, zij het in eigen beheer en dus in beperkte oplage en verspreiding. De '97-editie kwam vervolgens via het eigen Dregs Records op cd.
Een andere reden dat dit geen demo's zijn, is omdat de opnames duidelijk meer zijn dan eenvoudige opnamen in de oefenruimte of een bescheiden studio. De kwaliteit is gewoon goed, al zal die voor de cd ongetwijfeld nog eens zijn opgepoetst. En toch: niet opgenomen in een echte studio, maar ergens op de campus van de Universiteit van Miami.
Veel werk verscheen later als heropname op de reguliere albums: Refried Funky Chicken, Holiday en Wages of Weirdness stonden op Free Fall (1977), T.O. Witcher op Kansas' In the Spirit of Things (1988) toen gitarist Steve Morse lid van die groep was, The Great Spectacular kwam op Dregs of the Earth (1980), Ice Cakes en What If op What If (1978) en Leprechaun Promenade en Country House Shuffle op Night of the Living Dregs (1979). Blijft over het vrolijke en countrygetinte slotnummer Kathreen, dat als enige nummer níet op later werk van Dixie Dregs is te vinden.
Mijn vorige album door het werk van Steve Morse was diens StressFest. Dan toch liever The Great Spectacular dankzij de variatie met de viool van Allen Sloan en de toetsen van ene Frank Josephs, niet op de hoes vermeld. Qua stijlen waren de Dregs in die begindagen bovendien gevarieerder.
Opvallend is ook dat de latere versies afwijken van de oorspronkelijke opnamen, zelfs bij het kleine en akoestische T.O. Witcher. Kortom, The Great Spectacular voegt wel degelijk wat toe. In 2024 verscheen het album ter gelegenheid van Record Store Day opnieuw op vinyl. Die van '97 staat op YouTube.
In 2000 was er na vier jaar nieuw werk van Morse. Solo bracht hij Major Impacts uit.
» details » naar bericht » reageer
Steve Morse Band - Stressfest (1996) 3,0
23 april 2025, 07:34 uur
De zesde van de Steve Morse Band en de vierde met drummer Van Romaine en bassist Dave LaRue, de laatste fungeert inmiddels tevens als co-producer naast Morse. StressFest verscheen twee maanden na Purpendicular, Morses albumdebuut bij Deep Purple. De hoes is enigszins een zoekplaatje: boven de letters met de titel zien we de drie gebeeldhouwde leden van de groep.
Verder is het niet verrassend: instrumentale muziek met de elektrische gitaar in de hoofdrol en soms de bas op gelijkwaardig niveau: ook LaRue is een virtuoos op zijn instrument. Qua genre klinkt melodieuze (hard)rock op speltechnisch hoog niveau. Morse laat hierbij melodie prevaleren boven het etaleren van zijn vingervlugheid, al is die frequent te horen.
Daarbij heb ik niet het idee dat hij zijn beste ideeën aan Purple heeft gegeven. Vermoedelijk is hij een veelschrijver met meer dan voldoende inspiratie, het leidt in ieder geval tot een volwaardig album.
Daarbij springen er twee nummers uit: de stevige opener Stressfest heeft folk in de melodieën, maar dan wel van het stevige en virtuoze soort. De tweede helft opent met het ingetogen 4 Minutes to Live, waarin toetsen klinken in oriëntaalse sfeer; de hoes vermeldt niet wie die bespeelt maar het verrijkt het geluid: even wat anders.
Andere nummers die opvallen: Brave New World begint ingetogen en bevat gaandeweg steeds meer shredspel, Delicate Balance is akoestisch en drumloos en afsluiter Live to Ride bevat stoempende blues. Verder vooral een album voor de gitaristen onder ons met nummers die onderling redelijk inwisselbaar zijn. Anders dan op vorig werk stoeit hij niet met country en zelfs de fusionelementen zijn minder dan voorheen, of ze moeten in het basspel van LaRue zitten.
Terwijl Morse druk was met Deep Purple, verscheen het jaar erop de heruitgave van het debuut van Dixie Dregs, Morses eerste groep waarmee hij albums maakte. Dat verscheen oorspronkelijk in 1975 maar nooit via de reguliere kanalen, wat in 1997 alsnog gebeurde. Op naar The Great Spectacular.
» details » naar bericht » reageer
Penetration - Coming Up for Air (1979) 3,5
22 april 2025, 19:49 uur
Op reis door de wondere wereld van new wave en aanverwanten bleek ik de groep Penetration te zijn vergeten. Een jaar na hun debuut, mijn vorige halte, verscheen Coming up for Air dat begin oktober 1979 tot #36 reikte in de Britse albumlijst.
Hij bestaat verrassenderwijs uit demo's (kant 1) en liveopnamen (kant 2). Centraal staat zangeres Pauline Murray, die met de mannen in haar groep een melodieuze versie van het genre neerzet.
Soms gaat de muziek verder dan punk, zoals Last Saving Grace, dat de kant van new wave opschuift omdat de gitaren minder scheuren. Maar het korte Killed in the Rush gromt dan weer venijnig. En dankzij sommige gitaarsolo's, zoals die in Challenge, neigt het naar (hard)rock. Verantwoordelijk hiervoor is gitarist Fred Purser, die zou opduiken bij metalband Tygers of Pan Tang uit Newcastle als vervanger van John Sykes.
Penetration viel namelijk eind 1979 uit elkaar. Pauline Murray ging verder met Pauline Murray & The Invisible Girls en was in 1980 te horen op album Baby's Got a Gun van The Only Ones.
Overigens vermeldt MuMe bij Coming up for Air veertien nummers, waar Discogs er zestien noteert.
In mijn reis door new wave keer ik terug naar 1980: het debuut van Hazel O'Connor.
» details » naar bericht » reageer
Penetration - Moving Targets (1978) 3,5
22 april 2025, 18:30 uur
Op reis door new wave reis ik van de DDR-groep Silly drie jaar terug naar 22 oktober 1978, als Moving Targets de Britse albumlijst betreedt op #22, namens de groep Penetration. Met zo'n bandnaam zou je kunnen denken dat het hier überseksistische machorock of metal betreft, maar dat zit anders.
Frontvrouwe Pauline Murray werd spoedig bekend als één van de vrouwen in de Britse punk. Een vrouw als een zelfstandige, mondige burger in de popmuziek? Dat was in '78 nog geen vanzelfsprekendheid, leer ik ook van deze foto van de Ladies Tea Party, in 1980 georganiseerd in Londen door Debbie Harry van Blondie. Murray ontbrak hierbij, maar past naadloos in het rijtje namen dat in de tekst langskomt. Penetration was afkomstig uit Ferryhill, ten zuiden van Newcastle.
Hierboven een ietwat curieus bericht over "niet kunnen kiezen tussen". In 1978 waren de genoemde stijlbenamingen nog piepjong en liepen de interpretaties ervan dwars door elkaar. Zelfs het onderscheid tussen punk en new wave was nog niet eensluidend, waarbij de termen new wave en postpunk synoniemen waren.
Penetration stond te boek als punk, waarbij ze musiceerden in de voetsporen van Sex Pistols en vooral Buzzcocks. Behalve een vrouwelijke vocalist is de rol van gitarist Fred Purser afwijkend: hij weet af en toe klassieke rocksolo's in de nummers te smeden.
Wat vooral klinkt is uptempo rock met Murrays expressieve en heldere stem. Felste nummers op kant 1 zijn Life's a Gamble en slotlied Stone Heroes. Op kant 2 heten de punkigste nummers Nostalgia (oorspronkelijk van de Buzzcocks) en (oorspronkelijk van de Patti Smith Group) Freemoney - mijn streaming platform schrijft dat spellingscorrect met twee woorden, maar op het oorspronkelijke vinyl is dat anders, net als op latere uitgaven.
Enigszins afwijkend is Movement, dat kant 2 opent: het heeft een vleugje ska in rock verpakt. Verder dus nogal eens "classic (hard)rock". Leuk dat die genres hier zo door elkaar lopen, als een voorbode van de crossover punk/hardcore die later onder invloed van Motörhead en Discharge zou ontstaan. Vanaf 1990 verschenen van Moving Targets cd-edities met vier bonusnummers.
Ook de opvolger van dit album had ik abusievelijk overgeslagen. Volgende halte is daarom Coming up for Air van het jaar erna.
» details » naar bericht » reageer
Silly - Tanzt Keiner Boogie? (1981) 3,0
22 april 2025, 17:57 uur
Dit album van het Oost-Berlijnse Silly is grotendeels dezelfde als het album Silly, dat ik zojuist beschreef.
Het was 1980, de Koude Oorlog bevroor de wereld en zowel het democratische westen en communistische oosten hadden raketten met kernkoppen op elkaar gericht. Silly weet evenwel hun debuut in West-Berlijn uit te brengen bij het label Rocktopus, een dochter van het grote Hansa. De leden mochten daarvoor echter niet naar West-Duitsland (ze konden eens besluiten daar te blijven) en de enige platenmaatschappij van de DDR Amiga biedt alsnog zijn studio aan.
Iets later, in 1981, verschijnt de plaat alsnog in de DDR, nu met andere hoes, de titel Tanzt Keiner Boogie? én een gewijzigde tracklist.
Van de westerse versie sneuvelen Mitternacht en Ich Reiß Ihn Aus. Daarvoor in de plaats komt uptempo poprock in Irgendwann Stinkt Jeden Mal Was An, het stampende kroeglied Der letzte Kunde met enkele leden van DDR-groep City, plus het ingetogen en diep-melancholische Menschenland, waarbij de overige nummers in andere volgorde in de groef worden geperst.
Qua tracklist hoor ik dan toch liever de westerse editie, al is Menschenland meer dan fraai gezongen door Tamara Danz. Opvallend voor een geïsoleerd land als de DDR is dat de productie dik in orde is; het moest zich kunnen meten met de westerse muziek, zoals zelfs de West- en Oost-Berlijnse dierentuinen met elkaar concurreerden... In 1983 verscheen de opvolger Mont Klamott, die ik bij dat jaar hoop te bespreken. In 2006 verscheen deze Silly's als onderdeel van de 7cd-box Die 7 Original Alben.
Mijn reis door new wave gaat terug naar 1978 omdat ik een Londense groep heb overgeslagen: Penetration en elpee Moving Targets.
» details » naar bericht » reageer
Silly - Silly (1980) 3,5
22 april 2025, 17:33 uur
In mijn tocht door new wave was mijn vorige halte in het Engelse Sheffield bij de avant-gardegroep Cabaret Voltaire. Tijdens de reis kwam ik éénmaal eerder de naam van een DDR-artiest tegen: Nina Hagen en haar eerste opnamen, in 2020 verschenen verzameld op Was Denn...? Hier een groep die niet naar het westen vertrok.
Nu dus de volgende. Opgericht in 1978 in Oost-Berlijn in de wijk Prenzlauer Berg. In die tijd nog gelegen in de DDR was een eigentijdse popgroep als Silly bij voorbaat verdacht bij de communistische autoriteiten en dat gold ook voor de Angelsaksische naam. De groepsnaam werd gewijzigd naar Familie Silly en een kat werd aangewezen als mascotte met de naam Silly, als verhaal om onder de overheidsbemoeienis uit te komen. Het enige platenlabel van het land, Amiga, staat uiteraard ook onder controle van de communistische partij en ziet een contract niet zitten.
De groep bestaat dan echter uit vier goede muzikanten met als blikvangster zangeres Tamara Danz. Zij en een ander groepslid spreken Roemeens en hun contacten daar leiden ertoe dat de groep in Roemenië kan optreden. Bij één van die concerten is een westerse platenbaas aanwezig; het leidt ertoe dat de groep bij het West-Berlijnse label Rocktopus (sublabel van het grote Hansa) haar debuut kan uitbrengen. De directie van Amiga zal dit nieuws met gefronste wenkbrauwen hebben vernomen. De groep krijgt geen toestemming om de muziek in West-Berlijn te maken en dus gaat men in de studio van Amiga aan de slag.
Qua new wave is Silly muzikaal gezien een buitenbeentje. Eigenlijk klinkt hier meestal mainstreampop en qua uiterlijke verschijning lijkt met de lange haren van de leden, één van hen bovendien met lange baard, in niets op hun westerse collega's binnen dat genre. Toch heb ik de groep in mijn afspeellijsten met wave gezet: subtiel klinkt protest tegen de overheid en is dat niet één van de motivaties van de prille punk, new wave en post-punk. De cultuur in de DDR is anders; verpakt in vaak mainstream rock klinkt bij Silly wel degelijk anti-establishment.
Nu kreeg new wave ook in het westen vanaf 1980 mainstream elementen: denk aan de mode van de new romantics en groepen als Duran Duran en Spandau Ballet. Wat dat betreft is het alsof Silly hen vóór was.
Veel inleiding, hoe zit het echter met de muziek? Met de hoes valt meteen op dat de groep zich weer gewoon Silly noemde. Opener Tanzt keiner Boogie is op funk geschoeid en Danz vraagt zich af "Wer tanzt mit mir, kein Mesch tanzt hier, Sie sitzen rum bei ihrem Bier". Je kunt er, goed gecamoufleerd, een politieke boodschap in lezen: "Tanzt keiner Boogie von diesen hochverehrten Herrn?". De krachtige stem van Danz heeft een rauw randje en overtuigt onmiddellijk.
Angst in der Nacht begint met elektrische piano, intro van een vlot rocknummer dat een nachtmerrie beschrijft; opnieuw kun je er ook kritiek op het leven in een dictatuur in horen. Het volgende nummer Mitternacht dan echter een heel brave liefdesballade, waarna Blue Jeans opnieuw pittige rock bevat met een tekst die duidelijk een voorkeur voor de westerse spijkerbroek verraadt, als kleine verzetsdaad tegen de op Moskou georiënteerde (mode)opvattingen van de DDR-leiders.
Kant 2 start met Pack deine Sachen met muziek die je wel met die van Het Goede Doel zou kunnen vergelijken: poprock die bovendien dansbaar is. Reggae in het pakkende Danach kräht kein Hahn mehr, vlotte rock in Ich Reiß Ihn Aus en een kalm slot middels Gut´Nacht Amigo.
Wat ik niet heb kunnen vinden is de verschijningsdatum, die vermoedelijk in de tweede helft van 1980 ligt. Dat blijkt uit het feit dat in Oost-Berlijn de heren van Amiga plotseling wél wat in dit album zien en het in 1981 alsnog uitbrengen onder de titel van het openingsnummer. Bij Tanzt Keiner Boogie? vervolgt dan ook mijn verhaal.
Met eerst een PS'je: vorige week zag ik de indrukwekkende ZDF-documentaire 75 Jahre Deutschland – Wir Grenzgänger over het leven in de DDR, over vrijheid en staatscontrole. Daarin enkele bijzondere verhalen, die me soms bijna naar adem deden happen. Helpt om te begrijpen in welke context Silly haar muziek maakte. Knap dat men dan met dit album wist te komen, dat bovendien goed geproduceerd is.
» details » naar bericht » reageer
Cabaret Voltaire - The Voice of America (1980) 3,0
22 april 2025, 09:55 uur
Het derde album van Cabaret Voltaire in 1980, na het debuut "Mix-Up" uit '79 en de veertig minuten durende Three Mantras uit mei 1980. Dat bestaat uit slechts twee nummers op 33⅓ RPM, zelfs voor streaming niet in stukjes geknipt, hetgeen lucratiever zou zijn geweest aangezien die platformen per gedraaide track uitkeren. Hij staat op MuMe als EP maar met de lengte en het toerental van 33⅓ toch echt een elpee en tegelijkertijd een tussendoortje. In juli 1980 bracht de groep uit Sheffield The Voice of America uit.
Die is met zijn tien nummers stukken enigszins toegankelijker. Klonken op "Mix-Up" nog livedrums, dat is op The Voice of America voorbij: alle percussiegeluiden komen uit een doosje, met Stay out of It als uitzondering. Ten opzichte van een jaar eerder klinkt minder noise, waarbij nog altijd wordt geëxperimenteerd met geluiden. Dit buiten de geijkte patronen van coupletten en refreinen.
In de albumtitel zou je een boodschap kunnen zien, maar met de fragmentarische teksten is het maar de vraag of dat zo is. Eigenlijk hoor je diverse stemmen van Amerika, zoals instructies voor politiemensen hoe te handelen bij een concert van de Beatles, zoals de dwingende openingsklanken van het album doen. Bedoelt het trio Cabaret Voltaire te zeggen dat deze instructies kenmerkend zijn voor de VS?
Meer over de openingsgeluiden las ik bij Electronicsound.co.uk. In Damage Is Done een monotone beat, lange geluiden op elektrische gitaar en spreekzang. Partially Submerged doet hetzelfde maar dan zonder stem of beat, waardoor het tot een soundscape wordt met nadruk op elektronica. Kneel to the Boss (een politiek statement?) is dan weer met drumcomputer en spreekstem, Premonition avant-gardistisch en This Is Entertainment als vervreemdende dance.
If the Shadows Could March is een kleine minuut als de soundtrack bij sci-fi, waarna het conventionelere Stay out of It warempel iets van Talking Heads wegheeft. Met Obsession en News from Nowhere meer elektronische beats en gesampelde geluiden, waarna Messages Received op z'n postpunks afsluit met warempel een melodie. Monotoon maar toch, dit is het nummer dat ik in mijn afspeellijst met new wave zet.
Vervolgens reis ik verder door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave. Ik kwam van single The Harder It Comes van Joe Jackson, onder meer te vinden op diens verzamelaar Master Series. Volgende station is het debuut van het Oost-Duitse Silly.
» details » naar bericht » reageer
Roxy Music - Viva! Roxy Music (1976) 4,5
Alternatieve titel: The Live Roxy Music Album, 19 april 2025, 20:07 uur
Inhaalslag. Afgelopen november in Neerlands meest noordelijke platenzaak gekocht (Simply-Listening in het Groningse Ulrum - paradijsje!) deze Viva! Roxy Music - The Live Roxy Music Album.
In het najaar van 1976 ging ik actief naar de radio luisteren (Hilversum 3 en later andere zenders erbij) en dus was ik net te laat om deze van Roxy Music bewust mee te maken; hij verscheen in juli dat jaar. Toen Virginia Plain in 1977 een hit werd, vond ik dat een geweldig nummer (opgenomen met cassette van de radio, zoals vele tieners dat destijds deden). Had ik deze plaat gekend, dan was ik omver geblazen.
Opgenomen in 1973, '74 en '75 is dit een sterke dwarsdoorsnede van de beginjaren van Roxy Music, een eigenwijze rockgroep. Verpakt in een klaphoes met daarop enkele tv-/videofoto's, aan de gestreepte weergave te zien.
Ik ontdek ook dat er nog altijd enige geheimzinnigheid rond dit album hangt. Dit wat betreft de baspartijen: wie speelt wat? De achterzijde van de hoes vermeldt naast John Wetton ook zijn voorgangers John Gustafson (ik ken hem van onder meer Roger Glovers The Butterfly Ball and the Grasshopper's Feast en de Ian Gillan Band, alsmede Sal Maida (hierna bij powerpopgroep Milk 'n' Cookies). En dan staat vermeld de naam van de latere bassist-van-Foreigner Rick Wills, die overdubs zou hebben verzorgd.
Out of the Blue is fel en dreigend; je vraagt je af waarom het nummer nooit is gecoverd door een (doom) metalband. Met onder meer een pakkende vioolsolo van Eddie Jobson, die ik ken van later werk bij Jethro Tull. Pyjamarama is eveneens volop stevig, het gitaarwerk van Phil Manzanera is wederom heavy. Met The Bogus Man doet funk zijn intrede, drummer Paul Thompson mept strak door, John Wettons bas gromt licht en de sax van Andrew Mackay weent. En steeds die aparte zanglijnen van Bryan Ferry, zo afwijkend van het croonen dat hij in latere jaren ging doen.
De toetsenpartij van Jobson in Chance Meeting is met het vocale deel onheilspellend, waarbij de hobo van Mackay verrassend goed past. Ik herken de sfeer zoals ik die bij bijvoorbeeld Siouxsie and the Banshees tegenkom; het kan niet anders dan dat de muzikanten van haar scene en generatie sterk beïnvloed zijn geweest door Roxy Music. Het gaat over in het pompende Both Ends Burning met zijn dalende akkoordenreeks en klaterende sax, waar de partijen van achtergrondkoor The Sirens een extra laag vernis brengen.
Met het ruim tien minuten durende If There Is Something heb ik ondanks de diverse delen in het nummer minder, maar de statistieken bij Viva! leren mij dat ik een uitzondering ben: het is de grootste favoriet hier. Voor het eveneens uitgerekte In Every Dream Home a Heartache geldt hetzelfde, de één na grootste favoriet van de plaat volgens de MuMens. Maar ik ben nu eenmaal van de generatie punk, wave en metal: uptempo muziek heeft vaak mijn voorkeur. Geef mij op kant 2 maar Do the Strand.
Vol en vet geproduceerd door Chris Thomas, verbaas ook ik me erover dat er tot de dag van vandaag niet een uitgebreidere versie van Viva! Roxy Music is verschenen. Op deze wijze blijft het echter wél relatief kort maar krachtig. Een stevig, luid en gevarieerd monument van een hecht spelende groep.
» details » naar bericht » reageer
Nina Hagen - Personal Jesus (2010) 4,0
18 april 2025, 12:30 uur
In 2010 werd Nina Hagen christen, mede door haar contacten in een Duitse kerkgemeenschap, net over de grens nabij Enschede. Ze vertelt erover in haar biografie, die niet lang nadien verscheen.
Het resultaat is hoorbaar in de teksten, waarbij Hagens stem twee (?) octaven is gezakt ten opzichte van haar jonge jaren en een gebarsten randje heeft opgedaan. Wennen wellicht, maar met haar onverminderde expressiviteit is dat geen probleem.
Mijn streamingplatform meldt dat er een 15th Anniversary Edtion is. Ik beluister 'm - hoe toepasselijk - op Goede Vrijdag.
Een hele lading covers en stijlen uit de geschiedenis van de "lichte" muziek vormt de rode draad van een aangenaam album.
In God's Radar klinkt vrolijke zydeco, gospel in I'll Live Again. Rockende gospel in Personal Jesus, blues in Nobody's Fault But Mine. Terug dus naar de wortels van popmuziek, symbolisch voor haar persoonlijke queeste. Later ook folkachtig dankzij mandoline en dan country met steelguitar.
Halverwege (track 7) duikt nieuwe track I Am Born to Preach the Gospel op, eveneens een cover. De sfeer blijft onverminderd opgewekt. Tot met de snelle fiddlecountry van slotlied All You Fascists Bound to Lose een ernstige waarschuwing volgt, zij het alweer in vrolijk jasje... De laatste twee nummers zijn op streaming overigens verwisseld.
Ik weet niet of deze editie in fysieke vorm een uitgebreidere verpakking kent, wél dat ik van de weeromstuit zin krijg in het latere werk van stijlgenoot Johnny Cash. T.z.t. kunnen hij en frau Hagen in Hemelrijk een mooi affiche vormen...
» details » naar bericht » reageer
Barren Cross - Rattle Your Cage (1994) 4,0
17 april 2025, 20:24 uur
In 1994 was er ineens volkomen onverwacht een nieuwe Barren Cross. De groep was na het ijzersterke State of Control en een tournee uit elkaar gevallen, wat mogelijk ook te maken had met de financiële problemen bij platenlabel Enigma. Dat wist ik niet, wel verscheen onverwacht het incomplete Hotter Than Hell! Live.
En dan vier jaar later even onverwacht een nieuw studioalbum. Bleek dat de groep bij elkaar was geweest om één of twee nummers op te nemen voor een verzamelaar, wat uitmondde in een volledig album. Twee van de heren hadden inmiddels kortgeknipte koppies, drummer Steve Whittaker werkte bij de LA Police Department.
Rattle Your Cage heeft niet de geperfectioneerde productie die de heren destijds door John en Dino Elefante kregen aangemeten. Het zelfgeproduceerde album klinkt rauwer maar nog altijd vól, in 1994 helemaal passend bij de tijdgeest.
Destijds vond ik er weinig aan, maar ik leed aan metaalmoeheid en kwam bij akoestischer muziek (Sixteen Horsepower en zelfs Johnny Cash) terecht. Vorig jaar pikte ik de cd echter uit een bak in Gorinchem en 31 jaar later is de hernieuwde kennismaking méér dan smakelijk, inclusief de productie. Volvette metal gespeeld door topmuzikanten.
Zanger Mike Lee heeft namelijk longen als orgelpijpen (passend bij white metal zoals we dat toen noemden), immens met een groot bereik waarbij hij zowel ingetogen als rauw weet te excelleren. In de eerste helft vind ik qua composities vooral de even nummers goed. Dus Here I Am met zijn machtige refrein, het gejaagde en tegelijkertijd swingende No Time to Run en de powerpop met scheurende gitaar van Somewhere Far Away. Niet geheel toevallig zijn dat de melodieuzere composities.
De tweede helft is nog sterker. Mijn uitschieters zijn het felle Feed the Fire, de powerballad Let It Go Let It Die met een - voor metal - opvallende baslijn en hetzelfde gebeurt in J.R.M. dat helaas knullig wordt weggedraaid (vast iets met tijdnood en beperkt budget), Your Will is voor een ballade te doen (ben daar niet zo van) en gelukkig een hard slot met Midnight Son met daarin een fraai middendeel.
Een beperkt budget wreekt zich in de voorzijde van de hoes (de eerste digitale knutsels waren beperkt) en de bandfoto met zijn groffe korrel op de achterzijde van het inlegboekje. Bovendien heeft mijn boekje (UK-versie) per ongeluk een lege pagina...
In 2021 verscheen het album bij Retroactive in geremasterde editie. Dit bovendien met een nieuwe hoes en niet alleen op cd maar - voor het eerst - ook op elpee. Hier op Discogs. Ziet er meteen stukken beter uit.
Volgende en tot dusver laatste album van de groep was live-cd Birth Pangs uit 2013. Mike Lee bracht zomer 2024 een album uit met Human Code, tijd dat ik daar eens voor ga zitten - en 'm toevoegen op MuMe.
Vraag ik me opeens af: nu er een handelsoorlog met de VS is uitgebroken, wat betekent dat voor importplaten? Ik vrees dat de gevolgen niet best zijn
» details » naar bericht » reageer
Joe Jackson - Master Series (1998) 5,0
Alternatieve titel: The Universal Masters Collection, 17 april 2025, 18:51 uur
Ik reis door de new wave en bevind me in juli 1980. In de laatste week van die maand betreedt non-albumsingle The Harder They Come de Nationale Hitparade, waar het in augustus twee weken op #34 staat. In de Top 40 geraakt de single diezelfde maand tot #35.
De eerste verzamelaar van Joe Jackson op MuMe te vinden met dit nummer erop is dit Master Series, pas 18 jaar nadien verschenen. Discogs vermeldt ook de compilatie Joe Jackson van een jaar eerder. En nog steeds niet te vinden op een bonusversie van album Beat Crazy.
Hoe dan ook: heerlijk liedje, waarbij ik pas net ontdek dat het cover is. Het origineel behoort aan Jimmy Cliff uit 1971: hier diens versie.
Wie een verzamelaar van Joe Jackson zoekt, zou moeten checken of dit nummer daarop is te vinden. Dat de muziek op zijn verzamelaars niet homogeen is, is voor mij juist een aanbeveling, passend bij zijn oeuvre.
Mijn reis kwam van Robin Lane & The Chartbusters en vervolgt in augustus 1980 bij Cabaret Voltaire en hun The Voice of America.
» details » naar bericht » reageer
Robin Lane & The Chartbusters - Robin Lane & the Chartbusters (1980) 4,5
17 april 2025, 17:11 uur
Op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave. Vanaf de Londense vrouwengroep Mo-dettes geraak ik bij deze groep uit Boston, Massachusetts.
Vorig jaar kwam ik het titelloze debuut van Robin Lane & The Chartbusters tegen in het Duitse Minden bij een meer dan goed gesorteerde winkel met veel tweedehands geluidsdragers. Ik nam 'm op de gok mee. Heb haar in de jaren ’80 live gezien, waar niks van was blijven hangen behalve nieuwsgierigheid.
Die wordt bepaald niet teleurgesteld. Kant 1 bevat zes nummers; opener en tevens single When Things Go Wrong is een melancholiek liedje (als single in juli '80 #87 in de Billboard Hot 100. It’ll Only Hurt a Little While zit in dezelfde hoek met de herkenbare, ietwat lage stem van de zangeres.
Met het melancholische en snellere Don’t Cry is het helemaal raak en als Without You er iets rockender een schepje bovenop doet, blijkt het album definitief warmgedraaid, mede dankzij de melodieën.
Gitaristen Leroy Radcliffe en Asa Brebner (beiden ex-Jonathan Richman & The Modern Lovers) hanteren een helder, vrij clean geluid. Ik moet warempel denken aan groepen als The Byrds en Tom Petty & The Heartbreakers. Bij The Chartbusters is het echter venijniger, pittiger.
Why Do You Tell Lies heeft weliswaar niet zulke sterke zanglijnen, maar de gitaarpartijen maken dat helemaal goed. Met kant 1-afsluiter I Don’t Wanna Know wordt lichtelijk ouderwets rockend afgesloten. Hier valt de ritmesectie met al zijn swing op, dankzij bassist Scott Baerenwald en drummer Tim Jackson. Gaandeweg denk ik tevens aan Patti Smiths werk, zonder dat Lane en haar mannen dat proberen na te doen. Iets met de sfeer.
Op kant 2 vijf nummers. Het begint zowel gekruid als licht-melancholisch met Many Years Ago dat warempel op Britse tijdgenoten in de wave lijkt met de scherpe gitaarpartijen. Mijn favo van deze elpee.
Waitin’ in Line heeft dankzij het gitaarspel echo’s van de flowerpower / folk in elektrische stijl jaren ’60 en is tegelijkertijd helemaal new wave; lijkt misschien onmogelijk, hier gebeurt het en laat ik ook het pakkende drumwerk in het slot noemen.
Be Mine Tonight is eveneens lekker uptempo met een korte maar pakkende gitaarsolo, Kathy Lee lichter met kristalheldere gitaren, waarin de stem van Lane aan melancholie wint. Het steviger Don’t Wait Till Tomorrow vormt het dynamische einde van de plaat. Teksten en wat foto’s van de groepsleden op de binnenhoes maken het af.
De vorige eigenaar onderstreepte track 2, 4, 5, en 7 als zijn favorieten; we zijn het deels eens. Bij website Music Museum of New England ("To us, she was Boston's Chrissie Hynde") vond ik een boeiend artikel uit 2023, puttend uit een interview met de zangeres. Daar lees ik onder meer dat ze al in 1969 bij Neil Young achtergrondzang deed op diens album Everybody Knows This Is Nowhere.
Dan zijn Robin Lane & The Chartbusters toch een andere muzikale wereld. Bovendien wordt duidelijk wat ze ná The Chartbusters deed, zowel solo als buiten de muziek. Ook blijkt dat drummer Tim Jackson een docu over Lane maakte, en dezelfde website zette deze livebeelden online.
Nog in datzelfde 1980 verscheen de EP 5 Live en een jaar later de studio-opvolger, maar mijn reis door new wave blijft nog even in juli 1980. Omdat ik skahitje Easy Life van de Londense vrouwengroep The Bodysnatchers al besprak bij verzamelaar Dance Craze, net als Crocodiles van Echo & The Bunnymen, Closer van Joy Division en The Correct Use of Soap van Magazine, vervolg ik bij Joe Jackson en een single die alleen in Nederland een hit werd. Op naar de verzamelaar Master Series.
» details » naar bericht » reageer
Steve Morse Band - Structural Damage (1995) 3,0
17 april 2025, 08:47 uur
Omdat Steve Morse in 1996 debuteerde bij Deep Purple met Purpendicular, nam ik gemakshalve aan dat hij ten tijde van dit Structural Damage nog vooral aan zijn eigen carrière werkte, wat ik bij zijn vorige album (een nieuwe Dixie Dregs) abusievelijk noteerde.
Door het bericht hierboven van hnzm word ik erop gewezen dat Morse bij verschijning reeds bij de paarse mannen zat. Sterker nog, vanaf 1994 al, zie ik vervolgens! Eerste optreden op 23 november dat jaar. Mogelijk heb ik dat destijds gelezen, maar feitjes als deze vergeet ik makkelijk...
De rest van bovenstaand bericht klopt in mijn opinie ook: ten opzichte van zijn eerdere werk bevat Structural Damage muzikaal gezien geen verrassingen, opnieuw 100% instrumentaal. De Steve Morse Band bestaat dan naast de naamgever nog steeds uit bassist en co-producer Dave LaRue en drummer Van Romaine. Nieuw is de platenbaas: High Street.
Maar stel je voor dat Morse dit album als cv naar Purple stuurde. En dat de heren Gillan, Glover, Lord en Paice een luistersessie hielden. Vier mannen luisteren kritisch, maken aantekeningen en moeten aan het einde een conclusie trekken: is deze gitarist geschikt voor de groep? Past zijn spel bij de stijl van Purple? Kan hij de schoenen van Ritchie Blackmore vullen?
Het album begint midtempo en melodieus met Sacred Ground, gevolgd door het vlotte Good to Go, waarin sneller gitaarwerk én een bassolo; toch blijft melodie belangrijk. Hierna doet Dreamland zijn naam eer aan, Barbary Coast heeft een staccatoriff en zingende gitaarlijnen met suggesties van folk, waarna Morse in het uptempo Smokey Mtn. Drive zijn effecten uitzet en country in hun stevige rock integreert. Slice of Time is het akoestische slot van de eerste helft voor gitaar en (elektrische) bas en doet renaissance aan. "Een nummer voor de nieuwe van Ritchie!" knipoogt Jon Lord.
Native Dance heeft een vierkante riff, onvoldoende voor de 4'40" die het duurt. Just Out of Reach bevat kalme laatavondmuziek, een ballade met de melodie centraal. Dan liever Rally Cry. Nog altijd vrij langzaam en met een elektrische folkriff op z'n Gary Moores, waarna de traditionele fusionelementen worden toegevoegd.
Foreign Exchange is het tweede akoestische nummer maar hier heeft de gitaar vooral een begeleidende rol en is het LaRue die op bas de hoofdrol krijgt. Met slotlied en titelnummer Structural Damage is er dan eindelijk vuurwerk, zowel op gitaar als bas.
De vier leden van Purple knikken na afloop goedkeurend. "Past goed bij ons, hij is veelzijdig," vindt Glover. "Met gevoel voor melodie," vult Gillan aan. Paice heeft nog wel een kritische noot: bij ons moet het pittiger, maar ik ken ouder werk van hem: dat komt wel goed!"
In hetzelfde jaar als de nieuwe Purple verscheen de volgende van de Steve Morse Band. Hij was een bezig baasje.
» details » naar bericht » reageer
Dixie Dregs - Full Circle (1994) 3,5
16 april 2025, 08:11 uur
Dixie Dregs begon al in 1970, in 1975 werd het serieus en vanaf 1977 tot en met 1982 verscheen jaarlijks een studioalbum met een mix van scheurende rock en jazzrock, waarin soms folk en country. Dan valt de groep uit elkaar, de gitarist begint zijn Steve Morse Band maar vanaf 1989 komt de groep voor incidentele minitournees weer bij elkaar. In 1992 leidt dat tot livealbum Bring 'em Back Alive, twee jaar later gevolgd door dit in de studio opgenomen Full Circle.
Net als toen zijn de Dregs meer dan de omlijsting voor Morse, alhoewel deze wederom alle muziek schreef. Zo is daar toetsenist T. (Terry) Lavitz, in 1978 tot de groep toegetreden en nieuw is violist en veteraan Jerry Goodman, bekend van onder meer John McLaughlin en de Mahavisnu Orchestra. Van de Steve Morse Band is afkomstig bassist Dave LaRue en de begaafde Rod Morgenstein zit al vanaf de begindagen op de drumkruk.
Ook deze Dregs is weer volledig instrumentaal. Een swingend begin dankzij de lopende baslijn van Aftershock met solo's voor diverse groepsleden, waarna Perpetual Reality nog iets sneller vervolgt en Calcutta (Een ode aan moeder Theresa?) midtempo met een enkele folkmelodie en een bassolo enige rust brengt.
Goin' to Town klinkt als elektrische Gypsy jazz, geïnspireerd door Django Rheihardt met passend honkytonk pianospel en een uiteraard een virtuoze vioolsolo. De eerste helft sluit af met Pompous Circumstances, waar progrock in de sfeer van Kansas klinkt, waarmee Morse in '86 en '88 platen uitbracht.
De tweede helft opent met een stevige, instrumentale versie van Shapes of Things van The Yardbirds. Dat de serieuze muzikanten tegelijkertijd humoristisch zijn blijkt uit de titel-met-knipoog-naar-de-film Sleeveless in Seattle, ongetwijfeld verwijzend naar Morses t-shirts. In het lied klinkt de nodige prockrock. Met een prachtige gitaar-/vioollijn, die wegheeft van Sometimes I Feel Like Screamin' van Deep Purple, Morses aanstaande groep. Vergelijk maar eens, te vinden op hun Purpendicular uit 1996. Mede geschreven door... Steve Morse. Uiteraard.
Het wordt gevolgd door pakkende progrock in Good Intentions en het akoestische Yeolde, waarmee zo'n lied nu eens níet als slotlied fungeert, want dat is Ionized. Stevig, scheurend en uptempo met nog eens soloruimte voor de diverse musici.
Dit zou het laatste album van Dixie Dregs blijken, al volgde er in 1997 nog eentje met pre-debuutwerk. Volgende album van Morse was Structural Damage met de Steve Morse Band. Daarna trad hij toe tot Deep Purple. Iets van die groep hoor je al op deze Dixie Dregs, al zijn de associaties met Kansas groter, dankzij de progrock van sommige nummers én het vioolspel.
Full Circle staat niet op mijn streamingplatform, wél op JijBuis.
» details » naar bericht » reageer
Mo-dettes - The Story So Far (1980) 4,0
14 april 2025, 21:15 uur
Inmiddels ben ik aanbeland bij de new wave van juli 1980, reizend van het vierde album van Pere Ubu.
Op de 13e van die maand piekt Paint It Black op #42 in de Britse hitlijst. Inderdaad een cover van de Rolling Stones en eigenlijk hebben de dames van Mo-dettes weinig daaraan veranderd - en tegelijkertijd veel. Alleen al de onweerstaanbaar vrolijke zang van Ramona Carlier en hoe het lied in een jasje van punk-rammelgitaar wordt gehesen, feiten die genoeg zijn om te grijnzen.
Geopend wordt met Fandango met een Franstalige tekst, een nummer dat meteen de toon zet. Tweede hoogtepunt is Dark Park Creeping en de derde het slotlied van kant 1, White Mouse Disco mijn favoriet van dit album.
Kant 2 opent sterk met Bedtime Stories dat een versnelde reggaebeat heeft, of is het gewoon ska? De gitaarpartijen bestaan echter uit lange, in flangereffect gedrenkte noten, waarbij drumster June Miles-Kingston energiek rondmept.
Masochistic Opposite is punkachtig, maar opnieuw is het de zang die het liever lijkt te maken. 'Lijkt', want de dames zijn strijdbaar. Meer reggae in de percussie in Milord, een Franstalig nummer dat ik ken van Corry Brokken en (het origineel) van Édith Piaf; een hit in resp. 1960 en '59.
The Story So Far miste de Britse albumlijst. Maar wél een zeer aangenaam plaatje, een glimlach op de lippen toverend.
Het bleef hun enige album. Wel werd er twaalf maanden later nog uiterst bescheiden gescoord met single Tonight, die #68 haalde. De groep viel in '82 uit elkaar, Miles-Kingston dook later op bij Fun Boy Three en The Communards.
Volgende halte: het debuut van Robin Lane & The Chartbusters.
» details » naar bericht » reageer
Marie Laforêt - Marie Laforêt (1964) 4,0
Alternatieve titel: Album 1, 14 april 2025, 20:15 uur
Laatst op tweedehands vinyl opgepikt. Heerlijke jaren '60 chansons van film- en theateractrice, auteur en ook een tijdje galeriehoudster Marie LaForêt, enigszins vergelijkbaar met het werk uit die tijd van Liesbeth List en France Gall.
Ja, ik houd wel van dat oude chanson, ook al beheers ik de Franse taal onvoldoende om te doorgronden wat deze enigszins literaire teksten vertellen. Wel vind ik de sfeer heerlijk, passend bij de warme gloed van de ondergaande zon.
Ik hoor twee covers: op kant 1 Viens sur la Montagne, oorspronkelijk de gospel Go Tell It on the Mountains alsmede Blowin' in the Wind, Engelstalig en inderdaad die van Bob Dylan.
Maar veel liever de overige muziek, met als hoogtepunten de weemoed van L'amour qu'il fera demain, haar bekendste nummer La Tendresse, de salonjazz in Un amour qui s'est éteint en het vrolijke Les Noces de Campagne. Soms is het folkachtig en klein, soms met orkest. In Qu'est-çe Qui Fait Pleurer les Filles zit een theelepelpuntje rock 'n' roll. LaForêts heldere stem kan die stijlverschillen vol souplesse aan.
Lekker zomerplaatje, het seizoen waarin ik chansons het liefst hoor. Begin alweer zin in de Tour de France te krijgen...
» details » naar bericht » reageer
Dixie Dregs - Bring 'em Back Alive (1992) 3,5
14 april 2025, 07:23 uur
Comebackalbum van Dixie Dregs met naast originele groepsleden Steve Morse (gitaar), Allen Sloan (viool), T. Lavitz (toetsen) en Rod Morgenstein (drums) de van de Steve Morse Band ingevlogen Dave LaRue (basgitaar). Verschenen in juli 1992 ligt de nadruk op de fusion(rock) van de groep.
De vocale nummers uit hun latere jaren toen de groepsnaam werd ingekort tot Dregs, laten ze liggen; wat klinkt is voluit instrumentaal en bovendien hoor je behalve de aankondiging geen praatjes richting publiek. Voor thuis inderdaad "leuk gepriegel", zoals hierboven vermeld, het publiek zal op deze twee avonden in februari 1992 Atlanta, Georgia, hebben genoten van de rasmuzikanten. Uitgebracht door Capricorn, hun eerste label en daarmee ook in dat opzicht een reünie.
De groep koos voor een dwarsdoorsnede van hun werk: Van Free Fall (1977) komen Holiday en Cruise Control langs, van What If (1978) Odyssey en Take It off the Top, van Night of the Living Dregs (1979) wordt Country House Shuffle gespeeld, van Dregs of the Earth (1980) Road Expense en Hereafter, van Unsung Heroes (1981) zijn afkomstig Kat Food, Divided We Stand en nogmaals Cruise Control en van hun laatsteling Industry Standard (1982) zijn Assembly Line en Bloodsucking Leeches vertegenwoordigd.
Plus dat er covers klinken: Led Zeppelins Kashmir maar dan instrumentaal en in de medley die Take It off the Top is geworden kun je vier klassiekers uit de rock ('n' roll) herkennen: Freebird, Gimme Some Lovin', My Sharona en Summertime Blues.
Het spelplezier spat uit de bits. Climax is slotnummer Cruise Control met daarin niet alleen een uitgebreide solo voor Rod Morgenstein (op dat moment tevens op de loonlijst bij Winger) maar tevens een fel duel tussen gitaar, viool, toetsen en bas.
Een plaatje vooral voor muzikanten, ook voor mij geldt dat het soms wel veel gepriegel is. Niet op mijn streamingplatform, wel op YouTube.
De reünie leidde tot nieuw werk van de Dregs: Full Circle verscheen twee jaar later.
» details » naar bericht » reageer
Steve Morse Band - Coast to Coast (1992) 3,5
13 april 2025, 21:01 uur
De derde voor label MCA en de tweede voor hen als Steve Morse Band, opvolger van Southern Steel. Bij het intro van de stomende opener User Friendly denk ik onmiddelijk aan Rush en The Spirit of Radio. Het komt door de als een loop snel repeterende, überlekkere gitaarlick.
Maar ook de rest van het nummer is bijzonder aangenaam: ik hoor in dit nummer méér qua briljante combinatie melodie met razendknap snarenspel dan op heel Southern Steel bij elkaar. En dát is juist één van de kwaliteiten van Morse. Hij kon het dus nog. Uiteraard.
Op het eveneens stevige en uptempo Collateral Damage tevens knap baswerk van Dave LaRue, waarna het intro van Get It in Writing bijna als renaissancemuziek binnenkomt; muziek die Ritchie Blackmore zou kunnen waarderen, al weet ik uiteraard niet hoe hij het steviger, midtempo vervolg beleeft. Mijn tweede favoriet van het album, waarna Morning Rush Hour ook al zo aangenaam blijkt, met dat gitaargeluid dat doet denken aan die klassieker van Dixie Dregs Take It off the Top uit 1978.
Anders dan op de voorganger dient zich een stilistisch zijweggetje aan: het snelle Runaway Train is uit countryklei getrokken, voor het eerst in deze bezetting van zijn groep. Een aangename onderbreking van de stijl hiervoor, rock met 'n vleugje fusion.
De tweede helft begint met het rustige Long Lost waar het eens niet om snel snarenspel draait, waarna het midtempo en stevige The Oz volgt met, hnzm noteerde het al, een meer dan fraaie gitaarsolo.
Fusionrock in Over Easy veel ruimte voor virtuositeit op de bas, meer in die stijl op Cabin Fever waarna deze Morse ook in diens traditie afsluit, namelijk akoestisch: Flat Baroque.
Al met al pakkender dan de voorganger en dus een 7,5 in plaats van een dikke 6. Wel is de eerste helft beter dan de tweede, waar vaker platgebaande wegen worden betreden, het muzikale vakmanschap ten spijt.
Ook deze van Morse bij MCA staat niet op mijn streamingplatform, zodat ik naar YouTube uitweek, waar ik deze playlist vond met in de beschrijving een incorrecte tracklijst. De juiste staat een eindje daaronder, namelijk hier.
Coast to Coast verscheen in juni 1992. Een maand later verscheen van Dixie Dregs livealbum Bring 'em Back Alive. Anders dan ik me voornam toen ik aan deze odyssee door Morses werk begon, toch maar eens livewerk beluisteren.
» details » naar bericht » reageer
Pere Ubu - The Art of Walking (1980) 3,5
13 april 2025, 20:55 uur
Onderweg door de gevarieerde wereld van new wave in de zomer van 1980. Van de somberheid van Joy Divisions afscheidssingle Love Will Tear Us Apart naar de gekte op The Art of Walking, de vierde elpee van Pere Ubu. Nieuw in die groep was gitarist Mayo Thompson.
In hun avant-garderock werd voorheen nogal wat jazz gesmeed. Zou ik dat hier weer tegenkomen? Het begint echter met de (weliswaar eigenwijze) funkrock van Go, waarna het op twee akkoorden leunende Rhapsody in Pink, waar zanger David Thomas vertelt hoe hij hij als paarse bal in het water verdween waar de vissen hem aankeken op de bodem van de zee. Dankzij de pianopartij klinkt hier voor het eerst jazz.
Dan volgt muziek met rare toetsenpartijen van Thompson, Thomas, soms bassist Tony Maimone maar vooral Allen Ravenstine, zoals het instrumentale Arabia. Met de daarop volgende nummers wordt geprobeerd om muziek te laten versmelten met hoorspelen, de audiospeelfilm die zo populair was in de radiodagen vóór televisie. Voorbeelden hiervan zijn Tribute to Miles, nadien Young Miles in the Basement genoemd en Loop, de opener van kant 2. Met in beide nummers die vervreemdende zang en eigenzinnige percussiepatronen.
Tussendoor staat Misery Goats, een soort postrock met Thomas' kenmerkende fladderzang. Met alle mallotigheden zou je gaan denken dat deze heren niet konden spelen, maar met Rounder staat er opeens een groove om u tegen te zeggen. En in Horses zingt Thompson en wordt het plotseling melodieus-vrolijk tot en met fluiten toe. Niet-passend in deze context en juist daarom extra leuk.
Slotlied Crush This Horn is alsof je op een ouderwetse radio tussen twee stations zit met irritant gepiep tot gevolg. Ach ja, als alles kan, waarom dat niet?
Kortom: onvoorspelbaarheid troef. Doen waar je ZIN in hebt. Volgende halte in het land van new wave: het vrolijke The Story So Far van de Londense Mo-dettes, een album dat ik al eerder tegenkwam.
» details » naar bericht » reageer
Ram Jam - Portrait of the Artist as a Young Ram (1978) 3,5
13 april 2025, 18:00 uur
Het bericht hierboven is inmiddels meer dan 2,5 jaar oud en niemand die op Arjan Huts lijst heeft gereageerd? Terwijl hij dit Portrait of the Artist as a Young Ram boven het debuut van Van Halen en werk van onder meer Rush, Styx, Journey, AC/DC, Boston, UFO en Angel zet?
Ik heb de plaat in de kast staan en nadat Satriani/vai me vandaag een pm stuurde (reactie volgt!) waarin hij Ram Jam noemde, heb ik deze daaruit geplukt. Hoe moet ik 'm waarderen?
Het debuut van Ram Jam ken ik niet op Die Ene Single na, deze opvolger kocht ik in het najaar van 2020 op vinyl bij Wim's Muziekkelder in Doetinchem. Amerikaanse hardrock op z'n hardst, de wortels duidelijk in de blues en die tevens vér voorbij.
Uitschieters zijn op kant 1 Turnpike, waar deze rauwe gitaar-bas-drumsgroep toetsen inhuurde die bijzonder goed werken in een prog-rock/aor-achtig intro, de snelle opener van kant 2 Just Like Me met (weer eens) knallende gitaarwerk van Jimmy Santoro, waarna er met Hurrican Ride nog een schepje bovenop wordt gedaan.
Het resultaat doet enigszins denken aan de fameuze derde van Y&T van drie jaar later Earthshaker, een groep die overigens in '78 Struck Down uitbracht.
Niet alles is even massief: Saturday Night is melodieuzer, maar alleen al het gitaarintro van Runway Runaway doet de speakers vervolgens trillen.
Heerlijk robuust album dus en hopelijk kan Arjan t.z.t. uitleggen waarom de plaat zijn #1 van 1978 werd. Een eerste plek verdient een mooie beschrijving, toch?!
» details » naar bericht » reageer
Steve Morse Band - Southern Steel (1991) 3,0
13 april 2025, 13:29 uur
De eerste van Steve Morse in de jaren '90, opvolger van het relatief kalme soloalbum High Tension Wires. Van tevoren vraag ik me af: is dit vooral een plaat voor gitaristen of kan de "doorsnee luisteraar" ook genieten? Wel, Southern Steel knalt shreddend en metalig uit de startblokken met Cut to the Chase, een gitaarduel van Morse met Jeff Watson van Nightranger. Lekker.
Daarbij blijkt dat deze Steve Morse Band een triobezetting kent met nieuw drummer Van Romaine en bassist Dave LaRue, die in het nummer de derde man is met een solo. Geen gastzangers, dit album is voluit instrumentaal. Morse zat net als met de voorganger bij MCA.
Tweede nummer Simple Simon is iets rustiger en bijna dansend, tegelijkertijd nog wel scheurend; Vista Grande is ingetogener met vleugjes fusion en progrock op een manier dat liefhebbers van Rush hier wellicht ook wat mee kunnen.
Sleaze Factor is steviger maar melodie en groove pakken niet, ondanks het - uiteraard - knappe gitaarwerk. De eerste helft sluit af met het sterkere Battle Lines, waar de melodie wél op orde is.
De tweede helft begint met titellied Southern Steel, waarmee Romaine zijn dubbele basdrum een uptempo nummer laat opdrijven, gevolgd door het ingetogener Wolf Song.
Weekend Overdrive is dan weer pompend op het ritme van de dubbele basdrum met een slappende bassolo en met een titel als Arena Rock krijg je inderdaad een grote riff waarop verder wordt geïmproviseerd met halverwege een sterke melodielijn, zoals Morse voorheen bij Kansas deed en vanaf vijf jaar later ook bij Deep Purple zou gaan neerzetten. Slotnummer Point Counterpoint sluit het album akoestisch af.
Conclusie: vooral een album voor gitaristen - voor mij een te lange zit, hoe knap Southern Steel ook is gespeeld. Wie Morses eerdere werk kent zal geen verrassingen horen, laat staan uitstapjes naar andere genres zoals hij voorheen deed. Liefhebbers van bijvoorbeeld de instrumentale gitaarplaten van het label Shrapnel zullen echter in hun nopjes zijn.
Niet op mijn streamingplatform, wel op JijBuis. Een jaar later bracht hetzelfde trio Coast to Coast uit.
» details » naar bericht » reageer
Joy Division - Permanent : Joy Division 1995 (1995) 4,0
11 april 2025, 17:40 uur
Op reis door de new wave van 1980 kom ik van de relatief onbekende The Only Ones bij een fameuze single, 28 juni 1980 verschenen: Love Will Tear Us Apart van Joy Division. Een dikke maand na de zelfgekozen dood van zanger Ian Curtis uitgebracht.
Ik hoorde het nummer pas in 1984 en dan in de versie van Paul Young: die haalde in maart dat jaar de Nederlandse hitlijst, een versie die ik overigens ook waardeer.
Maar toch liever de uitvoeringen van Joy Division die ik naderhand hoorde. Niet verrassend: ze zijn veel donkerder. Zeker, zo benadrukte Oor in mei 2020 met daarin herdrukte én nieuwe artikelen over Joy Division. Dit naar aanleiding van Curtis’ dood op 18 mei, dan veertig jaar geleden. ”Manchester wás ook zwaar,” wordt ons voorgehouden.
Wie rondkoekelt zal ontdekken dat er diverse versies van Love Will Tear Us Apart zijn en de reden dat ik deze verzamelaar Permanent uit 1995 kocht is dat er daarop twee zijn te vinden. Track 1 was de single B-kant, opgenomen in januari 1980 en track 16 een afwijkende mix speciaal voor dit Permanent. Die wijken dan weer af van de bekende mix, die uit maart 1980 stamt en onder meer is te vinden op verzamelaar Substance (1988). Uitgebreide informatie over de achtergronden van de tekst en diverse opnames vond ik handig bijeen op Wikipedia.
Laat ik echter iets anders delen: veel is geschreven over de psychische toestand, het krakende huwelijk en de epilepsie van zanger Ian Curtis, maar eigenlijk lees ik nooit dat hij simpelweg een goede zanger was met een behoorlijk bereik en een indringende voordracht. Zoals op Love Will Tear Us Apart, nota bene geïnspireerd door Frank Sinatra.
Permanent is een pakkende verzamelaar van een groep die eigenlijk slechts twee officiële platen uitbracht. Voor deze schijf geldt wat ook voor andere albums van de groep geldt, verzameld werk of origineel album: dit komt bínnen.
Mijn volgende halte in het land van new wave verscheen zes dagen na de postume single van Joy Division: The Art of Walking van de avant-gardistische rockgroep Pere Ubu.
» details » naar bericht » reageer
Barren Cross - Hotter Than Hell! (1990) 3,5
Alternatieve titel: Live, 11 april 2025, 16:46 uur
Destijds beleefde ik Hotter than Hell! Live van Barren Cross als een kleine teleurstelling. Hij verscheen onverwachts, een jaar na het sterke State of Control. Alleen jammer dat deze opnamen van de tour bij voorganger Atomic Arena waren, waardoor enkele krakers van hun laatste album node worden gemist. Opgenomen in Californië, waarmee de groep een thuiswedstrijd speelde.
Ik meen me te herinneren dat het album buiten medeweten van de groep werd gepland; had men dat wél gedaan dan waren opnamen van een recentere tournee gebruikt en wellicht had de mix ook meer aandacht gekregen; wat klinkt is vrij rauw. Ook vreemd vond ik dat een titel was gekozen die al veel eerder bij Kiss furore had gemaakt; niet slim laat staan origineel, oordeelde ik.
Dit alles door perikelen bij platenbaas Enigma, waarna dit album bij Medusa verscheen. Als mijn geheugen me niet bedriegt... In 2020 kreeg het album een heruitgave bij Roxx / Retroactive, niet op Discogs vermeld.
Wie 35 jaar later met frisse oortjes luistert, hoort robuuste U.S. metal; daarmee ontbreken dus de speedmetalinvloeden die op State of Control gingen doorschijnen.
De vier spelen op hoog niveau; de zang van Mike Lee, de gitaarsolo's van Ray Parris, het baswerk van Jim LaVerde en drumwerk van Steve Whitaker: rasmuzikanten. Extra hulp was er ook: bescheiden toetsen klinken van de hand van Christine Whitaker en dan zijn er ook een gastzanger en -gitarist.
De set bestaat uit het beste van debuut Rock for the King en de opvolger. Extra's zijn het instrumentale en akoestische gitaarlied Opus to the Third Heaven, een prachtig buitenbeentje. Later komen we een lekkere bas- (halverwege In the Eye of the Fire) én drumsolo tegen (het slot van Terrorist Child, niet te lang maar wel lekker). Aan het slot is daar een stevige versie van kinderlied (!) King Jesus dat bovendien een Blues Jam krijgt.
De groep was benaderbaar en stond voor meer dan alleen muziek. Zo waarschuwt men tegen drugs en aan het einde is er een uitnodiging om over het geloof te praten met de bandleden.
Al met al kom ik op een keurig zeventje uit, waar Barren Cross meer had verdiend als planning en budget beter waren geweest. Desalniettemin beter dan ik toen oordeelde.
» details » naar bericht » reageer
Steve Morse - High Tension Wires (1989) 3,5
10 april 2025, 20:35 uur
Hierboven al veel informatie, dank! Wat valt nog meer op?
Het was 1989, inmiddels verschijnt een album als High Tension Wires meteen ook op cd. Vinyl staat op het punt overvleugeld te worden. Uitgebracht door MCA.
Steve Morse laat zich op dit soloalbum bijstaan door diverse voormalige bandmaatjes. Uit de Steve Morse Band bassist Jerry Peek, uit (Dixie) Dregs toetsenist T. (Terry) Lavitz en violist Allen Sloan; drummer Rod Morgenstein zat in beide groepen. Het verschil met het vorige werk van Morse zit 'm in de grotere invloed van folk en het vaak lagere volume, zeker op de eerste en laatste nummers.
De eerste helft van dit album is namelijk als elektrische kamermuziek. Lichte elektrische of akoestische gitaren met soms zwevende toetsen eronder. The Road Home en Highland Wedding hebben folkinvloeden, waarbij de gitarist zijn gevoel voor melodie ruimte geeft en zich qua snarenracen grotendeels inhoudt.
Track 5 Third Power is rockender en qua soleerspel sneller, om met Looking Back voor een kalme, akoestische aanpak te gaan.
Met Leprechaun Promenade en Tumeni Notes volgt progrock, alsof Morse dit voor zijn vorige band Kansas schreef. Hier krijgen zijn razendvlugge vingers de ruimte.
Via Endless Waves en Modoc eindigt High Tension Wires kalm als het eerste deel van het album, waarbij me opvalt dat het aandeel van jazz op dit album kleiner is. Zijn volgende album verscheen twee jaar later onder de vlag van de Steve Morse Band.
» details » naar bericht » reageer
Barren Cross - State of Control (1989) 4,5
10 april 2025, 19:24 uur
Op State of Control uit 1989 groeide Barren Cross verder ten opzichte van de toch al prima voorganger Atomic Arena van het jaar ervoor. Hij draait hier vanaf het oorspronkelijke vinyl.
Op hun tweede plaat voor Enigma klinkt zoals hierboven terecht benoemd stevige U.S. metal - met powermetal, zoals vielip het omschrijft, denk ik aan al die melodieuze speedmetalbands van nu, die met shredders en veel voorspelbare eenheidsworst.
Hier echter klinkt rammende metal in de voetsporen van Brits staal, denk Saxon, Judas Priest, Raven en Iron Maiden. Dat zanger Mike Lee inderdaad aan Bruce Dickinson herinnert, is een feit. Lee is een onbekend gebleven fenomeen. Bij vaker luisteren hoor je in diens machtige stembanden echter ook verschilletjes.
Voeg daaraan toe de vaak prachtige gitaarsolo's van Ray Parris, die erin slaagt om vrij onconventionele snarenracerij neer te zetten zoals ik dat toen beleefde, al kan ik niet goed uitleggen waarom. Soms onverwachts versnellen met razendsnelle loopjes; zoiets.
State of Control kent twee absolute hoogtepunten; beiden sluiten een plaatkant af. The Stage of Intensity begint akoestisch en wordt dan fel en uptempo; een opbouw om te zoenen en een originele tekst over de macht/invloed van het podium, mét de boodschap: doe wat goeds daarmee.
Dat andere kroonjuweel is Two Thousand Years, waar de christelijke groep hun beweegredenen uiteenzet. Pompend, beukend en swingend met soms snelle loopjes van bassist Jim LaVerde en dat alles stuwend opgejaagd door drummer Steve Whitaker.
De overige nummers halen weliswaar niet dat niveau, maar de 9 die ik geef staat er niet voor niets. Startend met het midtempo titelnummer zit je er meteen in dankzij de gitaarmuren en zang, dan het snelle Out of Time, ballade Cryin' over You die goed te doen is (destijds op MTV) en het snelle Face in the Dark.
Kant 2 start met Hard Lies dat mede door de volle productie van John en Dino Elefante een ijzersterk refrein bevat, gevolgd door het felle Inner War met lekkere basdrumgroove. Dan de aardige nummers Love at Full Volume (een midtempo lúíd liefdeslied) en het van een vreemde maatsoort plus de nodige tempowisselingen voorziene Bigotry Man. Die laatste groeit bij vaker luisteren en is tevens bijzonder effectief als opmaat naar de briljante finale Two Thousand Years. Ook qua opbouw is State of Control ijzersterk.
In 2003 verscheen een cd met als bonusnummer de ballade Escape in the Night en in 2020 op cd én vinyl een editie met nóg een bonusnummer genaamd Your Love Gives. Die nummers zijn prima (een dikke 7), maar ik snap dat ze het album niet haalden: de overige nummers zijn simpelweg net zo goed of vooral béter.
State of Control staat niet op mijn streamingplatform, wel op YouTube.
» details » naar bericht » reageer
Steve Morse Band - Stand Up (1985) 3,5
10 april 2025, 08:20 uur
De tweede van de Steve Morse Band toont de drie groepsleden op de voorkant, maar schijn bedriegt: nooit deden zoveel gastmusici mee op een album van Morse, de zes platen met Dixie Dregs meegerekend. Met vier gezongen nummers is dit bovendien zijn minst instrumentale plaat tot dan. Debuut The Introduction verscheen bij sublabel Elektra Musician, deze gewoon bij Elektra zelf. Morses composities klonken nimmer zo toegankelijk als hier.
Een midtempo rockend begin met Book of Dreams met zang van Van Temple van de groep The Producers. Het resultaat is wat we destijds pomprock of L.A. rock noemden: zeer melodieuze kwaliteitsrock, denk aan bijvoorbeeld Toto. Opvallend is ook de iets ruimtelijkere productie in jaren '80 stijl. Dat blijkt eveneens op het instrumentale English Rancher met de elektronische pads die drummer Rod Morgenstein hier bespeelt. In het nummer komen jazzrock en fusion samen op een wijze die herkenbaar de hand van Morse is.
Rock plus een klein vleugje country in Rockin' Guitars, met op gitaar én zang Albert Lee, de tweede gast op dit album. Op The Introduction speelde hij al gitaar op het nummer General Lee, nu moet ik met zijn stem en melodielijn warempel aan Ian Anderson van Jethro Tull denken. Lee en Morse spelen een fraai gitaarduelletje met contrasterende stijlen.
Derde genodigde is zanger en gitarist Eric Johnson, dankzij wie het vocale Distant Star wederom de hoek van L.A. Rock wordt ingetrokken. Opnieuw een verrassend nummer voor Steve Morse en zijn kompanen.
Kant 1 sluit af met Pick Your Poison, een instrumentaal nummer met hints naar country én op viool voormalig Dregsviolist Mark O'Connor. Countryrock met de nadruk op róck.
Kant 2 start met de hulp van twee gasten: op Stand Up klinkt op gitaar ook Peter Frampton en op zang horen we Alexander Ligertwood van Santana, ook al te gast op de laatste Dregs. Een aangenaam nummer met in het intro warme gitaar.
Hierna enkel nog instrumentaal werk: midtempo is Travels of Marco Polo met soms de kenmerkende zingende gitaarlijnen van Morse, Golden Quest doet iets soortgelijks en op de kalme afsluiter Unity Gain is er een gastrol voor een voormalige toetsenist van Dixie Dregs, T. (Terry) Lavitz. Het nummer werkt langzaam naar een climax.
Met al het vocale werk en de zingende gitaarlijnen is dit Morses meest toegankelijke werk tot dan, inclusief de albums met Dixie Dregs. Hij wordt door fans en collega's op handen gedragen voor zijn veelzijdige werk als gitarist, maar is kennelijk toe aan een nieuwe uitdaging. In 1986 treedt hij toe tot het heropgerichte Kansas, iets wat de andere gitarist in die groep aanvankelijk nerveus maakt. Met hen maakt hij twee studioalbums.
Bassist Jerry Peek keert terug naar de jazzwereld en drummer (hier tevens pianist) Rod Morgenstein speelt op soloalbums van T. Lavitz en Mark O'Connor, om in 1988 te debuteren bij Winger.
Na zijn vertrek uit Kansas keert Morse in 1989 terug met soloalbum High Tension Wires.
» details » naar bericht » reageer
Steve Morse Band - The Introduction (1984) 3,0
7 april 2025, 21:12 uur
Zes albums bracht Steve Morse vanaf 1977 uit met Dixie Dregs, waar hij de muziek schreef. Het is dan ook niet vreemd dat als hij zijn eigen groep begint, drummer Rod Morgenstein meeneemt en bassist Jerry Peek erbij haalt, het resultaat The Introduction op zijn oude bandje lijkt.
Verschillen? Geen viool meer en Morse speelt nu zelf toetsen, zij het spaarzaam. Maar vooral overeenkomsten, zoals dat het weer helemaal instrumentaal is. Verder is dit vooral een gitaarplaat die opnieuw bewijst hoe veelzijdig Morse is.
Scheurend in Cruise Missile, vleugje countryrock in General Lee. Zowel stevig als dromerig in Introduction, percussie in het intro van V.H.F. (Vertical Hair Factor) met daarin ook enkele invloeden uit klassieke muziek; mijn favoriet van het album.
Kant 2 opent met de fusionrock van On the Pipe, gevolgd door het drumloze The Whistle (Morgenstein speelt synthesizer!) en vrolijke tonen in Mountain Waltz dat inderdaad in een 3/4 (of is het 6/8 met die aparte swing?) staat; ex-Dregstoetsenist T. (Terry) Lavitz krijgt er een uitgebreide pianosolo.
Slotlied Huron River Blues bestaat uit drie delen en duurt een dikke zes minuten. Het begint op een vrij abstracte wijze, bijna alsof het Brian Eno is. Daarna meandert het door de delen, waarbij ook een solo van Peek.
Toch weet het album minder goed mijn aandacht te pakken dan bijvoorbeeld de vorige van de Dregs. Een zeker "ja, dit ken ik nu wel" sluipt er wel in met de grotere nadruk op gitaar ten koste van viool en toetsen. Maar goed, logisch voor de groep van een gitarist. Vooral muziek voor muzikanten, vrees ik.
» details » naar bericht » reageer
Ritchie Blackmore's Rainbow - Memories in Rock (2016) 2,5
Alternatieve titel: Live in Germany, 7 april 2025, 19:14 uur
De aanloop naar deze reünie volgde ik op de voet. Doogie White, van de laatste incarnatie van Rainbow (1995), was de ideale zanger geweest om de verschillende periodes van de groep te overbruggen. Ritchie Blackmore koos echter voor andere muzikanten plus een dameskoortje, waarin ook zijn eega Candice Night. Van de nieuwe namen kende ik alleen klasbak Jens Johansson van respectievelijk Silver Mountain en Yngwie Malmsteen's Rising Force.
De dag na hun eerste optreden verschenen de eerste beelden op YouTube. Ik fronste de wenkbrauwen: een bedaarde hippiebassist in een harembroek en een drummer met een klein drumstel en een hanenkam? Dat was andere koek dan hun voorgangers!
Was Ronnie Romero inderdaad de wereldzanger, zoals bandleider Blackmore hem had gepresenteerd? Ik bleek allergisch voor zijn scherp-rauwe stem en vooral zijn geknepen stembanden. Blackmore zelf speelde stram, duidelijk ouder geworden. Ik kon hier niet naar kijken zonder dit Rainbow te vergelijken met de legendarische versies van de jaren '70 en '80, maar ook die kortstondige fase in 1995 was stukken overtuigender.
Bijna negen jaar later valt het me eigenlijk mee, al is de som der delen veel te mager. Drummer David Keith bijvoorbeeld is gewoon góed en dat hij een t-shirt van Depeche Mode draagt (album 101) is een leuk detail. Belangrijker is de muziek.
Grootste bezwaar, hierboven reeds door Sir Spamalot opgemerkt, is dat de groep niet goed ingespeeld lijkt. Het is te vaak te aarzelend, zeker rond het in- en uittro van een nummer. Tweede minpunt is dat energie en dynamiek hier en daar node worden gemist. Ik noem als voorbeelden Since You Been Gone (te langzaam) en Stargazer (mislukte climax).
Derde manco is dat Blackmore door artritis de dynamiek in zijn spel ontbeert, met de flauwe solo in Stargazer als meest schrijnende voorbeeld. Ten slotte is jammer dat niet één nummer van album Stranger in Us All langskomt; daar had wel een Purple-meezingnummer (Black Night, Smoke on the Water) kunnen worden ingekort of weggelaten.
Romero is, ondanks sympathieke uitingen over zijn overleden voorganger Ronnie James Dio tijdens Man on the Silver Mountain, niet de man om diens kwaliteit ook maar te benaderen. Ook zijn vlakke vertolking van Mistreated is kenmerkend, waar ik met heimwee terugdenk aan wat Coverdale en Dio hier deden. Hij mist simpelweg talent, zowel qua stembanden als emotie.
Wél positief ben ik over de toetsenpartijen van Johansson, die op het niveau van van eerdere klavierenmannen in de entourage van Blackmore musiceert: Jon Lord, Tony Carey, David Stone, Don Airey en David Rosenthal.
Een laatste reeks optredens onder de vlag van Rainbow had een uitroepteken verdiend, niet een een kaarsje dat op z'n best wat flakkert. Het publiek had zicht- en hoorbaar een leuk avondje uit - gelijk hadden ze! - voor thuis kan men beter één van de vele eerdere livealbums van de groep kopen.
Wie het met mij oneens is, kan bovendien de alternatieve concerten van deze regenboog aanschaffen: Live in Birmingham 2016 en Memories in Rock II.
Met het recente nieuws over Blackmores hartaanval wilde ik dat ik milder was. Toch is mijn conclusie dat Blackmore een reünie als deze eerder had moeten doen, toen hij nog meer dynamiek in zijn spel kon leggen. Daarbij vrees ik dat het nog veel erger kan: later dit jaar volgt een reünie van Black Sabbath, waar de zanger noodlottig genoeg weinig meer schijnt te kunnen... Hopelijk krijg ik daarin ongelijk.
» details » naar bericht » reageer
Ritchie Blackmore's Rainbow - Stranger in Us All (1995) 3,5
6 april 2025, 17:46 uur
Gisteren las ik het nieuws dat Ritchie Blackmore anderhalf jaar geleden een hartaanval had en daarom niet zal vliegen (hij woont in de VS). Zie Classic Rock Magazine en dit interview met vrouwlief Candice op YouTube. Ik realiseerde me dat ik Rainbows discografie nodig eens moest vervolgen.
Met gevoelens van deja-vu volgde ik het nieuws van eind 1993 en begin 1994 rond zijn plotselinge vertrek uit Deep Purple en de heroprichting van Rainbow. Een herhaling van zetten zoals in 1975, alhoewel ik dat niet bewust had meegemaakt.
Bij Purple werd Joe Satriani de tijdelijke vervanger en Steve Morse de definitieve. Ondertussen was het de vraag wat het nieuwe Rainbow zou brengen. Zeker was dat hij weer gebruik maakte van de oorspronkelijke naam, voluit Ritchie Blackmore's Rainbow.
Zou hij oudgedienden vragen en zo ja: wie? Vooral de positie van zanger maakte nieuwsgierig. Ronnie James Dio was inmiddels overleden en Graham Bonnet leek een onwaarschijnlijke kandidaat. Joe Lynn Turner dan? Mogelijk, zo schatte ik in.
Augustus 1995 was daar dan het achtste studioalbum van Rainbow, dit Stranger in Us All. Blackmore had een Schot (zanger Doogie White) plus drie onbekende Amerikanen om zich heen verzameld. Vervolgens was daar de tournee, waarbij ik las dat de gitarist gescheiden van het jonge grut reisde.
Daarbij herinner ik me een interview in Aardschok met Blackmore door Robert Haagsma. Bekend met diens reputatie van humeurige buien, had deze een t-shirt van Feyenoord meegenomen als cadeau. De Engelse voetballiefhebber was in zijn nopjes met het cadeau, waarna de gitarist op zijn praatstoel zat. Misschien heeft Von Helsing dit nummer nog liggen en kan hij eventuele andere smakelijke details opdissen?
Laat ik in de interessesfeer van Blackmore blijven en Stranger in Us All in een wedstrijdverslag gieten.
Meteen van de aftrap spelen de oude meester en zijn jonge honden fel en vol bezieling. Het uptempo Wolf to the Moon en het iets langzamere Cold Hearted Woman zijn van hoog niveau, de nieuwe muzikanten doen het prima en Blackmore draait en wervelt als altijd. Dit is steviger dan de radiovriendelijke koers van het Rainbow van de jaren '80 met Joe Lynn Turner.
Dan echter verkrampt het team: met Hunting Humans (Insatiable), Stand and Fight en Ariel lukt het niet, al blijft het genieten van hetgeen uit de gitaar komt en heeft Doogie White een aangename, rauwe stem. Mindere composities zijn het manco, zo simpel is het. Rainbow sleept zich naar de rust.
Tweede helft. De thee heeft hen goed gedaan, Too Late for Tears is aangenaam in de stijl van de man-met-de-hoed en hetzelfde geldt voor Black Masquerade. Net als in de eerste helft echter slaat dan de vermoeidheid toe met het weliswaar aardige Silence (de melodie ervan lijkt op Purples You Fool No One uit 1974) en remakes van zowel Hall of the Mountain King (oorspronkelijk uit 1876 van Edvard Grieg) als Still I'm Sad (in vocale versie op On Stage uit 1977).
In blessuretijd is daar het midtempo bonuslied Emotional Crime. Aardig. Toch valt er meer te genieten van Blackmores gitaarspel dan van diens composities. Een nipte overwinning van dit Rainbow is het eindresultaat, de kennismaking met Doogie White blijkt een aangename.
Dit Rainbow stopte al spoedig: Blackmore was klaar met rock en stapte in 1997 met Candice Night over op renaissance-geïnspireerde muziek. Daarover werd veel gemopperd door zijn oude fans, maar ik kon me wel voorstellen dat de inmiddels vijftig-plusser toe was aan iets anders. Zoals mijn halve vriendenkring rond z'n veertigste een carrièreswitch maakte.
Nu pas ontdek ik dat bassist Greg Smith ooit korte tijd bij de Amerikaanse punkgroep The Plasmatics zat en na Rainbow bij Ted Nugent landde, toetsenist Paul Morris speelde onder meer bij Nena (!) en Joe Lynn Turner en drummer John O'Reilly bij Blue Öyster Cult en Trans-Siberian Orchestra én je kunt drumlessen van hem krijgen!
Vanaf 2014 werden de geruchten over een reünie van zowel Rainbow als een hernieuwde samenwerking tussen David Coverdale en Ritchie Blackmore sterker. In 2015 bleek dat het Rainbow was geworden en in juni 2016 volgden een schamele drie optredens, resulterend in het in november dat jaar verschenen Memories in Rock: Live in Germany.
» details » naar bericht » reageer
Dixie Dregs - Industry Standard (1982) 3,0
6 april 2025, 13:28 uur
Op de middelbare school in Augusta, Georgia, opgericht door bassist Andy West en gitarist Steve Morse als Dixie Grits, maakte het duo op de universiteit van Miami, Florida met nieuwe musici een doorstart als Dixie Dregs. De groep keert terug naar Augusta, waarna in 1977 bij het label Capricorn werd gedebuteerd met Free Fall.
Een steevast instrumentale ontmoeting tussen rock, jazz en country met ruimte voor vele solo's van hoog technisch niveau op gitaar, viool en toetsen, zonder het gevoel voor melodie te veronachtzamen. Vooral muziek voor fijnproevers, waarbij met name Morse opviel in de muziekbladen zijnde één der beste en veelzijdige gitaristen ter wereld.
In deze opzet werd - met soms een enkele bezettingswijziging - de overstap gemaakt naar het grotere label Arista, waarbij de groepsnaam werd ingekort tot The Dregs. Als in 1982 dit Industry Standard verschijnt, hun zesde album, zijn uit de tijd in Florida West, Morse en drummer Rod Morgenstein nog altijd aan boord. In 1980 werd T. Lavitz de nieuwe toetsenist en in 1982 blijkt violist Allan "Sloanov" Sloan voor een carrière als anesthesioloog te hebben gekozen; hij is vervangen door Mark O'Connor.
Op opener Assembly Line klinkt het vertrouwde fusionrecept met solo's voor Morse, O'Connor en Lavitz, waarbij Morgenstein zijn begeleiding meer dan vernuftig invult.
Op Crank It Up dient zich een verrassing aan: gastvocalist Alexander Ligertwood, geleend van Santana. Hij heeft een aangenaam rauw randje, vooruitwijzingen naar Morses latere werk bij Kansas en Deep Purple. Het dameskoortje maakt het nog beter.
Instrumentaal werk volgt. Chips Ahoy (de groep heeft iets met woordgrapjes) bevat midtempo progrock in 6/8 maat, maar Bloodsucking Leeches is minder spannend, drijvend op een robuuste rockriff met uiteraard weer de nodige solo's voor de melodie-instrumenten. Op het akoestische Up in the Air horen we Morse met Steve Howe van Yes. Een meer dan fraai kleinood.
Kant 2 opent met Ridin' High, met de volgende gastzanger: Patrick Simmons van The Doobie Brothers. Een nummer in jazzrockstijl dat me niet pakt.
De rest van het album is weer instrumentaal. Meer humor in de titel van Where's Dixie? waar uptempo countryrock ruimte biedt voor solo's op viool, gitaar en piano. Liever hoor ik het enigszins plechtige Conversation Piece omdat de melodieën sterk zijn, waarna met de lome shuffle van Vitamin Q in progrocksfeer wordt geëindigd.
Enerzijds een sterk album op hoog speltechnisch niveau, anderzijds wordt duidelijk dat het recept ten opzichte van de vijf voorgangers verrassingen ontbeerde, ondanks de twee vocale nummers.
Nog in datzelfde 1982 stoppen de Dregs. West vertrekt naar Californië om in de opkomende ICT-sector te gaan werken; Lavitz brengt vanaf 1984 solowerk uit, te beginnen met jazzalbum Extended Play. O'Connor vervolgt zijn carrière in country als zowel sessie- als soloartiest, zoals album False Dawn (1983).
Steve Morse begint zijn eigen Band en neemt Morgenstein mee. In 1984 verschijnt van hen The Introduction en dat is waar mijn odyssee door het werk van Steve Morse vervolgt.
» details » naar bericht » reageer
Dixie Dregs - Unsung Heroes (1981) 3,5
5 april 2025, 10:57 uur
De vijfde Dixie Dregs is wederom instrumentaal, vandaar de titel Unsung Heroes. Met een hoes die ik destijds enigszins luguber vond en ingekorte groepsnaam, al werd de groep werd door fans al liefdevol the Dregs genoemd.
De pittige opener Cruise Control stond in langere versie op Free Fall uit 1977 en bevat korte solo's van vier van de groepsleden, inclusief drummer Rod Morgenstein.
Fraai is het klassiek beïnvloede, dankzij de pianopartij aan Kansas herinnerende Divided We Stand: toetsenist Terry Lavitz kreeg meer ruimte dan op de voorganger, zijn debuut bij de groep. Hét hoogtepunt van Unsung Heroes.
Wie de voorgangers kent weet dat de groep ook country op hoog speltechnisch niveau niet schuwde. In dit geval een soort prog-boogiecountry in de vorm van I'll Just Pick; de scheurende gitaarsolo vanaf 2'52" is in die context verrassend. Op Day 444 ingetogen progrock, beginnend met een twaalfsnarige akoestische gitaar en later de nodige ruimte biedend voor violist Allan Sloan en de elektrische gitaar van Steve Morse.
Kant 2 begint stevig met Rock and Roll Park, waar Sloan en Morse hun kunnen etaleren en Attila the Hun is nog iets sneller, geknipt voor progrockliefhebbers. Met Kat Food wordt iets teruggeschroefd met onder meer een bassolo van Andy West en funktoetsen van Lavitz die bovendien zijn saxofoon vindt, waarna Go for Baroque op z'n Focus' of Ekseptions de muziek van J.S. Bach in progland brengt. Een akoestisch begin, daarna iets steviger maar nergens scheurende gitaar, geheel in Dregstraditie wat betreft het slotlied.
Zoals hierboven vermeld wordt de muziek van (Dixie) Dregs "volgens dezelfde formule uitgewerkt", toch heeft componist Morse betere ideeën dan op de voorganger, waar dat fenomeen voor het eerst opdook. Een 7.5 als schoolcijfer en ik vermoed dat de muzikanten onder ons daar zomaar een vol punt hoger voor zullen geven.
» details » naar bericht » reageer
The Only Ones - Baby's Got a Gun (1980) 3,0
5 april 2025, 09:20 uur
Op reis door de new wave van juli 1980 kom ik van de gitaarliedjes van Any Trouble bij iets dergelijks, maar dan van The Only Ones.
Ook de derde van dit kwartet bevat de herkenbare en aangename zeurzang van Peter Perrett. Pas op hun derde album valt me op dat het soms iets wegheeft van wat Steve Harley voordien bij Cockney Rebel deed.
Zoals hierboven genoemd krijgt Perret op Baby's Got a Gun vocale assistentie van Pauline Murray en Koulla Kakoulli, wier stemmen aangename variatie brengen. Want als de liedjes niet goed willen flonkeren, kan Perretts stem namelijk ongewenst monotoon worden.
Ik luister via streaming en daar valt op dat de volgorde van de tracklist afwijkt van hetgeen MusicMeter aangeeft. Laat Discogs de scheidsrechter zijn en dan is die op streaming juist en die op MuMe niet, te zien aan de 1980-uitgave. Zo begint het album met The Happy Pilgrim en niet met Oh Lucinda.
Aha, ik zie het al: MuMe baseert zich op de cd-editie van 1996. Eens zien of een correctie wordt geaccepteerd, maar zo nee: we hebben het over dezelfde verzameling liedjes, het blijft dus overzichtelijk.
De lekkerste daarvan zijn vaak uptempo: The Happy Pilgrim, Strange Mouth dat plotseling overgaat in het verraderlijk lekker-langzame The Big Sleep, het in de geest van Steve Harley klinkende Trouble in the World en het duet met Kakoulli Fools, oorspronkelijk van countryzanger Johnny Duncan. Ik moet dan opeens aan Joe Jackson denken en diens duet met Elaine Caswell Happy Ending, maar die is toch echt van vier jaar later en bovendien zitten de liedjes anders in elkaar. En toch, iets met de sfeer van de twee composities.
Dit is misschien niet hun beste album, desondanks is het dankzij deze muziek in de prille ochtend met een goede bak koffie aangenaam op gang komen. Een eigenwijze eend in de bijt van new wave, met z'n vleugjes artrock.
In 1982 vallen The Only Ones uit elkaar. Perrett worstelde vervolgens buiten de schijnwerpers met zijn verslaving om in 1996 terug te keren met Peter Perrett in The One en album Woke Up Sticky, dat in 1998 nog een live-cd kreeg met daarop uiteraard ook werk van The Only Ones.
In 2007 komen The Only Ones weer bij elkaar, nadat het van het debuut afkomstige Another Girl, Another Planet zich mag verheugen in nieuwe belangstelling. Sindsdien staan ze af en toe weer op de planken, ook nadat drummer Mike Kellie in 2017 overleed.
In datzelfde jaar brengt Perrett solo How the West Was Won uit, in '19 gevolgd door Humanworld en in '24 door The Cleansing.
Voor de volgende halte moet ik een maand terug naar juni '80: non-albumsingle Love Will Tear Us Apart van Joy Division, onder meer te vinden op verzamelaar Permanent : Joy Division 1995.
» details » naar bericht » reageer
Any Trouble - Where Are All the Nice Girls? (1980) 4,0
4 april 2025, 21:30 uur
Op reis door new wave, de albums achter mijn afspeellijsten met losse liedjes van de diverse artiesten, kom ik van The Motels. Van juni 1980 naar juli.
Bij Any Trouble en debuut met antiheldtitel Where Are All the Nice Girls? klinken heerlijk frisse gitaarliedjes, waarover ik lyrisch zou kunnen schrijven maar Dibbel deed het dertien jaar geleden al zo treffend: "Lekkere melodieën met tingelende gitaren en songs die je bijblijven. De liedjes zijn eigenlijk allemaal even goed."
Soms met vinnig gitaarspel, zoals in Yesterday's Love, Turning up the Heat en Growing Up. Soms een beetje powerpop zoals in Romance, een andere keer rock 'n' roll via The Hurt. Maar ook deemoed in Girls Are Always Right of verslagenheid in Nice Girls. Ja, het andere geslacht, moeilijk moeilijk moeilijk... Het is hierbij dat mijn associatie met Elvis Costello het sterkst is, een terechte vergelijking die eveneens hierboven werd gemaakt.
Ook leuk: na de drie minuten van (Get You Off) the Hook volgt een radioreclame voor single Second Choice, speciaal voor een radiostation in Chicago ingesproken in het ronde Engels van the queen's tongue.
Op naar meer gitaarliedjes maar dan zwaarmoediger: de derde van het eveneens Engelse The Only Ones.
» details » naar bericht » reageer
Jack Starr's Burning Starr - No Turning Back! (1986) 4,0
4 april 2025, 18:28 uur
In 1982 en '83 werd ik omvergeblazen door een deel van de nummers van de New Yorkse groep Virgin Steele op debuut Virgin Steele en opvolger Guardians of the Flame. Een deel van de muziek van deze U.S. metalgroep was namelijk van episch metaal - 'episch' in de betekenis van verhalend. De nodige tempowisselingen in de muziek, boeiende sfeertekeningen in de teksten en het splijtende gitaarwerk van Jack Starr.
Die verlaat na twee albums en een EP de groep, om onder eigen naam te vervolgen. In eerste instantie met een stijl ook op die Virgin Steeles te vinden: partymetal en daar heb ik niks mee. Een nogal curieuze combinatie in mijn oren.
Zijn eerste album was Out of the Darkness (1984), waarna hij onder het banier Jack Starr's Burning Starr vervolgde met soortgelijke metal op Rock the American Way (1985). Daarop wederom knap gitaarwerk, echter ingebed in een stijl die niet de mijne is.
Verrassenderwijs vernieuwde hij de samenwerking met David DeFeis, zanger van Virgin Steele én keerde op hun gezamenlijke arrangementen terug naar progressiever metalwerk. Dit op de tweede van Burning Starr, oftewel No Turning Back! DeFeis deed bovendien de productie én speelde bescheiden toetsenpartijen.
Het resultaat klinkt alsof je in de voetsporen van het Rainbow met Ronnie James Dio via de New wave of British heavy metal en even krachtige power metal naar het debuut van Queensrÿche gaat. In dit alles klassieke invloeden, zoals de modulatie in weer zo'n heerlijke gitaarsolo in Call of the Wild.
Volop genieten van de botsingen tussen klassieke muziek en metal, met Starrs snijdende gitaarspel als cement. Ik moest wennen aan zanger Mike Terelli, met zijn - typisch voor die tijd - hoge zanglijnen. Maar hij knijpt niet, al had het qua hoogvliegerij iets minder gemogen: op de momenten dat de melodie zakt, blijkt hij ook in die regionen uit de voeten te kunnen. Maar goed, dit was het tijdperk van strakke spandexbroeken met dito zang...
Kant 2 opent met het korte toetseninstrumentaal Prelude in C Minor, geleend van Frédéric Chopin. Het vormt de opmaat voor meer uptempo beuk met dubbele basdrums van Mark Edwards. Meer gevarieerd werk en in tegenstelling tot de eerste twee platen van Virgin Steele ontbreekt het hinken op twee gedachten tussen power- en partymetal.
Dit is voluit hard. De teksten zijn niet zo verhalend als bij DeFeis, met teksten als "There's a light somewhere in the dark, where all your dreams will somehow turn out right. If you believe with all your might, you've got to show the world, you'll never give up the fight, No turning back..." Ja dat zal, belangrijker zijn de variatie en Starrs wervelend-snelle solostijl met dat vol-vette geluid.
In de jaren nadien verpakt in de nodige afwijkende hoezen, zo leert enig scrollen op Discogs. Laat echter de muziek het werk doen. Vier sterren.
» details » naar bericht » reageer
Dixie Dregs - Dregs of the Earth (1980) 3,0
4 april 2025, 17:41 uur
In de eerste helft van de jaren '80 heb ik enkele malen in de dorpsfonotheek met dit album in handen gestaan, twijfelend of ik mijn kostbare gulden leengeld aan deze of een andere plaat zou uitgeven. Steeds kreeg Dregs of the Earth het nadeel van de twijfel, al vond ik de hoes prachtig; was bang dat het niet heavy genoeg zou zijn. En nu, april 2025, was het dan eindelijk zover.
Ik beluister 'm zowel met de oren van mijn circa zeventienjarige zelf als die van nu. Na drie platen voor Capricorn verscheen deze bij het grotere Arista, met als actueel voordeel dat ie in tegenstelling tot de voorgangers wél op mijn streamingplatform staat. Alle muziek werd wederom geschreven door gitarist Steve Morse, die het album ook produceerde. Nieuw is toetsenist Terry Lavitz.
Ook hun vierde album was volledig instrumentaal. Opener Road Expense rockt stevig in de lijn van Take It off the Top van What If van twee jaar eerder. Zowel mijn zeventienjarige als mijn huidige ik vinden het aangenaam. Ik-als-tiener was minder blij geweest met het snelle Pride o' the Farm, want country. Inmiddels vind ik het wel aardig, maar op hun vorige albums heb ik dit weleens pakkender gehoord. Hetzelfde geldt voor de fusionrock van Twiggs Approved en het ingetogener Hereafter dat kant 1 afsluit.
Waar ik als zeventienjarige wél vrolijk van was geworden was de opener van kant 2, The Great Spectacular, oorspronkelijk het titelnummer van hun in eigen beheer uitgegeven debuut, dat in een piepkleine oplage verscheen buiten de gangbare distributiekanalen, in de jaren '90 alsnog voor een groter publiek verkrijgbaar.
Daarna bekruipt me opnieuw het gevoel dat ik de composities van Morse wel eens pakkender vond: de topmusici kunnen niet verhelpen dat het midtempo en swingende Broad Street Strut en het lange I'm Freaking Out (ondanks het fraaie vioolspel van Allen Sloan, hier tot Sloanov omgedoopt) nergens verrassen zoals op de voorgangers gebeurde. Het akoestische kleinood voor gitaar en viool Old World sluit de plaat fraai af.
Vermoedelijk had mijn zeventienjarige ik lichtelijk teleurgesteld plek gemaakt op een cassettebandje voor de openers van beide plaatkanten en het slotlied. [i]Dregs of the ] is met de oren van nu echter een knap album, zij het dat het sprankelende van de vorige langspelers te vaak ontbreekt én met minder plek voor toetsensolo's. De hoes blijft aantrekkelijk.
» details » naar bericht » reageer
Dixie Dregs - Night of the Living Dregs (1979) 4,0
2 april 2025, 20:38 uur
De derde en laatste van Dixie Dregs bij Capricorn. Night of the Living Dregs is met z'n titelknipoog naar zombiefilms bepaald níet griezelig. Wel vrolijk, instrumentaal, getuigend van een groot vakmanschap en bovendien gevarieerd, waarbij het spelplezier eraf druipt. Te vinden op YouTube en vreemd genoeg niet op mijn streamingdienst.
Ik ben nog maar net bekomen van het wervelende Punk Sandwich, als Country House Shuffle begint met een knallend en virtuoos drumintro door Rod Morgenstein, de aanzet voor een opnieuw stevig fusion-progrockend nummer. Die twee nummers alleen al getuigen van het muzikale vernuft van de Dregs.
Het valt op dat de acht nummers best kort duren: slechts één nummer tikt af boven de vijf minuten. Voor een groep met meestermusici best bijzonder. Variatie en muzikale vrijheid waren bij de Dregs vanaf het begin een hoeksteen, wat blijkt bij The Riff Raff, een miniconcert van twee van de groepsleden. Knap getokkel op akoestische gitaar van Steve Morse vormt de begeleiding voor het vioolspel van Allen Sloan. Met het eveneens vrij ingetogen Long Slow Distance is de hele groep weer te horen en sluit kant 1 in fusionstijl af. Hierbij vallen prachtige gitaarlijnen op, van een schoonheid die ik herken van later werk van Morse bij Kansas en Deep Purple.
De tweede plaatkant is live. Naast de genoemde muzikanten spelen bassist Andy West en toetsenist Mark Parrish eveneens op hoog niveau, wat in die setting nog duidelijker naar voren komt. Opener Night of the Living Dregs bevat de nodige funk en doet me met de toetspartijen denken aan hetgeen Don Airey deed in zijn dagen bij Colosseum II. Bovendien krijgt West een uitgebreide solo.
Via The Bash klinkt country met een gedreven groove; Morse beheerst werkelijk álle stijlen. Bij Leprechaun Promenade zijn livebeelden te vinden. Fusionrock van het hoogste niveau, herinnerend aan instrumentale delen in het progwerk van Kansas. En zie eens hoe vol de zaal zit!
Met het gevarieerde Patchwork sluit de plaat af en zoals twee berichten hierboven vermeld, is ook voor mij "de relatief korte speelduur van het album me in dit geval van instrumentale prog ook wel weer lang genoeg." Bijna 34 enerverende minuten, helemaal goed.
En toen begonnen de jaren '80 met als eerste wapenfeit van dit kwintet Dregs of the Earth.
» details » naar bericht » reageer
The Motels - Careful (1980) 2,5
2 april 2025, 15:38 uur
Op reis door de new wave van juni 1980 kom ik van de Engelse Toyah bij de Californiërs van The Motels. Naast de maand van verschijning van de platen zijn er nog eens drie overeenkomsten: beide groepen werkten met een zangeres (in dit geval Martha Davis), deden dit in de bezetting gitaar-toetsen-bas-drums en het was hun tweede langspeler.
Waar bij Toyah vocale expressiviteit centraal staat, gedragen door een hechte band, is het geluid bij The Motels juist kalm en onderkoeld. In mijn beleving op het vlakke af. Wanneer gaat het nou eens spetteren met een pakkend gitaar- of toetsen- of zanglijntje? En waarom dit album zo passend is bij een relatiebreuk, zoals het vorige bericht beschrijft, ontgaat mij ook. Misschien was het toeval: juiste sfeer op het juiste moment?
Fijn is de kristalheldere productie. Toch ontstijgen slechts het popachtige Bonjour Baby en het fellere People, Places and Things de saaiheid. De eerste dankzij een toetsenlijn en het refrein, de tweede mede dankzij een scheurende gitaarsolo, die op een eentonig album als dit plotseling opvalt. Slotnummer Slow Town groeide geleidelijk uit tot een goede derde met zijn traagheid en melancholie.
De vlakheid wordt eveneens onderbroken door Envy, maar dan in negatieve zin vanwege de onnozele tekst.
Jammer dat er hier zo weinig berichten staan, ik zou graag willen spiegelen: ligt dit aan mij en beleven anderen dit juist helemaal níet als saai, maar bijvoorbeeld als 'lekker onderkoeld'? Oftewel, is het een smaakkwestie, zoals ik The Motels' debuut ook al zo lang vond duren?
In eigen land haalde men met Careful in augustus 1980 #45. Daarnaast bescheiden succes in Australië en Nieuw Zeeland. Geen hitsingles, waarmee je The Motels een typische albumband zou kunnen noemen.
Ondertussen vervolg ik mijn reis door wave: terug naar Engeland en het debuut Where Are All the Nice Girls? van Any Trouble.
» details » naar bericht » reageer
Dixie Dregs - What If (1978) 3,5
1 april 2025, 17:52 uur
Dixie Dregs, de groep met vijf klasbakmusici, waarvan gitarist Steve Morse bekendst is geworden door zijn werk bij Kansas en later Deep Purple.
Opener Take It off the Top kan ik niet zonder nostalgie beluisteren. Op mijn zolderkamer luisterde ik via krakende middengolf naar BBC Radio 1 op vrijdagen naar de Friday Rock Show, op Nederlandse tijd van 23 - 01.00 uur in de ether. Daarin ging het langs diverse stijlen rock, van hard- via symfonische rock naar de nieuwste metal en dit nummer van Dixie Dregs trapte de show steevast af. Luister maar eens hier, een uitzending uit 1981, vanaf 0'22" met die magische stem van Thomas Vance, zoals hij zichzelf noemt - wij mochten Tommy zeggen...
What if is het tweede album van de groep (of derde, zie hetgeen B.Robertson bij de voorganger vertelde) en hij is wederom instrumentaal.
Bij de overige nummers kan ik weer nuchter luisteren. Op Odyssey een mix van fusion en progrock en mede dankzij violist Allen Sloan snap je hoe klein in 1986 de overstap was, die Morse deed naar Kansas. De muziek is bovendien van zijn hand. Het titelnummer bevat ingetogener fusion, waarna het door bassist Andy West geschreven Travel Tunes een progpareltje blijkt, met de nodige soloruimte voor Morse, Sloan en toetsenist Mark Parrish.
Kant 2 trapt af met de funk van Ice Cakes, gevolgd door akoestische folk in Little Kids: de vijf beheersten een breed scala aan stijlen. Dat blijkt nadien met de fiddlecountry van Gina Lola Breakdown, oorspronkelijk van Twiggs Lyndon, die het jaar erop overleed en bekend was als tourmanager voor onder anderen The Allman Brothers. Night Meets Light sluit de plaat sfeervol af.
What If staat niet op mijn streaming platform, wél op YouTube. Een jaar later verscheen Night of the Living Dregs.
» details » naar bericht » reageer
Toyah - The Blue Meaning (1980) 3,5
1 april 2025, 17:37 uur
Het tweede album van Toyah was de eerste die de Britse verkooplijst haalde, ondanks het ontbreken van een hitsingle: in juni 1980 werd #40 gehaald.
Het is een aangenaam, degelijk album met als uitschieter opener Ieyah. Op de editie van 2021 is ook de singleversie van het nummer aanwezig. Toyah (de zangeres) gebruikt haar stem in dat nummer op uiteenlopende wijze, een beetje op de wijze van Nina Hagen maar dan zonder de operastem.
Toyah (de band) was in feite een duo, bestaande uit Toyah Willcox en gitarist/co-componist Joel Bogen. De overigen in de band maakten nogal eens plaats voor een ander. Ten opzichte van debuut Sheep Farming in Barnet bleef toetsenist Pete Barnet, maar nieuw zijn bassist Charlie Francis en drummer Steve Bray.
Voor de stijl maakt dat niks uit. New wave zoals je de naam met de muziek associeert, ook als je het stickertje postpunk erop plakt. Acht nummers, waarvan Spaced Walking opvalt omdat Willcox het zong na het inhaleren van helium (ja ja, al in 1980...), Ghosts is snel en scheurend, waarna Mummies iets van Bowie heeft en Blue Meanings bijna plechtig.
Kant 2 begint met het rollende Tiger! Tiger! dat wordt gevolgd door het langzame Vision en het onheilspellende Insects dat een intense tekst bevat: "If you, you won't love me - If you don't pursue me through your streets - Please abuse me, Throw my body to the floor, I don't wanna be alone no more". She sluit sferisch af, Barnet combineert zijn klavieren met trompet.
Die 2021-editie bevat trouwens véél extra's, waarbij Willcox haar stem verder uitprobeert; in Silence Won't Do alsof we Gollum uit Lord of the Rings horen. Expressieve zang is de kracht van dit album, een stijl halverwege Siouxsie Sioux en Nina Hagen.
Waar vaker draaien vaak een album doet groeien, gebeurt me dat hier niet. Daarom 3,5 ster voor een degelijk album. In 1981 volgde het eerste singlesucces: Toyahs ster was rijzende.
Maar eerst verder met de wave van juni 1980, waar mijn vorige station was bij Jona Lewie en ik vervolg bij de tweede van The Motels.
» details » naar bericht » reageer
