Via deze pagina blijf je op de hoogte van recente stemmen, meningen en recensies van RonaldjK. Standaard zie je de activiteiten in de huidige en vorige maand. Je kunt ook voor een van de volgende perioden kiezen: januari 2025, februari 2025, maart 2025, april 2025, mei 2025, juni 2025, juli 2025, augustus 2025, september 2025, oktober 2025, november 2025, december 2025, januari 2026, februari 2026, maart 2026, april 2026, mei 2026, juni 2026
Pretenders - Pretenders II (1981) 2,5
31 maart, 22:36 uur
Disclaimer: ik ga mopperen, maar in vergelijking met hitparade-tijdgenoten als Anita Meyer en Diana Ross hoor ik véél liever Chrissie Hynde met haar originele Pretenders. Ik ben hier echter omdat ik op chronologische volgorde door new wave reis. En hier kom ik muziek tegen die mij te mainstream is. Houd er dus rekening mee dat ik door mijn persoonlijk gekleurde bril van smaak luister. Wat volgt is slechts mijn mening.
II is de simpele titel van deze tweede Pretenders. Opener The Adultress bevat een smerig gitaargeluid, waarna de zweep er extra overgaat in Bad Boys Get Spanked. Dit is wel andere muziek dan de keurige, brave hitsingles waarmee ik de groep in 1980 en '81 tegenkwam.
Ook 45 jaar later kan Message of Love mij niet bekoren (in de Nationale Hitparade #33 in maart 1981, in de Vlaamse verzamellijst Ultratop in maart #30, in het VK #11 in februari).
Uitzondering is het door Ray Davies (och och, wat vertelden radio-dj's dat toch graag...) geschreven I Go to Sleep, waarvoor ik toen én nu een zwak heb. De eenvoud van een dalende akkoordenlijn. Bij ons pas in januari '82 een #9, in Vlaanderen diezelfde maand #6 en bij de Britten twee maanden eerder #7. Supermooi liedje, maar new wave? Neen.
Birds of Paradise is eveneens rustig maar ontbeert die klasse en Talk of the Town beleefde ik als een saaie single, al in mei 1980 #24 in Nederland, #8 bij de Britten.
Over kant 2 stonden enige negatieve kwalificaties van mij vermeld; ik heb ze gedeletet. Naar mijn smaak – slechts mijn smaak! – niet pakkend. Wees het gerust met mij oneens. Uitzondering is slotlied Louie Louie: de blazers maken dat ik alsnog geniet. Is dit wave of werden de Pretenders hier al een poprockgroep met liedjes die niet in mijn smaak passen? Ik mis de melancholie van wave, dát is zeker. De elpee werd in Nederland in januari 1982 #16, bij de westerburen vijf maanden eerder #7.
En toen kwamen treurige nieuwsberichten: gitarist James Honeyman-Scott ontslagen en vervolgens (juni 1982) aan een overdosis drugs overleden. Dat laatste lot trof ook bassist Pete Farndon (april '83). Verdrietig!
De derde Pretenders verscheen in januari 1984 en was dus met een 50% nieuwe bezetting. In mijn beleving werd het toen een poprockgroep. Wellicht nog altijd een beetje alternatief, maar ook weer niet zo ontzettend. "Nâââh, ont-zat-tand", om het met typetje Harry Nak te zeggen. Geen new wave meer en niet mijn ding.
Mijn reis door new wave bevindt zich in augustus 1980. Komend van de tweede The Teardrop Explodes is het vervolg op deze Pretenders bij de tweede van ex-Ultravox’ John Foxx, toe aan zijn tweede soloplaat.
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - J-Tull Dot Com (1999) 3,5
31 maart, 19:05 uur
Daar gaan we weer: hierboven veel gemopper, ik zal proberen te benoemen waar en waarom er wel degelijk het nodige te genieten valt. Al loop ook ik op een gegeven moment bijna vast.
In december 1998 introduceerde Jethro Tull website J-Tull.com geïntroduceerd, in augustus 1999 volgde album J-Tull Dot Com, opgenomen in zijn Home Studio, die niet meer Farmyard Studios heet. Mogelijk omdat hij er had gemoderniseerd.
Een boze Ian Anderson ontdekte dat in de VS en Canada de door hemzelf geschilderde hoes daar alleen mocht als de pielemuis van de figuur, gebaseerd op de Egyptische ramgodheid Amun, zou zijn verwijderd. Droogjes reageerde hij, zo lees ik in de bandbio van Scott Allen Nollen uit 2002: "Never mind: the full three and a half inches of glory will be there for all to see on T-shirts, the tour programme and website."
Midtempo en met scheurende gitaren van Martin Barre en fijn-ouderwetse Hammond van Andy/Andrew Giddings wordt afgetrapt met Spiral, op Dot Com vallen de fraaie gastvocalen van zangeres Najma Akhtar op. Met het uptempo Awol is het nog sterker, mede dankzij de sterke bijdragen van Giddings. En steeds is daar weer de dwarsfluit van Ian Anderson, al blijft het jammer dat hij al vanaf midden jaren '80 de nodige dynamiek en bereik in zijn stem verloor; dit nummer is met alle proginvloeden echter een juweeltje.
Nothing @ All is een toetsenminiatuur van nog geen minuut, Wicked Windows heeft een afwisselend arrangement.
Met het trage, stevige Hunt by Numbers kan ik minder en het lichtere en vlotte Hot Mango Flush had beter instrumentaal kunnen blijven: Anderson probeert er spraakzang uit en dat werkt niet; het instrumentale aspect is echter sterk. Langzaam en stevig is eveneens El Niño, waarna het spannender wordt met Black Mamba, waarin enige Indiase invloeden doorschemeren.
Een overbodig pseudo-instrumentaal tussendoortje zijn de 76 seconden van Mango Surprise. Ze halen het tempo uit de plaat. Dat wordt onmiddellijk goedgemaakt met Bends Like a Willow, waar progrock en folk op fraai-Tulliaanse wijze samenvloeien. Aardig is Far Alaska waar bassist Jonathan Noyce hard moet werken met blues- en jazzlijnen (hier mis ik de stem van de jonge Anderson!), The Dog-Ear Years is kalmer en A Gift of Roses sluit geurend af.
Na een minuut stilte openbaart zich na een gesproken introductie van Anderson een voorproefje van het titelnummer van zijn aankomende soloalbum The Secret Language of Birds, dat in maart 2000 zou verschijnen. Niet alles is goed, maar selecteer track 1 - 5, 9, 11 en 14 en je hebt een sterke afspeellijst.
» details » naar bericht » reageer
Sweet - Waters Edge (1980) 4,0
31 maart, 18:00 uur
De tweede van de voormalige glamrockers Sweet zónder hun zanger Brian Connolly en de derde waarop de stamphardrock was ingeruild voor hardrock. In vergelijking met voorganger Cut Above the Rest valt op dat Waters Edge iets minder prog en iets minder stevig is.
Deze keer klinkt nadrukkelijker een combi van hardrock met kwaliteitspop. Het geluid van E.L.O, of waren de koortjes bij E.L.O. beïnvloed door de Sweet?
Zangers zijn wederom gitarist Andy Scott en bassist Steve Priest, maar de hoes houdt onduidelijk wie welk nummer zingt. In ieder geval wordt op kant 1 Own Up door "de ander" gezongen, waar een iets cleanere stem klinkt ten opzichte van de stem die op de andere nummers is te horen.
Met bescheiden toetsenbijdragen van Australiër Gary Moberley, onder meer sessiemuzikant bij de nodige soulnamen, maar ook bij Foreigner en nadien bij Talk Talk en ABC; zie diens biografie.
Geproduceerd door de groepsleden, zat Pip Williams (bekend van Status Quo's laatste drie albums van de jaren '70) aan de knoppen bij opener Sixties Man en slotnummer Give the Lady Some Respect.
Kant 1 is de sterkste kant. Nummers schrijven konden de drie. Zo zijn daar Sixties Man (al is het qua onderwerp bij het aanbreken van de jaren '80 wellicht niet zo slim gekozen) en Tell the Truth, alsof het één van de beste liedjes is die E.L.O. nooit opnam. Oorwurmpje.
Kant 2 begint met de shuffle van Thank You for Loving Me en via At Midnight doen ze hun glamrock herleven, compleet met pakkende koortjes. Was in 1973 geheid een hit geweest. Een moderner geluid volgt in Waters Edge, de rock 'n' rollers Hot Shot Gambler en Give the Lady Some Respect zijn wat tam. En toch, die koortjes! Ze hebben een sterke 1973-sfeer.
Een album dat groeit bij vaker draaien, waar kant 1 meteen overtuigt en 2 geleidelijk tot leven komt. De plaat flopte: fans verlangden terug naar Connolly en de groep werd geassocieerd met de uit de mode zijnde glamrock. Ik constateer echter opnieuw dat Sweet consistent in kwaliteit was.
Al met al een krappe 8 als schoolcijfer voor Waters Edge. Ten onrechte werd de Sweet na hun hitjaren afgeschreven.
» details » naar bericht » reageer
The Teardrop Explodes - Wilder (1981) 3,0
31 maart, 15:54 uur
Debuut Kilimanjaro van de groep met de mooie groepsnaam The Teardrop Explodes klonk niet alleen fris, de productie en stijl waren hun tijd vooruit, naar de zonniger vormen van new wave die later in de jaren '80 de boventoon zouden gaan voeren.
Waar ik die plaat aanvankelijk met 3,5 ster waardeerde, doe ik dat nu met vier stuks. De waardering voor "hun tijd vooruit" is gegroeid. Maar Wilder zal het met slechts drie sterren van mij moeten doen. Op zich is er niets veranderd, het klinkt fris en fruitig. Alleen de composities vind ik meestal nogal middelmatig. Uitzonderingen zijn de eerste twee singles: Colours Fly Away (als single in november 1981 #54 ) en Passionate Friend (oktober #25).
Een enkele keer hoor ik kleine gelijkenissen met The Stranglers. Het zit 'm dan in een toetsenlijn van David Balfe; waren de wurgers door hen beïnvloed of "hing dit in de lucht"? Het album kwam in december dat jaar bij verschijnen meteen tot zijn hoogste positie, te weten #29. Na een tournee gaat het vanaf maart 1982 rommelen in de gelederen, al wordt het verstilde Tiny Children in juni 1982 nog #44 en werkt men aan een derde album. Wegens verplichtingen volgen dat najaar nog optredens, maar dan verlaat frontman Julian Cope de groep en is de groep ter ziele. Van Cope zouden we solo nog veel horen.
Op reis door new wave, de albums achter mijn afspeellijsten, bevind ik me in augustus 1981. Komend van de tweede van The Comsat Angels vervolg ik bij de tweede Pretenders.
» details » naar bericht » reageer
The Teardrop Explodes - Kilimanjaro (1980) 4,0
31 maart, 15:33 uur
stem gewijzigd, oorspronkelijke stem was 3,5 sterren
» details
The Comsat Angels - Sleep No More (1981) 3,5
30 maart, 21:56 uur
Waar Comsat Angels uit Sheffield hun debuut in tien dagen opnam, was er meer tijd voor Sleep No More. De eerste was prima, de tweede...
Uitwaaierende gitaarpartijen in opener The Eye Dance en de toon is gezet: het instrument klinkt voller en steviger dan op Waiting for a Miracle.
Liefhebbers kunnen kibbelen of dit onder invloed was van hetgeen The Edge bij U2 deed, of dat Stephen Fellows juist van invloed was op de Ier. Ik houd het erop dat ze los van elkaar bezig waren met een ontdekkingsreis door de mogelijkheden van de gitaar, waarbij ze steeds ten dienste van de composities speelden. Tweede overeenkomst tussen de groepen is dat producer Peter Wilson net als Steve Lillywhite bij U2 de drums laat galmen.
Kant 1 sluit stemmig af met het trage Dark Parade dat mij met z'n vijf minuten te lang duurt, al komt de versnelling op 3'40" als geroepen. Als een somberder versie van U2.
Ik behoor bij de uitzonderingen als het gaat om de waardering van Sleep No More ten opzichte van Waiting for a Miracle. Het komt door de veel tragere tweede plaatkant, die kennelijk menig ander juist zo goed bevalt.
Het midtempo Diagram is niet de gedroomde start van kant 2 en Restless nog rustiger. Dan liever Goat of the West met z'n felle drums en de zang iets naar achteren gemixt, maar daarna gaat de voet weer van het gaspedaal. Dat heb ik wel vaker dat waar de goegemeente bij plaat 2 groei constateert, ik het debuut prefereer.
Alhoewel Rogier van Bakel het destijds ook zo beleefde, getuige zijn recensie die ik terugvind in het MuMe-forum OORdelen: "De structuur van het materiaal is vaak onduidelijker. Op Sleep No More staan eerder breed uitgesponnen basis-ideeën dan vervolmaakte nummers."
De groep tourde in 1981 met Siouxsie and the Banshees en U2. Zie daarvoor het gedetailleerde overzicht op comsatangels.org. In 2015 verscheen een 2cd-heruitgave, zie hier.
De muziek van The Comsat Angels ontbreekt op die van mijn streamingdienst, waardoor spijtig spijtig spijtig hun muziek ontbreekt in mijn afspeellijsten met new wave. Ik noteer ze pro memori.
Volgende halte in de wereld van new wave van augustus 1980: de tweede van The Teardrop Explodes, de groep waarvan het debuut mij eveneens zo opviel.
» details » naar bericht » reageer
Martin Barre - The Meeting (1996) 3,5
30 maart, 20:56 uur
Een wat eigenaardige hoes voor de tweede soloplaat van Martin Barre, bekend als gitarist van Jethro Tull. Althans, niet eentje die ik associeer met zijn stijl, die ook hier enerzijds toegankelijk poogt te zijn met anderzijds ingewikkelder instrumentale muziek, enigszins in de stijl van Steve Morses solowerk. Misschien dat de heruitgave van 2019 daarom een compleet andere grafische stijl kreeg. Barre schreef alle muziek en teksten.
De kleine lettertjes op de hoes noemen de nodige deelnemende musici, zie daarvoor het vorige bericht. Meest opvallende naam voor mij is die van drummer Darren Mooney, omdat ik hem ken van zijn werk bij Primal Scream en Scars, de groep met daarin Gary Moore. Daar werd zijn voornaam overigens als Darrin gespeld. Behalve hij zitten er maar liefst drie (ex-)drummers van Tull op de kruk.
Elf nummers op cd, de vinyl uitgave van 2019 telt er drie (!) minder. Titelnummer The Meeting trapt stevig en uptempo af, zelden (nooit?) speelde Jethro Tull op dit tempo; de volle stem van Maggie Reeday domineert in dit nummer met diverse tempowisselingen. Bluesrock 2.0 klinkt in The Potion, eveneens voer voor Reeday.
In Outer Circle staat Barre zichzelf voor het eerst toe zijn kunnen en smaak volop te etaleren, om in I Know Your Face tevens de dwarsfluit te hanteren. Uiteraard ontstaat zo de associatie met Jethro Tull, maar omdat Reeday hier lichter zingt, gaat het een andere kant op.
De cd vervolgt met het sfeervolle instrumentale Misere, waar elektrische en akoestische delen elkaar afwisselen. Stevig en langzaam is Time After Time waar Reeday weer acte de présence geeft. Mijn favoriete nummer is Spanner, dat gedurende bijna zeven minuten diverse stijlen langsgaat, van rustige jazzrock (sax van Mel Collins) tot stevige rock.
Dan volgen de drie nummers die op elpee ontbreken. Running Free is uptempo poprock met Reeday en doet mij denken aan het werk van Kansas' Kerry Livgren in de jaren '80 met de groep AD; het instrumentale Tom's gaat de kant van Steve Morse op en in Dreamer de invloed van Spaanse flamenco. Hier is het Joy Russell die zingt, het gitaarspel is weer prachtig.
Bij het sfeervolle instrumentale slotlied The Audition moet ik in het eerste deel denken aan Contact Lost van Deep Purple, in feite een Steve-Morse-solonummer, te vinden op hun album Bananas. In het tweede deel klinken de kinderstemmen van Elaine en Jennifer. Fraai.
De drumpartijen klinken steviger dan bij Jethro Tull het geval is, waardoor ik het idee krijg in de studio te staan. Net wat rauwer dan bij het moederschip het geval is. Vele fans roemen het werk van Martin Barre en missen hem bij het huidige Tull. Wel, zijn soloalbums zijn dus zéér aan te bevelen.
» details » naar bericht » reageer
The Comsat Angels - Waiting for a Miracle (1980) 4,0
29 maart, 21:17 uur
Jammer dat de muziek van The Comsat Angels niet op mijn streamingdienst staat, want met een sterk en herkenbaar debuut als dit zou een track van Waiting for a Miracle zeker voor extra glans zorgen!
Gitaarwave die in tegenstelling tot menige tijdgenoot niet sombere postpunk bevat, al kan het getuige Real Story wel ernstig klinken; maar het daarop volgende Map of the World is vlotter en opgewekter. Een eigen geluid van deze piepjonge groep, petje af.
De soms wat klaaglijke zang van Stephen Fellows past goed bij diens lange gitaarlijnen, de sobere synths van Andy Peake vullen de ruimte daarachter en de ritmesectie van Kevin Bacon en Mik Glaisher stuwt de boel op; bij hun invulling moet ik dan soms wél aan bijvoorbeeld een Joy Division denken, zoals in Total War. Maar het gekke is dat de zanglijn wel iets van Elvis Costello heeft.
Laat ik snel stoppen met vergelijken: The Comsat Angels lijken op The Comsat Angels, zoals bijvoorbeeld met het pompende On the Beach blijkt.
In het MuMe-forum OORdelen (klik en scroll) van dazzler noteerde deze uit de recensie van VPRO's Bram van Splunteren: "Het vermogen tot het schrijven van songs met een zeer zorgvuldige opbouw, waarbinnen verrassende melodische wendingen of subtiele instrumentale toevoegingen zorg dragen voor een constant boeiend verloop."
Ik ben op reis door new wave, de albums achter mijn afspeellijsten met losse nummers. Na deze flashback vanaf het debuut van Wall of Voodoo keer ik terug naar augustus 1981 en de tweede Comsat Angels.
» details » naar bericht » reageer
Wall of Voodoo - Dark Continent (1981) 4,0
29 maart, 20:21 uur
Bij een groepsnaam als Wall of Voodoo en een albumtitel als Dark Continent dacht ik dat dit heel sombere muziek zou zijn. Postpunks op z'n introverts.
Mis! Dit vooroordeel kan subiet de prullenbak in. Wat dan wel? Een opgewekte, hybride combinatie van synthpop en gitaar, gemaakt door Stan Ridgway op zang, toetsen en mondharmonica (vijf jaar later in Nederland solo scorend met single Camouflage), bassist en toetsenist Bruce Moreland en diens broer gitarist Mark Moreland, op toetsen en synthesizers Chas Gray en op drums Joe Nanini. Alleen zijn de drums op het album alle digitaal, dus wellicht dat hij destijds alleen live aanschoof. De Californiërs zetten een herkenbaar en eigen geluid neer.
Wat zich ontplooit is een vrolijke vorm van new wave, waarin je overeenkomsten met landgenoten Devo en Oingo Boingo zou kunnen ontdekken. Venijnige gitaarriffjes en olijke bliepjes, uptempo beats van licht kaliber en soms wervelende toetsenpartijen, zoals Back in Flesh zo sterk samenbalt. Zes nummers op kant 1 en vijf op 2 met in totaal een dikke vijfendertig minuten muziek: ze komen nergens boven de vier minuten. Veel afwisseling dus binnen hun stijl, als een nummer je minder bevalt is de volgende alweer daar. Maar eigenlijk is alles leuk.
Over die mondharmonica was ik in deze muzikale context wel verbaasd, maar hij duikt op in Tse Tse Fly en past daar prima. Soms zijn er tsjakkeboemritmes, door jellorum treffend als "paard-van-sinterklaas-geluid" omschreven. Alsof de heren de muziek van Johnny Cash in opgejaagde, digitale vorm hebben omgezet.
De zang van Ridgway is knauwend en daarmee herkenbaar Amerikaans, de baslijnen van Bruce zijn diep en melodieus tegelijk, ietwat overeenkomst hebbend met hetgeen Peter Hook bij Joy Division en New Order deed en ging doen. Bij elkaar ontstaat een sfeer die niet had misstaan in de serie 'Breaking Bad', vanwege alle woestijnscènes daarin. Want ook die associatie van Jellorum is herkenbaar.
Mijn reis door new wave vervolgt: ik kwam vanaf het Engelse Cabaret Voltaire en vervolg in het Engelse Sheffield bij de Comsat Angels. Omdat ik debuut Waiting for a Miracle abusievelijk oversloeg, begin ik daar. Daarna hun Sleep No More, dat net als dit Dark Continent in augustus 1981 verscheen.
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - Roots to Branches (1995) 4,0
29 maart, 18:11 uur
Na drie albums waarop Jethro Tull ergens tussen ZZ Top en Dire Straits laveerde, bleef het vier jaar stil, afgezien van diverse tournees, verzamelaar 25th Anniversary, de boeiende uitgave Nightcap: The unreleased Masters, 1973 - 1991 uit 1993 en livealbum In concert: At the Hammersmith Odeon 8th October 1991.
Gitarist Martin Barre bracht in 1994 zijn eerste soloplaat uit, het prima A Trick of Memory. Frontman Ian Anderson worstelde met zijn gezondheid, was druk als zakenman met zijn forelboerderij met vierhonderd werknemers en bracht in april 1995 zijn soloalbum Divinities: Twelve Dances with God uit, gevuld met instrumentale, licht-klassieke muziek.
Slechts vijf maanden later verschijnt Tulls Roots to Branches. Bassist Dave Pegg was inmiddels te druk geworden met Fairport Convention en had de groep die zomer verlaten, nadat hij live al diverse malen door diens zoon Matthew was vervangen. Wel is pa nog op drie nummers te horen. Op de overige bast de Amerikaanse sessiemuzikant Steve Bailey.
Het album klinkt mij in de oren als een vocale en progrockende versie van Divinities. Van oorsprong was Jethro Tull een groep die diverse muziekstijlen (blues, jazz, progrock en folk) integreerde tot een eigenzinnig geheel met dwarsfluit en Andersons soms bezwerende zang. Waar ik die combinatie van ingrediënten op de drie voorgangers node miste, keert deze hier terug.
Hoe is dat zo gekomen? Ondanks dat Scott Allen Nollen in zijn bandbiografie 'Jethro Tull' uit 2002 veel vertelt, blijft het gissen. Opvallend is de reis naar India in februari 1994 die indruk maakte op de groepsleden en terugkeert in de nodige, licht-oosterse melodieën.
Een tweede reden kan de toetreding van de getalenteerde toetsenist Andy Giddings zijn, die fanatiek het werk van zijn voorgangers bestudeerde en bovendien nauw betrokken was bij Divinities.
Dat de groepsleden de nodige inbreng hadden in de muziek - alhoewel de credits aangeven dat alle nummers zijn geschreven door Anderson - vertelde drummer Doane Perry. Over de repetities waar Anderson slechts deels bij was: "Martin retreated into weird wah-wah psychedelia, and Ian kept popping his head in and out to hear how things were going, offering an occasional 'Hmmm, why not try this?" Andersons gefronste wenkbrauwen konden enige onrust veroorzaken bij Barre, Giddings en Perry, maar Roots to Branches klinkt organisch, iets wat ik bij het trio vorige albums miste.
In de teksten keert de religieuze inspiratie van Divinities terug, zoals in Valley. Nee, Anderson was geen religieus mens geworden, althans wat het georganiseerde deel daarvan betreft: "Oh, beware the scary power of religious fervor, mixed with dangerous geo-politics and the hip-on-the-shoulder mindset of separatism, fragmentation, and the wild flagwaving desire to settle old, old scores," zo noteerde hij in het tourprogrammaboekje. Met het nieuws dat ons deze dagen bereikt waarbij een derde wereldoorlog een mogelijk vervolg kan worden, zijn Andersons woorden alleen maar in gewicht toegenomen.
Bassist bij de tournee is Engelsman Jonathan Noyce, die tevens deel uitmaakte van Andersons groep bij de tour voor Divinities. Leuk detail: toen hij werd geboren, nam Jethro Tull een pauze van hun tour voor Aqualung.
De bandbiografie sluit af het hoofdstuk over Roots to Branches af met een korte zin over een ingrijpende gebeurtenis voor Anderson: "Unfortunelately, the original Strathaird salmon factory in Inverness burned down on August 1, 1998."
» details » naar bericht » reageer
Cockney Rejects - The Power & the Glory (1981) 3,5
28 maart, 14:03 uur
Uit een nooit gemaakte speelfilm. Een arbeiderswoning in de Londense wijk Stratford, Oost-Londen. Op een zomerse middag komt een jongen met kortgeknipt haar in een t-shirt van Sham 69 thuis, een elpee onder zijn arm. Zijn moeder roept vanuit de huiskamer dat hij straks, als zijn vader er ook is, fish 'n' chips moet halen. Hij brult een 'ja' en stormt naar boven.
De jongen gooit de slaapkamerdeur open waar zijn broer zit. De kamer is gevuld met twee bedden, één links, de ander rechts. De ene kant is behangen met posters van The Jam, Sex Pistols en andere namen. Aan de andere kant hangen voetbalposters en op dat bed zit een iets jongere knul die verdacht veel op de ander lijkt, alleen draagt hij een shirt van West Ham United.
De oudste roept enthousiast in plat Cockney: 'Ik heb de nieuwe van de Rejects!' waarna hij Power & The Glory op de draaitafel legt en de versterker vér opendraait. Daarna gaat hij zitten en terwijl de twee praten over de Brixton riots van eerder dat jaar, klinkt rechttoe punk door het huis met een op z'n hooligans gebruld refrein. De titel is duidelijk The Power and the Glory. 'Doe de deur dicht!', roept de moeder vanaf beneden maar omdat haar zoons dat niet horen, komt ze dat zuchtend zelf doen.
De twee kijken verbaasd als het volgende nummer wat braver is, zeker met de titel Because I'm in Love. De oudste draait de hoes om: 'Kijk eens, de bassist heeft een matje,' wijst hij met een zuur gezicht.
Het nummer erop klinkt gitaargetokkel. Getokkel? En wat is de zang braaf! Het nummer erna kijken beide broers pas echt vies. Er klinkt een akoestisch liedje met geluiden van zeemeeuwen. Het heet Lumon. Gelukkig wordt het gevolgd een volgend meebrulnummer, deze keer over Friends. Kant 1 is afgelopen.
Kant 2 opent met Teenage Fantasy dat weliswaar stevig is, maar de broers hoofdschudden om de slappe zang. Dan volgt een vlot maar popachtig liedje met gevoelig gitaarspel. Gevóélig? It's Over wordt ontvangen met blikken alsof de twee bedorven vis ruiken.
On the Streets Again is okay, maar dan... BYC. Een instrumentaal nummer, alweer en nu met synthesizer? Slotnummer The Greatest Story Ever Told is steviger maar nog altijd te braaf en kan niet voorkomen dat de twee mopperen over hun Cockney Rejects. 'Ze proberen te slijmen om toch nog bij Top of the Pops te komen!' luidt het oordeel.
Een klop op de deur, die daarna openzwaait. Een jonger meisje, ongetwijfeld hun zusje, stapt binnen. 'Als jullie het niks vinden, mag ik 'm dan lenen?' vraagt ze. De jongens stemmen nog in ook en zetten vervolgens Greatest Hits Vol. 3: Live & Loud! van eerder dat jaar maar weer eens op. Toen de Rejects nog échte straatpunks waren. Daarna vertrekken ze voor fish 'n' chips.
Enkele scènes later zien we hoe het zusje op haar kamer met vrolijk gezicht de plaat draait, inclusief het akoestische en synthesizerliedje. Misschien minder geschikt voor rauwe punks en voetbalsupporters, valt er eigenlijk best wel van The Power & The Glory te genieten. Dat kon niet voorkomen dat zowel album als singles flopten.
Onderweg door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave, ben ik in augustus 1981. Mijn vorige halte was de Tom Tom Club, de volgende is bij single The Thin Wall, afkomstig van Ultravox' Rage in Eden.
» details » naar bericht » reageer
Martin Barre - A Trick of Memory (1994) 3,5
28 maart, 08:49 uur
Jethro Tull tussen Catfish Rising (1991) en Roots to Branches (1995) in? Terwijl Ian Anderson worstelt met stemproblemen en druk is met zijn tweede soloalbum, het licht-klassieke en instrumentale Divinities: Twelve Dances with God, werkt gitarist Martin Barre aan zijn solodebuut. Nieuwe Tulltoetsenist Andy Giddings assisteert Barre op tien nummers, bekende naam in het achtergrondkoor is die van Katie Kissoon.
Vorig jaar ben ik door het (solo)werk van gitarist Steve Morse (Dixie Dregs, Kansas, Deep Purple) gegaan en aan diens muziek moet ik denken als ik A Trick of Memory hoor. Voor mij een album dat afwisselender en verrassender is dan de drie vorige Jethro Tulls bij elkaar. Opvallend is dat de overeenkomsten met het gitaargeluid en -spel van Mark Knopfler zijn verdwenen, verrassend is dat er soms saxofoon klinkt, dit dankzij Mel Collins.
Een dwarsdoorsnede. Genieten is het van de akoestische gypsy jazz in Empty Cafe, Suspicion volgt in de sfeer van Steely Dan, waar Barres zang goed bij past; de Spaanse gitaar in I Be Thank You is warm en hij waagt zich daar zelfs aan dwarsfluit; de vocale bijdrage van Maggie Reeday op A Blues for All Reasons is krachtig en heeft dankzij de achtergrondzangeressen een gospelsaus; het prima titelnummer had zomaar op een album van Tull kunnen staan, waar echter Ian Anderson alle compositorische ruimte opeiste. Volop variatie dus op deze Martin Barre, wat geldt voor het hele album.
Muziek voor gitaarliefhebbers, waarbij Barre nadrukkelijk ook naar een breder publiek uitreikt. Geslaagd.
» details » naar bericht » reageer
Leaves' Eyes - Song of Darkness (2026) 2,5
28 maart, 08:19 uur
Een nieuwe Leaves' Eyes met het volgens beproefd recept gemaakte Song of Darkness. In de bezetting nieuwe namen Florian Ewert (gitaar), Dominik Prykiel (bas) en Simon Škrlec (drums), maar op deze EP drummen zowel oude stokkenman Joris Nijenhuis als Nils Kreul met een sessierol voor gitarist/bassist Micki Rechter. Te gast is Thomas Roth op de nyckelharp en wat dat is ontdekte ik hier (artikel) en daar (filmpje).
De vocale hoofdrol is nog altijd voor Elina Siirala, er doet een koor mee en voor de grunts in Hall of the Brave is bandbaas Alexander Krull verantwoordelijk, die tevens de boel produceerde en wat al niet meer.
Wat ik mis is het snelle werk, het resultaat is wat eenvormig en met het kalme slot Roots Eternal zelfs kabbelend. Zo overkomt me wat me vaker gebeurde bij de groep: voorspelbaar en inwisselbaar met eerdere albums. Wie dat juist een aanbeveling vindt of voor wie Leaves' Eyes nieuw is, weet waar degelijk Vikingmetaal is te vinden.
» details » naar bericht » reageer
Tom Tom Club - Tom Tom Club (1981) 3,5
27 maart, 07:40 uur
New wave in de hitparade in augustus 1981. Ik hoorde het voor het eerst in 1977 met namen als Iggy Pop, The Stranglers, Flash and the Pan en Gruppo Sportivo. Vier jaar later waren het namen als mijn vorige station Kirsty MacColl en in diezelfde augustusmaand Tom Tom Club die de hitlijsten haalden. Ik ontdekte pas jaren later dat dit de ritmesectie van Talking Heads is, te weten bassiste Tina Weymouth en drummer Chris Frantz, die dan ook nog eens een setje bleken te zijn.
In het geval van Wordy Rappinghood #2 aan het einde van die maand, met daarbij de beleving die Ataloona zestien jaar geleden treffend omschreef: "Begint me moeder opeens raar mee te zingen. Oeha oeha chiep chiep chiep of zo." Ja, dát gevoel! Het item uit de Top 2000 a Gogo dat hij noemt, staat hier. In Vlaanderen kwam het begin september zelfs tot #1. Op elpee in een uitgerekte versie die niet verveelt.
Internationaal is Genius of Love gezien het aantal streams veel populairder, ongetwijfeld vanwege de Talking Headsconcertfilm Stop Making Sense waar het nummer in zit; het was in de VS ook een hit, zij het niet zo groot als die andere. Voor mij een deep cut, toch prefereer ik Wordy Rappinghood.
Daarna is het vaak aardig, soms meer dan dat. In die laatste categorie vallen het Franstalige L'Éléphant en Booming and Zooming, dat met z'n geluiden vanuit de verkeerstoren gaandeweg groeit.
Zoals deric raven in het vorige bericht noemt zijn er overeenkomsten met Bananarama zoals As Above, So Below en On on on on.... In Lorelei hoor ik overeenkomsten met de discokant van Blondie. Dit alles door de stem van Weymouth, die met haar eega consequent muziek voor op de dansvloer neerzet.
Maar ik kijk nu naar een huiskamervloer en zie dat die een stofzuiger behoeft. Laat ik daarbij mijn volgende halte bij de wave van augustus 1981 opzetten: The Power & the Glory van de Londense punks Cockney Rejects.
» details » naar bericht » reageer
Dark Sky - Once (2018) 4,0
26 maart, 22:02 uur
Laatst de groep in het Arnhemse Willemeen gezien als voorprogramma van Barren Cross. Nooit van gehoord, toch blijkt Dark Sky al sinds 1982 te bestaan, om twintig jaar later te hebben gedebuteerd. Afkomstig uit Rottweil, Baden-Württemberg, bij ons beter bekend als "het Zwarte Woud". Zuid-Duitsland dus.
Op de gok (support your local bands) een cd van ze gekocht en bij de bandstand voor deze gekozen omdat er een live-dvd bij zit. Die moet ik nog gaan zien, dus eerst over de eerste schijf. Gaandeweg blijkt dat dit een combi is van een livealbum met overig materiaal.
Duidelijk is dat Dark Sky in 2018 bij verschijnen van Once een andere bezetting kende. In Willemeen maakten ten opzichte van toen slechts zanger Frank Breuninger en (misschien?) één der gitaristen nog deel uit van Dark Sky. En waar er nu sprake is van twee gitaristen, waren er toen een gitarist plus toetsenist. Je hoort het nog altijd in de tapes die bij het concert meelopen.
Op Once klinkt een cocktail van heavy metal, hardrock, power metal en adult oriented rock, vakkundig aaneengesmeed tot één stevig geluid. Breuninger heeft een heldere stem en doet zowel in voorkomen als stem aan Joe Lynn Turner in de jaren '80 en '90 denken. Misschien dat de Michael Schenker Group een vroege invloed was, getuige Reasons. Sterkere overeenkomsten zijn er met namen als Avantasia en Symphony X, en ook het Zweedse H.E.A.T. zou op een festival met Dark Sky passen.
Bij het derde nummer luisterde ik met de wenkbrauwen omhoog: na een heavy hakkende riff komt een melodie voorbij die ik lang niet had gehoord: die van When the Rain Begins to Fall, ooit van Jermaine Jackson en Pia Zadora. Tot mijn verbazing kan ik melden dat Dark Sky er heel goed mee wegkomt. Niet doorvertellen, maar ik kan niet anders dan meezingen.
Gladiators on Ice is geschreven voor de lokale ijshockeyclub, zo werd tijdens het concert verteld. Daar een volwaardig nummer, op Once slechts een kortdurend nummer bombastisch orkest en koorzang, waarna je een heavy nummer verwacht. Maar die komt niet. Wel leuk als intro- of filmmuziek.
Het wordt gevolgd door livemuziek, dezelfde setlist die ik later op dvd hoop te bekijken. Opgenomen in Rottweil, juli 2015, toen de groep in het voorprogramma van Europe stond. De intromuziek heet Initium, een koorminiatuur in het Latijn en titelnummer van hun conceptalbum van drie jaar eerder. Dan het dampende Hands Up dat ook in de Arnhemse set zat. Ik ben weer helemaal terug in de jaren '80 en dat wérkt, inclusief een heerlijke gitaarsolo.
De set van acht nummers verveelt niet, ondanks het ontbreken van originaliteit of vernieuwing - het zit gewoon góéd in elkaar met melodieën die pakken en arrangementen die strak en zuiver (koortjes) worden neergezet. Tsja, kies dan maar eens drie favoriete nummers...
Overmorgen openen ze in Duitsland voor Geoff Tate's Operation Mindcrime. Ze zullen er het publiek ongetwijfeld opwarmen.
» details » naar bericht » reageer
Buzzcocks - Attitude Adjustment (2026) 3,5
26 maart, 21:19 uur
De bus viel uit in de buitenwijk van de Grote Stad en dus moest ik eind januari lopen naar de platenzaak in het centrum. Koopdoelen: de nieuwe albums van Francis Rossi en Buzzcocks op cd. Daar aangekomen bleken beide niet aanwezig en dus maar besteld. De bus terug reed gelukkig wél.
Twee weken later kon ik ze alsnog ophalen. Dit is de tweede Buzzcocks zonder de overleden Pete Shelley, wiens voormalige rechterhand Steve Diggle nu roerganger is. Zijn stem is zwaarder en ernstiger dan die van Shelley was, zoals in het verleden ook al kon worden geconstateerd. Beiden waren namelijk om beurten leadzanger. Daarbij had ik steevast een voorkeur voor Shelley, maar aangezien die naar Gene Zijde is vertrokken...
Gebleven zijn de scheurgitaarliedjes met een hoog melodisch gehalte, steevast uptempo. De stem van Diggle kent weinig variatie: hij zingt toonvast en clean, maar kent weinig expressie. Beluister je hem een album lang, dan wordt het wat monotoon.
Toch zijn veel liedjes lekker. Op een rij: track 1 tot en met 5 - oftewel tot en met Tears of a Golden Girl - waarna het vanaf Heavy Streets tot en met One of the universe (Part Two) minder pakkend is. Met track 10 Jesus at the Wheel is het weer raak, net als met Just a Dream I Followed. Een keurige 7 van mij, dankzij vooral de sterke eerste helft.
» details » naar bericht » reageer
Angel - Live Without a Net (1980) 4,0
26 maart, 19:06 uur
De stukjes hierboven van een zestal MuMensen zijn mopperend van toon en sterrenwaardering, maar het gemiddelde van 3,11 (achttien stemmers), laat zien dat menigeen daar iets positiever in zit.
Ik ben de afgelopen tijd door hun discografie aan het gaan en heb tot dusver het debuut plus derde plaat As It Is in Heaven als sterke albums genoteerd met 4,5 en 4 sterren, Helluva Band en White Hot als goede derden met 3,5 ster. Alleen plaat 5 Sinful was me slechts 3 sterren waard, nog altijd voldoende.
Het gemopper bij die laatste plaat was de reden om Live without a Net weer eens te draaien. Op vinyl, dubbelelpee in klaphoes met aan de binnenzijde grote livefoto's van het kwintet. Hij draait via mijn nieuwe platenspeler en versterker en die laten horen dat met de productie niks mis is.
Klagen dat het publiek te hard is ingemixt mag, die geluiden verhogen wél de sfeer. Ik stel me er zo'n (over?)enthousiaste megazaal in de States bij voor, Coca of Pepsi cola uit de fles en Budweiser van de tap en gekke Amerikanen die vrolijk uit hun dak gaan. Ja, we zijn in Californië! Het Santa Monica Civic Centre en de Long Beach Arena, niet ver van het strand.
Klagen over overdubs? Liveklassiekers als Live and Dangerous (Thin Lizzy) en Strangers in the Night (UFO) bevatten ze ook. Foutjes repareren of andere zaken oppoetsen, van mij mag het.
De eerste schijf bevat kant 1 en 4 en de tweede kant 2 en 3. De start met Tower is sterk, jammer dat die is ingekort ten opzichte van de studioversie. De nummers hierna blijven uptempo en stevig. Dit hairmetal noemen is oneerlijk: okay, witte kleren en lange haren, maar de vijf zetten een meer dan degelijke set neer. Bovendien muzikaal gelaagder dan de partymetal die in de tweede helft van de jaren '80 floreerde.
Halverwege kant 2 speelt Greg Giuffra een lange toetsensolo; heel anders dan bijvoorbeeld Jon Lord had gedaan, maar ik hoor wel overeenkomsten met het latere werk van Don Airey, bijvoorbeeld diens live-intro van Nuclear Attack bij Gary Moore. Inclusief een Star Wars-lasergungevecht, het is over de top en ik geniet.
Kant 3 begint met All the Young Dudes van Mott the Hoople/David Bowie, dat Angel goed past; Gitarist Robin Meadows (de leden hanteren hun echte voornamen op de hoes, dus geen 'Punky' Meadows) krijgt bij Rock & Rollers alle ruimte voor een lange gitaarsolo vol fijne clichés (hier mág het!). En hoezo is de drumsolo in White Lightning slecht? Nee hoor, duurt niet te lang bovendien: genieten!
Wat ook fijn is: géén ballades. Alles uptempo. Slotnummer 20th Century Foxes is blijkens de hoes opgenomen in het Shrine Auditorium in Los Angeles voor de film 'Foxes', waarvan hier de trailer met daarin Jodie Foster en sluikreclame voor Angels labelgenoten Kiss. Duidelijk voor de film geschreven en daarom meer pop, maar wel lekker.
Als ik zin heb in een liveplaat kan het zijn dat ik niet één van die vermaarde platen opzet, maar Live without a Net. Een energieke dubbelaar die een zomerse sfeer brengt. "Toch werd dit de zwanenzang van de groep," zou ik hebben geschreven als de groep niet in 2019 was teruggekeerd met Risen.
» details » naar bericht » reageer
Ian Anderson - Divinities: Twelve Dances with God (1995) 4,0
25 maart, 20:58 uur
Twaalf jaar na Walk into Light waar Ian Anderson met de nieuwste generatie synthesizers stoeide, ging hij een nieuwe uitdaging aan. Roger Lewis van EMI klassiek zocht naar een eigentijds alternatief voor de bekende componisten. Hij benaderde de bandleider van Jethro Tull om een album te maken met muziek voor dwarsfluit en orkest. Samen met nieuwe Tulltoetsenist Andy Giddings hapte Anderson toe, waarna drummer Doane Perry volgde voor percussie.
In twaalf nummers reizen we langs de religies van de wereld, iets waarvoor Anderson zich sterk interesseerde. Het was EMI dat ondertitel Twelve Dances with God aan hoofdtitel Divinities toevoegde.
Wat volgt is een rustig album met instrumentale muziek, die niet alleen langs diverse landen maar ook langs diverse sferen reist. Van stemmig tot vrolijk. Van klein en intiem tot groot en uitbundig.
Vandaag had ik de muziek op bij het wegwerken van werkmail en ik kan u verzekeren dat dat een aangenaam uurtje was met muziek die zich weliswaar niet op de voorgrond dringt, maar wel degelijk diverse lagen bevat. Daarbij veel dwarsfluit. Het resultaat is wat ze op NPO Radio 4 licht klassiek noemen. Een dikke 8, zeker na de drie middelmatige studioalbums met Jethro Tull die hieraan vooraf gingen: Anderson daagde zichzelf en anderen eindelijk weer eens uit.
» details » naar bericht » reageer
Kirsty MacColl - Desperate Character (1981) 4,0
25 maart, 20:10 uur
Misschien bedoelde ze het als een vervolg op het nummer van Frankie Lymon?
Niet dat ik een kenner ben, al wist ik wel dat ze dochter is van folkzanger Ewan MacColl en die ken ik dan weer dankzij muziek van The Pogues.
Op reis door new wave kom ik van het ernstige Hamburgse Palais Schaumburg bij dit vrolijke elpeedebuut van de Londense Kirsty MacColl, waarvan ik tot anderhalf jaar geleden slechts single There's a guy works down the chip shop swears he's Elvis kende. Daar klinkt de sfeer van jaren '50 rock 'n' roll, die ik eerder tegenkwam bij pubrocker Dave Edmunds (de hit Girls Talk bijvoorbeeld) en het Amerikaanse The Atlantics.
Ik viste najaar 2024 Desperate Character uit een bak bij Simply Listening in het Groningse Ulrum, de noordelijkste platenzaak van ons land. Wel een gokje, want een heel album met knipogen naar jaren '50 rock 'n' roll leek me wat veel. Al wist ik niet of het nummer kenmerkend is voor de rest van het album.
Nee, het is níet kenmerkend voor geheel Desperate Character, wel zijn er meer nummers in die sfeer. Bij MacColl geldt dat voor opener Clock Goes Round, waarna See That Girl gepolijstere rock 'n' roll bevat, vergelijkbaar met Presence Dear van Blondie. Bij MacColl met rijk pianospel van gavin Povey versierd; de hoes noemt dat instrument 'ivories'.
Na de rockandrollende hit (#31 in augustus 1981 in de Nationale Hitparade, in het VK in juli #14, te zien bij Top of the Pops) volgen warempel country via Teenager in Love en pop in latinjasje (rijke blazers!) in Mexican Sofa. Kant 1 sluit af met gevoelig pianospel en een saxofoon in Until the Night, enigszins in de stijl van Elvis Costello. Allemaal eigen composities van MacColl, kennelijk gezegend met een brede smaak, zowel gitaar als blazers als piano laat domineren in de arrangementen en bovendien liedjes kan schrijven.
Verrassend is dat kant 2 opent met regelrechte en pakkende new wave, compleet met groot drumsgeluid á la XTC. Falling for Faces is mjummie. Dankzij het orgeltje in Just One Look is daar zowaar ska, waarna The Real Ripper swingjazz brengt?! Alsof dit een verzamelalbum is met nummers uit een jááárenlange carrière.
Wave in jaren '60-sfeer in Hard to Believe, jaren '50 en hoge hoe-hoe-hoekoortjes in He Thinks I Still Care. De elpee (mijn persing is de Nederlandse van Polydor uit '81) eindigt met de countryversie van There's a Guy Works Down the Chip Shop Swears He's Elvis, alsof het een cd-bonustrack is. Maar die was nog niet uitgevonden.
Een plaat waarvan ik vermoed dat niet alleen Dave Edmunds maar ook Nick Lowe en Elvis Costello 'm regelmatig hebben opgezet. Verrassend genoeg was geen van hen bij Desperate Character betrokken.
Ik ben bezig de albums achter mijn afspeellijsten met losse nummers uit de new wave te draaien, momenteel met muziek uit augustus 1981. Voor de volgende halte ga ik naar New York, waar de ritmesectie van Talking Heads als Tom Tom Club mijn tienerhart opvrolijkte met Wordy Rappinghood.
» details » naar bericht » reageer
Palais Schaumburg - Palais Schaumburg (1981) 2,5
24 maart, 22:14 uur
Op reis door de new wave van 1981 kom ik van alles tegen. Daarbij uiteraard ook werk uit de West-Duitse variant ervan, de Neue Deutsche Welle. Die is opvallend vaak van bewust-simplistische makelij, zoals ik laatst tegenkwam bij Der Plan en Die Doraus & Die Marinas. Nu het debuut van Palais Schaumburg uit Hamburg.
De muziek is dankzij Ralf Hertwig opvallend vaak percussief met een industriële inslag en desondanks dansbaar. Voeg daaraan toe de afwijkende vocalen van (oorspronkelijk uit Zürich) Holger Hiller. Die zijn vooral niet gericht op het creëren van harmonieuze zoetigheden, met bijvoorbeeld valse tweestemmigheid tot gevolg. Dat Wiegbert Zelfel op saxofoon en Thomas Fehlmann op trompet er vrolijk doorheen toeteren of in het geval van Fehlmann bovendien rare synthesizerbliepjes erbij gooien, maakt de tegendraadsheid extra apart. Voilà, een experimentele cocktail.
Wat ik echter mis bij deze drie groepen: emotie. Het is ofwel ironisch (?), ofwel kunstzinnig en experimenteel. Maar zijn ze blij, bedroefd, boos, verontwaardigd? Of gaat het vooral om muzikale grensverleggingen?
Een enkele keer proef ik humor, zoals titel Deutschland kommt gebräunt zurück doet. Als ik ontdek dat de tekst van Wir bauen eine neue Stadt gebaseerd is op een kinderliedje, moet ik opnieuw glimlachen.
Maar de overige nummers? Het resultaat is dat ik dit als onpersoonlijk beleef, al is één nummer in een afspeellijst met andere namen uit de wave juist weer aangenaam ter variatie.
Sinds 2012 is het album verkrijgbaar met een tweede cd vol bonussen, maar ik heb aan het streamen van de ene elpee wel genoeg... Sorry. Wie dat juist leuk vindt, kan blind en doof een sterretje of meer aan mijn waardering toevoegen.
Mijn reis door new wave van 1981 kwam van de vierde van The Kids en ik vervolg met muziek die veel emotioneler én mainstream is: het debuut van de Londense Kirsty MacColl en haar hit met één van de langere titels in de pop: There's a guy works down the chip shop swears he's Elvis.
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - Catfish Rising (1991) 3,0
24 maart, 20:59 uur
De echte Zeeuwse bolus, wil je die van de bakker of van de supermarkt? En als je diezelfde keuze had voor de Luikse wafel? Of de Fryske krûdkoeke?
Dát is mijn gevoel bij de drieslag Crest of a Knave - Rock Island - Catfish Rising van Jethro Tull. Op zich best lekker, maar vergeleken met het avontuurlijke werk van voorheen is dit een fabrieksproduct. Nog altijd smakelijk, jazeker. En toch.
Het zit 'm in de standaard totstandkoming: Ian Anderson schrijft alle muziek en maakt daarvan demo's in zijn Farmyard Studios. Vervolgens worden die in de Woodworm Studios van Dave Pegg groepsproducten zonder compositorische inbreng van de desondanks begaafde muzikanten, die braaf-ambachtelijk hun partijen inspelen, waarna Anderson thuis nog eens vocalen en eventuele andere zaken toevoegt.
Op die manier ontstonden drie onderling uitwisselbare albums. De opwinding die ik bij het eerdere werk voelde, is verdwenen. De muziek laveert tussen ZZ Top (als het stevig is) en Dire Straits-Mark Knopfler (als het ingetogener is), zij het op z'n Jethro Tulls met de nodige dwarsfluit.
Op Catfish Rising is de invloed van blues groter dan op de vorige twee en ook country komt langs. Het start stevig met het aardige This Is Not Love met eerst de rollende drums van Doane Perry. Dat Anderson lager en minder fel is gaan zingen wordt weer eens getoond.
Sparrow on the Schoolyard Wall is deze keer hét nummer dat boven de overige uitstijgt. Like a Thin Tall Girl bevat veel mandoline en is mede daarom eveneens boven de middelmaat.
Over die middelmaat waar het spel van de muzikanten de boel nog enigszins redt: Rocks on the Road bevat veel blues en Martin Barre bewijst weer eens welk een klasbak hij is; countryblues in Thinking Round Corners; een trage shuffle en fraaie akoestische gitaarsolo in Still Loving You Tonight; Sleeping with the Dog blijkt een langzame blues te zijn, gevolgd door country op z'n Tulls via Gold-Tipped Boots, Black Jacket and Tie; ten slotte meer blues in When Jesus Came to Play met z'n mysterieuze tekst.
Kan de groepsbiografie van Scott Allen Nollen nog wat leuks toevoegen? Jawel, allereerst over de Oost-Amerikaanse promotietour voor het album. Daarbij een optreden in '91 bij Late Night with David Letterman, zie hier.
Een dag later speelden Anderson, Barre en Pegg een akoestisch concert voor een radiostation met na afloop een diner op kosten van label Chrysalis. Alleen jammer dat alleen voor Anderson plek was (?!) - zoals de frontman een dag later zou melden bij een volgend radio-optreden. Hij legde uit hoe de andere twee aan een maaltijd waren gekomen: "Thanks to Julie Barre's credit cards!"
Voor het eerst werd muziek van de groep gebruikt in reclame: Locomotive Breath ondersteunde een biermerk.
En over de tour van 1992: Anderson liep tijdens het Amerikaanse deel strottenhoofdontsteking op; tijdens het eerste deel van die tour was Martin Allcock de toetsenist, tijdens het tweede deel Andy Giddings. Als drummer Doane Perry wegens verplichtingen elders is verhinderd, wordt deze in Europa vervangen door Dave Mattacks van Fairport Convention, de andere groep waarin Pegg actief is.
Leuke feitjes, maar het kan niet teniet doen dat Jethro Tull op de automatische piloot draaide wat de albums betreft.
» details » naar bericht » reageer
The Kids - Black Out (1981) 3,5
24 maart, 15:56 uur
Op reis door new wave in 1981 ben ik aanbeland bij de vierde van het Antwerpse The Kids. Na twee boze punkalbums werd met voorganger Living in the 20th Century gekozen voor vriendelijker muziek, nog altijd in de new wave passend.
Op Black Out klinkt echter rock; ik moest even schakelen, maar dan valt het kwartje. Dit is een stijlwisseling, het alternatieve is er wel van af. Frontman Ludo Mariman kiest hier helemaal voor muziek in de traditie van r&b, compleet met ronkende gitaarsolo's, afwisselend van Mariman en Luk Van De Poel. Je zou ook kunnen zeggen dat hij teruggrijpt naar traditionele pubrock zoals die in de jaren 1975 - 1979 in Engeland op z'n hoogtepunt was. Liefhebbers van Dr. Feelgood en Graham Parker & The Rumour zullen ervan kunnen genieten.
Bijvoorbeeld het hakkende riffje in Lonely Man. Dat There Will Be No Next Time het bekendste nummer van de elpee is, behoeft geen verwondering met dat sterke refrein. Er zitten nogal wat jaren '60-beatinvloeden in, waarbij je tevens aan de Amerikaanse garagegroepen uit die periode kunt denken. Retro in het jasje van 1981.
In Lone Rider, oorspronkelijk van Engelsman Chris Spedding, huilt een mondharmonica. Verrassenderwijs is Wild Days Are Over akoestisch en kalm, het wordt gevolgd door de grimmigheid van Spend the Night with Me. Met de gitaarlicks denk ik opnieuw aan Wilko Johnson van Dr. Feelgood, waarna bij Innocent Girls iets van Rolling Stones' Keith Richards doorschemert.
Een vleugje reggae (klein hoor!) in Don't Say No, r&b in My Only Love en in It Doesn't Matter Baby is ene Dan Dubrowski te gast op steelguitar.
Opgenomen in de Brusselse ICP Studios is de productie van Danny Lademacher helemaal in orde - jawel, liefhebbers van Herman Brood & His Wild Romance kunnen eveneens met Black Out uit de voeten. Qua wave een randgevalletje, ik vind het alleen maar leuk!
Mijn reis kwam van de West-Duitse pretdadaïsten Die Doraus & Die Marinas en ik keer terug naar de oosterburen: Palais Schaumburg en hun gelijknamige debuut.
» details » naar bericht » reageer
Angel - White Hot (1978) 3,5
23 maart, 21:45 uur
Vanaf het moment dat ik The Winter Song als jonge puber hoorde, vond ik het een heerlijk nummer en komende december zal ik 48 jaar later constateren dat het nog steeds een grote favoriet van me is. Het is puur hiervoor dat ik onlangs White Hot op elpee kocht, mede omdat voorganger On Earth as It Is in Heaven me vier sterren waard was.
Nou weet ik ook wel dat hun debuut onovertroffen zal zijn, maar daarom zijn de albums daarna niet per se slecht.
De hoes valt op met de realistische schildering van getormenteerde mensen (ook op de achterzijde), waar vijf engelen het licht komen brengen. Het evangelie dat de vijf van Angel komen brengen is dat van hardrock met een enkel symfonisch randje dankzij de toetsen van Gregg Giuffra.
Een prima start met Don't Leave Me Lonely wordt gevolgd door het mindere Ain't Gonna Eat Out my Heart Anymore. Vlotter met snel snaredrumspel (Barry Brandt is in vorm) op Hold Me, Squeeze Me; Over and Over bevat stamprock. Spannender is het slot van kant 1 dankzij het Purpleiaanse Under Suspicion. Frank DiMino zingt hartstochtelijk zoals alleen hij kan en Brandt gaat in het slot kort los met dubbele basdrum. Dat soort details verraden de klasse van de band, die vaak wordt ondergesneeuwd (om maar in de sfeer van de hit te blijven) door de pogingen een hele grote band te worden.
Giuffra probeert de nieuwste generatie synthesizers uit in het intro van Got Love If You Want It, waarna zich een swingend en luid nummer ontpopt dat eveneens van Deep Purple ten tijde van Stormbringer had kunnen zijn. Daarna een mislukte fusie van funk met rock in Stick Like Glue, met blazers en funkgroove plus hoge popkoortjes. In ballade Flying with Broken Wings (Without You) hoor ik warempel iets van het Britse Sweet terug. Jammer genoeg ben ik meestal niet van ballades, ook hier niet. Het stoempende en stevige You Could Lose Me beklijft evenmin.
Het gaat naadloos - zonder stilte - door in The Winter Song, dat mij mede door de inbreng van het California Boys Choir altijd weer tot luid meezingen dwingt, zeker in combinatie met de tweede stem van DiMino. Sorry buren. Oorspronkelijk The Christmas Song liet platenbaas Casablanca er The Winter Song van maken, om zo het hele seizoen te dekken. In Nederland een hit in maart en april '78, zoals Dibbel al in 2012 noteerde. Beide versies zijn te vinden op An Anthology uit 1992.
» details » naar bericht » reageer
Sweet - Cut Above the Rest (1979) 4,0
23 maart, 21:04 uur
Cut Above the Rest is opvolger van Level Headed, waarop de laatste hit van Sweet in Nederland staat: Love Is Like Oxygene. Een poging om dat nummer te evenaren is opener Call Me. Dat is weliswaar prima, maar zit niet zo sluw-pakkend in elkaar als de hit.
De groep is inmiddels tot een trio gereduceerd doordat de dronkenmansacties van frontman Brian Connolly (onder andere iets met een geweer in het rond schieten) tot diens ontslag leidden. Toch ligt de rauwe zang op Cut Above the Rest niet ver van diens stem. Op de hoes probeer ik te vinden wie dat zingt; de hoes noemt echter alle drie de groepsleden als zanger. Andere bronnen houden het op zanger Andy Scott en bassist Steve Priest.
Ode aan de fans Play All Night is alsof E.L.O. hard ging rocken. Big Apple Waltz is een ballade met piano van sessiemuzikant Geoff Westley, een popnummer zoals die toen modieus waren. Met Dorian Gray volgt uptempo poprock, de toetsen hier zijn van Gary Moberley. De koortjes zijn pakkend. Ouwe trouwe fans zullen verzuchten dat ze Connolly missen, ik heb daar geen last van.
Kant 1 sluit af met het rockende anti-discolied Discophony. Wisten wij veel dat er nadien house en meer dansgenres zouden komen... En dat die soms zouden worden geïntegreerd in rock? Eigenlijk viel die disco best mee, toch? Maar goed, ik weet ook nog hoe saaaaaai ik Hilversum 3 overdag nogal eens vond op de AVRO- en TROS-dagen... Die aversie klinkt pakkend op het nummer.
Eye Games opent akoestisch kant 2 en duurt slechts twee minuten; geinig kampvuurliedje. Het sterke Mother Earth klinkt als een kruising tussen Queen en E.L.O en heeft dankzij de toetsen van Westley een prograndje, Hold Me is ingetogener maar gaat door diverse passages heen die het afwisselend houden. Slotlied Stay with Me begint akoestisch en bouwt op naar een heerlijk Amerikaans aor-geluid; fans van Boston kunnen dit ook waarderen.
Bij het begin van de opnamen zat Connolly nog bij de groep; de versies van Log One (That Girl) en Play All Night met zijn stem erop verschenen in 2021 op Platinum Rare. In 2010 verscheen een cd-bonusversie met andere extraatjes.
De hoes die MuMe toont is de Amerikaanse-Canadese-Engelse. Hier op het Europese continent troffen we deze hoesfoto in de bakken aan, die ik ook heb staan. Dan liever die andere. Voor de muziek echter een krappe 8, die ik in vier sterren uitdruk.
» details » naar bericht » reageer
Die Doraus & Die Marinas - Blumen und Narzissen (1981) 2,5
23 maart, 19:55 uur
Andreas Dorau was in 1981 een zestienjarige scholier die met enkele meisjes uit zijn klas/school Fred von Jupiter opnam. Het melige liedje, desondanks voorzien van een pakkende melodie en drijvend op een simpele synthbeat en versierd met de geluiden van een spacegun. Het verkocht via het Ata Tak label van Kurt Dahlke van Der Plan zo'n 20.000 exemplaren en daarna nog meer via label Telefunken. De singlehoes was van Ata Tak Design. Do it yourself in optima forma.
Er moest snel een album komen, resulterend in Blumen und Narzissen. Hierboven en elders op internet kom ik juichende verhalen tegen, maar eigenlijk ben ik na vier nummers wel klaar met de muziek.
Al groeide daarna (enigszins) Nordsee met muziek die aan het vroege werk van Spinvis doet denken, ook al het resultaat van zolderkamervlijt. Toch maken het bewuste simplisme (of is dit kunstzinnig dadaïsme?) dat ik verlang naar muziek met minder naïviteit. Steviger en leuker vind ik Ich hab das Glück, de muziek erna is niet aan mij besteed.
Fred von Jupiter blijft desondanks een aangenaam niemendalletje, leuk om minimaal eens te horen. In mijn geval verveelt het nummer nog steeds niet. De reis door new wave van 1981 kwam van het Nederlandse Mecano en vervolgt bij de vierde van het Belgische The Kids.
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - Rock Island (1989) 3,0
23 maart, 19:03 uur
Rock Island verscheen op 24 augustus 1989, twee weken na de 42e verjaardag van frontman en bandleider Ian Anderson. In de jaren '68 - '81 stond hij steevast op de voorzijde van de hoes afgebeeld, al dan niet met andere groepsleden. Na Crest of a Knave is dat met Rock Island voor de tweede maal níet het geval.
En er zijn meer overeenkomsten met de voorganger. Ian Anderson schreef wederom alle muziek in zijn eentje, en maakte toetsen en synthesizers ondergeschikt aan de elektrische gitaar van Martin Barre. Die mag weliswaar vaker zijn instrument laten scheuren, de composities zijn desondanks kalmer en minder explosief dan tot en met The Broadsword and the Beast uit 1982 het geval was.
Een volgende overeenkomst is dat Anderson wederom alle nummers schreef, daarbij leunend op zijn multi-instrumentale capaciteiten inclusief het programmeren van drumcomputers. En alhoewel de drumpartijen uiteindelijk door Doane Perry zijn ingespeeld, leidt dat er toch toe dat de muziek gelijkmatiger dan voorheen is; nét als op de voorganger. Verdwenen zijn de soms abrupte overgangen van voorheen, toen Andersons composities minder van te voren waren dichtgetimmerd.
De toetsen komen van ex-groepslid en nu sessiemuzikant bij de groep Peter-John Vettese, plus Martin Allcock van Fairport Convention. De connecties tussen die twee groepen werden steeds hechter: volgens de biografie van Scott Allen Nollen over Tull is er bij Fairport uiteindelijk slechts één bandlid uit die periode dat niet bij Tull speelde; bij de tour van voorganger Crest of a Knave was Fairport Convention het voorprogramma en bassist Dave Pegg speelt zelfs in beide groepen tegelijkertijd.
Het is bovendien in diens Woodworm Studio dat het grootste deel van de opnamen plaatsvond. Ian Anderson voltooide deze opnamen thuis in zijn Farmyard Studio. Inclusief de zangpartijen, zittend achter het mengpaneel, zoals in de BBC-documentaire Fish 'n Sheep & Rock 'n' Roll is te zien.
Zoals velen opmerkten, zijn er opnieuw overeenkomsten met Dire Straits, mede omdat Anderson - behalve op opener Kissing Willie - lager zingt, veroorzaakt door de stembandenslijtage die inmiddels was opgetreden. Het gitaarspel, zanglijnen en manier van zingen in slotlied Strange Avenues bijvoorbeeld doen denken aan het spel van Mark Knopfler. Gebleven zijn de folk en Andersons fluitspel.
Kissing Willie heeft ook in de zang iets van Andersons oude venijn, met The Rattlesnake Trail volgt een tweede uptempo rockend nummer. Met een vleugje ZZ Top.
Daarna wordt het kalmer, om te beginnen met Ears of Tin dat verderop steviger passages bevat. Toch ontbreekt de onvoorspelbaarheid van het oudere werk en daarmee verflauwt mijn aandacht, zoals me zeker vanaf Undressed to Kill overkomt. De shuffle aan het einde kan niet verhelpen dat de vijfenhalve minuut als tien aanvoelen; Rock Island heeft weliswaar halverwege een snel deel, maar daarna gaat het weer terug naar een wat vierkant ritme.
Net als de eerste twee nummers van kant 1 springen die van kant 2 eruit. Heavy Waters en Another Christmas Song, de laatste een aangenaam vervolg op Andersons traditie van midwinterliedjes schrijven. Dan echter slaat de verveling weer toe mét het idee dat de overige groepsleden te weinig inbreng hadden, wat een zekere matheid brengt.
Vergelijk de composities maar met de bonussen die in 2006 op de cd-bonusversie verschenen, oorspronkelijk verschenen in de VS op cd-single. Tegelijkertijd hoor je dat Anderson niet meer de hogere regionen haalt, wat een volgende verklaring kan zijn voor mijn ietwat matte beleving van dit album.
De groep tourt hierna weer uitgebreid, waarbij één concert opvalt. In september 1990 speelt men voor het eerst in 22 jaar met originele gitarist Mick Abrahams en originele drummer Clive Bunker. Dit op de jaarlijkse Jethro Tull Convention; vierhonderd toeschouwers zwijmelen weg in Milton Keynes.
» details » naar bericht » reageer
Mecano - Entitled (1981) 4,0
22 maart, 21:27 uur
reptile71 heeft gelijk: MuMe beeldt de achterkant van de hoes af. Eens kijken of ik een goede correctie kan indienen.
Dit is de Nederlandse Mecano, niet te verwarren met de gelijknamige groep uit Spanje. Die "van ons" zijn net als Der Plan, mijn vorige halte in newwaveland, eigenlijk vooral een groep kunstenaars. Mecano werkt hier echter in de traditionele bezetting van gitaar-bas-drums.
Men is tot op de dag van vandaag actief met Amsterdammer Dirk Polak als rode draad, dus in de loop der jaren wisselende samenstellingen en bovendien variaties op de groepsnaam Mecano. Wellicht mede om zich van de Spaanstalige naamgenoten te onderscheiden?
De groep bracht vanaf 1978 singles en EP's uit alvorens met elpees te komen. Ik ben hier nu vanwege de ijzersterke single Escape the Human Myth. Eentje met een lang intro, waarna de zang op het vlotte nummer toch nog onverwacht inzet. De single stamt uit 1980 en belandde het jaar erna op Entitled, dat te boek staat als een compilatie.
Destijds was Mecano's vroege werk moeilijk te vinden, maar in 2002 was daar compilatie The Half Inch Universe dat het vroege werk verzamelt én tevens op streaming staat. Een album dat in of kort na 1981 had moeten verschijnen, al dan niet over twee albums verdeeld. De Nederlandse scene was kennelijk daarvoor té 'do it yourself'. Sterke wave, zoveel is snel duidelijk.
Overigens debuteerde Mecanodrummer Ton Lebbink datzelfde jaar met de elpee Luchtkastelen, zie de link voor diverse berichten hier op MuMe.
Volgende halte is een volgend eigenzinnig cluppie, namelijk het West-Duitse Die Doraus & Die Marinas.
» details » naar bericht » reageer
Der Plan - Normalette Surprise (1981) 3,0
21 maart, 02:40 uur
Op reis door new wave kom ik van de vrolijke en alternatieve funk van het Brusselse Allez Allez bij ernstige digitale muziekjes, miniatuurtjes en experimentjes van het Düsseldorfse Der Plan. MuMe geeft terecht de oorspronkelijke West-Duitse hoes weer, op streaming houdt men het bij de Amerikaanse, waar het album verrassenderwijs al in hetzelfde 1981 verscheen.
Bij de eerste twee nummers, Leb Doch en het van extasisch gegil voorziene Renate, hoor ik overeenkomsten met de eerste twee albums van The Human League.
Daarna wordt het experimenteler en serieuzer, met Kleine Schlager-Revue als intermezzo: alsof je met een radio diverse zenders langsreist, met als contrast in het slot een niet-passende Amerikaanse stem en vreemde geluiden. Een tijdcapsule.
Frl. Nicol brengt simplistische, monotoon gezongen synthpop, net als de vocoderzang van Ich Bin ein Komputer en Robot-Bolero is met de nummers erna ontregelend. Op de single klinken andere synthesizers, het experimenteren gaat door.
Is dit prettig om naar te luisteren? Wel, ik denk dat maatje JeKo dat inderdaad zo beleeft, maar in mijn geval... Wél was Der Plan invloedrijk en tien jaar later nog altijd actief, getuige deze minidocu. Duidelijk wordt dat Der Plan meer is dan muziek, het is een 'Total Konzept': "die Bühne als Instrument" en "wir beschauen uns als Künstler", inclusief platenlabel Atatak. De filosofie van 'do it yourself' ten voeten uit met veel creativiteit als gevolg. Of beter: als voedingsbodem.
Volgende halte in het land van wave is bij het Nederlandse Mecano en single Escape the Human Myth, onder meer te vinden op compilatie Entitled.
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - Crest of a Knave (1987) 4,0
21 maart, 01:21 uur
Waar Jethro Tull in de jaren 1968-1980 jaarlijks nieuw werk uitbracht, wordt de productie daarna minder frequent. Blijkens de documentaire 'Fish and Sheep and Rock 'n' Roll', ook op JijBuis te vinden, is één van de redenen de boerderij met landgoed die Ian Anderson beheerde. Maar hij kampte ook met stemproblemen.
Hierboven lees ik vergelijkingen met Dire Straits en ook adult oriented rock wordt genoemd. Op Crest of a Knave keert Jethro Tull terug naar de combinatie van scheurende rock in combinatie van folk, anders is dat het ingetogener is dan voorheen. Minder toetsen dan op het afgelopen werk met Peter-John Vettese, die niet mocht meedoen om een overdosis synthesizers te vermijden, zo schrijft Scott Allen Nollen in zijn bandbiografie uit 2002.
Wél deed Anderson, die geen compositorische inbreng van anderen duldde ("I was very, very selfish about making this one") zelf aan synthesizers en drum programming, zoals de hoes vermeldt en die klinken dan ook regelmatig in de muziek; echter gedoseerder dan op Under Wraps.
Opvallend is dat twee drummers zijn te horen: de Amerikaan Doane Eddy en, omdat Eddy enige tijd terugkeerde naar New York om zijn zieke moeder bij te staan, tijdelijk Gerry Conway. Bassist Dave Pegg combineerde zijn lidmaatschap van Tull met dat van het door hem heropgerichte Fairport Convention.
De muziek werd opgenomen in Peggs Woodworm Studios in Oxfordshire én in de Farmyard Studios van frontman Anderson.
Die laatste zingt lager en kalmer dan voorheen en nu pas wordt mij pijnlijk duidelijk dat het laatste album waarop zijn stem ongeschonden klonk, The Broadsword and the Beast uit 1982 is geweest. Anderson is bovendien verantwoordelijk voor alle composities, die gemiddeld kalmer en minder veeleisend zijn dan het jaren '70-werk. Hij schrijft deze in lagere toonsoorten en eveneens anders is dat Barre vaker met clean gitaargeluid speelt.
Dat laatste veroorzaakt de overeenkomsten met het gitaargeluid van Mark Knopfler van Dire Straits. Volgens de biografie is het Knopfler die ooit bij de gitaarbouwers van Hamer aangaf: 'Well, I want to try and get that sound that Martin Barre from Jethro Tull gets" en wat ook van invloed zou zijn, is dat beiden uit de regio Edinburgh komen. "That sound" betreft de Fender Stratocaster, door Barre gebruikt sinds 1976, album Too Old to Rock 'n' Roll.
De rock van Jethro Tull is met dit alles toegankelijker; minder moeilijke breaks of heftige uitbarstingen bijvoorbeeld. Dwarsfluit en folk maken dat die kant van hun muziek onmiddellijk herkenbaar is als Tull. Bij de combinatie van sequencers en scheurende gitaar noemt Nollen de vergelijking met ZZ Top. En verrek! Hoor opener Steel Monkey en aan het einde Raising Steam maar!
Fraai is Budapest met zijn dikke tien minuten en diverse overgangen, dat oorspronkelijk tweeëntwintig minuten duurde. Het uptempo Jump Start is mijn grootste favoriet van dit album, al sinds mijn kennismaking in 2014.
De groep gaat uitgebreid op tournee, waarbij Perry zijn eigen voorprogramma is doordat Fairport Convention daar staat. Mooie package, die twee groepen samen!
Tourtoetsenist is Don Airey, bekend van Collosseum II en Rainbow. Die vertelt in de bio: "I had heard a lot of Tull's music before, but it was through hotel walls when I was with Rainbow, because Ritchie Blackmore is such a big Tull fan!"
» details » naar bericht » reageer
Allez Allez - African Queen (1981) 4,0
20 maart, 07:07 uur
Hierboven lees ik over vermeende kwaliteitsverschillen tussen de kant 1 en 2 van deze EP African Queen. Ik kan me herinneren dat destijds Allez Allez op de (in mijn geval) Nederlandse radio klonk en misschien is dat de reden dat die kant 2 populairder is dan de deep cuts die Turn Up the Meter, Marathon Dance en She's Stirring Up kennelijk zijn?
Hoe dan ook, de groep viel destijds nogal op met dit geluid, afwijkend van wat ik van andere namen kende. Dit was weliswaar voor de dansvloer, maar het was geen platte disco, in 1981 dominant op de radio. Tegelijkertijd veel kleuriger dan de sombere, introverte sfeer die menige alternatieve groep uitstraalde.
De vraag die ik me toen stelde: is dit überhaupt new wave? Tegenwoordig schaar ik het met gemak onder dit brede containerbegrip, waarbij de Brusselaren een volstrekt eigen geluid hadden. De muziek werd geschreven door gitaristen Christian Debusscher en Nico Fransolet, waarbij zangeres Sarah Osbornede teksten leverde.
Uiterst dansbaar en vrolijk én blijkens vooral She's Stirring Up tegelijkertijd zéér zelfbewust: de mentaliteit van "kom maar op" druipt er vanaf met rappende delen en Afrikaanse invloeden in het gitaarspel. De Engelse Osborne is hier in haar element. Op kant 1 valt de gejaagdheid van Marathon Dance ook op.
Alternatieve funk (de gekke breaks in Allez Allez bijvoorbeeld) waarin opnieuw monotonie en gejaagdheid klinken. Het werkt zó goed... Met African Queen (Pour la Grace) wordt kalmer afgesloten.
Ik ben op reis door de new wave van 1981, waarbij ik de albums achter mijn afspeellijsten met losse nummers beluister. Op dit moment bij enkele albums waarvan ik geen releasedatum of zelfs -maand kon vinden, vaak afkomstig van buiten de Angelsaksische wereld.
Afkomstig van het Duitse punk-/wavegezelschap Hans-a-Plast is het vervolg in Düsseldorf bij de elektronische muziek van Der Plan en Normalette Surprise.
» details » naar bericht » reageer
The London Symphony Orchestra / David Palmer / Ian Anderson - A Classic Case (The Music of Jethro Tull) (1987) 2,5
Alternatieve titel: The London Symphony Orchestra Plays the Music of Jethro Tull Featuring Ian Anderson, 19 maart, 23:23 uur
Toen ik in 2014 de discografie van Jethro Tull doorging, heb ik dit album gemist. Het is door de groepsbiografie 'Jethro Tull: A history of the band, 1968-2001' dat ik A Classic Case: The Music Of Jethro Tull tegenkom.
Van tevoren zette ik dit met de nodige verwachting op: ex-groepslid David Palmer keerde met zijn klassieke achtergrond terug bij de groep om de muziek in de mantel van een symfonie-orkest te steken. Bij het intro - of moet ik in deze context noteren: ouverture? - van Locomotive Breath groeit die verwachting onmiddellijk. De eerste tonen zijn prachtig en doen de nieuwsgierigheid verder groeien.
En dan? Tja, het loopt leeg als een lekke ballon op het moment dat normaliter de zang begint. De melodielijn wordt door frontman deze keer op fluit gespeeld en het arrangement blijft akelig dicht bij dat van het origineel. Hier had méér mee moeten worden gedaan. Véél meer. Gedurende het album verandert dat niet of nauwelijks.
Vijf jaar geleden vroeg Mssr Renard (inmiddels helaas uitgeschreven
) : "Ian Anderson doet ook mee op deze plaat, maar ik vraag me af, wat hij er nu van vindt." Ik laat de man zelf antwoord geven, uiteraard via die bio.
"The original idea (...) was that he [David Palmer] was going to orchestrate those songs in a creative and totally different context, but all it turned out to be really the same things. (...) I thought it was very uninspired. (...) I had made a personal commitment tot David to do it, so I felt obliged to to it."
Nollen voegt daaraan toe: "The selection of songs certainly was unadventourous, merely being a 'greatest hits' package." en hij vermeldt dat Anderson het vermoeden kreeg dat Palmer onder veel druk stond van de platenmaatschappij om een toegankelijk album te maken. Wel, dát is gelukt, menig liefhebber van het orkestwerk van James Last zal ervan kunnen genieten.
Toch vind ik één lichtpuntje: Fly by Night, omdat het origineel grotendeels uit een digitaal doosje kwam op Andersons eerste soloalbum. Met echte strijkers wint het nummer aan schoonheid. Tegelijkertijd speelt nieuwe drummer Paul Burgess op dit album saaitjes; ik mis de invulling die drummers Clive Bunker en Barrie Barlow voorheen aan deze nummers gaven.
Het hoofdstukje over dit album laat Nollen met een positieve noot eindigen. In 1986 kwam een Jethro Tull bestaande uit - naast Anderson - gitarist Martin Barre, bassist Dave Pegg en de teruggekeerde drummer Gerry Conway (op The Broadsword bij de groep) samen met David Palmer om het titelnummer voor de BBC-tv-serie 'The Blood of the British' op te nemen. Dit Coronach verscheen later op verzamelaar 20 Years of Jethro Tull.
In de zomer van 1986 gaat de groep bovendien op tournee, waarbij Anderson in Milton Keynes opnieuw stemproblemen heeft.
Én de BBC zendt een documentaire over de groep en Anderson in het bijzonder uit, genaamd 'Sheep and Fish and Rock 'n' Roll', hier te zien.
» details » naar bericht » reageer
Hans-A-Plast - Hans-A-Plast 2 (1981) 3,5
19 maart, 20:25 uur
Van Amerikaanse new wave uit Londen van Cherry Vanilla keer ik terug bij het Hannoverse Hans-a-Plast, in dit geval hun 2. In vergelijking met het debuut zijn de nummers iets kalmer, maar nog verre van bedaard, zoals al vanaf opener Spielfilm blijkt. Over romantiek in het echte leven.
In Reicher Vati wordt de diepste wens bezongen, namelijk een rijke vader: "Eine Lebenslange Unterstützung von meinem Vati hab' Ich gern". Dicke Kinder is een waarschuwing tegen de obetisering van de wereld in knallend muzikaal jasje.
De wereld wordt geëtaleerd en - eventueel met zelfspot - van kritisch commentaar voorzien, zoals in Machtspiel / Eidexe Kriech extra fel gebeurt. Punk maakt plaats voor pittige gitaarwave in Tuaregs. Opvallend is dat Mono-Ton zijn titel eer aandoet door letterlijk alleen uit de linkerbox te komen: rechts blijft het stil op de ene seconde met een stemmetje na, terwijl hysterische zang klinkt.
Wat minder grappig en stevig dan het debuut en toch nog altijd smakelijk. De reis door new wave gaat verder naar heel andere muziek uit België: het debuut van Allez Allez.
» details » naar bericht » reageer
Cherry Vanilla - Venus d'Vinyl (1979) 3,5
19 maart, 18:55 uur
Slechts één jaar zat er tussen Cherry Vanilla's debuut en opvolger Venus d'Vinyl, toch is de aanpak anders. Ze was een bekende in punkclub CBGB in New York, maar net als het debuut is dit album in Engeland opgenomen.
De honkytonkpiano van Bad Girl is verdwenen, in plaats daarvan klinkt een modernere stijl. Dat blijkt meteen in de uptempo new wave van opener Amanda (Paradise) , een nummer dat zo op het debuut van Blondie had gekund, inclusief de vrij lage en zwoele zang van la Vanilla. The Young Boys doet iets soortgelijks maar dan rustiger met een scherpe beschrijving van de jongemannen van 1979.
Verrassenderwijs is Lover Like You een duet met gitarist en - anders dan het debuut - nu ook toetsenist Louie Lapore, die bovendien eigentijdse synthesizers meenam naar de studio. Lekker uptempo en vooral leunend op zijn klavieren. In het langzame Wayni's Sweet keert de piano terug, halverwege gaat het swingen en dan toch weer zo'n rock 'n' rollend arrangement als op het debuut. Kant 1 sluit af met het stevige Mr. Spider, waarin Lapore zijn gitaar hard laat werken.
You Belong to Me klinkt alsof mevrouw Vanilla het cadeau kreeg van Bruce Springsteen; een pakkend poplied in rocksaus en romantiek gemarineerd. Het midtempo California klinkt zonnig, passend bij het onderwerp.
De popwave van het optimistische Tear Myself Away blijkt het tweede duet tussen Vanilla en Lapore, met The Round Dance klinkt warempel iets sacraals of Kerstmisachtigs. Afsluiter is het uptempo Moonlight, tevens op single verschenen.
Het bleek het laatste soloalbum van Vanilla. Het jaar erop zette ze haar spreekstem in de commercials op het nummer Not A Bit - All Of It van Vangelis' See You Later, van wie ze later de Amerikaanse agent zou worden. Vier jaar later vertolkte ze twee rollen op The Pros and Cons of Hitchhiking van Roger Waters. In 1993 brengt ze met producer Man Parrish het album Blue Roses uit.
Mijn reis door new wave vervolgt. Na de twee elpees van Cherry Vanilla keer ik terug naar het Duitse Hannover voor de tweede van Hans-A-Plast.
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - Under Wraps (1984) 3,0
18 maart, 19:04 uur
Wie de periode rond 1984 niet bewust meemaakte, zal moeilijk kunnen beseffen hoe groot de invloed van de nieuwe generatie synthesizers en drumcomputers toen was. Zo herinner ik me een drummer die in muzikantenblad Music Maker hardop uitsprak dat zijn vak over enkele jaren wel eens passé kon zijn.
In die getijdenwisseling verscheen het meest verguisde album van Jethro Tull. Na diverse draaibeurten, eerst in 2014 en recent opnieuw, kan ik de muziek steeds meer waarderen. Wel blijft het ontbreken van een echte drummer op een echte drumkruk met een echt drumstel een gemis.
Opvallend genoeg is het gitarist Martin Barre die daar anders in zat, zoals de groepsbiografie van Scott Allen Nollen vertelt: "It was a lot of fun to record (...) It's one of my personal favorite Tull albums"
Bassist Dave Pegg was het daar niet mee eens: "The out-takes from Broadsword would have made a better album."
Wel geeft Barre toe dat "...even though now I can see that maybe it wasn't the right thing for us to do. When you're locked away in a studio for a year with only yourself to please, it's difficult the judge the results in an impartial way."
Het zijn toetsenfrutsels zoals de samples van de zang in het slot van Later, That Same Evening die mij inderdaad de wenkbrauwen doen fronsen, maar zo negatief als Pegg is, beleef ik dit niet. Langzamerhand groeiden openingsnummer Lap of Luxury, Under Wraps #1 en het akoestische #2 en Radio Free Moscow, waarbij de invloed van toetsenist Peter-John Vettese zeer groot blijkt. Het album was bovendien met ruim 58 minuten hun langste studiowerk tot dan toe.
Eén keer vind ik het echt niks: Nobody's Car is te eentonig, waarbij bovendien sterk opvalt dat net als op Ian Andersons soloplaat Walk into Light enig venijn uit diens stem is verdwenen. Met opzet of noodgedwongen? Feit is dat ondanks dat Under Wraps me uiteindelijk meevalt, ik de grote lengte van het album wel een lange zit vind...
Voor de bijbehorende tournee werd fan en drummer Doane Perry aangetrokken. Hij ontmoette in 1971 al de toenmalige Tulldrummer Clive Bunker en was bevriend met de drummer op het Jethro Tullalbum A, Mark Craney.
In New York ziet de groep film Spinal Tap en ligt dubbel van het lachen. En opnieuw als enkele maanden later Jethro Tull bij name wordt genoemd als één van de inspiratiebronnen over de absurde lotgevallen van die film-rockgroep.
Op 18 december 1984 eindigt de tour en Anderson neemt rust: hij heeft last van zijn stembanden en een maandenlange rust volgt, waarin Dave Pegg zijn oude groep Fairport Convention nieuw leven inblaast. Wel wordt in 1985 in Berlijn opgetreden ter gelegenheid van de driehonderdste geboortedag van J.S. Bach, waarvoor Eddie Jobson (groepslid ten tijde van Stormwatch) tijdelijk terugkeert. Ik ontdek dat de beelden op YouTube staan!
» details » naar bericht » reageer
Cherry Vanilla - Bad Girl (1978) 3,5
18 maart, 18:12 uur
Cherry Vanilla is het alias van Kathleen Dorritie, met een breed cv waarop onder andere werk als theateractrice en schrijfster staat. Als zangeres werd ze bekend in de kringen van (punk)club CBGB in New York. In 1977 speelden nog ene Sting en Stewart Copeland in haar band, maar die zijn ten tijde van haar debuut vertrokken. Ze bracht twee albums uit, daarvan is Bad Girl de eerste.
Hier klinken scheurende gitaren in gezelschap van een boogiepiano. Rockend op de wijze zoals Britse pubrockers dat ook konden, zoals in opener I Know How to Hook. Je kunt er ook invloeden van glamrock in herkennen, zoals David Bowie en The New York Dolls die maakten. In tweede nummer So 1950's wordt halverwege versneld naar - inderdaad - de intensiteit van punk.
Not So Bad bevat dan echter "gewone", midtempo rock met koortjes. Vanilla's krachtige zang doet aan Ellen Foley denken, de zangeres welke met Meatloaf werkte en solo scoorde met We Belong to the Night. Ook dit nummer versnelt op gegeven moment, maar liever hoor ik het felle The Punk en No More Canaries, dat invloeden verraadt van de Ramones.
Kant 2 begint met de boogierock van Hard as a Rock, waarin opnieuw de tingeltangelpiano van Zecca Esquibel; over hem (én Sting en Copeland) hier meer. In Liverpool opgetogen pubrock met jankende gitaarsolo en een meezingrefrein. Traag is het stevige Foxy Bitch en via Bad Girl volgt vrolijke pubcountry met dansende pianolijnen, alsof we in een Amerikaans café staan. Afsluiter Little Red Rooster is aardig.
Ja, het gaat diverse kanten op voor Cherry Vanilla. Is Bad Girl daarmee afwisselend of juist onevenwichtig? Ik twijfel... Wél een dikke 7 als schoolcijfer.
Mijn reis door new wave kwam uit het Duitse Hannover van 1979 en de groep Hans-A-Plast en ik vervolg bij de tweede die Cherry Vanilla uitbracht.
» details » naar bericht » reageer
Hans-A-Plast - Hans-A-Plast (1979) 4,0
18 maart, 17:40 uur
BBC-dj John Peel hield van Hans-a-Plast en draaide regelmatig muziek van de groep in zijn radioshow.
Drie vrouwen en twee mannen uit Hannover met zangeres Annette (in de punkgeest werd de achternaam aanvankelijk weggelaten, die bleek Benjamin te zijn) als frontvrouw. Ze debuteerden in 1979 met dit Hans-a-Plast waar dertien ronkende punkliedjes in hoog tempo langskomen. Glimlachen kan regelmatig met titels als Lederhosentyp waarin You're the One That I Want van John Travolta en Olivia Newton John langskomt, Polizeiknüppel met z'n geluidseffecten en Hau Ab du Stinkst.
Andere favorieten: Rank Xerox, Starfighter met daarin een saxofoon en Amerikaner, waarin een Yank een lofrede op (West-) Duitsland afsteekt, zozeer dat we lachen om diens malle uitspraken. De vijf van Hans-a-Plast zitten daar toch iets anders in.
Net als mijn vorige station in de wereld van new wave, Bärchen und die Milchbubis, zit de nodige ironie en humor in muziek en teksten, zij het dat Hans-a-Plast er nét iets minder scheutig mee rondstrooit. Tegelijkertijd kun je je goed voorstellen wat een heerlijk vrolijke punkconcertjes die twee groepen gezamenlijk moeten hebben gegeven. De muziek van de pleisters is daarentegen net iets steviger dan die van hun stadsgenoten.
Alvorens ik doorga naar hun tweede plaat, reis ik naar het New York van 1978 en club CBGB. Dit vanwege het debuut van zangeres Cherry Vanilla.
» details » naar bericht » reageer
Bärchen und die Milchbubis - Dann Macht Es Bumm (1981) 4,0
18 maart, 16:35 uur
"Beertje en de melkjochies", zo kun je Bärchen und die Milchbubis vertalen. De groep kwam uit Hannover, begon in 1978 en stopte in 1983. Er spreekt humor uit en hetzelfde geldt voor de titel Dann Macht Es Bumm. In een inlegvel bij de elpee stelde de groep zich voor, toch zegt de muziek al het nodige.
Soms punk, soms gitaarwave. Veertien liedjes, zeven per plaatkant. Tempowisselingen of andere veranderingen in één nummer komen regelmatig voorbij. Anders dan veel andere namen in de Deutsche Neue Welle op dat moment (1981) niet zwaar, melancholisch, industrieel of avant-gardistisch van aard maar van een verfrissende boosheid dan wel de lust om lol te maken.
Op streaming vind ik niet dit album maar wel een verzamelaar uit 2021 genaamd Endlich komplett betrunken, met naast dit enige album van de groep het nodige bonusmateriaal, zoals de sterke opener Jung kaputt spart Altersheime ("jong dood scheelt bejaardenhuizen"), afkomstig van de gelijknamige EP die de groep in 1980 uitbracht.
Iedere keer als ik die lijst afspeel word ik vrolijk van de muzikale lenigheid, grappige onderwerpen en tekstuele vondsten, want de heren plus zangeres konden spélen! Het leidt tot leuke arrangementen, pakkende riffjes en zangeres Miabella die de verschillende emoties vol afwisseling in de microfoon slingert: van kwetsbaar tot boos. Kies maar eens favorietjes... Laat ik Tiefseefisch, Egal en Schweinekram aanvinken, maar dat kunnen morgen weer andere nummers zijn.
Mijn reis door de new wave van 1981 kwam van de tweede van het Amerikaanse Tuxedomoon. Dankzij Bärchen en haar Milchbubis ontdek ik dat ik een andere Duitse punkgroep heb gemist: terug naar 1979 en Hans-A-Plast.
» details » naar bericht » reageer
Ian Anderson - Walk into Light (1983) 3,5
17 maart, 23:17 uur
Oh ironie. Ian Andersons eerste soloalbum is tegelijkertijd het album waarop hij veel intensiever dan ooit tevoren de muziek met een ander schreef, te weten toetsenist Peter-John Vettese. Bij Jethro Tull immers schreef hij meestal zelf alle muziek. Daarmee is Walk into Light eigenlijk minder een soloplaat dan zijn meeste groepswerk, zo noteert auteur Scott Allen Nollen droogjes in diens bio over de groep uit 2002.
Op de hoes toont Anderson zich voor het eerst met gekortwiekt kapsel. Trouwe fans hebben wellicht alleen daarin al een slecht voorteken gezien. Twee grote verschillen met Jethro Tull. Ten eerste: Anderson zingt anders. Milder, ronder. En qua muziek is dit een digitaal album. Synthesizerpop.
Als je Jethro Tull vergelijkt met een symfonieorkest, dan is de muziek op Walk into Light als kamermuziek. Een tweepersoons orkest, kleiner en intiemer. Je hoort Anderson genieten van dit zijstapje. Dit na de succesvolle maar extreem drukke jaren 1968 - 1982 met ieder jaar een nieuw album, uitgezonderd 1981.
Als chef de mission waren er bij Tull veel verantwoordelijkheden, al dan niet door bezettingswijzigingen. Bassist John Glaslock was in '79 overleden en vervangen door Dave Pegg (ex-Fairport Convention, vanaf de tournee voor Stormwatch), drummer Barrie Barlow was vertrokken (eerst te gast op het eerste soloalbum van Kerry Livgren van Kansas) en werd vervangen door respectievelijk Mark Crancy (A) en Gerry Conway (The Broadsword and the Beast).
Toetsenisten Mark Evans en David Palmer moesten in juli 1980 weg, zo vernamen ze dankzij Melody Maker. Dit omdat Anderson een soloplaat wilde maken en na enige alcoholconsumptie iets te loslippig was in bijzijn van een journalist van het blad. Dat werd het uiteindelijk als groepsalbum uitgebrachte A. Zij werden op dat album vervangen door Eddie Jobson (ex-Roxy Music), die op The Broadsword alweer was vervangen door Vettese.
1983 was het tweede albumloze jaar van de groep, waardoor er ruimte kwam voor Walk into Light. De mogelijkheden van de nieuwe generatie synthesizers leken onbeperkt en met toetsenkunstenaar Vettese neemt Anderson in zijn eigen Farmyard Studios gedurende de lente en zomer van dat jaar de muziek op, dit combinerend met zakelijke bezigheden voor zijn "fish farming enterprises".
Op het gehele album trakteert Vettese zijn gastheer op een rijk scala aan digitale geluiden en effecten én laat nog meer dan op The Broadsword horen een zeer gedegen muzikale opleiding te hebben. Een digitaal album dus, ook de beats; wel pakt Anderson regelmatig zijn dwarsfluit. De stijl van Jethro Tull is duidelijk herkenbaar, maar zoals gezegd: het is ingetogener. De meeste trouwe liefhebbers van Jethro Tull beschouwden dit echter als platte kitsch.
Mijn favorieten zijn opener (tevens geflopte single) Fly by Night, het vlotte Made in England waarin hij zijn stem anders inzet dan voorheen, barokinvloeden in Toad in the Hole en User Friendly met daarin Andersons beleving van de digitale revolutie.
Op tournee ging het duo niet, wél deden ze tv-optredens in München (hier de beelden) en in Engeland in de Leo Sayer Show.
» details » naar bericht » reageer
Tuxedomoon - Desire (1981) 3,5
17 maart, 18:35 uur
De tweede van Tuxedomoon. De groep was verhuisd van San Francisco naar New York, maar Desire werd opgenomen in Engeland.
"Gewone" muziek met zang wordt afgewisseld met soundscapes, zoals de een kwartier durende opener East/Jinx/.../Music #1 meteen laat horen. Bij de soundscape in het laatste deel van het nummer waan je je op een verlaten planeet in een moeras, miljarden kilometers verwijderd van aarde, waar onbekende insecten geluiden maken.
Victims of the Dance is in dat opzicht conservatiever, maar luistert heus niet makkelijk weg. Iets eenvoudiger te behappen is Incubus (Blue Suit), al zou het menigeen doen verzoeken "of er iets anders op mag". Met z'n synths, huilende gitaar, spraakzang en drumcomputer tikt het echter lekker door. Net als bij het debuut moet ik dankzij deze combinatie enigszins denken aan David Bowies Low.
Kant 2 start met de zeven minuten van titellied Desire, waar de sfeer geleidelijk onheimischer wordt, ondanks het verstilde einde. Again is nauwelijks korter, begint met een orgel, meanderende basgitaar en spraakzang, waarna de saxofoon van zanger Steven Brown alle ruimte vraagt, om met stemmig orgel te eindigen.
Met een titel als In the Name of Talent (Italian Western Two) zou je denken dat regisseur Quentin Tarantino die in één van zijn films heeft gebruikt. Opnieuw een filmische sfeer, maar uiteraard is het nummer te eigenwijs daarvoor. Een vlotte beat en sequencer maken het vervolgens dansbaar, geschikt voor de vleermuizendansvloer. Oorwurm.
Slotlied Holiday for Plywood (Holiday for Strings) is een bijzonder opgebouwd nummer, beginnend met strijkers, dan een swingende baslijn waarna de diverse ingrediënten van Tuxedomoon nog eens langskomen.
Vorig jaar november bestond het album 45 jaar en kreeg toen een speciale cd-editie, zie hier. Mijn reis door new wave bevind zich in 1981, kwam van het Schotse Josef K en vervolgt bij het Duitse Bärchen und die Milchbubis, dat alleen al om de malle groepsnaam en albumtitel opvalt!
» details » naar bericht » reageer
Josef K - The Only Fun in Town (1981) 3,5
17 maart, 17:59 uur
Op reis door new wave in 1981 kom ik van de Belgische synthpop van Telex bij het Schotse (Edinburgh) Josef K. Hier domineert een wat rammelende gitaar, wat niet kan verhinderen dat de bas vooraan in het audiobeeld staat, terwijl drums en zang eveneens wat naar de achtergrond zijn gezet. Een aparte combinatie, zeker omdat de baslijnen van David Weddell niet per se zingen zoals genregenoot David Hook bij Joy Division deed.
De groepsnaam verwijst naar de roman Der Prozess (voltooid in 1915, tien jaar later uitgegeven) van Franz Kafka, wiens werk zich in 1981 mocht verheugen in een groeiende belangstelling. De vervreemding en het absurdisme van de wereld die hij zo sterk verwoordde, waren hoorbaar van invloed op de sfeer op Josef K's enige album The Only Fun in Town.
Ja, ook bij Josef K klinkt wat ik destijds doomwave noemde en wat tegenwoordig onder postpunk wordt geschaard. Josef K heeft daarbij wel degelijk een eigen geluid, vooral vanwege de krassende gitaarpartijen van Malcolm Ross. In zijn spel zit de energie van punk maar dan zonder distortion. Drummer Ronald Torrance moet dan ook hard werken en doet dat vol verve, terwijl de zang van Paul Haig opzettelijk ietwat verwaait.
Meestal horen we uptempo muziek, al gaat in It's Kinda Funny even de voet van het gaspedaal en ook Heart of Song is iets kalmer. Enige nadeel is dat ik vaak pakkende licks of zanglijnen mis, maar de berichten hierboven bewijzen dat er zát mensen zijn die dat anders beleven. Favorieten heb ik desondanks wel: Crazy to Exist en 16 Years springen eruit.
Vijf albums geleden was ik bij genregenoot Red Zebra, waar één en ander bombastischer werd aangepakt. Bij Josef K dus een "dunner" geluid, verpakt in elf vrij korte nummer die bij elkaar nog geen half uur duren. Opvallend dat het bij slechts één album bleef, al leert rondkoeklen dat de leden hierna bepaald niet stilzaten.
In Oor was Bert van de Kamp destijds niet zo positief, zie hier voor een fragment van zijn recensie. Met onder andere de zinnen: "De naam is interessanter dan de groep, de hoes mooier dan de plaat. Opgewonden gitaarriffs, nerveuze zang, schoolkrantpoëzie."
Josef K, een relatief onbekende naam in de postpunk, minimaal interessant voor hen die wat met dat subgenre hebben. Ondertussen vervolgt mijn reis bij de tweede van het Amerikaanse Tuxedomoon.
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - Bursting Out (1978) 5,0
Alternatieve titel: Jethro Tull Live, 16 maart, 22:04 uur
Tien kaarsjes blies Jethro Tull in 1978 uit en dus was het tijd voor een liveplaat. Elf studioalbums bracht de groep uit in de periode 1968 - 1978, ieder jaar één, de laatste was Heavy Horses in april dat jaar. Die platen werden steevast gevolgd door een Engelse, Europese en Amerikaanse tour - in de VS waren ze nog populairder dan in eigen land.
Bovendien kwam in '72 de meer-dan-verzamelaar Living in the Past uit en in het toch al drukke 1978 ondersteunt de groep Maddy Prior op Woman in the Wings. Je zou je kunnen voorstellen dat de groep in 1979 een jaartje rust zou nemen en ter overbrugging deze livedubbelaar uitbracht. Maar nee, al in september '78 lag Bursting Out in de winkels en sterker nog, zelfs dit livealbum werd gevolgd door een tournee.
Opgenomen "somewhere in Europe", maar de introductie van Claude Nobs van het Montreux Jazz Festival verwijst naar Zwitserland, waarbij opnamen van andere concerten zijn gebruikt, onder meer in Duitsland. In de praatjes tussen de nummers door klinkt Anderson als een enigszins strenge en toch vriendelijke schoolmeester met ironie, onder andere een Amerikaanse groep concertgangers bedankend dat ze - net als Jethro Tull - zo ver van huis zijn.
Bursting Out biedt een fraaie dwarsdoorsnede van het oeuvre van de groep. Nooit eerder hoorde ik gitarist Martin Barre zó stevig soleren: hij kan zich in heavy opzicht meten met Tony Iommi. Maar ook in akoestisch opzicht laat hij zich gelden, net als frontman Ian Anderson op zang, fluit, saxofoon en wat hij nog meer heeft liggen. Op toetsen laten Dave Evans en voor de extra's David Palmer zich horen, bassist John Glaslock is de betrouwbare brug tussen drums en de andere muzikanten, waarbij Barrie Barlow weer eens een meer dan fantastisch drummer blijkt, diens tijd vooruit met snelle partijen op dubbele basdrum nog vóór Phil Taylor bij Motörhead hiervan zijn handelsmerk zou maken.
Muziek op het kruispunt van progrock, hardrock, folk en daarbij elementen uit jazz en klassieke muziek. Het is een enerverend geheel, waarbij de arrangementen nogal eens afwijken van wat op de studioplaten staat.
De uitgebreide heruitgave uit 2024 waarover Mssr Renard schreef, is ook op streaming te vinden en doet de verbazing over het vakmanschap, spelplezier en veelzijdigheid alleen nog maar groeien. Dit alles in een opnamekwaliteit om bij de likkebaarden.
In de jaren van voorheen waren er enkele bezettingswijzigingen geweest: al sinds het vertrek van drummer Clive Bunker in 1971 (die ging trouwen en minder van huis wilde zijn) was Ian Anderson het enige groepslid dat er vanaf het begin bij was. Noodgedwongen diende de volgende verandering zich aan voor de tournee bij Bursting Out: bassist John Glaslock was door hartproblemen verhinderd om mee te gaan en werd tijdelijk vervangen door Tony Williams.
Die kreeg de baspartijen aangeleerd van zijn maatje, Barrie Barlow. Deze neemt in zijn cottage nabij Blackpool alle partijen met Williams door, geholpen door een remix van Martin Barre waarbij de baspartijen naar voren waren gehaald, zo vertelt Scott Allen Nollen in zijn bandbio 'Jethro Tull: A history of the band, 1968-2001'.
Hierna wordt de set nog eens twee maanden lang grondig doorgenomen. Dat laatste is niet vreemd als je weet dat Barre zeer kritisch was op zijn eigen spel: al ten tijde van Thick as a Brick maakte hij bij ieder optreden fouten, zo vertelt hij in het boek; omdat de muziek zo ingewikkeld in elkaar zat...
» details » naar bericht » reageer
Telex - "Sex" (1981) 3,0
Alternatieve titel: Birds and Bees, 16 maart, 18:30 uur
Op reis door new wave, bevind ik me in 1981. In welke maand de derde van Telex genaamd "Sex" verscheen, kon ik niet vinden. Wél is duidelijk dat de gebroeders Mael van het Amerikaanse Sparks meewerkten aan het album door het schrijven van teksten. Ze werden aan elkaar gekoppeld door een wederzijdse vriendin, synthpopzangeres Lio. De minimalistische aanpak van Telex wordt daardoor gecombineerd met rijkere teksten dan voorheen: voor Sparks is immers Engels de moedertaal.
Waar de Belgen meesters waren in het uitkleden van muziek (zoals de covers op de twee voorgangers bewezen, net als hun bijdrage aan het Eurovisie Songfestival Euro-Vision), hadden de Maeltjes zich in de jaren ervoor op dansbare synthpop gericht.
Ze vinden elkaar op een album vol ironie. Covers ontbreken deze mael, waarbij alle muziek werd geschreven door Michel Moers. Per album werd de "lulligheid" van de muziek minder en groeide de kwaliteit. Die betere muzikale aanpak maakt echter dat, ondanks de teksten, die plezante banaliteit wordt gemist.
De meeste muziek is kalmpjes uptempo, waarbij met Long Holiday schlagerachtige synthpop klinkt. Hoogtepunten zijn The Man with the Answer en Excercise Is Good for You. Met tapdans-showmuziek van slotnummer Sigmund Freud's Party weet de groep ouderwets aangenaam kitscherig te klinken.
In 1982 verscheen "Sex" op zowel de Britse als de Amerikaanse markt met de verhullende titel Birds and Bees. Nieuw is daarop Mata Hari, dat ik slechts via JijBuis kan vinden. Een prima nummer, in 1993 meegenomen op hun verzamelaar Belgium... One Point. De titel van die compilatie verwijst vol zelfspot naar hun gewenst-desastreuze deelname aan het Eurovisie Songfestival van 1980. Ook nieuw op Birds and Bees zijn L'Amour Toujours en het dansbare Dummy.
Roxy6, als fan van Sparks: heb je deze plaat (de Europese of UK/US-versie) in de kast? Mijn reis door new wave kwam vanaf de tweede X en vervolgt bij de gitaarwave van het Britse Josef K.
» details » naar bericht » reageer
X - Wild Gift (1981) 3,0
16 maart, 17:31 uur
De tweede van de Californische punkpioniers van X heet Wild Gift. Alhoewel (of doordat?) de opvolger van het prettige debuut eveneens door Ray Manzarek van The Doors is geproduceerd, maakt de muziek op Wild Gift een iets kalmere indruk. Alsof er meer tijd was om na te denken en minder werd gemikt op sec het punkpubliek.
In de twee berichten hierboven kan ik me goed vinden. "Lichtgewicht punkmuziek" en de vergelijking met de B-52's? Ja, ik hoor het, net als de mogelijke invloed op de dan nog niet bestaande Pixies. Exene Cervenka deelt weer de leadzang met bassist John Doe, waarbij in een dik half uur dertien nummers langskomen.
Dan sluit ik me ook aan bij de twee eerdere bijdragen wat betreft de kwaliteit van Wild Gift: het is niet zo spannend... De liedjes, riffs en melodieën, ze willen niet beklijven. Drie nummers springen er desondanks uit: het Ramonesaanse I'm Coming Over, Some Other Time en Back 2 the Base. Wellicht dat een ander meer kan met bijvoorbeeld de rockabillypunk van Beyond and Back?
Mijn reis door new wave kwam van de tweede van het Londense Landscape en van Los Angeles vlieg ik naar Brussel waar we het Belgische Telex tegenkomen in gezelschap van de twee Californische broers van Sparks.
» details » naar bericht » reageer
Landscape - From the Tea-Rooms of Mars... to the Hell-Holes of Uranus (1981) 3,5
16 maart, 17:10 uur
Het Londense Landscape begon in 1975 en, experimenterend met synthesizers, debuteerde men in 1979 met Landscape. Omdat ik op reis ben door het land van new wave, sla ik dat album in die context over: pop met jazzelementen, dit alles in de digitale wereld van toen. Met de opvolger werd new wave omarmd, waarbij de popelementen bleven.
Op From the Tea-Rooms of Mars .... to the Hell-Holes of Uranus (de titel ná de puntjes is te vinden op de achterzijde van de hoes) klinkt een groep die liefhebbers van Visage, Ultravox en de debuutplaten van Depeche Mode, Duran Duran, Spandau Ballet en Yazoo zal kunnen smaken. Landscape legt echter de nadruk op instrumentale muziek, al klinken hier en daar zang of andersoortige vocalen.
Niet dat alles even spannend is, zoals het ietwat tuttebollige Computer Person met z'n vocoder en bijna schlagerachtige melodie. Maar opener European Man en Shake the West Awake trappen het album fris af.
Vreemde eend in de bijt is Alpine Tragedy Sisters, waarvan het eerste deel als goedkope muziek bij een tv-serie uit 1981 klinkt, om vervolgens te versnellen en z'n eigen ding te doen.
Landscape heeft een wat conservatievere aanpak dan de namen die ik zojuist noemde, maar weet toch te verrassen. Dat gebeurt eveneens in Face of the 80's, dat na een ietwat kitscherige eerste helft door het gezongen tweede deel toch indruk maakt. Via Einstein a Go-Go sluit Landscape weer aan bij andere namen uit die tijd. En inderdaad, #5 in de Britse hitlijst in april 1981. Net als in Norman Bates, als verkorte single #40 in juni dat jaar.
Zoals genoemd zijn er soms overeenkomsten met film- of tv-muziek, nadrukkelijk in de sfeer van die tijd. De heren durven zelfs langdurig met absurdisme te eindigen; het titelnummer duurt een dikke zeven minuten.
In mijn reis door new wave bevind ik me momenteel in 1981. Vorige halte was het verrassende The Pop Theory van Klang, het vervolg is bij de tweede van de punks uit Los Angeles genaamd X.
» details » naar bericht » reageer
Klang - The Pop Theory (1981) 4,0
16 maart, 16:08 uur
(Nog?) niet op mijn streamingplatform te vinden, wel op YouTube is het debuut van het Brusselse Klang, de groep rond Klaus Klang. Deze Claude Ongena begon in het slechts enkele maanden actieve X-Pulsion, een punkgroep uit zijn woonplaats (1977-1978) en koos met Klang voor een veel melodieuzer koers. Daarvan getuigt The Pop Theory, verschenen bij het Nederlandse label Back Door en grotendeels opgenomen in de Hilversumse Wisseloord Studios.
Daarop klinkt energieke, popachtige new wave met de nodige echo's van David Bowie en Steve Harley & Cockney Rebel. Overwegend een uptempo album, is ballade Angry Young Men een uitzondering. Het heeft weg van een All the Young Dudes van Mott the Hoople, geschreven door Bowie. In Beat It past Klang ska in de muziek.
Sterke melodieën dito composities doen me alweer verbaasd afvragen waarom ik deze groep alleen van naam kende. Zo is er de sterke opener van kant 2 Virgins and I, in de sfeer van Steve Harley, oftewel de kwaliteitspop die aan new wave vooraf ging. Er zit iets klaaglijks in de uitbundige zang van Klaus Klang, die ook slaggitaar en enige toetsen speelde én verantwoordelijk was voor de hoes, met Robert Frankson als gitarist, broer Kurt als bassist en Denis Rufin op de drumkruk.
Een vleugje punk op de wijze van The Adverts in het pakkende I Wish You'd Call Me a Red, een nummer dat drie jaar eerder geknipt was geweest voor de Britse hitlijst. Met de reggae van Wailing in the Moonlight is er de associatie met Ian Dury & The Blockheads. Music for the East is het tweede buitenbeentje op de plaat met vooral ingetogen piano en zang.
En is het Engels hier tenenkrommend? Ach, Britten uit Wales zingen ook anders dan zij die in plat Londens zingen of over een sterk Schotse tongval beschikken. Nee hoor, de afwisseling, energie en composities maken dat ik oprecht enthousiast ben over The Pop Theory.
Ik beluister de albums achter mijn afspeellijsten met losse nummers uit de new wave. Helaas moet afwachten of dit album op streaming komt. Mijn reis door wave kwam van het donderende EP-debuut van Red Zebra, ik vervolg bij het Britse Landscape dat net als Klang in februari 1981 debuteerde, in hun geval met From the Tea-Rooms of Mars... to the Hell-Holes of Uranus.
» details » naar bericht » reageer
Red Zebra - Bastogne (1981) 4,0
16 maart, 15:44 uur
Donderende drums met dito baslijnen, fladderende gitaarpartijen als spreeuwenzwermen, holle zang... Deze kaaskop van boven de grote rivieren kende Red Zebra slechts van naam, door deze EP Bastogne betreur ik dat het 45 jaar - vijf-en-veertig! - daarbij bleef.
Zoals hierboven werd genoteerd, "in een vlijmscherpe productie van TC Matic-gitarist Jean-Marie Aerts." Alsof niet hij maar Martin Hannett in Londen met de Bruggenaren in een opnamekot bivakkeerde. Associaties met zowel Joy Division (de wilde nummers) en Echo and the Bunnymen (de kalmere delen). Vijf sterke liedjes met The Art of Conversation als mijn favoriet.
Na de start met het felle, instrumentale titelnummer volgt The Ultimate Stranger dat evenzo voortdendert. Hierbij valt de jongensachtige zang van Peter Slabbynck op, inclusief een kleine rafel in zijn stem. In slotlied Man Comes from Ape imiteert hij bovendien blaffende apen.
Is er iemand die weet hoe het komt dat Bastogne 43 jaar later alsnog in de Vlaamse albumlijst kwam, zomaar tussen tussen Lana del Rey en Zwangere Guy? In ieder geval omdat het toen opnieuw verscheen, zij het deze keer als volledig album met elf nummers, waarvan kant B "live at Jeugdhuis LODEJO, 1994".
Ik ben op reis door new wave, mijn vorige halte was in juni 1981 toen You van Scooter een hit werd. Volgende halte is The Pop Theory van het Brusselse Klang.
» details » naar bericht » reageer
Scooter - One by One (1981) 4,0
14 maart, 14:20 uur
Op reis door new wave wilde ik juli 1981 afronden, toen ik op het forum BELPOP (the fradzler files) stuitte. Daarbij ook de nodige wave en dus kon ik niet anders doen dan een inhaalslagje maken. Zie hier wat in 2009 in het genoemde forum over dit album werd geschreven.
Met One by One van Scooter ben ik terug in '81. Dit is dus een andere Scooter dan die happy hardcore-act. Deze Scooter kwam uit Antwerpen en biedt new wave op de rand van pop.
Blijkens website Ultratop betrad single You in juni dat jaar de Vlaamse hitlijsten om in juli op #18 te pieken. Een echte zomerhit dus.
Maar eigenlijk zijn alle nummers wel gemaakt voor radio dankzij pakkende melodieën en koortjes. In Easy gaat het richting powerpop, inclusief een orgel op z'n Stranglers'. Slechts éénmaal heb ik een 'mwah-beleving' en wel bij Beatlescover Eight Days a Week; hun eigen liedjes zijn spannender. Zo grijpt Beggars Can't Be Choosers de luisteraar meteen bij de oren dankzij gitaarwerk en toetsen.
New wave is een containerbegrip. In All You Gotta Do hoor ik echo's van Steely Dan, een heel ander muzikaal vat. En toch, in de korte en puntige aanpak van Scooter past het wonderwel. Perfect popliedje, waarna met felle drumslagen in Peppermint Girl energiek wordt afgesloten.
Mijn reis door new wave kwam van de tweede van Jo Lemaire + Flouze en vervolgt bij de debuut-EP van Red Zebra uit Brugge.
» details » naar bericht » reageer
Maddy Prior - Woman in the Wings (1978) 4,0
14 maart, 13:30 uur
Het solodebuut van Maddy Prior, sinds 1970 te horen bij Steeleye Span. Daarbij valt op de grote bemoeienis van de groep Jethro Tull bij deze elpee. De productie werd gedaan door hun frontman Ian Anderson die ook dwarsfluit speelt op Gutter Geese en een enkele keer (Rollercoaster) op achtergrondzang is te horen, Martin Barre speelde de gitaarsolo op Cold Flame, toetsenist David Palmer is te horen op Woman in the Wings en Mother and Child, bassist John Glascock begeleidt op vier nummers en drummer Barrie Barlow op zeven.
Tegelijkertijd geldt dat ook zonder het spelletje 'Wie is te horen op welk nummer?' dit simpelweg een zeer aangenaam album is . Minder folk dan bij Steeleye Span, in plaats daarvan meer pop. Het is echter altijd de stem van Prior die de sfeer bepaalt.
En zo volgt nummer na nummer met aangename muziek in zeer warme sfeer. Zoals een vriend van me zou zeggen: 'Ik ruik meteen het brood dat mijn moeder bakte en dat we nog warm met basterdsuiker bestrooiden en opaten.' Knusse huiselijkheid als versgebakken brood.
Uiteraard schemert folk wél door, het blijft de herkenbare stem van Steeleye Span. Op Woman in the Wings grijpt ze echter geleidelijk steeds meer de kans om buiten die kaders te zingen. De strijkers in Rollercoaster maken bijvoorbeeld dat een "Amerikaans" orkestgeluid ontstaat, geschikt voor de FM-radio van die tijd met kwaliteitspop en -rock.
Op kant 2 wordt het qua muzikale kleuren breder. Mooi zijn de subtiele blazers in Long Shadows, buitenbeentje is de swingjazz van I Told you So, halverwege kant 2. De wiegende 6/8 maat van Rosettes nodigt uit tot dansen, een vleugje reggae (!) in Catseyes (op Jethro Tulls Heavy Horses uit datzelfde 1978 speelde dat dier ook al een rol) en zowaar nóg eens jazzswing in afsluiter Baggy Pants, waar Shona Anderson, echtgenote van Ian, achtergrondzang doet. In het nummer een brassgroep voor extra swing; inspireerde de titel de groep Madness niet veel later voor een bijna gelijknamig nummer? Vast niet, maar kennelijk was er iets met drollenvangerbroeken die terugkeerden in liedjes.
Mag ik potjandosie eens vragen om hier bij gelegenheid zijn tanden in te zetten? Net als in het oeuvre van Steeleye Span?
» details » naar bericht » reageer
Jo Lemaire + Flouze - Precious Time (1980) 3,5
12 maart, 18:45 uur
New wave in 1980. Op mijn afspeellijst staat onder meer mijn vorige halte Machiavel met hun vierde album genaamd New Lines dat wordt vertegenwoordigd met Fly, waarna Computerstaat van Abwärts komt en dan titelnummer Precious Time van deze tweede van Jo Lemaire + Flouze.
Die klinkt anders dan hun debuut. Gitaren zijn minder prominent, net als de saxofoon. In plaats daarvan een wat koelere sfeer, minder uitbundig, wat wordt benadrukt door een grotere invloed voor toetsen en synthesizers plus de vaak slappende bas van Ferdinand Philippot. Maar nog altijd hartstikke new wave.
Dat werkt goed in opener Precious Time, alsof we hier al dat fijne bandje Altered Images horen. Maar die debuteerden het jaar erna. The Happy Song is meer van de funk, het felle The Code drijft op een bijtende gitaar. Het kalmere Hands and Words pakt minder, Till the Fall sluit echter sterk én onderkoeld af dankzij toetsen en cleane gitaar.
Bij de zang van Jo Lemaire en de muziek van Flouze in Freudian Slips denk ik aan het vroege werk van The Pretenders, Far Cry heeft weer een aangename koele sfeer om wat heftiger in Siouxsiesfeer te eindigen. Twee vergelijkingen in één zin, tegelijkertijd benadruk ik de eigen plek van Lemaire en haar Flouzemannen.
Punkachtig gitaarwerk en een stuiterende saxofoon in Family Cell, pop in No Tears Allowed met scheurende gitaar in het refrein. Dankzij het midtempo Wake Up keert ten slotte funk terug met veel slappende basgitaar.
Alles bij elkaar is dit een album dat nog altijd fris en gevarieerd klinkt. Volgende halte in het land van new wave is van het eveneens Belgische Scooter. Nee, níet de Duitse happy hardcore-act!
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - Heavy Horses (1978) 4,0
12 maart, 17:27 uur
In 1978 was deze jonge puber inmiddels heel erg van de radio en ontstond langzamerhand een voorkeur voor snelle liedjes, liefst met scheurende gitaar. Van een groep als Jethro Tull had ik geen benul. Wellicht dat ik de hoes van Heavy Horses wel eens voorbij heb zien komen; mijn ouders hadden de driemaandelijkse catalogus van Boek en Plaat, mogelijk stond hij daarin. Áls dat zo was, was de foto van een bebaarde man met in bruin pak, mal hoedje op het hoofd en twee paarden aan de handen me niet aantrekkelijk voorgekomen.
Toen ik in 2014 door de discografie van de groep heenging, ontdekte ik echter dat er met Acres Wild, Moths en Rover drie appetijtelijke liedjes op staan. De bijzondere combinatie van progrock en folk, de ingewikkelde maatsoorten, akkoordenreeksen en overgangen in combinatie met folkelementen als mandoline en viool (de laatste van gastmuzikant Darryl Way) maakt dat Jethro Tull een unieke plek inneemt.
Inmiddels blijkt opener ...And the Mouse Police Never Sleeps een groeidiamantje, zeker met die extatische climax. Geldt tevens voor One Brown Mouse, titellied Heavy Horses met z'n strijkers en de progfolk van Weathercock: lekker tot onweerstaanbaar. Muziek die bij het klimmen van de jaren steeds beter bevalt.
Heeft Scott Allen Nollen in zijn groepsbio uit 2002 nog leuke details? Uiteraard. Zo lees ik dat frontman Ian Anderson in aanloop naar Heavy Horses in zuid-Londen studio Maison Rouge bouwde en dat de groep zangeres Maddy Prior van Steeleye Span begeleidde op haar soloplaat Woman in the Wings.
In een interview vertelde Anderson: "I don't listen to music", "My whole record collection consists of twenty or thirty albums" en "Beethoven is my only idol".
Hij beschreef destijds de elpee als "Songs from the Wood, Part II, plus a little more Jethro Tull." In 1993 was hij minder positief: "Songs from the wood had the fun, the humor. (...) Heavy Horses is missing that warmth." Is dát wat me opvalt aan de zang? Hij klinkt af en toe onnodig venijnig, met een ietwat geforceerd rauw randje in de stem. Al is dat in contrast met de akoestische gitaren van Martin Barre en hemzelf nog altijd okay.
Bassist John Glaslock voelde zich steeds vaker onwel. Diens vriendin sleurde hem, terug van tournee in Groot-Brittannië, met grote haast naar het ziekenhuis. Het bleek dat een verwaarloosde tandontsteking voor problemen bij een toch al zwakke hartklep had gezorgd, een erfelijke aandoening. Hij onderging onmiddellijk een openhartoperatie.
Verscheen Heavy Horses in april 1978, al in september volgde Bursting Out: Live.
» details » naar bericht » reageer
Machiavel - New Lines (1980) 4,0
11 maart, 18:31 uur
New Lines, new wave uit Brussel. Vorig jaar zomer kwam ik in het Belgische Doornik/Tournai, Franstalig nabij de Westhoek en het Franse Lille, in de lokale platenzaak enkele elpees van Machiavel tegen. Ik kende ze niet maar nam op goed geluk de opvolger van dit New Lines uit 1980 mee. Daarop klinkt onder meer adult oriented rock en toen ik in de geschiedenis van de groep dook, bleek men een avontuurlijke koers te hebben gevaren.
Machiavel debuteert in 1976 met Machiavel en net als op de twee albums die volgden, klinkt daar symfonische rock. In 1979 wordt met Urban Games echter voor compactere nummers gekozen en als twee groepsleden plaatsmaken voor anderen, volgt in 1980 via New Lines stevige new wave. Geproduceerd door Dany Lademacher van Herman Brood & His Wild Romance. Het album kon ik niet in zijn geheel op streaming vinden, maar enkele nummers belandden op Anthology, dat daar wel staat.
Radiohit Fly is lekker stevig en uptempo, Lying World is eveneens uptempo en heeft tegelijkertijd weg van de kalmere zijde van The Police, in Relax reggaepop en slapt de basgitaar, Playboy is midtempo, stevig met hoge uithalen in de zang van Mario Guccio.
Voor de overige nummers brengt YouTube uitkomst. Stevige gitaren in Champagne in Amsterdam, Memories is eveneens vlot maar met uitwaaierend gitaarspel, Turn Off rockt stevig alsof we de Groningse New Adventures horen, eveneens een groep op de rand van rock en wave.
Echo's van The Police in A Life, niet online en dus vooralsnog onbekend blijft So Clear, slotlied Fade Away bouwt kalm op naar een stevig slot. Van Fly vond ik op JijBuis de videoclip.
Een groep met diverse invloeden die de luisteraar die al te zeer in muzikale hokjes denkt in verwarring zouden kunnen brengen. Want wat voor stijl is dit nou? Ach, wave in diverse smaakjes, denk ik dan. Stond deze ook in de platenzaak in Tournai? Zo ja, dan had ik 'm moeten meenemen. De opvolger is eveneens prima maar weer anders in stijl. David Bowie was een kameleon en deze Walen konden er ook wat van.
Machiavel bestaat overigens nog steeds en bracht tot dusver 13 albums uit, verzamelaars en liveplaten niet meegerekend. De laatste verscheen in 2022 en heet Phoenix.
Ik ben op reis door new wave en maak een inhaalslag met gemiste albums van Belgische origine. De vorige halte was het debuut van Jo Lemaire + Flouze en de volgende halte is eveneens van die groep: op naar hun tweede album genaamd Precious Time.
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - Songs from the Wood (1977) 4,5
Alternatieve titel: Jethro Tull with Kitchen Prose, Gutter Rhymes and Divers Songs from the Wood, 11 maart, 16:58 uur
Na een uitgebreide rustpauze keerde Jethro Tull in 1977 terug. De haren korter dan voorheen poseert Ian Anderson op de hoes van Songs from the Wood. Als laatste Tullenaar was hij verhuisd van Londen naar het platteland. Maar dan niet naar een dorp, nee, meteen naar een boerderij ten westen van Londen, zo vertelt de bandbiografie van Scott Allen Nollen uit 2002.
Anders dan voorheen liet hij compositorische inbreng van anderen toe: "I deliberately would leave the studio and let them come up with some arrangements and ideas." Iets wat eigenlijk alleen eerder het geval was op Thick as a Brick.
Samen met de landelijke omgeving waar hij nu woonde, leidde dat tot een album waar de folkinvloed groter is dan ooit tevoren.
Bij het woord 'folk' keken de heren overigens vaak vies. Dit vanwege de associatie met de "1960s American coffeehouse style of bad singing and even worse musicianship." Op Songs from the Wood wordt echter op eigenzinnige wijze geput uit de Britse folkhistorie, ook wat betreft thematiek. Hunting Girl en de latere bonustrack Beltane bijvoorbeeld hebben seksuele connotaties, verwijzend naar het Keltische zomerfeest waarbij meisjes zich in het open veld aan een man mochten aanbieden - zo vertelt althans de overlevering. De oude bronnen werden gegoten in groot muzikaal vakmanschap: opnieuw klinkt vaak gecompliceerd werk.
Toen ik in 2014 de discografie van Jethro Tull langsging, belandde menig nummer op mijn afspeellijst: naast het titelnummer Cup of Wonder (dat het tot single schopte aan beide zijden van de oceaan, aldus Nollen), kerstlied Ring Out, Solstice Bells met daarin buisklokken, het aan Renaissancemuziek herinnerende Velvet Green en het eveneens op single verschenen The Whistler, een kruising tussen oude folk en marsmuziek, dat op de B-kant de non-albumtrack Strip Cartoon kreeg.
Inmiddels landen ook goed de stevige progrock met barokke toetsenpartijen van Hunting Girl en Pibroch (Cap in Hand), ongetwijfeld de inbreng van toetsenist John Evans, die ondanks zijn verminderde belangstelling voor rock nog altijd bij de groep bleef. En anders is die invloed het werk van David Palmer, die deze keer een portatief, een draagbaar pijporgel meenam.
Het album en bijbehorende uitgebreide tour door het VK, het Europese continent en de VS brachten Jethro Tull terug naar de absolute top, waar de vorige albums en tournees soms tekort schoten. In de setlist keerde folkgeoriënteerd materiaal van voorheen terug in de setlist: Skating Away, To Cry You a Song, Minstrel in the Gallery, Cross-Eyed Mary en Backdoor Angels.
Eenmaal terug thuis, koopt Anderson de 15.300 hectare van Strathaird Estate op Isle of Skye. Zijn nieuwe buren protesteerden aanvankelijk, want wat moet zo'n rockster hier? Maar hij begint er een zalmboerderij en bouwt geleidelijk een goede band met hen op, geholpen door het feit dat zijn boerderij banen voor de regio brengt.
» details » naar bericht » reageer
Jo Lemaire + Flouze - Jo Lemaire + Flouze (1979) 3,5
11 maart, 00:13 uur
Jo Lemaire, dat bleek de dame achter het mysterieus klinkende Je suis venue te dire que je m’en vais, een hit in 1981. Een liedje dat ik vergat, in de jaren '90 herontdekte en als ik het dan hoorde, kreeg ik prompt zin in zomervakantie. Ik wist alleen niet meer wie dat was, laat staan hoe het nummer heette. In het pre-internettijdperk moest je het hebben van laten horen aan anderen en navraag doen. Pas via internet, zo rond 1999 (Windows 98 weet u nog, mijn eerste pc), kwam ik erachter.
De Jo Lemaire van debuut Jo Lemaire + Flouze maakt echter muziek in andere sferen. Ik kan ter vergelijking allerlei namen van tijdgenotes noemen, het vaakst denk ik aan Nina Hagen. Pittige gitaren, veel ruimte voor saxofoon en verder piano, felle Engelstalige zang en meestal uptempo. Jaaaaa, lekker!
Ze was jong gehuwd en haar toenmalige echtgenote Philippe Depireux is de drummer. Flouze telde nóg eens vier muzikanten: gitarist en tevens klarinettist Attilio Bortolin, gitarist Daniel François, saxofonist en pianist is Giovanni Bortolin, de bassist heet Marc Santkin.
Met de diverse instrumenten en vrolijke new wave creëerde het zestal een fris debuut. Zoals vaker word ik vooral enthousiast van het uptempo werk: Running Time en Big Buick Boogie op kant 1 en het aangenaam nerveuze Keep Step op kant 2.
Afwijkend zijn het Italiaanstalige en zomerse popliedje Tintarella di Luna met het meep-meep van cartoonfiguur Roadrunner erin, plus het kalmere Something's Gonna Change. De saxofoon geeft de muziek af en toe de sfeer van het wilde Roxy Music van enkele jaren eerder.
De groep uit de regio Namen in Wallonië kwam in 1980 met een non-albumnummer op de wijdverspreide verzamelaar Get Sprouts.
Mijn reis door new wave kwam van de tweede van Telex uit 1980. In datzelfde jaar schakelde de groep Machiavel op hun vierde langspeler over op wave, getuige album New Lines.
» details » naar bericht » reageer
Status Quo - Greatest Hits and More (1999) 3,5
10 maart, 23:14 uur
Status Quo heeft bij mij tweemaal een renaissance doorgemaakt. Dat besef ik pas nu ik jullie epistels over deze Greatest Hits lees.
Aanvankelijk (vanaf 1977) één van mijn favoriete groepen, werd ik later door het metalvirus gegrepen en kwam Quo steeds meer op de achtergrond, mede omdat de groep steeds meer de popkant opging.
Renaissance 1 kwam door deze verzamelaar. In aanloop daarnaartoe hoorde ik in '94 I Didn't Mean It op de radio, maart '99 haalde The Way It Goes zelfs de hitparade en dat vond ik warempel wel geinig. Rond diezelfde tijd verscheen Greatest Hits, waar dat laatste nummer trouwens niet op is meegenomen: te nieuw. De compilatie stond voor een vrij lage prijs in de bakken van de Free Record Shop en al zat ik in die dagen financieel krap, ik heb 'm toch gekocht.
Het was hier en daar een feest van herkenning, andere momenten wist ik weer waarom ik was afgehaakt. Maar Slow Train kende ik nog niet, dat werd onmiddellijk een favoriet. Hm, moest ik toch eens in hun oudere werk duiken van vóór '77, zoals ook Softer Ride op cd 2 bewees. Zo kocht ik in diezelfde tijd op een vrijmarkt Blue for You met de poster er nog in.
Renaissance 2 kwam toen internet en YouTube gemeengoed waren geworden, terwijl kinderen en andere besognes minder aandacht vroegen. Via MusicMeter las ik over de albums die ik nog niet kende en bepaalde wat mogelijk mijn favoriete nummers waren om op cd te branden - "pindakazen" heette dat proces hier op MuMe. Dat vond ik een handige site, waarbij ik ontdekte dat vielips smaak ontzettend met de mijne overeenkwam: op zijn mening kon ik bouwen.
Langzamerhand herleefde mijn liefde voor Quo en nu we zo'n zestien jaar verder zijn, heb ik het meeste werk van de groep in huis staan. Komende april hoop ik Francis Rossi solo te zien en mijn favoriete Nederlandse band is Status Quotes. Er zijn talloze liedjes en namen en groepen en stijlen die ik óók leuk vind, maar Quo hoort bij mijn eerste favorieten - nadat ik de fase Boney M en Smokie achter me had gelaten!
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - Too Old to Rock 'N' Roll: Too Young to Die! (1976) 3,5
10 maart, 21:44 uur
Alhoewel het geluid van Jethro Tull herkenbaar is, dwingt Ian Anderson zichzelf en zijn groepsleden om de muziek per album te doen evolueren. Niet omdat het moet: ideeën komen simpelweg boven en brengen vanzelf nieuwe dingen.
Zoals op Too Old to Rock 'N' Roll: Too Young to Die! nadat hij rond Kerstmis 1975 tijdens een vakantie in Zwitserland het titelnummer schrijft. Hij laat dit aan dirigent en arrangeur David Palmer horen, met wie hij op de twee laatste Tulls samenwerkte. Zo ontstaat het idee voor een volgende conceptplaat, in dit geval over een ouder wordende popster.
Bij verschijnen wordt onmiddellijk aangenomen dat het verhaal over Ray Lomas autobiografisch is. Geen wonder met Andersons persoon op de felgele hoes. Maar nee, dit is fictie, zoals het fraaie stripverhaal aan de binnenzijde van de klaphoes toont. In een tekenstijl die me doet denken aan die van Nederlander Hans Kresse, bekend van Eric de Noorman.
Het zal schrikken zijn geweest voor menig fan van Jethro Tull. Nooit tevoren klonken zoveel pop- en bluesinvloeden. Nu ja, op het debuut zat ook veel blues, zij het anders dan hier. Al is het nog niet zo ver op opener Quizz Kid en het sterkere Crazed Institution. En Salamander blijkt een prachtig akoestisch juweeltje.
Maar dan. Vertelde Anderson bij voorganger Minstrel in the Gallery dat hij inmiddels de blues verre van Jethro Tull houdt, bij het luide Taxi Grab klinkt juist die muziek sterk door. De bijdragen op mondharmonica zijn nota bene van hemzelf!
In het kalme From a Deadbeat to an Old Greaser klinken strijkers en saxofoon op een wijze die liefhebbers van Al Stewart zal bevallen; mij zeker. Vervolgens akoestische blues in Bad-Eyed and Loveless, kant 1 afsluitend.
Big Dipper brengt het bekende geluid van de groep maar pakt me niet, Too Old to Rock 'N' Roll: Too Young to Die! heeft een showorkestachtig arrangement - op z'n Tulls hè... Toch liever het hypnotiserende Pied Piper, dat groeit bij vaker afspelen. The Chequered Flag (Dead or Alive) sluit de plaat grotendeels dromerig af.
Vertelt bandbio 'Jethro Tull' van Scott Allen Nollen nog leuke details? Zeker wel, ik houd het echter kort: nieuwe bassist was John Glascock, Maddy Prior van Steeleye Span is op achtergrondzang te horen en in de categorie shownieuws, passend bij het thema van dit album: onderweg in de VS ontwaarde gitarist Martin Barre een schone dame op het vliegveld van Jackson, Mississippi. Hij geeft haar een kaartje met backstagepas voor het concert die avond, "an unsual move for the reserved and gentlemanly Martin". Het jaar erop trouwt hij met deze Julie Weems!
» details » naar bericht » reageer
Telex - Neurovision (1980) 3,5
10 maart, 21:09 uur
De tweede Telex. De drie heren lijken iets serieuzer in de wedstrijd te zitten, want halfslachtige covers zoals die op mijn vorige station in newwaveland, het debuut van Telex, ontbreken. Wél een geslaagde cover, waarover dadelijk meer.
Eveneens in 1980 verscheen compilatie Get Sprouts, waar het nodige uit de borrelende nieuwe golf uit België is te horen. Daarbij enkele namen die later daadwerkelijk doorbraken. In het MuMe-forum Belpop (the fradzler files) vond ik daarvan deze recensie. Aanbevolen, al is het maar omdat ik zo op het spoor van Telex kwam.
Telex is dan al toe aan z'n tweede langspeler. Op Neurovision klinkt meestal eigen werk, in sfeer en tempo's afwisselend. De verrassing van het debuut mag er af zijn, het klonk in die tijd absoluut vernieuwend. Dan Lacksman, Michel Moers en Marc Moulin slagen er goed in om digitale geluiden om te zetten in toegankelijke popliedjes. De teksten mogen er ook zijn: is het gemeend of ironie? In ieder geval zijn het minibeschouwingen op de wereld inclusief het persoonlijke leven. Alsof je in de spiegel van het dagelijkse bestaan van 1980 kijkt, want de synthesizers van toen zijn immers allang hartstikke vintage. Maar laat vintage in deze tijd van duurzaamheid en een circulaire samenleving juist helemaal trendy zijn!
Ironie kreeg de bovenhand toen omroep RTBF het trio afvaardigde naar het Eurovisie Songfestival 1980. In maart dat jaar verscheen single Euro-Vision op single. Of het in België een hit werd, kon ik niet vinden, wél deze volstrekt droogkloterige tv-beelden van het optreden. En dat in een tijd dat het liedjesfestival nog vooral voor serieuze liedjesmakers was. Temidden van deze sfeer is hetgeen Telex brengt een absurdistische tegenstoot, ondersteund door een simplistische "choreografie". Naar verluidt hadden de heren als doel om als laatste te eindigen, waar liedje en optreden echter te goed voor bleken. Telex werd daarmee een grappige voetnoot in de geschiedenis van het festival.
En verder resteert een aangenaam album. Favorieten zijn We Are All Getting Old dat lekker uptempo aftrapt, de ode aan de tijd in My Time is bedachtzamer maar "the best there's ever been", Tour de France is níet dezelfde als die van Kraftwerk maar wel vrolijk.
Kant 2 start met de geslaagde cover Dance to the Music van Sly & The Family Stone wat in Brussel een gortdroog jasje kreeg aangemeten, Réalité bevat een warme groove, in slotlied En Route vers de Nouvelles Avontures zit een vleugje soul verstopt en keert de vocoder terug.
Ook opvallend is de fraaie hoes van Eddy Flippo en Ever Meulen; grafische kunstwerkjes in de stijl van Hergé's klare lijn - net als de muziek geüpdatet naar 1980. In 1993 verscheen een uitgebreide cd-versie, de versie die ik op streaming aantrof heeft de volgorde van het album omgegooid. Helaas.
Ik ben op reis door new wave en beluister de albums achter de losse nummers op mijn afspeellijsten. Regelmatig ontdek ik een album en artiest te hebben gemist, zoals met Telex gebeurde. Opnieuw ga ik terug naar 1979, naar het nog altijd frisse debuut van Jo Lemaire + Flouze.
» details » naar bericht » reageer
Telex - Looking for Saint Tropez (1979) 3,5
10 maart, 18:51 uur
Goedenavond, welkom bij 'Tussen kunst en kitsch'. Ook vanavond ontvangen wij mensen die mogelijk een waardevol kunstvoorwerp in huis hebben. Onze deskundigen zullen beoordelen of het kunst dan wel kitsch betreft.
Mevrouw De Bruyckere, wat heeft u meegenomen?
'Een elpee uit 1979 van de groep Telex met de titel Looking for Saint Tropez. Deze heb ik geërfd van mijn vader, die er destijds op menig feestje zijn beste dansbewegingen heeft getoond. Ik vind het aparte muziek en wilde weleens weten of het wat waard is.'
Aha, duidelijk! Aan mijn andere zijde staat Roger De Vlaeminck, kenner van de betere new wave uit die tijd. Kunt u uw licht hierover doen schijnen?
'Maar natuurlijk... Op de hoes zien we een testbeeld, zoals dat toentertijd op tv werd getoond als er geen uitzending was. Handig om te controleren of uw televisie het goed deed. Het geeft aan dat Telex een groep van zijn tijd was. De groep bestond uit Brusselaren Dan Lacksman, Michel Moers en Marc Moulin. Misschien ook leuk om te vertellen is dat ze een jaar later België zouden vertegenwoordigen op het Eurovisie Songfestival.
Nu moet u weten dat ze zichzelf niet al te serieus namen en tegelijkertijd een logische volgende stap waren op de veel ernstiger heren van het Duitse Kraftwerk. Dat betekent dat er werd geëxperimenteerd met synthesizers.
'Is dit kunst?' vroeg u mij. 'Wat is kunst?' stel ik als wedervraag, om een liedje van Noordkaap te citeren. De groep zoekt én vindt een bepaald soort lulligheid die echter wonderwel werkt. Behalve op de twee covers, te weten Ça Plane Pour Moi van Plastic Bertrand en Rock Around the Clock van Bill Haley, al blijft het grappig om eens te horen hoe deze twee liedjes compleet zijn verbouwd in het primitieve synthesizerjasje van 1979 plus een vocoder.
De eigen nummers mogen er echter zijn. Men zingt zowel Frans- als Engelstalig en er is de nodige variatie in de sfeer van de nummers. Vaak dansbaar, Moskow Diskow was een ware culthit. Soms lounge zoals het korte Café de la Jungle en het snelle Something to Say lijkt warempel wel een voorproefje van de latere house. Om uw vraag te beantwoorden: ja, dit is kunst.
Dát is fijn, óók voor mevrouw De Bruyckere! Dan willen zij en onze kijkers uiteraard ook weten wat deze plaat waard is?!
'Wel, momenteel moet u op platenmarkten, al dan niet online, rekenen op een prijs tussen de 13 en 75 euro. De muziek heeft namelijk een cultstatus verkregen en geldt als een mijlpaal in de Belpop.'
Tot zover deze uitzending. Bedankt voor het kijken!
(Ik ben op reis door new wave. Mijn vorige halte was een qua wavegehalte mislukt bezoek aan het debuut van de Franse groep Téléphone. De reis wordt vervolgd bij de opvolger van Looking for Saint Tropez, genaamd Neurovision. Meer Telex dus.)
» details » naar bericht » reageer
Boston - Greatest Hits (1997) 3,5
10 maart, 17:42 uur
Soms pluk ik een verstofte cd uit de kast om in de auto te draaien - ja, de mijne heeft er nog één, wat ik zeer prettig vind! Schijfje in de speler en onderweg eens luisteren naar een half vergeten album.
Bostons Greatest Hits viste ik ooit uit een kringloopbak. De compilatie werd samengesteld door bandleider Tom Scholz, die op de nieuwe tracks bijna alle instrumenten speelt, en tweede gitarist Gary Pihl, die ooit bij Sammy Hagar speelde.
Wat vandaag opviel was dat de nadruk sterk ligt op de eerste twee albums, die ieder afzonderlijk spannender zijn dan deze compilatie. Het (toen nieuwe) Tell Me dat de cd opent is een powerballad. Die vind ik meestal niet zo boeiend en dan eentje als opener? Werkt niet.
Zanger op het nummer is bassist David Sikes, die tevens co-componist is van track 2 én 16 Higher Power. Het eveneens nieuwe nummer staat er namelijk in twee mixen op en was beter geweest als opener met een prima riff en dat bekende, breed uitwaaierende gitaargeluid.
Dan gaan we terug naar de dagen van toen en klinkt werk van de eerste drie albums en slechts éénmaal van Walk On, namelijk Livin' for You. Dat album ken ik niet en het nummer blijkt een prima aanvulling op deze Greatest Hits, waarbij opvalt dat de nadruk op de eerste twee albums wel érg groot is. Maar goed, dat zijn dan ook klassiekers!
Net als de opener had het instrumentale The Star-Spangled Banner/4th of July weggelaten mogen worden; ze werken op de geeuwspieren.
In 2008 ging Boston op tournee met als tijdelijke zangers Michael Sweet van Stryper en de onbekende Tommy DeCarlo, die samen de overleden Brad Delp vervingen. Die tour werd ondersteund door een nieuwe versie van Greatest Hits waarop Tell Me terecht is vervangen door I Had a Good Time van Corporate America. De trackvolgorde van deze versie is pakkender.
In Duitstalige landen kun je de 1997-versie tegenkomen met een gele hoes onder de titel All Time Best. Al met al een leuke verzamelaar, waarvan versie 1 ook op streaming is te vinden.
» details » naar bericht » reageer
Téléphone - Téléphone (1977) 3,5
Alternatieve titel: Anna, 9 maart, 23:29 uur
New wave is een containerbegrip, zoals het vorige station in mijn queeste weer eens aantoonde: bij het debuut van Debbie Harry zaten we in New York waar wave en funk in elkaar overlopen.
In mijn geheugen zat Téléphone opgeslagen als het Franse antwoord op de Britse punk en new wave. Zát. Want nu ik het album hoor, constateer ik dat áls dat al zo was, de drie heren en ene dame vooral goed hebben geluisterd naar de Rolling Stones en The Faces. Vuige rock 'n' roll met Hygiaphone als eerbetoon aan Chuck Berry.
Mijn oude beeld van de groep was snel bijgesteld, al kun je zeggen dat ze wél de energie van de nieuwe golf bezitten. Wellicht plaatste men het destijds in de traditie van pubrock, maar ook dan is duidelijk dat dit kinderen van de Britse r&b zijn. Of in Nederlandse termen: de felle evenknieën van Herman Brood & His Wild Romance.
Want ze kunnen spélen, in Londen met producer Mike Thorne in een messcherpe productie gestoken vol bijtende gitaren. Sur la Route bijvoorbeeld, dat kalmpjes begint om dan te versnellen. In Téléphomme doet Téléphone iets soortgelijks maar dan in een nog groter contrast. Emotionele zang van gitarist Jean-Louis Albert, die zijn zes snaren kruist met die van Louis Bertignac. Met de ritmesectie van bassiste Corine Marienneau en drummer Richard Kolinka spat de energie uit de boxen. Een favoriet kiezen is lastig, de keuze is te groot. Wellicht Métro (C'est Trop)?
Overigens noemt Oor's Popencyclopedie (editie 1990) wel degelijk dat de muziek geënt is op die van de Stones; in mijn brein kennelijk opgeslagen in het verkeerde vakje. Lekker album, zij het niet passend in mijn afspeellijsten met new wave. Na deze omissie moet ik terug naar echte wave. Van Parijs naar Brussel, van Téléphone naar Telex.
NB Hier op MuMe heet dit album (nog?) 'Anna', het nummer dat de plaat opent, maar de hoes en alle andere bronnen houden het op een titelloos album - of anders gezegd, Téléphone van Téléphone.
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - Minstrel in the Gallery (1975) 3,5
9 maart, 23:25 uur
Opgenomen in de mobiele studio die Jethro Tull kort daarvoor had aangeschaft. En zo kon de groep april 1975 het nog frisse Engeland verruilen voor het warmere Monte Carlo. De 24-sporenstudio was te vinden in een truck die bij het plaatselijke radiostation werd geparkeerd. De opnames vonden plaats in een galerie, te zien op de achterzijde van de hoes, zo vertelt Scott Allen Nollen in zijn groepsbiografie. Titel Minstrel in the Gallery kunnen we dus letterlijk nemen.
Muzikaal valt op dat het enigszins teruggrijpt op Aqualung, wat betreft het contrast tussen ingetogen akoestische en luide elektrische delen. Anders dan de vorige drie albums. Zo horen we in Black Satin Dancer rock en dwarsfluit fraai samengaan, al dan niet luid.
Dirigent en arrangeur David Palmer werd net als op de voorganger uitgenodigd, deze keer met een strijkkwintet onder diens hoede. Het duidelijkst is dat op het dikke kwartier van Baker St. Muse, dat uit vier delen bestaat. Miniatuur Grace laat Anderson solo de oorspronkelijke plaat afsluiten.
Nollen deelt weer interessante achtergronden. Hoorbaar is dat Anderson in die fase geen zin meer had in jazz. Folk en klassieke muziek behoren tot de kern van zijn muzikale ziel, zo vertelde deze in een interview. En ook al houdt hij enorm van Amerikaanse blues als Muddy Waters en Howlin' Wolf, Anderson deed geen pogingen die te integreren in zijn muziek met Jethro Tull.
Minstrel in the Gallery was het vijfde album in de bezetting Anderson - Barre - Evans - Hammond - Barlowe en inmiddels sluipt er slijtage in de onderlinge verhoudingen. Anderson vertelde later: "Evans was really going off the boil. He had lost interest in rock music (...). Barrie Barlow is a bit of a dissident type who was always picking fights and arguments."
Barlow echter legde uit: "I became a sort of spokesman for the group whenever we were unhappy about something. (...) I always ended up having to confront Ian."
Na weer een maandenlange tour is bassist Jeffrey Hammond toe aan wat nieuws. Om niet door Anderson te worden overgehaald tóch bij Jethro Tull te blijven, doet hij dat ruw. "I wanted to express myself, (...) I had to make the decision, and it was an awful business because I had to do it in a rather blunt way".
» details » naar bericht » reageer
Sweet - Off the Record (1977) 4,0
9 maart, 13:58 uur
Off the Record vond ik begin dit jaar in puntgave klaphoes. Opvallend is dat de buitenhoes niet vermeldt welke nummers erop staan. Het is 1977 en Sweet is getransformeerd naar een serieuze, hardrockende groep die de glitters in de prullenbak had gesmeten.
Sweets vijfde "serieuze" album, opvolger van Give Us a Wink, die ik vroeg of laat in het wild op vinyl hoop tegen te komen. Tevens opvolger van compilatie-plus-liveplaat Strung Up. Geen singlehits in Nederland, maar de stampende opener Fever of Love haalde in Duitsland de top 10 met de kenmerkende koortjes en rauwe stem van Brian Connolloy.
Lost Angels heeft lekker gitaarwerk, synthesizers van de hand van gitarist Andy Scott, halverwege een versnelling en tegen het einde buisklokken. Het gitaargeluid doet soms aan Queen denken en de gestapelde groepszang ontbreekt evenmin. Midnight to Daylight drijft op een swingende shuffle en Scott speelt bovendien mondharmonica.
Hierboven en elders valt te lezen over de connectie tussen Deep Purples Woman from Tokyo en Sweets Windy City. Qua gitaargeluid moet ik echter aan Black Sabbaths Never Say Die! van het jaar erop denken en de loepzuivere refreinen hebben weg van Uriah Heep. Nooit eerder hoorde ik die drie samengevoegd en tegelijkertijd is dit hártstikke Sweet.
Kant 2 start uptempo met Live for Today en de gil van Connolly in het intro herinnert aan Deep Purples Highway Star. Drummer Mick Tucker gaat met dubbele basdrum los in het intro van She Gimme Lovin', waar valt te horen waarom de groep invloedrijk was op de New wave of British heavy metal die vanaf 1980 bovengronds kwam.
Het grotendeels akoestische Laura Lee is vervolgens een onverwachte stap. Een sterk nummer waar Connolly ijl zingt en dat pas tegen het einde steviger wordt. Je zou er Led Zeppelin in kunnen horen.
Midtempo stoempt Hard Times inclusief een snelle gitaarsolo en Funk It Up is wat de titel suggereert: funkrock. Wat is Tucker toch goed! Hij zet een strakke groove neer met fraaie fills en andere details. Een onverwacht slot, zeker met het handgeklap; een geslaagd zijweggetje naar de discotheek, zij het ongeschikt voor hardrockpuristen.
De elpee kreeg later nog uiteenlopende cd-versies met bonussen, wellicht dat ik er daar ook nog wel eentje van aanschaf. Zo zie ik een editie uit 2017 met daarop de Amerikaanse mix van Fever of Love, die een licht afwijkend intro kreeg.
Je kunt horen dat "links en rechts het nodige wordt gespiekt", zoals vielip in het vorige bericht terecht opmerkt, toch ben ik net als hij content met het resultaat. Sterker nog, de groep heeft ondanks alle overeenkomsten met collega's een eigen geluid. Een dikke 8 van mij.
» details » naar bericht » reageer
Angel - On Earth as It Is in Heaven (1977) 4,0
8 maart, 08:41 uur
Angel nummer 3 en in zekere zin zijn tijd vooruit: het grote drumgeluid van Barry Brandt werd in de jaren '80 populair. Het eist met de eerste galmende geluiden meteen de aandacht op. Een knallend begin met Can You Feel It met een dito gitaarsolo van Punky Meadows en de op-de-top-van-zijn-longen-zang van Frank DiMino.
Meer naar de popkant gaat She's a Mover, met de melodie en piano een stevige versie van wat destijds vaak op de radio klonk en Big Boy (Let's Do It Again) heeft een vleugje boogierock, voor mij het zwakste nummer van de plaat.
Dankzij Telephone Exchange volgt adult oriented rock die met de akoestische gitaar halverwege ook wel aan de hardrock van Boston doet denken.
Dat met de gitaarlick van White Lightning funk klinkt, is verrassend, in de refreinen scheurt Meadows' gitaar. Daarmee loopt het vooruit op de funkrock en -metal zoals die vanaf eind jaren '80 opdook met namen als 24/7 Spyz en Living Colour.
Kant 2 opent met het uptempo On the Rocks, DiMino zingt uiteraard voluit maar de bijdragen van de nadien bekend geworden toetsenist Gregg Giuffra (o.a. House of Lords) blijven net als op kant 1 sober voor diens doen sober. Zelfs in de solo die hij hier heeft. You're Not Fooling Me is een powerballad en zou fans van Queen kunnen aanspreken.
Is het gek dat ik met de piano en de ingetogener zang van That Magic Touch aan de kwaliteitspop van Engelsman Gilbert O' Sullivan moet denken? Na zo'n ingetogener nummer volgt uiteraard een rocker, te weten Cast the First Stone met warempel iets meer toetsen in brug en solo's. Dan is het hopen dat de groep in het slotnummer dan eindelijk ouderwets los zal gaan en het intro van Just a Dream laat inderdaad die bombastische, symfonische kant horen, verwachtingen die de rest van het midtempo nummer worden waargemaakt. Aor zoals ik die graag hoor.
De hoes is net als het logo ondersteboven te lezen, zaken waaraan is te zien dat de groep en label Casablanca de nodige zorg aan het imago besteedden. Dat is herkenbaar in combinatie met de witte kleding waarin de groepsleden zich presenteerden.
Waar ik overal lees dat het echte vuur na twee albums was gedoofd, vind ik On Earth as It Is in Heaven warempel beter dan de voorganger. Partyrockers ontbreken namelijk en op de momenten dat poprock klinkt, doet Angel dat goed. Gek dat deze band nooit groot is geworden in hun eigen VS, al is een albumnotering van #76 bij de Billboard Album 200 natuurlijk niet slecht. Mogelijk omdat ze tien jaar te vroeg waren?
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - War Child (1974) 3,5
7 maart, 12:39 uur
War Child, opvolger van A Passion Play. De verkopen van die laatste waren goed en desondanks een stuk minder dan die van Thick as a Brick. Het opnameproces van de voorganger was moeizaam verlopen en als blijkt dat twee conceptelpees na elkaar te veel van het goede is... Met bovendien een manager die de opmerking maakt dat Jethro Tull met "retirement" gaat wat betreft optreden...
Dan maak je vervolgens een "gewoon" album met tien losse nummers én je kondigt een tournee aan. De plaat niet in Zwitserland voorbereid en evenmin in Frankrijk opgenomen, maar gewoon in de Londense Morgan Studios tot stand gekomen. Alle muziek werd door Ian Anderson geschreven.
Tegelijkertijd zit de muziek nog altijd vol vernuftige ingrediënten. Onvervalste symfonische rock, zoals we dat toen noemden. Bepaald géén drie akkoordenmuziek. Noviteiten zijn dat dirigent David Palmer en de Philomusica of London meedoen, dat doedelzakken in The Third Hoorah klinken, het midden houdend tussen folk- en marsmuziek én dat John Evans aan zijn klavieren een accordeon toevoegt. Menig fan zal opgelucht hebben gezucht toen bleek dat Ian Anderson vaker zijn dwarsfluit gebruikt, waar hij op A Passion Play veel sopraan- en sopraninosaxofoon speelde.
Het zit dus knap in elkaar, toch word ik slechts bij het kalme Skating Away on the Thin Ice of the New Day echt enthousiast, het gevolg van de prachtige melodie. Ik vind de zes voorgangers spannender...
Met David Allen Nollens bandbio 'Jethro Tull' uit 2002 in de hand ga ik op zoek naar interessante achtergronden. Zo lees ik dat Anderson de voorbereidingen van War Child combineerde met het produceren van Now We Are Six van Steeleye Span.
De tekst van Queen and Empire is een veroordeling van het Britse imperialisme: "They build schools and they build factories - with the spoils of battles won".
Eerdere berichten gingen over de tekst van Sea Lion, waarbij Nollen Andersons uitleg aanhaalt: "Slightly ecological in content, probably influenced through being brought up in Blackpool, where the sea was dirty gray, largely because of the dumping of all the town's sewage a very short distance off the shore. (...) We used to dodge the waves coming over the promenade there. Little did we know then that what we were dodging was every kind of variation of E. coli bacteria known to man...". Nollen voegt daaraan toe dat in de bredere betekenis "the tale of the circus Sea Lion is a metaphor for the uncertainty, chaos and often utter helpnessness of humanity (...)"
De Amerikaan noteert ook dat Bungle in the Jungle een a-typische FM-radiofavoriet werd in zijn land. Skating Away on the Thin Ice of the New Day stamt nog van de opnames voor A Passion Play in Chateau d'Herouville en kreeg een nieuwe mix voor War Child. Hetzelfde geldt voor Only Solitaire.
Op 25 juli 1974 eindigt na tien maanden de "livepensionering" met een Australische tournee en de nodige landen volgen, tot Japan toe. Op 1 april '75 verzwikt Anderson zijn enkel tijdens een concert in in het Duitse Kiel en doet de navolgende concerten zittend in een rolstoel.
Ook van War Child verschenen nadien uitgebreide versies met de nodige bonussen en achtergrondinformatie. Hierdoor maakten we alsnog kennis met de klassieke War Child Waltz, die het originele album niet haalde.
Vanaf 1968 jaarlijks een album uitbrengen en het nodige materiaal dat die elpees in eerste instantie niet haalde: zeggen dat Jethro Tull productief was, is een understatement.
» details » naar bericht » reageer
Angel - Helluva Band (1976) 3,5
7 maart, 09:28 uur
Eigenlijk is hierboven alles al gezegd over Helluva Band, al kan het geen kwaad om te benadrukken dat Angel in 2019 verrassend goed terugkeerde met Risen.
In 1976 bracht de groep adult oriented rock (voor progressive rock/symfonische rock is het te rechttoe) zoals ik die graag hoor. Je kunt het ook omschrijven als hardrock met heul veul klavieren. Zoals het toetsen-versus-gitaarduel in opener Feelin' Right.
Het lange toetsenintro van The Fortune bevalt eveneens, in de sfeer van Tony Careys klavieren in het intro van Rainbows Tarot Woman. In tegenstelling tot dat nummer toomt Angel na de toetsenbombast in met akoestische gitaar. Dan pas wordt scheurend vervolgd en de pauken die na een dikke vijf minuten opduiken zijn goed getimed.
Dan twee eenvoudiger nummers in de sfeer van party-hardrock'n'roll, waarbij toetsen duidelijk maken dat dit nog altijd Angel is. Ze worden gevolgd door het robuuste Mirrors met een tekst zoals Ronnie James Dio die schreef en de ballade Feelings waar ik niet zo van ben, al past de uitgelaten zangstijl van Frank Dimino (hier als DiMino gespeld) er goed bij: als je iets doet, doe het dan vóluit! Wellicht kan dit fans van het Queen van de jaren '70 bekoren?
Gejaagde rock 'n' roll met de nadruk op gitaar volgt via Pressure Point, Kissachtige hardrock in Chicken Soup dat echter een interessante climax bevat, om met de terugkeer van het Angel Theme te besluiten. Hier in bandversie en langer dan op het debuut.
Voor mij wisselvalliger dan die plaat, nog altijd smakelijk.
» details » naar bericht » reageer
The Vapors - Wasp in a Jar (2025) 4,0
7 maart, 08:14 uur
Wie zoals ik van new wave houdt, kan zijn hart ophalen aan Wasp in a Jar van The Vapors. Hier klinkt wave in de categorie 'uptempo liedjes vol melodie en scheurende gitaren', Na twee sterke albums in 1980 en '81 inclusief de hit Turning Japanese, verdween de groep van het front om in 2016 weer bij elkaar te komen. Dat werd vier jaar later bezegeld met hun derde, waarop de groep vervolgde alsof we in 1982 waren aanbeland. Twaalf sterke liedjes en Wasp in a Jar van vijf jaar later moet dat nog eens dunnetjes overdoen. Lukt dat?
Ja, dat lúkt! En overtuigend bovendien! Gitaarwave met veel energie, af en toe moet ik denken aan Buzzcocks of The Jam en powerpop is nooit ver weg. De gitaren zijn bijtend, de ritmesectie jaagt de boel op en er zit vrolijkheid in de melodielijnen. Geen album uit 2025 klinkt zo overtuigend alsof het begin jaren '80 werd opgenomen, inclusief knisperende gitaarlijnen.
Over de arrangementen is goed nagedacht. Met de herkenbare, licht melancholische stem van frontman David Fenton, de stuwende baslijnen van Steven Smith en tegenwoordig zoon Danny Fenton als tweede gitarist en Michael Bowes als drummer, slagen de twee oorspronkelijke en twee nieuwe leden erin om het beste van toen om te zetten in een geluid dat prima bij 2025 past.
En bij 2026, waarbij het aanwijzen van favorieten lastig blijkt. Te veel keuze. Nou vooruit, Idiot Creature klinkt weliswaar vrolijk, maar is hartstikke Brits-bijtend over een bepaalde politicus: "God Bless America" klinkt het vol ironie. En ook al zit je niet in die situatie, bij het beluisteren van Miss You Girl ga je vanzelf een dame missen, alsof je het dán pas beseft.
Leuk feitje: oorspronkelijke drummer Howard Smith is tegenwoordig burgemeester van Guildford, de stad waar The Vapors eind jaren '70 begonnen.
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - A Passion Play (1973) 4,0
6 maart, 21:58 uur
In reactie op de opmerking van Sikken Berend:"Bij A Passion Play zijn er twee mogelijkheden. Of je vindt het helemaal niks, of je vindt het geweldig", vermoed ik dat ik de uitzondering ben. Ik ben zeker positief, een krappe 8 zeg maar, maar niet wild enthousiast.
De muziek is klassieker van opzet dan voorganger Thick as a Brick, eveneens een conceptalbum dat eigenlijk uit één lang nummer bestaat. De bezetting van Jethro Tull bleef ongewijzigd, de muziek complex, de hoes bevatte weer een fictieverhaal over de plaat, waar onder andere een fabel klinkt over een haas en diens bril.
Pas aan het einde van kant 1, na twintig minuten, klinkt voor het eerst de dwarsfluit van Ian Anderson die echter wél het nodige op saxofoons doet. Toetsenist John Evans laat in datzelfde deel horen dat hij nieuwe synthesizers voor zijn verjaardag heeft gekregen. Kant 2 begint met de sfeer van een sketch van Monty Python met gesproken delen van Evans; bassist Jeffrey Hammond zingt een weinig.
Anders dan Thick as a Brick werd de muziek van A Passion Play later in losse tracks verdeeld; dit ten tijde van de cd-release van 1998.
De groep verdiende een goede boterham aan hun albums en tournees, wat vooral voor de belangrijkste songschrijver Ian Anderson gold. In de biografie 'Jethro Tull' van Scott Allen Nollen valt zelfs te lezen dat de zanger van de opbrengst van de meer-dan-een-compilatie Living in the Past een huis voor zijn ouders kocht, na enkele moeizame jaren tussen hen en hun zoon.
Tegelijkertijd met Jethro Tull veroverde ook Monty Python de VS, waardoor menig Amerikaan wel iets van de humor op A Passion Play begreep.
Desondanks kwam het album moeizaam tot stand, aldus Allen: Anderson was om de belastingdruk te ontvluchten (83% in het Verenigd Koninkrijk!) naar Zwitserland vertrokken (slechts 20%...) om daar het album in de steigers te zetten. Later werd hij door de groep vergezeld. De papieren om hen een officiële Zwitserse belastingstatus te geven vergden de nodige aandacht en die bureaucratische molen draaide inmiddels bijna een jaar.
De repetities vonden plaats nabij Montreux, de wekenlange opnamen in Chateau d'Herouville nabij Parijs. Dit alles verliep moeizaam, "recording an entire album's worth of material that eventually was abandoned". De studio werd door Anderson omgedoopt tot "Chateau d'Isaster".
Dan echter delen twee anoniem gebleven leden dat ze niet in Zwitserland willen wonen. Mocht dat definitief worden, dan zullen ze de groep verlaten: "The money isn't important, we just have to go home". Anderson wil geen breuk en stemt met hen in. Nog geen vierentwintig uur later komt een telefoontje dat de leden nu "ingezetenen van Zwitserland zijn".
Het eten was er ook niet lekker, vond gitarist Martin Barre, die vertelde dat hij "baked sparrows" kreeg voorgezet. Kennelijk was hij vergeten wat hen bij de opnames van de voorganger op culinair vlak was overkomen.
Menig fan is onder de indruk van het album, al is de verkoop minder. Bewondering is er voor de deels cinematografische concerten. Een documentaire volgt, tegenwoordig hier te zien.
In de omvangrijke tournee zijn slechts twee Britse concerten opgenomen, beide in het Wembley stadion. Het leidt tot de nodige kritiek van pers en fans, waarop manager Terry Ellis bekend maakt dat de groep hierna definitief stopt met optreden.
Dat klopt niet én beschadigt de reputatie van Jethro Tull. De groepsleden zijn boos. Zoals Hammond verwoordt: "That was the most catastrophic thing he could say, and I just did not understand it."
» details » naar bericht » reageer
Angel - Angel (1975) 4,5
6 maart, 17:33 uur
Afgelopen augustus organiseerde 50tracks in het topic Greatest Hits of een verkiezing van adult oriented rock. Eén van de nummers die langskwamen is Angel met Tower.
Dat nummer opent hun titelloze debuut uit 1975 en knalt als een malle. Misschien met de oren van nu over de top, maar ik kan het goed hebben. Na de recente berichten bij hun Sinful van vier jaar later is het leuk om deze er bij te pakken.
Was de muziek in '79 verwaterd - al ben ik positiever dan sommigen - duidelijk is dat Angel hier volop knalde. Toegankelijk en luid op heel andere wijze dan de Britse glamrock uit die dagen, al denk ik soms enigszins aan Sweet.
Verschillen zijn echter de cleane en vaak hoge, uitgelaten zang van Frank Dimino en de overdadige toetsenpartijen van Greg Giuffra, die fraai om voorrang vechten met de gitaren van Punky Meadows. Dit is zo Amerikaans als wat en afgezien van Mariner ramt de groep er nummer na nummer op los: drummer Barry Brandt heeft het druk.
Tower is met z'n bijna zeven minuten een aor-klassieker, de overige nummers volgen in het kielzog. Apart is het kleinood Angel (Theme) dat de plaat afsluit met dikke mellotron, waarmee ik aan de symfonische rock van toen moet denken. Bij Angel is het echter weliswaar goed doordacht, maar nooit complex met bijvoorbeeld aparte maatsoorten.
Voor mij is dit aor, de muziek is toegankelijk zoals het bombastische intro van Broken Dreams bewijst: dichtgesmeerd maar begrijpelijk. Of wat in Long Time gebeurt: klein beginnen met klavecimbelgeluiden om stapsgewijs steeds luider met stijgende energie te vervolgen inclusief een heerlijke gitaarsolo; ook dat ontvouwt zich in zeven boeiende minuten. Vanaf 3'59" een knipoogje naar Led Zeppelins Babe I'm Gonna Leave You, waarbij Giuffra's klavieren het Amerikaans houden.
Sterk debuut dat bij ons in Nederland relatief onbekend is. Aanrader!
» details » naar bericht » reageer
The Vapors - Together (2020) 4,5
5 maart, 20:48 uur
De Engelsen van The Vapors waren in 1980 en '81 één van de smaakmakers in de new wave, die zich op dat moment in diverse richtingen ontwikkelde. Bij hun tweede album beschreef ik waarom de groep in of kort na 1982 de handdoek in de ring gooide. In 2016 keerde de groep terug, resulterend in tot dusver twee albums.
De eerste is dit Together uit 2020 en ik ben meer dan aangenaam verrast. Melodieuze gitaarliedjes die klinken alsof het nog altijd 1982 is, de punkexplosie vers in het geheugen. Dankzij de naïviteit en onbezorgdheid die vaak van de liedjes druipt, doet het soms denken aan het vroege werk van The Undertones. Twaalf liedjes in een krappe 45 minuten. Niet één duurt te lang en gaandeweg sluipt er bovendien een zekere melancholie in liedjes, sfeer, teksten en melodieën.
Laat ik nu eens níet afzonderlijke nummers benoemen, maar volstaan met de mededeling dat alles minimaal midtempo is en meestal vlotter. Together op repeat zetten leidt steeds weer tot een aangename drie kwartier vol vriendelijk scheurende gitaren, waarbij ik niet anders kan dan geamuseerd meehummen.
Vorig jaar volgde Wasp in a Jar.
» details » naar bericht » reageer
Debbie Harry - KooKoo (1981) 3,5
5 maart, 20:23 uur
Ergens in Muziekstad ligt een plein tussen de wijken New Wave en Funk. Midden op dat plein onmoetten Deborah Harry en Chris Stein twee vertegenwoordigers van de andere kant, te weten Nile Rodgers en Bernard Edwards.
Dankzij maatje JeKo heb ik sinds kort Harry's biografie 'Face It' uit 2019. Stein en Harry ontmoetten elkaar in de groep Stilettoes en verlieten die om Blondie te beginnen. Daarmee werden ze trendsetters in de New Yorkse punk/wave rond zaal CBGB en slaagden er tevens in om uiterst succesvol te zijn in de internationale hitparades.
In 1980 brengt Blondie hun vijfde album Autoamerican uit. Een tournee blijft uit: Stein vindt het zonde van zijn tijd, vertelt Harry in haar bio vanaf pagina 226: "Chris en ik wilden een album maken waarop witte en zwarte muziek samenkwamen." In 1981 zetten de twee Blondie op pauze, om zich te richten op Harry's eerste soloplaat.
Destijds had ik geen belangstelling voor de plaat vanwege de samenwerking met de heren van Chic. Die vond ik weliswaar knappe, originele muziek maken, maar hun funk en disco waren niet mijn kop thee. Bezig met de new wave kan ik desondanks moeilijk om KooKoo heen, aangespoord door Roxy6.
Oor was negatief: toen het jaar erop Hunter van Blondie verscheen, luidde de boodschap: "Na KooKoo is de plaat een verademing." Waarschijnlijk had ik toen iets soortgelijks gevonden, echter met de oren van nu vind ik dat te streng. Niet alleen reikt Harry uit naar Chic, omgekeerd reiken de heren Chic uit naar de twee Blondieleden. Of het resultaat geslaagd is, hangt mede af van de smaak van de luisteraar.
Harry vertelt dat de hoes van Hans Giger, gevraagd door Stein, op boycots stuitte: te gewelddadig met die "reusachtige acupunctuurnaalden". Diverse platenzaken weigerden promotie en posters in de Londense metro mochten evenmin.
En de muziek in de zwarte schijf geperst? Soms ligt de nadruk op wave: dat gebeurt in Chrome met een scheurend gitaartje en zwoele zang, de reggaepop van Inner City Spillover en Under Arrest. Andere keren op funk/disco: in Surrender zijn we vol in Chicsferen, Backfired en ballade Now I Know You Know.
Toch slaagt het viertal er wel degelijk vaak in om een geheel te maken van de twee stromingen: Jump Jump doet dat slim, bij The Jam Was Moving moet ik steeds denken aan de hit Word Up van Cameo van vijf jaar later.
Military Rap valt extra op vanwege de actualiteit, dankzij de plotseling dichtbij komende regels "Ayatollah rock the house - Book them with Minnie Mouse" en "Free vacation in Iran - Stop and see the Middle East - Miles and miles of lovely beach". Gejaagde funk waar zowel David Byrne als The Feelies blij van worden. En er is danspop via het aangename Oasis met pseudo-Arabische invloeden in harmonieën en arrangement.
Met het ouder worden, is mijn smaak breder en milder. Destijds had ik dit zeer flauw gevonden, nu lijkt een 7,5 passender. Niet dat ik alles even pakkend vind, maar het is knap en ambachtelijk in elkaar gezet, waarbij Stein en Harry in hun opzet zijn geslaagd. En leuk feitje voor de liefhebbers van new wave: twee heren van Devo zingen in een achtergrondkoortje onder de namen Spud en Pud Devo.
Ik bespreek de albums achter mijn afspeellijsten met new wave. Vorige station was het bij vlagen pakkende Shanghaied van Mi-Sex. Het volgende nummer op mijn lijst is Stoję, Stoję, Czuję Się Świetnie van het Poolse Maanam. Omdat ik hun verrassende debuut al besprak, ben ik klaar met de maand juli van 1981.
Daarmee ben ik toe aan een volgende inhaalslag. Alweer!
Steeds ontdek ik dat ik namen en albums miste. De komende retour brengt de nodige niet-Angelsaksische wave. Om te beginnen terug naar 1977 en het debuut van het Franse Téléphone, ook al is dat eigenlijk geen wave - té interessant om ongenoemd te laten. On y va!
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - Thick as a Brick (1972) 3,5
5 maart, 17:11 uur
Maart '24 schreef Mssr Renard zijn prachtige epistel over dit album - zo jammer dat hij niet meer actief is op dit forum! De historie die hij met Thick as a Brick heeft, ontbeer ik. In 2014 ben ik eens behoorlijk in de discografie van Jethro Tull gedoken en zo dit album tegengekomen, maar nimmer zal ik de band met de plaat opbouwen zoals hij deed.
Auteur Scott Allen Nollen publiceerde in 2002 'Jethro Tull: A History of the band, 1968-2001'. Aan de hand van interviews met de betrokkenen door derden, persoonlijke gesprekken van hemzelf met groepsleden gaat hij door de historie van de groep; album na album, tournee na tournee.
Mij valt op dat Jethro Tull hier niet de riffgroep van voorganger Aqualung is, maar zich werpt op één lang muziekstuk, in 1972 door de fysieke beperkingen van vinyl noodgedwongen gescheiden in twee delen, waarbij de muziek naar onvervalste progrock is gegroeid.
Tijdens de tour voor Aqualung was Barrie Barlow toegetreden als drummer. Diens voorganger Clive Bunker was namelijk in toenemende mate ontevreden en besloot te vertrekken: "A drummer more interested in feel than technique". Het is mede daarom dat Jethro Tull dit complexe niveau aankan.
De muziek opent klein met indringende woorden die de '"boodschap" van het album bevatten, aldus Nollen:
"Really don't mind if you sit this one out - My word's but a whisper, your deafness a shout
I may make you feel, but I can't make you think - Your sperm's in the gutter, your love's in the sink.
So you ride yourselves over the fields - Then you make all your animal deals
And your wise men don't know how it feels - To be thick as a brick."
De term 'thick as a brick' komt uit Noord-Engelse slang uit die dagen, voegt hij toe. De regels sluiten het album ook af. Verder meldt hij: "Thick as a Brick truly is a musical smorgasbord comprising elements from the medieval, classical, folk, jazz, theatrical and rock 'n' roll genres."
Over de concerten meldde frontman Ian Anderson: "The difficulty (...) was trying to play the acoustic music we didn't have to play when we were doing the heavy rock music of the Aqualung album. (...) The audiences, particulary in America, were not sympathetic to the concert atmosphere (...)."
Gitarist Martin Barre herinnerde zich dat "...there is so much to remember, so many odd time signatures, 7/4s and 6/8s (...)" Over hoe de muziek ontstond, vertelt hij: "On a Friday we'd finish off with a sort of soft acoustic thing, and then Saturday morning Ian would turn up and say, 'Right, we'll go into guitar solo here, and a riff or whatever, or 'We'll change the key from E-flat to B-flat." In tegenstelling tot de voorgangers schreef niet Anderson alle muziek maar was iedereen betrokken bij de totstandkoming van de composities.
Opnieuw in de dagen richting Kerstmis opgenomen, waren de repetitie-omstandigheden verre van romantisch, zo vertelt de gitarist: "We went down to this disgusting,smelly, dark, dirty basement, (...) filthy." Het eten in de pub "served by this gross, huge woman (...) whose hygiene was definitely questionable."
Over de tournee wordt verteld dat de groep van hun voormalige bassist Glenn Cornick in het voorprogramma speelde, diens nieuwe groep Wild Turkey deelde namelijk het management. Andere openers waren Captain Beefheart, Gentle Giant en The Eagles.
Thick as a Brick werd live integraal gespeeld, maar "to give themselves a break between the two lengthy 'Brick' sides, the band incorporated an interval of comedy skits based on articles in the album's newspaper."
Over die hoes vertelt maker Roy Eldridge: "(...) which took longer to produce than the recording itself." Wie niet begrijpt wat daarvan de reden is, verwijs ik naar Mssr Renards epistel. 
Een album dat zich niet zo makkelijk laat doorgronden, vaker draaien doet de muziek groeien. Aangezien ik meer een riff- dan een progman ben, een iets lagere waardering van mij. Wie juist wél van symfonische rock houdt, mag dat als een warme aanbeveling zien dit hoger te waarderen.
» details » naar bericht » reageer
Angel - Sinful (1979) 3,0
4 maart, 21:49 uur
Soms is de waarheid vreemder dan fictie, stranger than fiction. Zo ook het bericht achter je link! Een grijns op het gezicht om een feitje waar ik weliswaar niks aan heb, maar wel lang om zal grinniken én dat ik bij gelegenheid zal doorvertellen. De albums van Giuffra, daar was Gerd Jan Vleugels in Aardschok altijd wel positief over, als mijn geheugen me niet bedriegt.
Wat Angel betreft: het hierboven genoemde The Winter Song vind ik werkelijk fantastisch, nog altijd - te vinden op voorganger White Hot. De groep keerde in 2019 terug met het bij vlagen prima Risen en bracht drie jaar geleden Once Upon a Time uit, maar die ken ik niet. Binnenkort eens online luisteren.
Van dit Sinful kan ik aanbevelen Don't Take Your Love (prima aor met heerlijke marsepeinen koortjes), Just Can't Take It (zelfde recept, geknipt voor de Amerikaanse FM-radio van toen) en You Can't Buy Love heeft weg van de Britse glamrock van 1973.
Kant 2 is de mindere helft, maar het langzame I'll Never Fall in Love Again is mede dankzij Giuffra's toetsentapijt aardig, opnieuw glamrock op Wild and Hot en de gitaarsolo van Lovers Live On is eenvoudig maar heeft een mooie melodie.
Wat betreft de rock-en-rollende nummers vermoed ik dat liefhebbers van Kiss wel wat kunnen met L.A. Lady en Bad Time. Hartstikke Amerikaans dit alles, de term 'poprock' die vaak valt is helemaal terecht.
Ik heb hun Live without a Net hier op vinyl staan, die moet ik binnenkort maar weer eens draaien; als ik me goed herinner is die steviger. En heb zojuist White Hot op elpee besteld: het winterlied blijft trekken, ook al is de lente in aantocht.
» details » naar bericht » reageer
Mi-Sex - Shanghaied (1981) 4,0
4 maart, 19:41 uur
De derde van Mi-Sex uit Nieuw Zeeland, dat in 1979 in Nederland een hitje scoorde met Computer Games van debuut Graffiti Crimes. Mijn vorige station in het land van new wave was de wat verwaterde punk van Ramones, die in 1981 naar wegen zochten naar een groter publiek. Dat laatste gebeurt hier overtuigender dankzij frisse new wave, waarbij je de invloed van de groep Sparks zou kunnen herkennen.
Aangename pop met pittige gitaarpartijen (Kevin Stanton), steeds geflankeerd door hippe synthesizers (Murray Burns) en verpakt in popliedjes. Daarbij de voor de muziek vrij robuuste stem van Steve Gilpin. Zoals de aftrap met Jungle en daarna Be Quiet. In Mystery enige invloed van ska.
Missing Person opent kant 2 sterk, Tears in Her Wine heeft iets van The Police, Caught in the Act bevat een pompende baslijn. Bijzonder fraai is de piano in Shanghaied, alsof we bij het beste werk van de new romantics zitten of de vroege Talk Talk.
Het hitsucces was vreemd genoeg uiterst bescheiden, zelfs in hun eigen land: Falling in and Out haalde er in juli '81 slechts één week #48 en het album miste de charts. Onbekend maakt onbemind, maar dit is echt lekkere, energieke wave, zeker voor hen die van de genoemde vergelijkingen houden. Een krappe 8 als schoolcijfer.
De volgende halte in juli 1981? Omdat ik singles Arabian Nights van Siouxsie and The Banshees en Tainted Love van Soft Cell eerder besprak, beland ik bij het solodebuut van de frontvrouw van Blondie, Debbie Harry.
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - Benefit (1970) 4,0
4 maart, 19:22 uur
Reizend door de discografie van de groep met de biografie 'Jethro Tull' (2002) van David Scott Nollen erbij, kom ik bij het vaak cruciale derde album. Leukste anekdote is hetgeen frontman Ian Anderson in 1992 vertelde over het slotstuk van de plaat: "The title 'Sossity' was a pun on the word 'society', but Martin Barre didn't know that. He thought it was a girl's name. He actually had a boat which he called 'Sossity'. (...) I said: 'Martin, that was just a joke about society!' So he sold the boat!"
Opnieuw een bezettingswijziging, zij het dat het een toevoeging betreft. Student en toetsenist John Evan (eigenlijk Evans) is bij verschijnen van Benefit in april 1970 tweeëntwintig lentes en aanvankelijk nog geen vast lid. In de woorden van Nollen: [Anderson] asked old mate John Evans, who now was doing well at the Chelsea College of Science (...)".
Waren de nummers op voorganger Stand Up afgeronde composities ten tijde van de opnamen, dat was volgens bassist Glenn Cornick niet het geval op Benefit: "It tended to be just backing tracks".
Ian Andersons stem is niet per se mooi maar wel karakteristiek met een zekere dreiging in zich; of is het cynisme? Het is de tweede met gitarist Martin Barre en ondanks de soms sterke nadruk op gitaarriffs zijn alle composities van de hand van Anderson, die ondertussen ook aan zijn gitaarspel werkte. Sommige nummers op Benefit bevatten gitaarbijdragen van beiden.
Nothing to Say leunt op zo'n riff, waarna het eveneens sterke Alive and Well and Living in jazzpiano in het intro heeft. Met Evan groeit het muzikale kleurenpalet op een album dat de derde sterke op rij is.
Son heeft halverwege een afwijkend akoestisch deel en de tekst van een zoon die boos is op zijn vader. Dankzij For Michael Collins, Jeffrey and Me is daar voor het eerst op Benefit volop folkrock. Het bezingt de astronaut die weliswaar bij de eerste maanlanding en -wandeling was, maar achterbleef in de cabine.
Kant 2 opent met alweer zo'n pakkende gitaarriff in To Cry You a Song. Alsof die uit de hand van Tony Iommi komt, de ex-Jethro Tullgitarist die twee maanden eerder debuteerde met zijn maatjes van Black Sabbath. Nee, met "Flying so high" bezingt Anderson géén drugs; daar had men in Tull een hekel aan, vertelt Nollen, al was er niemand die hen geloofde.
In A Time for Everything is het alsof Anderson het Bijbelboek Prediker citeert, wellicht een echo van de Presbyteriaanse kerk uit zijn jeugd. Opvallend dat dit al het derde nummer is dat korter dan drie minuten duurt.
Typerend voor Tull groeit de muziek bij vaker draaien, zoals Inside lukt. Sossity; You're a Woman is een bijzondere afsluiter, kalm en folkachtig beginnend, leunend op de gitaarcompositie van Anderson die door gitarist Martin Barre knap wordt versterkt.
Het boek vertelt over de van elkaar verschillende VK- en VS-versies, de laatste met de nummers op andere volgorde en Alive and Well and Living In ingeruild voor Teacher, volgens Cornick "a throwaway song for us". De groep repeteert in Duitsland voor de naderende tour en belt Evans in Londen, die zich laat overhalen om zijn studie voorlopig op te geven en zich bij Tull te voegen.
Men tourt uitgebreid door Europa en de VS, waarna Cornick bij een kop koffie krijgt te horen dat hij niet met de band naar huis zal vliegen. Dit verhaal noteerde ik in december '23 bij diens volgende band Wild Turkey. Bij opvolger Aqualung is hij vervangen door Jeffrey Hammond.
Zoals al het oude werk van Tull verschenen later de nodige bonusversies, hartstikke interessant voor de liefhebber en - gelukkig - slechts deels op streaming te vinden. Muziek met een intrigerende sfeer, mijn derde vier sterren op rij.
» details » naar bericht » reageer
Ramones - Pleasant Dreams (1981) 3,0
2 maart, 21:59 uur
Ramones' album nummer zes is nogal gepolijst. Geproduceerd door Graham Gouldman van 10CC, die daarover in 2023 aan The Guardian vertelde: "When I was asked by their manager to do it, my first question was: “Why me?” De gitaren zitten wat zacht in de mix en op de één of andere manier willen ook de melodieën van deze popliedjes niet pakken. Ik mis spanning en opwinding en dat zit 'm dus niet alleen in de productie. Al is opener We Want the Airwaves aardig - maar indien dit een poging tot powerpop was, dan was die van een groep als 20/20 stukken opwindender. Zoals bijvoorbeeld op 7-11 een sober keyboardje wordt ingezet - nee, zó pakt dat niet.
Glimlachen is titel The KKK Took My Baby Away toen ik bij een docu (deze?) over de groep ontdekte dat dit frontman Joey's visie betrof op Johnny Ramone, die zijn vriendin had afgepakt. De heren zouden vanaf toen nauwelijks meer met elkaar communiceren...
Tegen het einde wordt het warempel wat pittiger. Met You Didn't Mean Anything to Me ligt het tempo dan eindelijk wat hoger en ook Come on Now werkt goed, inclusief het koortje. De toetsen in This Business Is Killing Me werken wél, zeker in combinatie met de opbouw en in Sitting in My Room klinkt het oude vuur.
Een uitgebreide cd-versie met de nodige bonussen verscheen in 2002, zie hier. Daarbij Chop Suey. Nee, niet dezelfde als van System of a Down. Aangenaam vanwege de herkenbare stemmen in het koortje van de beide B-52's-zangeressen plús Debbie Harry.
In 2023 verscheen met Record Store Day Pleasant Dreams (The New York Mixes), waarop je ruwe mixen van het album hoort. Zoals trackingangle.com het beschrijft: "The vocals tend to be less manipulated yet more dry sounding and the arrangements are straight-forward with no frills." Die versie heeft als bonussen Sleeping Troubles plus de op latere albums verschenen I Can’t Get You Off Of My Mind (in '89 op Brain Drain) en Touring (in '92 op Mondo Bizarro).
New wave in 1981. Het is een behoorlijk allegaartje aan stijlen binnen dat containerbegrip. Ik kwam van Fransman Charlélie Couture en vervolg bij de derde van het Nieuw-Zeelandse Mi-Sex; onbekend maar smakelijk.
» details » naar bericht » reageer
Charlélie Couture - Pochette Surprise (1981) 3,5
2 maart, 19:50 uur
Op reis door de new wave van 1981 kom ik van de eerste hits van Duran Duran bij een onbekend album, dat ik onlangs op de gok uit de kringloop viste. Er stond geen prijs op en na lange onderhandelingen mocht ik 'm voor twee euro meenemen.
De hoes oogde new wave, vandaar de gok: dat kapsel, de speldjes. En uitgebracht bij het befaamde Island. MuMe vermeldde slechts twee albums van hem uit 1987 en '88. Discogs liet weten dat Pochette Surprise het derde album is van Bertrand Charles Élie Couture, nadat hij in 1956 in het Franse Nancy werd geboren en in 1978 debuteerde.
Titellied Pochette Surprise opent met aangename reggaepop en de vrij rauwe stem van Couture, inderdaad in de sfeer van new wave. Karaté (Do) Rock is meer richting pop, terwijl het stevige Le Jour de la Dernière Heure naar rock neigt. Met T'Inquiète Pas pour Moi volgt meer relaxte reggae, om blues te introduceren op M'Enfermer avec Toi. Veel meer dan de Engelse tijdgenoten (hipper) of die uit Duitsland (experimenteler) slaat Couture een brug tussen eigentijdse pop en traditionelere vormen daarvan. Als een jongere broer van Serge Gainsbourg; verwacht echter géén chanson.
Dat wordt versterkt op Les Pianistes d'Ambiance, waar hij vooral praat en de geluiden ons naar een restaurant of club brengen. Het gaat hier bijna naar kleinkunst. Ondertussen bekeek hij nauwkeurig de gedragingen van hen aan de overkant van het Kanaal, getuige Les Anglais en Vacances, pop met opnieuw een bluessaus in gitaar- en pianospel.
Funkpop op het swingende Je Suis Dans Mes Poches, licht dromerig swingt La Ballade du Mois d'Août 75 waarmee hij terugblikt op zes jaar terug. Rien a l'Horizon (2e) doet denken aan de muziek van Robert Palmer, die er eveneens in slaagde om new wave in een hem passend popjasje te krijgen. Na de opener is het slotlied mijn tweede favoriet op een consistent aangenaam album, dat met pittig drumwerk eindigt.
Een randgevalletje new wave wellicht, maar in de Franse context is dit duidelijk veel Angelsaksischer dan de muziek in het land doorgaans leverde. Veel van zijn werk staat op streaming, Pochette Surprise echter niet; wél op JijBuis. Aangenaam album.
Volgende album in newwaveland is de zesde van één van de grote ontstekers van new wave: Ramones en Pleasant Dreams.
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - Stand Up (1969) 4,0
2 maart, 18:50 uur
Van dit album kende ik vroeger slechts Bourée: het kwam in de tweede helft van de jaren '70 regelmatig voorbij in Arbeidsvitaminen. Ik hoorde dat het leek op klassieke muziek en leerde pas veel later dat frontman Ian Anderson leende van Johann Sebastian Bachs BWV 996, Suite in E minor für Lautenclavier. Bach liet speciaal hiervoor een door hem ontworpen luitklavier bouwen, Jethro Tull ontwikkelt de compositie dóór voor dwarsfluit én weet er jazz aan te verbinden.
In zijn biografie over de groep vertelt auteur David Scott Nollen dat hetgeen we horen qua dwarsfluit het resultaat was van het nodige knip- en plakwerk, samengesteld uit diverse takes.
De tweede Jethro Tull. Mick Abrahams is vertrokken en nadat Tony Iommi korte tijd diens vervanger was, wordt Martin Barre de definitieve.
Op opener A New Day Yesterday klinkt de groep steviger dan voorheen met de muziek in blues gemarineerd. Het debuut was op vier sporen opgenomen en Stand Up op acht: zo ontstond de mogelijkheid om bijvoorbeeld de gitaar te dubbelen, vertelt Nollen.
Hij houdt de lezer eveneens voor dat op met Jeffrey Goes to Leicester Square de invloed van folk zich voor het eerst sterk doet gelden én er klinkt een vervormde, driesnarige balalaika, resultaat van het zoeken naar nieuwe geluiden.
Is We Used to Know de inspiratiebron geweest voor Hotel California van The Eagles? Don Felder van de laatste groep ontkent het. Toch hebben de groepen elkaar ontmoet tijdens het touren, zoals Anderson bij Far Out Magazine vertelde, onmogelijk is het niet.
Opnieuw valt op hoe goed de ritmesectie Glenn Cornick - Clive Bunker is en dat Martin Barre prima invoegde, ook al was het meeste materiaal al geschreven voor zijn komst. Het stevige slot For a Thousand Mothers heeft weer de sfeer van een jamsessie, zoals vaker op deze plaat.
Single Living in the Past stond niet op de elpee maar haalde met zijn aparte groove wel in juni '69 de derde plek in de Britse hitlijst, nadat de eveneens non-albumsingle Love Story, afkomstig van de sessies voor het debuut, vier maanden eerder #29 haalde. Gek genoeg werd Bourée daar geen hit, waar het in Nederland bij De Daverende 30 in december '69 naar #5 klom.
Een groep in ontwikkeling. Iets meer folk en verder blues en jazz, op z'n Tulls tot een sterk geheel geroerd en Martin Barre die zijn plek snel aan het vinden is. Had ik dit destijds meegemaakt, dan had ik dit één van de meest veelbelovende groepen genoemd met nu al twee sterke langspeelplaten op rij, plus sterk non-album singlemateriaal.
» details » naar bericht » reageer
Jethro Tull - This Was (1968) 4,0
1 maart, 20:51 uur
Zo'n twee jaar geleden was ik aan het lezen in de bandbiografie 'Jethro Tull: A History of the band, 1968-2001 van de Amerikaan Scott Allen Nollen. Door allerlei drukte belandde het boek van het nachtkastje op de boekenplank, maar vandaag heb ik hem eraf gehaald om een oud plannetje te gaan doen: met behulp van dit boek de albums van Jethro Tull bespreken, voor zover ik dat nog niet deed.
Na een introductie begint hij op p. 33 de albums met de bijbehorende tournees te beschrijven. Bassist Glenn Cornick vertelt een bladzijde verder hoe het platencontract tot stand kwam: "We'd go to Nice gigs whenever they'd be playing, and they'd come and see us. We were all good friends with Spooky Tooth.
And Spooky Tooth (...) went to Island Records, their record company, and told them that they should sign us. There really was a closeness between all the bands."
Hierboven en in het boek worden de nummers één voor één beschreven. Laat ik dat een keer niet doen. Wel kan ik melden dat op deze zondagavond opener My Sunday Feeling extra lekker binnenkomt. Daarin meteen enige jazz- en bluesinvloeden, waarover Nollen noteert: "[they] give the album an improvisational edge that later, more polished efforts often lack."
Droge humor druipt door in de titel Serenade to a Cuckoo, waar inderdaad jazz en blues de sfeer van een jamsessie sfeer creëren. Oorspronkelijk van jazzmusicus Roland Kirk, combineert Anderson hier reeds zijn fluitspel met uitroepen tussendoor.
Verschillende tinten blues klinken over het gehele album dankzij gitarist Mick Abrahams, door drummer Clive Bunker swingend bijeengehouden. In zijn slagen weerklinkt véél jazz, zoals generatiegenoot Bill Ward dat bij Black Sabbath deed.
Voor mij is het debuut extra interessant omdat de gitarist van Black Sabbath, Tony Iommi, kort na verschijnen deel uitmaakte van Jethro Tull als vervanger van Abrahams, die was vertrokken mede omdat hij niet kon opschieten met Cornick.
Ik hoor duidelijke overeenkomsten tussen This Was en debuutplaat Black Sabbath. Het zit 'm - alweer - in de jazz en blues die doorschemeren, bij Tull sterker dan bij Sabbath. Neem bijvoorbeeld de lange gitaarsolo die Cat's Squirrel is; doet sterk denken aan Black Sabbaths Warning van het debuut, de laatste overigens een cover van Aynsley Dunbar's Retaliation. Op zijn beurt is Cat's Squirrel een volksliedje, al in 1966 door Cream onder handen genomen op hun Fresh Cream.
Er is meer: hoor Bunkers drumsolo in Dharma for One eens! Drumsolo's saai? Hier níet! Mijn favoriet van het album blijft A Song for Jeffrey, waar de diverse invloeden sterk worden aaneengesmeed tot het herkenbare geluid van Jethro Tull. En als je denkt dat het album voorbij is, volgt nog het korte instrumentaaltje Round, dat wel langer had mogen duren.
Dat de luisteraar wellicht méér wil, werd later gehonoreerd met diverse edities waarop extra werk is te horen: in 2008 en 2018 verschenen respectievelijk 40- en 50-jarige jubileumversies. Al met al een album dat enerzijds herkenbaar is voor de periode waarin het verscheen, anderzijds beleef ik dit steeds weer als fris, spannend en creatief.
» details » naar bericht » reageer
The Specials - Stereo-Typical (2000) 4,0
Alternatieve titel: A's, B's & Rarities, 1 maart, 20:08 uur
Juni 1981 betreedt Ghost Town, over het verval van een stad, de Britse hitlijst. In de Grote Stad waar ik kwam voor mijn elpeeaankopen was tegen het centrum ook zo'n wijkje met dichtgespijkerde ramen en veel hondenpoep.
Het nummer staat in juli drie weken #1. Ook in Nederland succesvol, zij het bescheidener: bij de Nationale Hitparade #12 in augustus, in de Top 40 in augustus-september twee weken #8. De sfeervolle videoclip van een versteende stad maakte enige indruk.
Ghost Town was één van de nodige non-albumsingles en dan blijkt deze 3cd-compilatie Stereo-Typical zeer volledig. Ook handig omdat The Specials tijdens hun carrière regelmatig heen en weer pingpongden van die groepsnaam naar The Special A.K.A, zoals de tracklist op Discogs duidelijk laat zien. Zelf heb ik de bescheidener cd Singles staan die op zich helemaal okay is. Én ik heb Ghost Town zowaar op origineel vinyl! Eén van de weinige singles in mijn bezit.
Mijn reis door new wave bevindt zich in juni 1981, kwam van de film-noir van Modern Eon en vervolgt bij de malle muziek van het Amerikaanse Oingo Boingo.
» details » naar bericht » reageer
