Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
UFO - No Place to Run (1980)

4,0
5
geplaatst: 8 augustus 2022, 09:24 uur
Hoe herkenbaar, hetgeen ik hierboven lees bij diverse MuMensen: dat No Place to Run na liveplaat Strangers in the Night tegenviel. Ik kan me zelfs niet herinneren dat ik in 1981, toen ik deze plaat leende, ook maar één liedje heb opgenomen. Na de voortdenderende livedubbelaar was dit wel erg mak voor een testosteronpuber, waarbij ik de virtuoze gitaarsolo’s van Michael Schenker node miste.
In beschrijvingen kom je tegen dat UFO de ontbrekende schakel is tussen klassieke hardrock en de New wave of British heavy metal. Dan moet Strangers zijn bedoeld en daarmee hun livereputatie, want op de studioplaten voordien én nadien hoor ik hardrock.
Rond 2010 liep ik een nachtelijke dropping. We kwamen door Wekerom, een klein dorp met een benzinepomp. En verrek, daar zag ik het: het benzinestation van de hoes van No Place to Run, inclusief dat lelijke harde licht! Dat belletje bleef rinkelen totdat ik de plaat via internet had gehoord.
Geen voortdenderende mammoetenrock, wél prachtige liedjes. Soms stevig zoals Lettin’ Go, maar ook gevoelig zoals Gone in the Night dat me warempel aan Foreigner-in-topvorm doet denken, of bluesy zoals in Mystery Train.
Paul Chapman, die UFO al eerder live had bijgestaan, was de nieuwe gitarist. De man kende dus het materiaal, maar hij had grote schoenen om te vullen, zoals hij eerder deed in 1971, toen hij die van Gary Moore in (de Ierse band) Skid Row aanpaste. Alleen al het akoestische intro van Mystery Train laat horen hoe slecht ik indertijd luisterde. Knap!
Vooral de A-kant, van de filmische sci-fi opener Alpha Centauri tot en met Gone in the Night, is zó ontzettend fijn. Op die laatste song excelleert Phil Mogg met zijn hees-melancholische stem, vooral als hij dat rauwe randje eraan toevoegt. Van mij mag hij het telefoonboek zingen, ik vind het altijd heerlijk. Op de B-kant bevalt het uptempo Money Money me vooral, mede omdat de band hier luid knalt, ook hier met dat weemoedige gevoel erbij. Conclusie: de puber die ik was had bananen in zijn oren. Wat ben ik (weer) van dit bandje gaan houden!
In beschrijvingen kom je tegen dat UFO de ontbrekende schakel is tussen klassieke hardrock en de New wave of British heavy metal. Dan moet Strangers zijn bedoeld en daarmee hun livereputatie, want op de studioplaten voordien én nadien hoor ik hardrock.
Rond 2010 liep ik een nachtelijke dropping. We kwamen door Wekerom, een klein dorp met een benzinepomp. En verrek, daar zag ik het: het benzinestation van de hoes van No Place to Run, inclusief dat lelijke harde licht! Dat belletje bleef rinkelen totdat ik de plaat via internet had gehoord.
Geen voortdenderende mammoetenrock, wél prachtige liedjes. Soms stevig zoals Lettin’ Go, maar ook gevoelig zoals Gone in the Night dat me warempel aan Foreigner-in-topvorm doet denken, of bluesy zoals in Mystery Train.
Paul Chapman, die UFO al eerder live had bijgestaan, was de nieuwe gitarist. De man kende dus het materiaal, maar hij had grote schoenen om te vullen, zoals hij eerder deed in 1971, toen hij die van Gary Moore in (de Ierse band) Skid Row aanpaste. Alleen al het akoestische intro van Mystery Train laat horen hoe slecht ik indertijd luisterde. Knap!
Vooral de A-kant, van de filmische sci-fi opener Alpha Centauri tot en met Gone in the Night, is zó ontzettend fijn. Op die laatste song excelleert Phil Mogg met zijn hees-melancholische stem, vooral als hij dat rauwe randje eraan toevoegt. Van mij mag hij het telefoonboek zingen, ik vind het altijd heerlijk. Op de B-kant bevalt het uptempo Money Money me vooral, mede omdat de band hier luid knalt, ook hier met dat weemoedige gevoel erbij. Conclusie: de puber die ik was had bananen in zijn oren. Wat ben ik (weer) van dit bandje gaan houden!
UFO - Obsession (1978)

3,5
2
geplaatst: 13 februari 2023, 22:09 uur
Wat als het nog steeds 1978 was en ik onbekend was met UFO’s liveklassieker Strangers in the Night van het jaar erna? Had ik dan het volgende genoteerd?
Op Obsession laat UFO wederom horen hoezeer het profiteert van gitaarheld Michael Schenker. Zozeer zelfs dat hij het enige groepslid is dat op de hoes is te zien. Daarmee doen de hoesontwerpers van Hipgnosis wel de anderen tekort, want de kenmerkende melancholieke stem van Phil Mogg, het robuuste drumwerk van Andy Parker, alsmede de ondersteuning van gitarist en toetsenist Paul Raymond en de degelijke bassist Pete Way mogen niet worden onderschat.
Toch vind ik dit album minder dan voorganger Lights Out, omdat daar betere composities op staan. Dankzij producer Ron Nevison sloeg de band toen voor het eerst hier en daar een wat romantischer, zwoelere toon aan, dat iets later in 1977 wederom klonk op Broken Heart van The Babys, eveneens door hem geproduceerd. Je zou kunnen zeggen dat The Babys het jongere broertje van UFO zijn, waarbij de oudste broer wat steviger rockt. Maar ook op Obsession tref je ballades aan. En niet de minste!
De plaat start sterk met het uptempo Only You Can Rock Me, waarna Pack it up and Go de indruk wekt dat drummer John Bonham vanuit Led Zeppelin is ingevlogen. Grote verrassing is het instrumentale Arbory Hill, een folkachtig kleinood waar Schenker verrassenderwijs tevens blokfluit speelt! Nee, niet zoals je zusje dat doet, hier is het oprecht mooi.
Ain’t No Baby is een slepend rocklied en kent een fors achtergrondkoor, duidelijk het stempel van Nevison dragend. Diens hand klinkt nog sterker in de fraaie ballade Lookin’ out for No. 1, gedrapeerd in zwoele violen. Een nummer dat ook bij The Babys op de plaat had kunnen staan.
Op de B-kant kom ik enkele fillers tegen. Hot ‘n Ready is precies wat het belooft, rockend en macho, net als You Don’t Fool Me en het iets sterkere One More for the Rodeo. Maar liever hoor ik Cherry, een romantisch rockend liedje en alweer denk ik aan The Babys. Groot verschil is wederom een knallende solo van Schenker.
Grappig dat Lookin’ Out mét strijkers kort terugkeert, het had echter beter voor Born to Lose gepast. Een prachtige ballade, klein beginnend met in het intro zowaar een harp en later weer zo’n fantastische gitaarsolo.
Dat ik bij UFO juist de twee ballades het beste vind, dát verbaast me. Als album niet onaardig, maar geef mij dan maar de voorganger. Benieuwd hoe de aangekondigde liveplaat gaat worden.
Op Obsession laat UFO wederom horen hoezeer het profiteert van gitaarheld Michael Schenker. Zozeer zelfs dat hij het enige groepslid is dat op de hoes is te zien. Daarmee doen de hoesontwerpers van Hipgnosis wel de anderen tekort, want de kenmerkende melancholieke stem van Phil Mogg, het robuuste drumwerk van Andy Parker, alsmede de ondersteuning van gitarist en toetsenist Paul Raymond en de degelijke bassist Pete Way mogen niet worden onderschat.
Toch vind ik dit album minder dan voorganger Lights Out, omdat daar betere composities op staan. Dankzij producer Ron Nevison sloeg de band toen voor het eerst hier en daar een wat romantischer, zwoelere toon aan, dat iets later in 1977 wederom klonk op Broken Heart van The Babys, eveneens door hem geproduceerd. Je zou kunnen zeggen dat The Babys het jongere broertje van UFO zijn, waarbij de oudste broer wat steviger rockt. Maar ook op Obsession tref je ballades aan. En niet de minste!
De plaat start sterk met het uptempo Only You Can Rock Me, waarna Pack it up and Go de indruk wekt dat drummer John Bonham vanuit Led Zeppelin is ingevlogen. Grote verrassing is het instrumentale Arbory Hill, een folkachtig kleinood waar Schenker verrassenderwijs tevens blokfluit speelt! Nee, niet zoals je zusje dat doet, hier is het oprecht mooi.
Ain’t No Baby is een slepend rocklied en kent een fors achtergrondkoor, duidelijk het stempel van Nevison dragend. Diens hand klinkt nog sterker in de fraaie ballade Lookin’ out for No. 1, gedrapeerd in zwoele violen. Een nummer dat ook bij The Babys op de plaat had kunnen staan.
Op de B-kant kom ik enkele fillers tegen. Hot ‘n Ready is precies wat het belooft, rockend en macho, net als You Don’t Fool Me en het iets sterkere One More for the Rodeo. Maar liever hoor ik Cherry, een romantisch rockend liedje en alweer denk ik aan The Babys. Groot verschil is wederom een knallende solo van Schenker.
Grappig dat Lookin’ Out mét strijkers kort terugkeert, het had echter beter voor Born to Lose gepast. Een prachtige ballade, klein beginnend met in het intro zowaar een harp en later weer zo’n fantastische gitaarsolo.
Dat ik bij UFO juist de twee ballades het beste vind, dát verbaast me. Als album niet onaardig, maar geef mij dan maar de voorganger. Benieuwd hoe de aangekondigde liveplaat gaat worden.
UFO - Phenomenon (1974)

4,0
1
geplaatst: 9 december 2023, 11:25 uur
In augustus dit jaar overleed gitarist Bernie Marsden, met wie UFO de studio introk voor demo Give Her the Gun, geproduceerd door Nick Lowe. Hiermee kreeg UFO een platencontract bij Chrysalis, onder de indruk van het materiaal waarin voor het eerst blues werd verwerkt. Meer hierover noteerde ik bij UFO's Live (1972). Van een vriend heb ik zijn biografie Where's My Guitar? te leen en die leest als een trein.
Hij vertelt dat gedurende zijn periode bij de groep (november 1972 - juli 1973) zijn populariteit bij de fans groeide. Zijn nieuwe materiaal met bluesinvloeden werd omarmd door de fans. In Duitsland maakte zanger Phil Mogg ruzie met een promotor die op posters 'UFO featuring Bernie Marsden' zette.
Het leidde er in Londen toe dat een jaloerse Mogg hem tijdens een concert in het gezicht sloeg, toen één van Marsden snaren brak: "Try to be more professional, country boy". Hierop deelde Marsden een beuk uit met zijn 1956 Gibson Les Paul Junior en groeide het besef dat hij niet lang meer bij de groep zou blijven.
Voor Phenomenon schreef Marsden Rock 'n' Roll Car en 16, die in gewijzigde vorm en titel op de plaat verschenen. Ook Oh my en de eerste vorm van Doctor Doctor zijn van zijn hand. In Duitsland wees hij Mogg op de kwaliteiten van Michael Schenker van Scorpions, maar deze wuifde dat weg.
De spanningen liepen zo hoog op dat bij een volgende Duitse tournee Marsden weigerde om mee te gaan, waarna het verhaal kwam dat hij zijn paspoort was vergeten. Tijdelijke vervanger: Schenker. Vervolgens werden in Engeland nog enkele optredens met Marsden gedaan, waarna deze de groep definitief verliet. De heren kwamen kort tevoren overeen dat ze naar de pers zouden doen alsof hij nooit in UFO had gespeeld, iets wat Marsden tot zijn jaren bij Whitesnake keurig deed.
Zover was het echter nog niet: hij belandde spoedig bij Wild Turkey, de groep van Glenn Cornick, de voormalige bassist van Jethro Tull.
Na Marsdens overlijden postte Mogg een sympathiek bericht mét bandfoto uit die periode op internet, dat ik op LinkedIn bij journalist Mick Lafon tegenkwam.
Hij vertelt dat gedurende zijn periode bij de groep (november 1972 - juli 1973) zijn populariteit bij de fans groeide. Zijn nieuwe materiaal met bluesinvloeden werd omarmd door de fans. In Duitsland maakte zanger Phil Mogg ruzie met een promotor die op posters 'UFO featuring Bernie Marsden' zette.
Het leidde er in Londen toe dat een jaloerse Mogg hem tijdens een concert in het gezicht sloeg, toen één van Marsden snaren brak: "Try to be more professional, country boy". Hierop deelde Marsden een beuk uit met zijn 1956 Gibson Les Paul Junior en groeide het besef dat hij niet lang meer bij de groep zou blijven.
Voor Phenomenon schreef Marsden Rock 'n' Roll Car en 16, die in gewijzigde vorm en titel op de plaat verschenen. Ook Oh my en de eerste vorm van Doctor Doctor zijn van zijn hand. In Duitsland wees hij Mogg op de kwaliteiten van Michael Schenker van Scorpions, maar deze wuifde dat weg.
De spanningen liepen zo hoog op dat bij een volgende Duitse tournee Marsden weigerde om mee te gaan, waarna het verhaal kwam dat hij zijn paspoort was vergeten. Tijdelijke vervanger: Schenker. Vervolgens werden in Engeland nog enkele optredens met Marsden gedaan, waarna deze de groep definitief verliet. De heren kwamen kort tevoren overeen dat ze naar de pers zouden doen alsof hij nooit in UFO had gespeeld, iets wat Marsden tot zijn jaren bij Whitesnake keurig deed.
Zover was het echter nog niet: hij belandde spoedig bij Wild Turkey, de groep van Glenn Cornick, de voormalige bassist van Jethro Tull.
Na Marsdens overlijden postte Mogg een sympathiek bericht mét bandfoto uit die periode op internet, dat ik op LinkedIn bij journalist Mick Lafon tegenkwam.
UFO - Seven Deadly (2012)

3,0
0
geplaatst: 29 oktober 2024, 10:54 uur
Het twintigste album van UFO, als je EP Ain't Misbehavin' (1988) meerekent hun éénentwintigste, verscheen in februari 2012. Medio 22 november 2024 herverschijnt Seven Deadly op cd en vinyl via Cleopatra Records, dat dit jaar het nodige werk van UFO uit de jaren vanaf 1988 uitbracht in nieuw jasje én op streaming plaatste.
Seven Deadly staat daar inmiddels ook, inclusief een drietal bonustracks. Zoals op de vorige albums van hardrockers UFO klinkt de nodige blues, een koers die frontman Phil Mogg vanaf Walk on Water (1995) hernieuwd inzette, toen nog met Michael Schenker. In Vinnie Moore vond hij een muzikale bondgenoot en de shredder van weleer voegt zijn spel wederom naar die van het instituut.
Met Pete Way nu al enkele jaren op de reservebank wegens gezondheidstroebelen was de Duitser Lars Lehmann sessiebassist. De gitaarpartijen van Moore werden in Delaware in de VS opgenomen, de rest inmiddels traditiegetrouw in het Duitse Celle in Area 51, waar echter een geheel nieuwe studio was verrezen. Daarbij hoorde een zwembad; het stond leeg en de drumset werd op de bodem ervan geplaatst voor een optimaal geluid. Drummer Andy Parker keerde na het vastleggen van de drumpartijen terug naar Texas, waarna Mogg begon aan zang en teksten.
De muziek werd geschreven door Moore met toetsenist/gitarist Paul Raymond, die in dit geval de voorkeur gaf aan zijn gitaar. De muziek op Seven Deadly is daarom minder blues- en meer riffgericht. Dat lukte echter niet goed: een mindere UFO, zij het met twee uitschieters.
Vierkante hardrock in opener Fight Night, waarna de groep in Wonderland sneller speelt dan men jarenlang deed. Een heerlijk fel nummer dat me doet denken aan Sammy Hagars Trans Am (1979), dat ook al over een “wonderland” ging.
Als album blijkt Seven Deadly vooral langzamer en meestal massief te rocken. Voorbeelden zijn bluesrocker Mojo Town en ballade Angel Station met dames in het koortje.
Moores gitaarwerk is uiteraard om te smullen. Wat ik echter bij track 3 tot en met 7 mis zijn pakkende melodieën. Dat lukt dan eindelijk wel in het pakkende en melancholieke Burn the House Down, dat profiteert een mindere robuustheid.
Aardig zijn de shuffle van The Fear, waarin de mondharmonica van de Duitse gastmuzikant Mark Hothan huilt, ondersteund door een dameskoortje en het op akoestische gitaar leunende Waving Good Bye.
Op streaming drie bonustracks. Other Men’s Wives bevat stampende bluesrock, Bag o’ Blues bestaat uit lo-fi honkytonkpiano met zang als was het 1932. En dan is daar Wonderland zonder zang, om thuis te kunnen doen alsof je Phil Mogg bent.
De groep ging na release weer de weg op, opnieuw met Rob De Luca als livebassist. Eerst Europa, dan de VS.
In hetzelfde 2012 verscheen van X-UFO Vol 1: The Live Files. Dit is een groep met drie ex-UFO-leden en één ex-lid van de McAuley Schenker Group.
Bij een optreden van ze in februari 2012 doet oerlid Pete Way mee. Drummer Clive Edwards over hem in biografie High Stakes & Dangerous Men: The UFO Story (2014): ”He’s got hepatitis and liver damage. It’s not great. He’s on a lot of pills. He still falls off the wagon. Pete is Pete. I can’t see him changing enough.”
Ondertussen vervolgde UFO hun pad, waarbij Seven Deadly in het VK in maart 2012 één week #63 stond, alweer beter dan voorganger The Visitor die tot 99 kwam. De Luca bleek tot vaste opvolger van Way te zijn verkozen; in 2015 verscheen A Conspiracy of Stars.
Seven Deadly staat daar inmiddels ook, inclusief een drietal bonustracks. Zoals op de vorige albums van hardrockers UFO klinkt de nodige blues, een koers die frontman Phil Mogg vanaf Walk on Water (1995) hernieuwd inzette, toen nog met Michael Schenker. In Vinnie Moore vond hij een muzikale bondgenoot en de shredder van weleer voegt zijn spel wederom naar die van het instituut.
Met Pete Way nu al enkele jaren op de reservebank wegens gezondheidstroebelen was de Duitser Lars Lehmann sessiebassist. De gitaarpartijen van Moore werden in Delaware in de VS opgenomen, de rest inmiddels traditiegetrouw in het Duitse Celle in Area 51, waar echter een geheel nieuwe studio was verrezen. Daarbij hoorde een zwembad; het stond leeg en de drumset werd op de bodem ervan geplaatst voor een optimaal geluid. Drummer Andy Parker keerde na het vastleggen van de drumpartijen terug naar Texas, waarna Mogg begon aan zang en teksten.
De muziek werd geschreven door Moore met toetsenist/gitarist Paul Raymond, die in dit geval de voorkeur gaf aan zijn gitaar. De muziek op Seven Deadly is daarom minder blues- en meer riffgericht. Dat lukte echter niet goed: een mindere UFO, zij het met twee uitschieters.
Vierkante hardrock in opener Fight Night, waarna de groep in Wonderland sneller speelt dan men jarenlang deed. Een heerlijk fel nummer dat me doet denken aan Sammy Hagars Trans Am (1979), dat ook al over een “wonderland” ging.
Als album blijkt Seven Deadly vooral langzamer en meestal massief te rocken. Voorbeelden zijn bluesrocker Mojo Town en ballade Angel Station met dames in het koortje.
Moores gitaarwerk is uiteraard om te smullen. Wat ik echter bij track 3 tot en met 7 mis zijn pakkende melodieën. Dat lukt dan eindelijk wel in het pakkende en melancholieke Burn the House Down, dat profiteert een mindere robuustheid.
Aardig zijn de shuffle van The Fear, waarin de mondharmonica van de Duitse gastmuzikant Mark Hothan huilt, ondersteund door een dameskoortje en het op akoestische gitaar leunende Waving Good Bye.
Op streaming drie bonustracks. Other Men’s Wives bevat stampende bluesrock, Bag o’ Blues bestaat uit lo-fi honkytonkpiano met zang als was het 1932. En dan is daar Wonderland zonder zang, om thuis te kunnen doen alsof je Phil Mogg bent.
De groep ging na release weer de weg op, opnieuw met Rob De Luca als livebassist. Eerst Europa, dan de VS.
In hetzelfde 2012 verscheen van X-UFO Vol 1: The Live Files. Dit is een groep met drie ex-UFO-leden en één ex-lid van de McAuley Schenker Group.
Bij een optreden van ze in februari 2012 doet oerlid Pete Way mee. Drummer Clive Edwards over hem in biografie High Stakes & Dangerous Men: The UFO Story (2014): ”He’s got hepatitis and liver damage. It’s not great. He’s on a lot of pills. He still falls off the wagon. Pete is Pete. I can’t see him changing enough.”
Ondertussen vervolgde UFO hun pad, waarbij Seven Deadly in het VK in maart 2012 één week #63 stond, alweer beter dan voorganger The Visitor die tot 99 kwam. De Luca bleek tot vaste opvolger van Way te zijn verkozen; in 2015 verscheen A Conspiracy of Stars.
UFO - Sharks (2002)

4,0
1
geplaatst: 17 oktober 2024, 07:13 uur
2002 was een druk studiojaar voor de leden van UFO. De resultaten hiervan verschenen in 2002 en '03. Behalve dit Sharks kwam werk van zijprojecten $ign of 4 (zanger Phil Mogg) en The Plot (bassist Pete Way en gitarist Michael Schenker).
Die projecten vind ik stukken minder dan dit Sharks, leidend tot de conclusie dat ófwel het beste werk voor UFO werd bewaard, dan wel dat de som van de heren Mogg-Way-Schenker groter is dan de afzonderlijke delen en de beste inspiratie kwam als zij samenwerkten.
Het was niet Way die bij UFO de muziek schreef maar Schenker, ook op Sharks. Daarna creëerde Mogg de teksten en zanglijnen erbij. Bovendien werden drie nummers geschreven met co-producer Steve Fontano. Voorganger Covenant viel wat tegen, op dit haaienschijfje zijn de composities echter spannender. Drummer is Aynsley Dunbar, Mike Varney is weer eens (co-)producer.
Mijn promo-exemplaar bevat een bio van de groep en over de titel verklaart Mogg dat die op de platenindustrie slaat: ”In a way, musicians are always surrounded by sharks who are just waiting to eat us alive”.
De bluesinvloeden die ik bij UFO voor het eerst zo duidelijk hoorde op het eerste post-Schenkeralbum No Place to Run (1980), maar ook voor diens tijd op UFO's debuut klonken, zijn op Sharks verrassend sterk. Zoals op opener Outlaw Man met zijn slidegitaar, het shufflenummer Someone's Gonna Have to Pay en Fighting Man, dat ronkt als was dit ZZ Top.
Voor het eerst hoor ik bij UFO een nummer met een clean elektrisch gitaargeluid; in Sea of Faith in de coupletten, gevolgd door scheurend gitaarwerk. Een ander geluid dan ik voorheen bij Schenker hoorde en het wérkt.
Beste compositie is het slepende Serenity met zijn prachtige refrein en gitaarwerk, Dead Man Walking heeft prachtig subtiel gitaarwerk in de coupletten en refreinen én pakkende koortjes, mooi is de solo in Perfect View. Opvallend is ook de verklaring die de straatvechter Phil Mogg over zichzelf doet in de sterke opener: ” I guess that I'm a rarity, some call a dying breed. I am a macho bronco stallion, call me Mr Seed. (…) I am one of life's miracles, I have my fate in my hands. I see my colours before me, I am the outlaw man”.
Prima album, dat zich kan meten met het studiowerk van de jaren '70: een ruime 8. Getourd werd er niet voor dit album, waarvoor de eerdere conflicten tussen Mogg en Schenker kennelijk beslissend waren. In april 2024 als 3cd verschenen, samen met Covenant en opnamen van de tour uit 1995 voor Walk on Water. Dit met drummer Simon Wright en oudgediende Paul Raymond.
En toen was daar opeens Vinnie Moore als nieuwe gitarist, verscheen drummer Jason Bonham ten tonele én keerde oorspronkelijke gitarist/toetsenist Paul Raymond terug, waarmee onverwacht één van de sterkste fases in UFO's carrière begon: You Are Here.
Die projecten vind ik stukken minder dan dit Sharks, leidend tot de conclusie dat ófwel het beste werk voor UFO werd bewaard, dan wel dat de som van de heren Mogg-Way-Schenker groter is dan de afzonderlijke delen en de beste inspiratie kwam als zij samenwerkten.
Het was niet Way die bij UFO de muziek schreef maar Schenker, ook op Sharks. Daarna creëerde Mogg de teksten en zanglijnen erbij. Bovendien werden drie nummers geschreven met co-producer Steve Fontano. Voorganger Covenant viel wat tegen, op dit haaienschijfje zijn de composities echter spannender. Drummer is Aynsley Dunbar, Mike Varney is weer eens (co-)producer.
Mijn promo-exemplaar bevat een bio van de groep en over de titel verklaart Mogg dat die op de platenindustrie slaat: ”In a way, musicians are always surrounded by sharks who are just waiting to eat us alive”.
De bluesinvloeden die ik bij UFO voor het eerst zo duidelijk hoorde op het eerste post-Schenkeralbum No Place to Run (1980), maar ook voor diens tijd op UFO's debuut klonken, zijn op Sharks verrassend sterk. Zoals op opener Outlaw Man met zijn slidegitaar, het shufflenummer Someone's Gonna Have to Pay en Fighting Man, dat ronkt als was dit ZZ Top.
Voor het eerst hoor ik bij UFO een nummer met een clean elektrisch gitaargeluid; in Sea of Faith in de coupletten, gevolgd door scheurend gitaarwerk. Een ander geluid dan ik voorheen bij Schenker hoorde en het wérkt.
Beste compositie is het slepende Serenity met zijn prachtige refrein en gitaarwerk, Dead Man Walking heeft prachtig subtiel gitaarwerk in de coupletten en refreinen én pakkende koortjes, mooi is de solo in Perfect View. Opvallend is ook de verklaring die de straatvechter Phil Mogg over zichzelf doet in de sterke opener: ” I guess that I'm a rarity, some call a dying breed. I am a macho bronco stallion, call me Mr Seed. (…) I am one of life's miracles, I have my fate in my hands. I see my colours before me, I am the outlaw man”.
Prima album, dat zich kan meten met het studiowerk van de jaren '70: een ruime 8. Getourd werd er niet voor dit album, waarvoor de eerdere conflicten tussen Mogg en Schenker kennelijk beslissend waren. In april 2024 als 3cd verschenen, samen met Covenant en opnamen van de tour uit 1995 voor Walk on Water. Dit met drummer Simon Wright en oudgediende Paul Raymond.
En toen was daar opeens Vinnie Moore als nieuwe gitarist, verscheen drummer Jason Bonham ten tonele én keerde oorspronkelijke gitarist/toetsenist Paul Raymond terug, waarmee onverwacht één van de sterkste fases in UFO's carrière begon: You Are Here.
UFO - Showtime (2005)

3,5
0
geplaatst: 23 oktober 2024, 11:57 uur
Een meer-dan-livealbum van UFO, grotendeels op het podium opgenomen tijdens de Europese tournee voor You Are Here, plus een deel in de studio. Die studioversies vind ik leuker dan het livedeel van Showtime, wat niet ligt aan nieuwe gitarist Vinnie Moore. Deze was ontevreden dat uitgerekend dit optreden werd uitgebracht: "We had done better shows on that tour." Zo horen we hoe Mogg in Lights Out nét iets te vlug een refrein inzet. Maar hoor in Rock Bottom hoe Moore zijn stijl integreert met die van voorganger Michael Schenker: prachtig!
Dit livedeel was opgenomen op 13 mei 2005 in het Duitse Wilhelmshaven in de bezetting Phil Mogg - Pete Way - Paul Raymond - Vinnie Moore - Jason Bonham. Naast materiaal werk uit de gloriejaren '70 klinkt werk van het toen onlangs verschenen You Are Here.
Bovendien is er een studiodeel, opgenomen in Hannover op 26 mei. Daar werden heropnames gemaakt van het recente Slipping Away (prachtig akoestisch!), het onbekendere oudje Pack It Up (And Go), oorspronkelijk van Obsession (1978) en meest opvallend de klassiekers Try Me, Love To Love, Cherry plus Profession of Violence. Bovendien werden er strijkers ingehuurd, wat de sfeer verhoogt.
Oorspronkelijk een 2cd, in februari 2024 herverschenen bij Cleopatra met nieuwe hoes als 3LP, 2cd+2dvd én als enkele bluray. Wie de dvd's/bluray aanschaft, vindt naast de muziek onder meer een documentaire en interviews.
Na dit album verliet Bonham de groep, waarbij Neil Daniels in zijn boeiende groepsbio High Stakes & Dangerous Men: The UFO Story aangeeft dat dit mede te maken had met die ene UFO-traditie. Die van een rijke consumptie van genotsmiddelen. Bonham was indertijd zijn vader daaraan verloren en bovendien een degelijke gezinsman. Mogg in het boek: "Jason got on my nerves, he didn't like my lifestyle or attitude." Bonham stapt volledig over naar Foreigner, de groep die hij vanaf het jaar ervoor al combineerde met UFO.
Volgens mij is/was Moore evenmin het type voor drankgelagen, maar hij bleef bij UFO. Volgende album: The Monkey Puzzle.
Dit livedeel was opgenomen op 13 mei 2005 in het Duitse Wilhelmshaven in de bezetting Phil Mogg - Pete Way - Paul Raymond - Vinnie Moore - Jason Bonham. Naast materiaal werk uit de gloriejaren '70 klinkt werk van het toen onlangs verschenen You Are Here.
Bovendien is er een studiodeel, opgenomen in Hannover op 26 mei. Daar werden heropnames gemaakt van het recente Slipping Away (prachtig akoestisch!), het onbekendere oudje Pack It Up (And Go), oorspronkelijk van Obsession (1978) en meest opvallend de klassiekers Try Me, Love To Love, Cherry plus Profession of Violence. Bovendien werden er strijkers ingehuurd, wat de sfeer verhoogt.
Oorspronkelijk een 2cd, in februari 2024 herverschenen bij Cleopatra met nieuwe hoes als 3LP, 2cd+2dvd én als enkele bluray. Wie de dvd's/bluray aanschaft, vindt naast de muziek onder meer een documentaire en interviews.
Na dit album verliet Bonham de groep, waarbij Neil Daniels in zijn boeiende groepsbio High Stakes & Dangerous Men: The UFO Story aangeeft dat dit mede te maken had met die ene UFO-traditie. Die van een rijke consumptie van genotsmiddelen. Bonham was indertijd zijn vader daaraan verloren en bovendien een degelijke gezinsman. Mogg in het boek: "Jason got on my nerves, he didn't like my lifestyle or attitude." Bonham stapt volledig over naar Foreigner, de groep die hij vanaf het jaar ervoor al combineerde met UFO.
Volgens mij is/was Moore evenmin het type voor drankgelagen, maar hij bleef bij UFO. Volgende album: The Monkey Puzzle.
UFO - Strangers in the Night (1979)
Alternatieve titel: Live

5,0
4
geplaatst: 5 maart 2022, 10:40 uur
In 1979 en 1980 las en hoorde ik "overal" dat dit zo'n geweldige dubbelelpee was, met Michael Schenker als stergitarist, dezelfde die dat tweede jaar een sterk solodebuut ging afleveren. Gelukkig voor mij stond Strangers in the Night in de bieb. De hoes (Hipgnosis) vond ik ronduit lelijk, de muziek bepaald niet.
Ik zal het kort houden, over deze klassieker is al zóveel gezegd en geschreven... De plaat knált, de gitaarsolo's zijn heul lang maar vervelen nooit door alle dynamiek, de band speelt retestrak en de typerende stem van Phil Mogg hoort in het hele kleine rijtje die mij kunnen ontroeren; ietwat hees en zonder het standaard (hardrock)vibrato brengt hij enige melancholie in de muziek.
Voor de rest is het spierballen/testosteronrock van de bovenste plank met waar nodig enige nuance/rust. Vet geproduceerd door Ron Nevison, wiens werk ik later bij o.a. Heart en Bad English zo zou waarderen. Het noemen van favoriete songtitels sla ik over, dat is veel eerder gedaan door b.v. Lonesome Crow (januari 2011). Tegelijkertijd staat er geen zwak nummer op, hetgeen ook al door anderen werd genoemd.
Kritiek dat het allemaal wel erg cliché is, omarm ik vrolijk: jazeker, en hóe góed! Clichés heel goed doen is namelijk zo goed als onmogelijk, maar UFO deed 't en ogenschijnlijk ook nog eens op het gemakkie.
Zag eind '81 of in '82 een concert van UFO's volgende tournee op tv bij Rockpalast, opgenomen in november 1981: oeeeeeeeh, genieten op zacht volume (mijn ouders lagen die vroege zondagnacht al op bed). Die hele lange gitaarsolo's die toch niet verveelden, de wilde bassist Pete Way en inmiddels gitarist Paul Chapman. Ontzettend goed, zelfs zonder Schenker.
Degenen die zeggen dat UFO ná Schenker nooit meer iets was, missen toch de nodige prachtige albums en songs. Ik had juist het omgekeerde: de studioalbums met Schenker vielen mij zo tegen door de ietwat matte jaren '70-productie (Leo Lyons, vanaf Lights Out Nevison), terwijl deze dubbelaar zo heerlijk uit de boxen dendert. Eén van de beste liveplaten ooit.
Ik zal het kort houden, over deze klassieker is al zóveel gezegd en geschreven... De plaat knált, de gitaarsolo's zijn heul lang maar vervelen nooit door alle dynamiek, de band speelt retestrak en de typerende stem van Phil Mogg hoort in het hele kleine rijtje die mij kunnen ontroeren; ietwat hees en zonder het standaard (hardrock)vibrato brengt hij enige melancholie in de muziek.
Voor de rest is het spierballen/testosteronrock van de bovenste plank met waar nodig enige nuance/rust. Vet geproduceerd door Ron Nevison, wiens werk ik later bij o.a. Heart en Bad English zo zou waarderen. Het noemen van favoriete songtitels sla ik over, dat is veel eerder gedaan door b.v. Lonesome Crow (januari 2011). Tegelijkertijd staat er geen zwak nummer op, hetgeen ook al door anderen werd genoemd.
Kritiek dat het allemaal wel erg cliché is, omarm ik vrolijk: jazeker, en hóe góed! Clichés heel goed doen is namelijk zo goed als onmogelijk, maar UFO deed 't en ogenschijnlijk ook nog eens op het gemakkie.
Zag eind '81 of in '82 een concert van UFO's volgende tournee op tv bij Rockpalast, opgenomen in november 1981: oeeeeeeeh, genieten op zacht volume (mijn ouders lagen die vroege zondagnacht al op bed). Die hele lange gitaarsolo's die toch niet verveelden, de wilde bassist Pete Way en inmiddels gitarist Paul Chapman. Ontzettend goed, zelfs zonder Schenker.
Degenen die zeggen dat UFO ná Schenker nooit meer iets was, missen toch de nodige prachtige albums en songs. Ik had juist het omgekeerde: de studioalbums met Schenker vielen mij zo tegen door de ietwat matte jaren '70-productie (Leo Lyons, vanaf Lights Out Nevison), terwijl deze dubbelaar zo heerlijk uit de boxen dendert. Eén van de beste liveplaten ooit.
UFO - The Best Of (2019)
Alternatieve titel: Will the Last Man Standing (Turn Out the Lights)

4,0
0
geplaatst: 1 mei 2023, 06:29 uur
Aanvankelijk slechts op cd te verkrijgen, is deze verzamelaar afgelopen 22 april uitgebracht op vinyl vanwege Record Store Day. De dubbelelpee heeft uiteraard een mooi jasje en gekleurde platen, te weten geel en rood.
Drummer Andy Parker en zanger Phil Mogg werkten mee aan de totstandkoming van deze compilatie, waarna het geluid werd bijgewerkt door klasbakproducer Andy Pearce.
Qua muziek een prima dwarsdoorsnede van hun oeuvre uit de jaren '70, de albums met gitarist Michael Schenker, en ook de eerste helft jaren '80 met gitarist Paul Chapman wordt niet vergeten.
Volgens de platenmaatschappij verschenen omdat er vraag was naar de vinylversie. Een leuke kennismaking derhalve voor een nieuwe generatie muziekliefhebbers en tevens een leuke gadget.
Drummer Andy Parker en zanger Phil Mogg werkten mee aan de totstandkoming van deze compilatie, waarna het geluid werd bijgewerkt door klasbakproducer Andy Pearce.
Qua muziek een prima dwarsdoorsnede van hun oeuvre uit de jaren '70, de albums met gitarist Michael Schenker, en ook de eerste helft jaren '80 met gitarist Paul Chapman wordt niet vergeten.
Volgens de platenmaatschappij verschenen omdat er vraag was naar de vinylversie. Een leuke kennismaking derhalve voor een nieuwe generatie muziekliefhebbers en tevens een leuke gadget.
UFO - The Monkey Puzzle (2006)

4,0
1
geplaatst: 25 oktober 2024, 15:41 uur
Tot 2024 was het latere werk van UFO moeilijk te vinden op streaming, maar dankzij Cleopatra Records, dat de heruitgaven van hun werk verzorgt, is dat inmiddels veranderd. Extra leuk is dat menige titel daarbij op elpee verscheen en The Monkey Puzzle is er daar één van. In 2018 overigens al via SPV op vinyl uit. Bij Cleopatra inmiddels met een andere hoes op rood vinyl, cd en zelfs cassette.
Oorspronkelijke drummer Andy Parker keerde in 2005 wederom terug, nadat hij in 1995 kortstondig terugkeerde voor de opnamen van UFO's Walk on Water (1995). Toen zag hij af van touren en bleef zijn brood buiten de muziekwereld verdienen.
In 2005 begint zijn herintrede met een eenmalig concert in Spanje, als vervanger van voorganger Jason Bonham. Verrast over de goede sfeer besluit hij echter om weer fulltime muzikant te worden.
The Monkey Puzzle wordt in 2006 in Duitsland opgenomen en verschijnt in september dat jaar. Het is de tweede met Vinnie Moore, die net als zanger Phil Mogg van blues houdt. De gitarist heeft als favoriet Albert King, de frontman gaat voor Muddy Waters, vertelt biografie High Stakes.
De twee zijn qua componeren beter op elkaar ingespeeld: Moore schreef de muziek en integreert daarbij nog meer blues in de hardrock dan op voorganger You Are Here van twee jaar eerder. Het typische UFO-geluid is daarbij gebleven.
Enkele hoogtepunten: opener Hard Being Me waarin Mogg ons een kijkje in zijn ziel gunt. In Some Other Guy klinkt voor het eerst in jaren elektrische piano met dank aan Paul Raymond; het groeit uit tot een robuust hardrockend nummer met een heerlijke gitaarsolo van Moore. Who's Fooling Who druipt van de melancholie met akoestische bluestonen in het intro, waarna weer uptempo wordt. Black and Blue bevat dat springerige slaggitaartje dat we sinds AC/DC's For Those about to Rock kennen, echter volkomen op z'n UFO's. Opnieuw Moore met een prachtige gitaarsolo, tegelijkertijd volkomen in dienst van de groep spelend: de shredder van vroeger heeft zijn stijl nog verder verbreed met oor voor melodie en emotie.
Op de tweede helft klinkt het World Cruise met meer akoestische blues in het intro, Down by the River bluesrockt alsof niet Vinnie maar Gary Moore de snarenman is. In Kingston Town melancholie, elektrische piano en meer fraais. Die laatste klinkt vaker op het album, Paul Raymonds aanvullingen op gitaar en toetsen blijken uiterst waardevol.
Net als bij livealbum Showtime (2005) staan als bonussen het in de studio opgenomen The Hanover Sessions op de cd. Ze zijn trouwens ook los verkrijgbaar op cd en vinyl en ik vind ze práchtig, zoals ik al bij Showtime vertelde.
The Monkey Puzzle is qua composities een stapje beter dan You Are Here, dankzij de nog grotere variatie én het hogere aantal uptempo nummers. Het UFO met Vinnie Moore was in vorm gegroeid met enerzijds het klassieke geluid en anderzijds een moderne, hardrockende aanpak vol blues. De productie van opnieuw Tommy Newton is dik in orde.
In lijn met het nummer World Cruise tourt UFO vervolgens langdurig. In 2007 zit Parker een half jaar in de ziektewet met een gebroken enkel, waarmee Simon Wright van Dio voor de tweede maal tijdelijke UFO-drummer wordt.
In 2008 krijgt bassist Pete Way geen green card voor een periode van Amerikaanse concerten van maart tot augustus. Hij wordt tijdelijk vervangen door de Amerikaanse bassist Rob De Luca. Way heeft daardoor extra tijd voor zijproject Damage Control, dat hij in 2005 begon met zanger Spike van The Quireboys, gitarist Robin George en drummer Chris Slade (ex-AC/DC). In 2007 en 2009 brengt de groep een album uit.
Eveneens in 2009 volgt de volgende UFO, The Visitor genaamd.
Oorspronkelijke drummer Andy Parker keerde in 2005 wederom terug, nadat hij in 1995 kortstondig terugkeerde voor de opnamen van UFO's Walk on Water (1995). Toen zag hij af van touren en bleef zijn brood buiten de muziekwereld verdienen.
In 2005 begint zijn herintrede met een eenmalig concert in Spanje, als vervanger van voorganger Jason Bonham. Verrast over de goede sfeer besluit hij echter om weer fulltime muzikant te worden.
The Monkey Puzzle wordt in 2006 in Duitsland opgenomen en verschijnt in september dat jaar. Het is de tweede met Vinnie Moore, die net als zanger Phil Mogg van blues houdt. De gitarist heeft als favoriet Albert King, de frontman gaat voor Muddy Waters, vertelt biografie High Stakes.
De twee zijn qua componeren beter op elkaar ingespeeld: Moore schreef de muziek en integreert daarbij nog meer blues in de hardrock dan op voorganger You Are Here van twee jaar eerder. Het typische UFO-geluid is daarbij gebleven.
Enkele hoogtepunten: opener Hard Being Me waarin Mogg ons een kijkje in zijn ziel gunt. In Some Other Guy klinkt voor het eerst in jaren elektrische piano met dank aan Paul Raymond; het groeit uit tot een robuust hardrockend nummer met een heerlijke gitaarsolo van Moore. Who's Fooling Who druipt van de melancholie met akoestische bluestonen in het intro, waarna weer uptempo wordt. Black and Blue bevat dat springerige slaggitaartje dat we sinds AC/DC's For Those about to Rock kennen, echter volkomen op z'n UFO's. Opnieuw Moore met een prachtige gitaarsolo, tegelijkertijd volkomen in dienst van de groep spelend: de shredder van vroeger heeft zijn stijl nog verder verbreed met oor voor melodie en emotie.
Op de tweede helft klinkt het World Cruise met meer akoestische blues in het intro, Down by the River bluesrockt alsof niet Vinnie maar Gary Moore de snarenman is. In Kingston Town melancholie, elektrische piano en meer fraais. Die laatste klinkt vaker op het album, Paul Raymonds aanvullingen op gitaar en toetsen blijken uiterst waardevol.
Net als bij livealbum Showtime (2005) staan als bonussen het in de studio opgenomen The Hanover Sessions op de cd. Ze zijn trouwens ook los verkrijgbaar op cd en vinyl en ik vind ze práchtig, zoals ik al bij Showtime vertelde.
The Monkey Puzzle is qua composities een stapje beter dan You Are Here, dankzij de nog grotere variatie én het hogere aantal uptempo nummers. Het UFO met Vinnie Moore was in vorm gegroeid met enerzijds het klassieke geluid en anderzijds een moderne, hardrockende aanpak vol blues. De productie van opnieuw Tommy Newton is dik in orde.
In lijn met het nummer World Cruise tourt UFO vervolgens langdurig. In 2007 zit Parker een half jaar in de ziektewet met een gebroken enkel, waarmee Simon Wright van Dio voor de tweede maal tijdelijke UFO-drummer wordt.
In 2008 krijgt bassist Pete Way geen green card voor een periode van Amerikaanse concerten van maart tot augustus. Hij wordt tijdelijk vervangen door de Amerikaanse bassist Rob De Luca. Way heeft daardoor extra tijd voor zijproject Damage Control, dat hij in 2005 begon met zanger Spike van The Quireboys, gitarist Robin George en drummer Chris Slade (ex-AC/DC). In 2007 en 2009 brengt de groep een album uit.
Eveneens in 2009 volgt de volgende UFO, The Visitor genaamd.
UFO - The Salentino Cuts (2017)

2,5
0
geplaatst: 1 november 2024, 07:01 uur
Bedoeld als een extraatje voor het eigen plezier, werd coveralbum The Salentino Cuts onbedoeld de zwanenzang van UFO. Omdat de groep bij de totstandkoming de avonden doorbracht bij Bistrorante Salentino in Hannover, werd het album daarnaar vernoemd.
Na jaren bij SPV te hebben gezeten, was dit hun debuut bij het Amerikaanse label Cleopatra. Dat bracht sindsdien het nodige eerdere werk van de groep uit op zowel vinyl, cd en zelfs cassette. Verpakt in nieuwe hoezen met vaak de nodige extra's. Bovendien kwamen de nodige livealbums uit.
Bij coveralbums ontdek ik soms nieuwe pareltjes, aanbevolen door de coveraars. Feit is dat veteranen hiermee met plezier terugkeren naar hun jonge jaren, waarmee je hun muzikale helden ontdekt. Hetzelfde deed ik tijdens de lockdowns met de kofferplaatjes die Deep Purple en Saxon maakten (wat dat betreft was UFO de coronacrisis vóór!)
In dit geval kende ik vijf nummers, waarvan er twee bij UFO een dikke voldoende halen: Heartful of Soul (oorspronkelijk van The Yardbirds, 1965) en Paper in Fire met hier heerlijke slidegitaar (John Cougar Mellencamp, 1987).
Rock Candy hoor ik echter véél liever in de oorspronkelijke versie van Montrose (1973), mijn favoriete versies van Ain't No Sunshine zijn het origineel van Bill Withers (1971) en de cover van Adam Again (1988) en Just Got Paid overtreft niet het origineel van ZZ Top (1972).
De voor mij nieuwe nummers zijn vrij langzaam, op Too Rolling Stoned van Robin Trower (1974) na. Dat is mijn enige ontdekking, mede dankzij het lekkere wahwah-gitaarspel van Vinnie Moore. De rest? Meestal traag, spetteren wil het nergens. En dat terwijl voorganger A Conspiracy of Stars zo ijzersterk is!
Het debuut bij Cleopatra werd dus tevens de onbedoelde (?) afzwaaiplaat van UFO. Debet aan het einde was een reeks tegenslagen, ofschoon frontman Phil Mogg reeds enkele jaren nadacht over het slot van de groep.
Toetsenist/gitarist Paul Raymond (73) overleed in april 2019, een week na een groot Londens optreden bij de Last Orders, The 50th Anniversary Tour.
Toetsenist Neil Carter (ook al groepslid van 1980-1983 en daarna bij Gary Moore) is zijn vervanger. Rockportaal berichtte in juni 2019 over het concert van UFO in Zoetermeer.
Vanaf maart 2020 valt het concertleven stil wegens de internationale lockdown na de covid-19-pandemie. Plannen voor een vervolg worden uitgesteld tot oktober 2022. Als frontman Phil Mogg in augustus dat jaar een hartaanval krijgt, blijkt dat UFO definitief zijn laatste vlucht heeft gemaakt.
Er vielen meer overlijdens te betreuren in het UFO-kamp. Gitarist Paul Chapman, bij de groep in 1977 en van 1978 - 1983 en zo tweemaal de grote schoenen van Michael Schenker vullend, overlijdt op zijn verjaardag in juni 2020, 66 jaar.
Originele bassist en oprichter Pete Way, al bij de groep toen die nog The Boyfriends en later Hocus Pocus heette en groepslid van 1967-1982 en van 1991-2006, publiceerde in 2017 zijn autobiografie. Worstelend met zijn gezondheid begon hij in 2018 de Pete Way Band met ex-UFO-drummer Clive Edwards. Dit om zijn plannen voor een nieuw studioalbum eindelijk eens te realiseren, maar Way overlijdt in augustus 2020, 69 jaar.
Nadat UFO in 1983 en 1989 ook al eens stopte, hoopte ik dat er voor de derde keer een wondertje zou gebeuren. Zie daar: in juni 2024 wordt een single van Moggs Hotel aangekondigd, nieuws dat ik miste. Eind augustus las ik wél dat reeds twee weken later een album van de frontman zou volgen. Op daarheen!
Na jaren bij SPV te hebben gezeten, was dit hun debuut bij het Amerikaanse label Cleopatra. Dat bracht sindsdien het nodige eerdere werk van de groep uit op zowel vinyl, cd en zelfs cassette. Verpakt in nieuwe hoezen met vaak de nodige extra's. Bovendien kwamen de nodige livealbums uit.
Bij coveralbums ontdek ik soms nieuwe pareltjes, aanbevolen door de coveraars. Feit is dat veteranen hiermee met plezier terugkeren naar hun jonge jaren, waarmee je hun muzikale helden ontdekt. Hetzelfde deed ik tijdens de lockdowns met de kofferplaatjes die Deep Purple en Saxon maakten (wat dat betreft was UFO de coronacrisis vóór!)
In dit geval kende ik vijf nummers, waarvan er twee bij UFO een dikke voldoende halen: Heartful of Soul (oorspronkelijk van The Yardbirds, 1965) en Paper in Fire met hier heerlijke slidegitaar (John Cougar Mellencamp, 1987).
Rock Candy hoor ik echter véél liever in de oorspronkelijke versie van Montrose (1973), mijn favoriete versies van Ain't No Sunshine zijn het origineel van Bill Withers (1971) en de cover van Adam Again (1988) en Just Got Paid overtreft niet het origineel van ZZ Top (1972).
De voor mij nieuwe nummers zijn vrij langzaam, op Too Rolling Stoned van Robin Trower (1974) na. Dat is mijn enige ontdekking, mede dankzij het lekkere wahwah-gitaarspel van Vinnie Moore. De rest? Meestal traag, spetteren wil het nergens. En dat terwijl voorganger A Conspiracy of Stars zo ijzersterk is!
Het debuut bij Cleopatra werd dus tevens de onbedoelde (?) afzwaaiplaat van UFO. Debet aan het einde was een reeks tegenslagen, ofschoon frontman Phil Mogg reeds enkele jaren nadacht over het slot van de groep.
Toetsenist/gitarist Paul Raymond (73) overleed in april 2019, een week na een groot Londens optreden bij de Last Orders, The 50th Anniversary Tour.
Toetsenist Neil Carter (ook al groepslid van 1980-1983 en daarna bij Gary Moore) is zijn vervanger. Rockportaal berichtte in juni 2019 over het concert van UFO in Zoetermeer.
Vanaf maart 2020 valt het concertleven stil wegens de internationale lockdown na de covid-19-pandemie. Plannen voor een vervolg worden uitgesteld tot oktober 2022. Als frontman Phil Mogg in augustus dat jaar een hartaanval krijgt, blijkt dat UFO definitief zijn laatste vlucht heeft gemaakt.
Er vielen meer overlijdens te betreuren in het UFO-kamp. Gitarist Paul Chapman, bij de groep in 1977 en van 1978 - 1983 en zo tweemaal de grote schoenen van Michael Schenker vullend, overlijdt op zijn verjaardag in juni 2020, 66 jaar.
Originele bassist en oprichter Pete Way, al bij de groep toen die nog The Boyfriends en later Hocus Pocus heette en groepslid van 1967-1982 en van 1991-2006, publiceerde in 2017 zijn autobiografie. Worstelend met zijn gezondheid begon hij in 2018 de Pete Way Band met ex-UFO-drummer Clive Edwards. Dit om zijn plannen voor een nieuw studioalbum eindelijk eens te realiseren, maar Way overlijdt in augustus 2020, 69 jaar.
Nadat UFO in 1983 en 1989 ook al eens stopte, hoopte ik dat er voor de derde keer een wondertje zou gebeuren. Zie daar: in juni 2024 wordt een single van Moggs Hotel aangekondigd, nieuws dat ik miste. Eind augustus las ik wél dat reeds twee weken later een album van de frontman zou volgen. Op daarheen!
UFO - The Visitor (2009)

4,0
0
geplaatst: 28 oktober 2024, 13:15 uur
Op voorganger The Monkey Puzzle keerde oudgediende Andy Parker terug als drummer, begin 2006 begonnen de voorbereidingen voor The Visitor. De derde UFO met Vinnie Moore als snarenman. Biografie High Stakes & Dangerous Men (2014) vertelt dat de totstandkoming meer collectief was: anders dan bij de twee vorige albums was het nu niet zo dat Moore alle muziek schreef, waarna zanger Phil Mogg zanglijnen en teksten toevoegde.
Deze maal droegen alle leden nieuw materiaal aan, leidend tot een ruwe lijst van zo’n dertig nummers. Mogg schreef met zowel bassist Pete Way als de Birminghamse bluesgitarist Nick Crutchley; toetsenist/gitarist Paul Raymond (twaalf stuks), Parker (acht) en Moore droegen per e-mail de overige composities aan.
De heren vlogen naar de inmiddels vertrouwde studio in Celle, Duitsland om dit alles in vijf dagen tot een lijst van elf nummers te beperken. De opnames vonden in februari-maart 2006 plaats en hier valt te zien wie welk nummer schreef.
Moore neemt op in zijn thuisstudio in Delaware, Verenigde Staten, waar ook zijn zevende soloalbum To the Core (2009) tot stand komt. Way is inmiddels te ziek door een ontstoken lever en wordt noodgedwongen vervangen door de Duitse bassist Andy Pichl, op dat moment bij Nektar.
Dat Moore als een malle soleert moge duidelijk zijn en de productie van opnieuw Tommy Newton is dik in orde. Oorspronkelijk had de groep Martin Birch als knoppenman gewild, maar deze was inmiddels met pensioen en bedankte.
Met akoestische slidegitaar trapt Saving Me het album ijzersterk af, waarna meer robuuste hardrock volgt, altijd met die herkenbare, ietwat melancholische stem van Mogg. Zwakke nummers komen we niet tegen, robuuste hardrock wél, zoals het riffende Hell Driver, het bluesrockende Rock Ready en het ingetogen swingende Living Proof.
Een vleugje adult oriented rock bezit Stop Breaking Down met zijn meeslepende coupletten én refrein. Idem in Can’t Buy a Thrill met wederom een buitenklasse melodie. Forsaken is een ballade, bonustrack Dancing with St. Peter is een “cover” van Moggs project $ign of 4 uit 2003.
Voor het eerst sinds Misdemeanor (1985) haalt UFO de Britse albumlijst, zij het een uiterst bescheiden #99 in juni 2009.
Van mei 2009 tot begin december 2010 werd door Europa, de VS en Brazilië getourd met in de bezetting de Amerikaanse bassist Barry Sparks. Als hij in mei 2010 terug moet naar de VS wegens familieomstandigheden, wordt hij voor drie Europese concerten vervangen door Pichl, zoals Blabbermouth destijds meldde. Rob De Luca keert terug als tijdelijk bassist bij het vervolg van de tour.
Waarom geen Pete Way? Andy Parker vertelt in de bio: “(…) they’re not giving the treatment to someone who is drinking and taking drugs. The guy is smoking 60 cigarettes a day. (…) I’m sorry, but the time has come in UFO’s career that’s it’s really affecting his performance. (…) Until he sorts himself out, I’m afraid he’s sitting on the bench.” Way is wel te horen op zeven nummers van Temple of Rock van Michael Schenker uit 2011.
In december 2010 beginnen de voorbereidingen voor opvolger Seven Deadly. In juli 2024 verscheen de heruitgave van The Visitor bij Cleopatra op cd en vinyl in diverse uitvoeringen.
Deze maal droegen alle leden nieuw materiaal aan, leidend tot een ruwe lijst van zo’n dertig nummers. Mogg schreef met zowel bassist Pete Way als de Birminghamse bluesgitarist Nick Crutchley; toetsenist/gitarist Paul Raymond (twaalf stuks), Parker (acht) en Moore droegen per e-mail de overige composities aan.
De heren vlogen naar de inmiddels vertrouwde studio in Celle, Duitsland om dit alles in vijf dagen tot een lijst van elf nummers te beperken. De opnames vonden in februari-maart 2006 plaats en hier valt te zien wie welk nummer schreef.
Moore neemt op in zijn thuisstudio in Delaware, Verenigde Staten, waar ook zijn zevende soloalbum To the Core (2009) tot stand komt. Way is inmiddels te ziek door een ontstoken lever en wordt noodgedwongen vervangen door de Duitse bassist Andy Pichl, op dat moment bij Nektar.
Dat Moore als een malle soleert moge duidelijk zijn en de productie van opnieuw Tommy Newton is dik in orde. Oorspronkelijk had de groep Martin Birch als knoppenman gewild, maar deze was inmiddels met pensioen en bedankte.
Met akoestische slidegitaar trapt Saving Me het album ijzersterk af, waarna meer robuuste hardrock volgt, altijd met die herkenbare, ietwat melancholische stem van Mogg. Zwakke nummers komen we niet tegen, robuuste hardrock wél, zoals het riffende Hell Driver, het bluesrockende Rock Ready en het ingetogen swingende Living Proof.
Een vleugje adult oriented rock bezit Stop Breaking Down met zijn meeslepende coupletten én refrein. Idem in Can’t Buy a Thrill met wederom een buitenklasse melodie. Forsaken is een ballade, bonustrack Dancing with St. Peter is een “cover” van Moggs project $ign of 4 uit 2003.
Voor het eerst sinds Misdemeanor (1985) haalt UFO de Britse albumlijst, zij het een uiterst bescheiden #99 in juni 2009.
Van mei 2009 tot begin december 2010 werd door Europa, de VS en Brazilië getourd met in de bezetting de Amerikaanse bassist Barry Sparks. Als hij in mei 2010 terug moet naar de VS wegens familieomstandigheden, wordt hij voor drie Europese concerten vervangen door Pichl, zoals Blabbermouth destijds meldde. Rob De Luca keert terug als tijdelijk bassist bij het vervolg van de tour.
Waarom geen Pete Way? Andy Parker vertelt in de bio: “(…) they’re not giving the treatment to someone who is drinking and taking drugs. The guy is smoking 60 cigarettes a day. (…) I’m sorry, but the time has come in UFO’s career that’s it’s really affecting his performance. (…) Until he sorts himself out, I’m afraid he’s sitting on the bench.” Way is wel te horen op zeven nummers van Temple of Rock van Michael Schenker uit 2011.
In december 2010 beginnen de voorbereidingen voor opvolger Seven Deadly. In juli 2024 verscheen de heruitgave van The Visitor bij Cleopatra op cd en vinyl in diverse uitvoeringen.
UFO - The Wild, the Willing and the Innocent (1981)

4,5
1
geplaatst: 29 oktober 2022, 14:46 uur
Dank gigage, voor het noemen van UFO op Pinkpop Binnen. Even koeklen leert dat dit plaatsvond in november 1980 in Maastricht. Op YouTube vind ik daarvan deze krakende videoversie van Doctor Doctor terug.
Vanaf mijn ontdekking van UFO, zoals zovelen met hun liveklassieker Strangers in the Night (1979), behoorde de groep tot de middenmoot qua favoriete bands. De laatste tien jaren echter groeiden ze gestaag naar plek bovenin mijn Champions League.
The Wild, the Willing and the Innocent verscheen in januari 1981 als opvolger van No Place to Run en is zelf geproduceerd, waarbij Neil Carter was toegetreden als nieuwe man op keyboards en gitaar. De meeste keyboards zijn echter ingespeeld door een broer van technicus Gary Edwards, meldt Wikipedia.
In het boek 'High Stakes & Dangerous Men: The UFO Story' (2013) van Neil Daniels lees ik dat John Sloman in aanloop naar de elpee tijdelijk hand- en spandiensten voor de groep verrichtte, nadat Paul Raymond was overgestapt naar de Michael Schenker Group. De frontman van Uriah Heep hielp met pianopartijen, maar sloeg een aanbod om zich bij de groep aan te sluiten beleefd af.
De invloed van Sloman is hoorbaar. In het boek vertelt hij dat hij in 1981, zittend voor de tv, zag dat UFO hun nieuwe single Lonely Heart promootte (#41 in het Verenigd Koninkrijk). Hij herkende het nummer: de pianopartijen waren door hem aangeleverd. Teksten en songtitels ontbraken op dat moment nog, die pende zanger Phil Mogg gewoontegetrouw pas op het allerlaatste moment neer. Sloman kreeg er geen credits voor, die gingen naar Mogg, gitarist Paul Chapman en bassist Pete Way.
Het andere nummer wat Sloman aanleverde was de schitterende ballade Profession of Violence, waarin Mogg met alle beschikbare melancholie excelleert. Eén van mijn twee favoriete nummers van deze plaat.
De plaat opent met slidegitaren, waarna het slepende Chains Chains losbrandt. Lekker nummer, waarna het eerste hoogtepunt van de plaat volgt. Sterker nog, één van de beste nummers in het oeuvre van UFO. Long Gone is eveneens bluesachtig, maar heeft in het laatste deel (vanaf circa 4 minuten) een ondefinieerbare oneven maatsoort, magistraal gedrumd door de doorgaans vrij onopvallend spelende Andy Parker; hierna volgt een even magnifiek orkestraal einde.
De titelsong kent een meezingbaar achtergrondkoortje, het nummer keerde volgens de biografie in de jaren 2010 weer in de setlist terug.
Couldn’t Get It Right heeft halverwege een melancholisch-zingende gitaarsolo als die van een doedelzak, van het soort waar newwaveband Big Country twee jaar later furore mee zou maken.
Op de B-zijde bevallen alle nummers mij goed, met als uitschieter de al genoemde ballade. Op single Lonely Heart klinkt ook een saxofoon, door Neil Carter ingespeeld en voor mij nog altijd lichtelijk misplaatst op dit rockalbum. Desondanks een sterke compositie.
Neil Carter was 22 toen hij bij UFO kwam en verliet de muziekindustrie acht jaar later, om als docent klarinet en saxofoon te gaan werken. In het boek vertelt hij dat één van zijn collega’s hem indertijd als fan op het beroemde Reading Festival zag. Die wist iets wat Carter was ontgaan. Er hingen drie ballonnen met de letters U, F en O boven het podium. Helaas waaide de U weg, onzichtbaar voor de band en tot hilariteit van het publiek. In 2019 keerde Carter terug bij de groep om daar opnieuw Paul Raymond te vervangen, nu vanwege het overlijden van laatstgenoemde.
Met opvallende en bij nadere bestudering zelfs bizarre hoescover, wederom van het collectief Hipgnosis, is dit één van de betere albums in de catalogus van de band. Zwakke nummers ontbreken en de twee absolute hoogtepunten kunnen zich meten met het beste van deze toch al legendarische band.
Vanaf mijn ontdekking van UFO, zoals zovelen met hun liveklassieker Strangers in the Night (1979), behoorde de groep tot de middenmoot qua favoriete bands. De laatste tien jaren echter groeiden ze gestaag naar plek bovenin mijn Champions League.
The Wild, the Willing and the Innocent verscheen in januari 1981 als opvolger van No Place to Run en is zelf geproduceerd, waarbij Neil Carter was toegetreden als nieuwe man op keyboards en gitaar. De meeste keyboards zijn echter ingespeeld door een broer van technicus Gary Edwards, meldt Wikipedia.
In het boek 'High Stakes & Dangerous Men: The UFO Story' (2013) van Neil Daniels lees ik dat John Sloman in aanloop naar de elpee tijdelijk hand- en spandiensten voor de groep verrichtte, nadat Paul Raymond was overgestapt naar de Michael Schenker Group. De frontman van Uriah Heep hielp met pianopartijen, maar sloeg een aanbod om zich bij de groep aan te sluiten beleefd af.
De invloed van Sloman is hoorbaar. In het boek vertelt hij dat hij in 1981, zittend voor de tv, zag dat UFO hun nieuwe single Lonely Heart promootte (#41 in het Verenigd Koninkrijk). Hij herkende het nummer: de pianopartijen waren door hem aangeleverd. Teksten en songtitels ontbraken op dat moment nog, die pende zanger Phil Mogg gewoontegetrouw pas op het allerlaatste moment neer. Sloman kreeg er geen credits voor, die gingen naar Mogg, gitarist Paul Chapman en bassist Pete Way.
Het andere nummer wat Sloman aanleverde was de schitterende ballade Profession of Violence, waarin Mogg met alle beschikbare melancholie excelleert. Eén van mijn twee favoriete nummers van deze plaat.
De plaat opent met slidegitaren, waarna het slepende Chains Chains losbrandt. Lekker nummer, waarna het eerste hoogtepunt van de plaat volgt. Sterker nog, één van de beste nummers in het oeuvre van UFO. Long Gone is eveneens bluesachtig, maar heeft in het laatste deel (vanaf circa 4 minuten) een ondefinieerbare oneven maatsoort, magistraal gedrumd door de doorgaans vrij onopvallend spelende Andy Parker; hierna volgt een even magnifiek orkestraal einde.
De titelsong kent een meezingbaar achtergrondkoortje, het nummer keerde volgens de biografie in de jaren 2010 weer in de setlist terug.
Couldn’t Get It Right heeft halverwege een melancholisch-zingende gitaarsolo als die van een doedelzak, van het soort waar newwaveband Big Country twee jaar later furore mee zou maken.
Op de B-zijde bevallen alle nummers mij goed, met als uitschieter de al genoemde ballade. Op single Lonely Heart klinkt ook een saxofoon, door Neil Carter ingespeeld en voor mij nog altijd lichtelijk misplaatst op dit rockalbum. Desondanks een sterke compositie.
Neil Carter was 22 toen hij bij UFO kwam en verliet de muziekindustrie acht jaar later, om als docent klarinet en saxofoon te gaan werken. In het boek vertelt hij dat één van zijn collega’s hem indertijd als fan op het beroemde Reading Festival zag. Die wist iets wat Carter was ontgaan. Er hingen drie ballonnen met de letters U, F en O boven het podium. Helaas waaide de U weg, onzichtbaar voor de band en tot hilariteit van het publiek. In 2019 keerde Carter terug bij de groep om daar opnieuw Paul Raymond te vervangen, nu vanwege het overlijden van laatstgenoemde.
Met opvallende en bij nadere bestudering zelfs bizarre hoescover, wederom van het collectief Hipgnosis, is dit één van de betere albums in de catalogus van de band. Zwakke nummers ontbreken en de twee absolute hoogtepunten kunnen zich meten met het beste van deze toch al legendarische band.
UFO - UFO 1 (1970)

3,0
3
geplaatst: 9 januari 2023, 19:27 uur
Eigenlijk is het niet eerlijk: eerst het UFO in de periode met gitarist Michael Schenker horen en pas jaren later de eerste twee platen met Mick Bolton. Je vergelijkt dan namelijk automatisch de “arenarock” van midden jaren ’70 met de experimentele spacerock die rond 1970 in de mode was. Je vergelijkt riffs met experimenten. Het gebeurde ook deze fan bij dit debuut, simpelweg 1 genaamd.
Dankzij cd en later streaming is dit antieke en obscure album, dat indertijd genadeloos flopte (in Duitsland en Japan wel succes volgens Wikipedia), nu makkelijk te vinden. De eerste keer dat ik 1 hoorde was ik ‘m snel zat: te freakerig, te weinig lijn. Maar als ik ‘m dan maanden of jaren later weer eens afspeelde steeg ie steeds iets in waardering.
Om de plaat te begrijpen moet je ‘m in context zetten. Het waren de jaren dat de gitarist een halfgod werd, die de nog onbekende mogelijkheden van de elektrische gitaar en nieuw uitgevonden effecten uitprobeerde.
Speel bijvoorbeeld de volgende vier nummers af in chronologische volgorde (vaak is een minuut al voldoende). Ze verschenen vóór UFO's debuut, de gitaristen tussen haakjes:
1967 Cream – Strange Brew (Eric Clapton); 1967 The Amboy Dukes – Baby Please Don’t Go (Ted Nugent); 1968 Iron Butterfly – In-a-Gadda-da-Vida (Erik Brann); 1970 Mountain – Mississippi Queen (Leslie West). Je hoort waar UFO/Mick Bolton de mosterd vandaan haalde.
Wat ook kan, is fragmenten van deze tijdgenoten beluisteren: 1970 Skid Row - Mad Dog Woman (Gary Moore); Wishbone Ash - Phoenix (1970, Andy Powell en Ted Turner); 1970 Black Sabbath - Warning (Tony Iommi); 1971 Thin Lizzy – The Friendly Ranger at Contarf Castle (Eric Bell); 1972 Scorpions – I’m Going Mad (Michael Schenker). Je hoort er dezelfde experimentdrift als op de eerste twee albums van UFO. Met de gitarist centraal. Het is niet voor niets dat Bolton op de achterzijde van 1 prominent in het midden staat, groter dan de andere drie.
Op 1 hoor ik op rustiger nummers als Melinda de invloed van Cream dankzij z’n ingetogen wahwaheffect, op het onstuimige Timothy de invloed van Iron Butterfly. Of vul zelf andere associaties in voor deze en andere nummers.
Daarbij klinkt tevens de invloed van oervormen als blues, r&b en jaren ’50 rock ‘n’ roll in Who Do You Love, Follow You Home en Eddie Cochrancover C’mon Everybody. Net als bij The Amboy Dukes wordt een klassieker in een stevig jasje gestopt met daarbij een lange gitaarsolo.
Ontegenzeggelijk is het de hese stem van Phil Mogg die onmiddellijk herkenning oproept. Ofschoon het genre spacerock heette, bezingen zijn teksten meestal liefde en lust: mooie meisjes en de plannen daarmee. Maar qua muziek klinkt wel degelijk spacerock: het is niet voor niets dat bassist Pete Way veel melodieuzer klinkt dan vanaf 1974 het geval was, variatie biedend bij de uitgebreide gitaarsolo’s. Drummer Andy Parker ventileert regelmatig vreemde escapades, heel anders dan de sobere basis die hij later zou leggen.
Hier en daar worden enkele geluidseffecten toegevoegd, zoals aan het einde van Melinda, waarin het omgekeerde geluid van een piano en pistoolschoten klinken. Dat Bolton een aardig moppie kon spelen, behoeft geen betoog: het album drijft erop.
Is dit een fantastisch album? Nee. Ik heb meer met riffs. Maar ik heb ze slechter gehoord in dit genre, zoals het tweede album van Thin Lizzy, waar het niet goed werkt.
Voor de geïnteresseerde: draai 1 af en toe, al is het maar één plaatkant (track 1-5 of 6-10). Geleidelijk zul je aan deze stijl wennen en ontdekken dat het nodige valt te genieten. Mijn favorieten: het instrumentale Unidentified Flying Object, Boogie, Melinda (Mogg zingt hier al zo mooi!) en de opener van kant 2 Timothy, over een vreemd persoon van onbekende oorsprong. Deze nummers doen mijn UFO-playlist prettig starten, als album een krappe zes.
Dankzij cd en later streaming is dit antieke en obscure album, dat indertijd genadeloos flopte (in Duitsland en Japan wel succes volgens Wikipedia), nu makkelijk te vinden. De eerste keer dat ik 1 hoorde was ik ‘m snel zat: te freakerig, te weinig lijn. Maar als ik ‘m dan maanden of jaren later weer eens afspeelde steeg ie steeds iets in waardering.
Om de plaat te begrijpen moet je ‘m in context zetten. Het waren de jaren dat de gitarist een halfgod werd, die de nog onbekende mogelijkheden van de elektrische gitaar en nieuw uitgevonden effecten uitprobeerde.
Speel bijvoorbeeld de volgende vier nummers af in chronologische volgorde (vaak is een minuut al voldoende). Ze verschenen vóór UFO's debuut, de gitaristen tussen haakjes:
1967 Cream – Strange Brew (Eric Clapton); 1967 The Amboy Dukes – Baby Please Don’t Go (Ted Nugent); 1968 Iron Butterfly – In-a-Gadda-da-Vida (Erik Brann); 1970 Mountain – Mississippi Queen (Leslie West). Je hoort waar UFO/Mick Bolton de mosterd vandaan haalde.
Wat ook kan, is fragmenten van deze tijdgenoten beluisteren: 1970 Skid Row - Mad Dog Woman (Gary Moore); Wishbone Ash - Phoenix (1970, Andy Powell en Ted Turner); 1970 Black Sabbath - Warning (Tony Iommi); 1971 Thin Lizzy – The Friendly Ranger at Contarf Castle (Eric Bell); 1972 Scorpions – I’m Going Mad (Michael Schenker). Je hoort er dezelfde experimentdrift als op de eerste twee albums van UFO. Met de gitarist centraal. Het is niet voor niets dat Bolton op de achterzijde van 1 prominent in het midden staat, groter dan de andere drie.
Op 1 hoor ik op rustiger nummers als Melinda de invloed van Cream dankzij z’n ingetogen wahwaheffect, op het onstuimige Timothy de invloed van Iron Butterfly. Of vul zelf andere associaties in voor deze en andere nummers.
Daarbij klinkt tevens de invloed van oervormen als blues, r&b en jaren ’50 rock ‘n’ roll in Who Do You Love, Follow You Home en Eddie Cochrancover C’mon Everybody. Net als bij The Amboy Dukes wordt een klassieker in een stevig jasje gestopt met daarbij een lange gitaarsolo.
Ontegenzeggelijk is het de hese stem van Phil Mogg die onmiddellijk herkenning oproept. Ofschoon het genre spacerock heette, bezingen zijn teksten meestal liefde en lust: mooie meisjes en de plannen daarmee. Maar qua muziek klinkt wel degelijk spacerock: het is niet voor niets dat bassist Pete Way veel melodieuzer klinkt dan vanaf 1974 het geval was, variatie biedend bij de uitgebreide gitaarsolo’s. Drummer Andy Parker ventileert regelmatig vreemde escapades, heel anders dan de sobere basis die hij later zou leggen.
Hier en daar worden enkele geluidseffecten toegevoegd, zoals aan het einde van Melinda, waarin het omgekeerde geluid van een piano en pistoolschoten klinken. Dat Bolton een aardig moppie kon spelen, behoeft geen betoog: het album drijft erop.
Is dit een fantastisch album? Nee. Ik heb meer met riffs. Maar ik heb ze slechter gehoord in dit genre, zoals het tweede album van Thin Lizzy, waar het niet goed werkt.
Voor de geïnteresseerde: draai 1 af en toe, al is het maar één plaatkant (track 1-5 of 6-10). Geleidelijk zul je aan deze stijl wennen en ontdekken dat het nodige valt te genieten. Mijn favorieten: het instrumentale Unidentified Flying Object, Boogie, Melinda (Mogg zingt hier al zo mooi!) en de opener van kant 2 Timothy, over een vreemd persoon van onbekende oorsprong. Deze nummers doen mijn UFO-playlist prettig starten, als album een krappe zes.
UFO - UFO 2 (1971)
Alternatieve titel: Flying

2,0
1
geplaatst: 10 januari 2023, 17:38 uur
Debuutplaat UFO 1 duurde bijna 39 minuten en bevat 10 nummers. Deze opvolger duurt ruim een uur en bevat 5 nummers. Logischerwijs duren die een stuk langer. Voor deze jongen zijn Star Storm met bijna 19 en titelnummer Flying met een dikke 26 minuten veel te lang en de korte nummers pakken me nauwelijks, al is Prince Kajuku nog wel aardig.
De experimenten van het debuut worden dus nadrukkelijk opgerekt met alle ruimte voor lááánge gitaarsolo's. Ze zijn knap, inderdaad en de band is zeker virtuoos, maar ik houd van liedjes met een kop en een staart. Hierbij kun je je afvragen hoe hij op vinyl zal hebben geklonken: bastonen zijn in de groeven van vinyl breder; doe je daar veel muziek op, dan is daar nauwelijks plek voor.
Dat probleem speelt uiteraard niet op cd en streaming, maar mijn kopje thee / glas bier is UFO 2: Flying niet. Desondanks verkocht deze in Japan en Duitsland goed, in tegenstelling tot het thuisland. En dat laatste telde. Ze probeerden het nog eenmaal in deze bezetting: op naar UFO's eerste liveplaat.
De experimenten van het debuut worden dus nadrukkelijk opgerekt met alle ruimte voor lááánge gitaarsolo's. Ze zijn knap, inderdaad en de band is zeker virtuoos, maar ik houd van liedjes met een kop en een staart. Hierbij kun je je afvragen hoe hij op vinyl zal hebben geklonken: bastonen zijn in de groeven van vinyl breder; doe je daar veel muziek op, dan is daar nauwelijks plek voor.
Dat probleem speelt uiteraard niet op cd en streaming, maar mijn kopje thee / glas bier is UFO 2: Flying niet. Desondanks verkocht deze in Japan en Duitsland goed, in tegenstelling tot het thuisland. En dat laatste telde. Ze probeerden het nog eenmaal in deze bezetting: op naar UFO's eerste liveplaat.
UFO - Walk on Water (1995)

4,0
1
geplaatst: 25 september 2024, 20:41 uur
De succesvolste bezetting van UFO kwam in 1993 weer bij elkaar: op voorganger High Stakes & Dangerous Men (1992) was bassist en podiumbeest Pete Way al terug aan de zijde van zanger en vaste waarde Phil Mogg.
Het is in '93 de naam van de legendarische Michael Schenker die het hart van menig fan deed kloppen, met in zijn kielzog gitarist/toetsenist Paul Raymond en de oorspronkelijke drummer Andy Parker. Zou het werken? Was de chemie er nog?
Eigenlijk volstaat een simpel en luid 'JA!' Opener A Self-Made Man bevat een ongekend felle riff en al spoedig klateren en dartelen Schenkers solonoten door de muziek, melodie en snelheid verenigend tot een fraai geheel, wat op het gehele album het geval blijkt te zijn. Venus is ingetogener en bevat die heerlijke melancholie, waar Moggs stem zo geschikt voor is. Het pompende Pushed to the Limit rockt stevig,
Wat ook terugkeert is de blues, in het geval van Stopped by a Bullet (of Love) ook nog eens een combinatie van akoestische en elektrische gitaar. Darker Days brengt stevige melancholie in typische UFO-stijl.
Op de tweede helft is het net iets minder spannend. Running on Empty is midtempo, qua riff wat vlak maar weer zó lekker ingespeeld door deze getalenteerde muzikanten. Met als verrassing een akoestische gitaarsolo vol gevoel. Knock, Knock stoempt als een wielrenner met tegenwind, het is alweer Mogg die met Schenker zo'n nummer wat extra's geeft.
Het langzame maar stevige Dreaming of Summer blijkt vervolgens een groeibriljantje met alweer mooie akoestische details en heerlijke snelle elektrische gitaarwatervalletjes.
Hierboven noteerde menigeen terecht dat de reprises van klassiekers Doctor, Doctor (te mak) en Lights Out (minder intens dan de liveversie van Strangers in the Night) het niet hebben, ondanks de sterke productie van de eveneens teruggekeerde Ron Nevison.
Nog wat achtergronden. Eerst hetgeen Discogs toont. Het album verscheen het eerst in Japan: april '95 bij Zero Corporation. Vervolgens in de Verenigde Staten bij UFO Records (!) en in Europa bij Eagle Records.
Pas in 2023 verschijnt Walk on Water op elpee via Cleopatra, waarbij je ziet wat bij meer recenter werk van de groep het geval is: de albums zijn niet alleen vaak moeilijk verkrijgbaar, maar ook prijzig. Ik heb wat rondgeneusd bij online winkels en ook op cd is het aanbod schaars en zijn de prijzen (te) hoog.
Meer informatie uit die boeiende groepsbio van Neil Daniels: al in 1991 publiceerde Kerrang! een interview met Pete Way, waarin deze vertelde dat Schenker was gevraagd of hij geïnteresseerd was in een album plus tour bij UFO. De gitarist vroeg een voorschot van £100,000, waarmee het feest niet doorging. Vervolgens werd Paul Chapman benaderd, maar deze vroeg een weeksalaris van £800 en bovendien bleek hij in Florida op te treden onder de naam UFO ft. Paul Chapman.
In 1993 had Schenker kennelijk zijn prijs verlaagd en staat niets een terugkeer in de weg. De pasgetrouwde Way woont inmiddels in Denemarken en keert terug naar Engeland voor repetities. Er wordt opgetreden in Europa, Japan en de VS, waarbij ook materiaal van Schenkers Thank You wordt gespeeld.
Het Japanse Zero Corporation biedt een hoog voorschot en UFO hapt toe, om in Californië met Ron Nevison de studio in te duiken. Deze is tevreden: "It was fun to get back with everybody". Everybody was reasonably sober. Everything was smoothed out between them at that point."
Het album was in Schenkers ogen de opvolger van Obsession, zijn laatste studioalbum met de groep uit 1978. Wat niet is veranderd, is dat Mogg pas op het al-ler-laat-ste moment met teksten komt aanzetten. De reden dat twee klassiekers een heropname kregen was eenvoudigweg uit nostalgie.
Daniels benadrukt in zijn boek de verrassing over de terugkeer van Andy Parker, die tien jaar had gewerkt in het bouwbedrijf van diens familie in Californië en buiten de muziekwereld was gebleven. Bij de tour die kort na verschijnen start, is hij evenwel afwezig vanwege drukte bij het familiebedrijf. Naar later blijkt mede omdat hij problemen tussen Mogg en Schenker voorzag. Simon Wright, o.a. ex-AC/DC en ex-Dio, neemt de honneurs waar.
In oktober wordt de tour voortijdig beëindigd doordat Schenker uitvalt - het waarom staat in het boek op p.150-151 - en een vervanger inhuren is contractueel onmogelijk: zonder Schenker géén UFO.
Toch houdt de groep later enkele repetities met John Norum, op dat moment ex-Europe, later opgevolgd door George Bellas, die is aanbevolen door Mike Varney van Shrapnel Records. Volgens de site van Bellas nemen ze in februari 1997 een album op, dat om juridische redenen op de planken blijft.
Bovendien doen Mogg en Way een poging om met de van Dio bekende drummer Vinny Appice en gitarist Tracy G. een project op te zetten, wat evenmin van de grond komt.
Eind 1999 verschijnt van UFO livealbum Werewolves of London van de laatste tour van de groep. In 1997 was daar het debuut van Mogg/Way, genaamd Edge of the World met Bellas in de gelederen, wat in de bio uiteraard niet onbesproken blijft. Op daarnaartoe.
Het is in '93 de naam van de legendarische Michael Schenker die het hart van menig fan deed kloppen, met in zijn kielzog gitarist/toetsenist Paul Raymond en de oorspronkelijke drummer Andy Parker. Zou het werken? Was de chemie er nog?
Eigenlijk volstaat een simpel en luid 'JA!' Opener A Self-Made Man bevat een ongekend felle riff en al spoedig klateren en dartelen Schenkers solonoten door de muziek, melodie en snelheid verenigend tot een fraai geheel, wat op het gehele album het geval blijkt te zijn. Venus is ingetogener en bevat die heerlijke melancholie, waar Moggs stem zo geschikt voor is. Het pompende Pushed to the Limit rockt stevig,
Wat ook terugkeert is de blues, in het geval van Stopped by a Bullet (of Love) ook nog eens een combinatie van akoestische en elektrische gitaar. Darker Days brengt stevige melancholie in typische UFO-stijl.
Op de tweede helft is het net iets minder spannend. Running on Empty is midtempo, qua riff wat vlak maar weer zó lekker ingespeeld door deze getalenteerde muzikanten. Met als verrassing een akoestische gitaarsolo vol gevoel. Knock, Knock stoempt als een wielrenner met tegenwind, het is alweer Mogg die met Schenker zo'n nummer wat extra's geeft.
Het langzame maar stevige Dreaming of Summer blijkt vervolgens een groeibriljantje met alweer mooie akoestische details en heerlijke snelle elektrische gitaarwatervalletjes.
Hierboven noteerde menigeen terecht dat de reprises van klassiekers Doctor, Doctor (te mak) en Lights Out (minder intens dan de liveversie van Strangers in the Night) het niet hebben, ondanks de sterke productie van de eveneens teruggekeerde Ron Nevison.
Nog wat achtergronden. Eerst hetgeen Discogs toont. Het album verscheen het eerst in Japan: april '95 bij Zero Corporation. Vervolgens in de Verenigde Staten bij UFO Records (!) en in Europa bij Eagle Records.
Pas in 2023 verschijnt Walk on Water op elpee via Cleopatra, waarbij je ziet wat bij meer recenter werk van de groep het geval is: de albums zijn niet alleen vaak moeilijk verkrijgbaar, maar ook prijzig. Ik heb wat rondgeneusd bij online winkels en ook op cd is het aanbod schaars en zijn de prijzen (te) hoog.
Meer informatie uit die boeiende groepsbio van Neil Daniels: al in 1991 publiceerde Kerrang! een interview met Pete Way, waarin deze vertelde dat Schenker was gevraagd of hij geïnteresseerd was in een album plus tour bij UFO. De gitarist vroeg een voorschot van £100,000, waarmee het feest niet doorging. Vervolgens werd Paul Chapman benaderd, maar deze vroeg een weeksalaris van £800 en bovendien bleek hij in Florida op te treden onder de naam UFO ft. Paul Chapman.
In 1993 had Schenker kennelijk zijn prijs verlaagd en staat niets een terugkeer in de weg. De pasgetrouwde Way woont inmiddels in Denemarken en keert terug naar Engeland voor repetities. Er wordt opgetreden in Europa, Japan en de VS, waarbij ook materiaal van Schenkers Thank You wordt gespeeld.
Het Japanse Zero Corporation biedt een hoog voorschot en UFO hapt toe, om in Californië met Ron Nevison de studio in te duiken. Deze is tevreden: "It was fun to get back with everybody". Everybody was reasonably sober. Everything was smoothed out between them at that point."
Het album was in Schenkers ogen de opvolger van Obsession, zijn laatste studioalbum met de groep uit 1978. Wat niet is veranderd, is dat Mogg pas op het al-ler-laat-ste moment met teksten komt aanzetten. De reden dat twee klassiekers een heropname kregen was eenvoudigweg uit nostalgie.
Daniels benadrukt in zijn boek de verrassing over de terugkeer van Andy Parker, die tien jaar had gewerkt in het bouwbedrijf van diens familie in Californië en buiten de muziekwereld was gebleven. Bij de tour die kort na verschijnen start, is hij evenwel afwezig vanwege drukte bij het familiebedrijf. Naar later blijkt mede omdat hij problemen tussen Mogg en Schenker voorzag. Simon Wright, o.a. ex-AC/DC en ex-Dio, neemt de honneurs waar.
In oktober wordt de tour voortijdig beëindigd doordat Schenker uitvalt - het waarom staat in het boek op p.150-151 - en een vervanger inhuren is contractueel onmogelijk: zonder Schenker géén UFO.
Toch houdt de groep later enkele repetities met John Norum, op dat moment ex-Europe, later opgevolgd door George Bellas, die is aanbevolen door Mike Varney van Shrapnel Records. Volgens de site van Bellas nemen ze in februari 1997 een album op, dat om juridische redenen op de planken blijft.
Bovendien doen Mogg en Way een poging om met de van Dio bekende drummer Vinny Appice en gitarist Tracy G. een project op te zetten, wat evenmin van de grond komt.
Eind 1999 verschijnt van UFO livealbum Werewolves of London van de laatste tour van de groep. In 1997 was daar het debuut van Mogg/Way, genaamd Edge of the World met Bellas in de gelederen, wat in de bio uiteraard niet onbesproken blijft. Op daarnaartoe.
UFO - Werewolves of London (1998)

4,0
0
geplaatst: 17 februari 2023, 23:26 uur
Mijn streamingdienst meldde dat er een nieuw livealbum van UFO was, met op de hoes prominent Michael Schenker in beeld. De muziek was vanmiddag en vanavond mijn soundtrack in de auto, waar ik veel plezier aan heb beleefd, onderweg van werk naar ouders en vervolgens van ouders naar huis.
Anders dan op het legendarische Strangers in the Night (opnamen uit 1978) zijn we hier in 1998 en klinkt het publiek niet als in een stadion, maar als de hoeveelheid van een reguliere concertzaal. Pas bij thuiskomst kom ik er koeklend achter dat het oude wijn in nieuwe zakken betreft: de hoes is anders, maar dit plaatje is alweer zo'n kleine 25 jaar oud, De opnamen stammen uit februari dat jaar toen de band op tournee was voor Walk on Water (1995). Hierop was de legendarische Schenker teruggekeerd.
Sympathiek concert, het is wederom genieten, al klinkt er weinig recent werk: slechts A Self Made Man, Venus en Pushed to the Limit komen van het laatste album dat de band toentertijd had uitgebracht.
De band is hier vooral goed op dreef, met op drums Simon Wright en verder de oudgedienden Phil Mogg, Pete Way en Paul Raymond. De laatste laat een enkele keer toetseneffecten horen die afwijken van de oorspronkelijke liveversie.
Geinig dat de hier bruinharige Schenker in de solo van Too Hot to Handle zijn plectrum lijkt te verliezen; zo'n imperfectie verhoogt voor mij het "echte" livegevoel. De productie is niet zo machtig en vol als op de liveklassieker, tegelijkertijd wél transparant en daarmee aangenaam.
Het waren de jaren dat dit soort hardrock niet helemaal hip en sexy was, maar wij fans weten beter. Dit genre was sowieso nooit bedoeld voor hipheid, nietwaar?
Leve het oppoetsen van documenten als deze, fijn dat jailhouserocker1 mij erop wees bij Obsession van twintig jaar daarvoor. Wat was dit toch een fijn bandje en hoezeer hoop ik dat de uitgestelde afscheidstournee alsnog doorgaat. Hopelijk herstelt de rikketik van Mogg daar goed genoeg voor...
Anders dan op het legendarische Strangers in the Night (opnamen uit 1978) zijn we hier in 1998 en klinkt het publiek niet als in een stadion, maar als de hoeveelheid van een reguliere concertzaal. Pas bij thuiskomst kom ik er koeklend achter dat het oude wijn in nieuwe zakken betreft: de hoes is anders, maar dit plaatje is alweer zo'n kleine 25 jaar oud, De opnamen stammen uit februari dat jaar toen de band op tournee was voor Walk on Water (1995). Hierop was de legendarische Schenker teruggekeerd.
Sympathiek concert, het is wederom genieten, al klinkt er weinig recent werk: slechts A Self Made Man, Venus en Pushed to the Limit komen van het laatste album dat de band toentertijd had uitgebracht.
De band is hier vooral goed op dreef, met op drums Simon Wright en verder de oudgedienden Phil Mogg, Pete Way en Paul Raymond. De laatste laat een enkele keer toetseneffecten horen die afwijken van de oorspronkelijke liveversie.
Geinig dat de hier bruinharige Schenker in de solo van Too Hot to Handle zijn plectrum lijkt te verliezen; zo'n imperfectie verhoogt voor mij het "echte" livegevoel. De productie is niet zo machtig en vol als op de liveklassieker, tegelijkertijd wél transparant en daarmee aangenaam.
Het waren de jaren dat dit soort hardrock niet helemaal hip en sexy was, maar wij fans weten beter. Dit genre was sowieso nooit bedoeld voor hipheid, nietwaar?
Leve het oppoetsen van documenten als deze, fijn dat jailhouserocker1 mij erop wees bij Obsession van twintig jaar daarvoor. Wat was dit toch een fijn bandje en hoezeer hoop ik dat de uitgestelde afscheidstournee alsnog doorgaat. Hopelijk herstelt de rikketik van Mogg daar goed genoeg voor...
UFO - You Are Here (2004)

3,5
0
geplaatst: 21 oktober 2024, 19:02 uur
Een lange inleiding, na de tweede witregel gaat het over You Are Here.
De drie albums die UFO in 1995, 2000 en 2002 met de teruggekeerde Michael Schenker had gemaakt, haalden noch in het Verenigd Koninkrijk, noch in de Verenigde Staten de albumlijsten. Dát was anders gehoopt. Geen terugkeer naar de (financiële) hoogtijdagen van eind jaren '70, die vooral met livedubbelaar Strangers in the Night (1979) was bereikt. Wat dat betreft was er geen verschil met de twee albums die UFO-zonder-Schenker als Way/Mogg maakte.
Volgens bandbiografie 'High Stakes & Dangerous Men' (2014) van Neil Daniels meldt de groep in januari 2003 dat Schenker is vertrokken, waarbij er inmiddels geen juridische redenen meer zijn die verhinderen dat men als UFO continueert.
Schenker zit in problemen: opnieuw door alcohol; schulden én een echtscheiding waarbij twee kinderen zijn betrokken verergeren de boel. De gitarist stelt orde op zaken: zo verkoopt hij gitaren plus andere persoonlijke bezittingen waarbij een tourbus, brengt met MSG Arachnophobiac uit en tourt, waarna hij zichzelf twee jaar later weer op orde heeft.
UFO meldt ondertussen dat ex-Europegitarist John Norum bij de band speelt; voor de tweede maal, als in 1995 bij de nasleep van de mislukte tour bij Walk on Water. Deze meldt echter enkele maanden later dat hij het aanbod heeft afgeslagen.
In juli 2003 duiken er geruchten op dat Vinnie Moore zich bij UFO heeft aangesloten, hetgeen in 2004 officieel wordt. Hem kende ik van het ijzerksterke en keiharde debuut van Vicious Rumors (1987) én van zijn subtielere soloalbum Mind's Eye (1986). Ander werk had mijn oren niet bereikt, waarbij zijn periode bij Alice Cooper ten tijde van Hey Stoopid (1991). Een vriend van Moore tipte hem, waarop de snarenman een demo naar UFO's Duitse manager Peter Knorn stuurde; ze kenden elkaar al van een ontmoeting in de VS toen Moore voor Schenker opende.
Toetsenist (en soms gitarist) Paul Raymond keert terug, waarmee een vol livegeluid én variatie zijn gewaarborgd. Derde grote verrassing is de komst van drummer Jason Bonham, die aan de groep wordt gekoppeld door Spike, de frontman van The Quireboys, de groep waarin Phil Moggs neef Nigel bassist is.
You Are Here wordt opgenomen in het Duitse Celle in de Area 51 Studio met Tommy Newton (Thomas Metzger) als nieuwe producer. Daarmee klinkt de boel coherenter dan de voorgangers. Net als op voorganger Sharks gaat UFO met hard rockende slidegitaren van start, hier When Daylight Goes to Town geheten. Een ijzersterk nummer, mede dankzij de rauwe tegenzang in het refrein van bassist Pete Way.
De nummers daarna hebben meer tijd nodig, maar geleidelijk pakt Black Cold Coffee met zijn gecompliceerde gitaarlicks. The Wild One is midtempo. Moore speelt gevarieerd: van robuuste hardrock via snufjes blues en shredracerij naar de nodige akoestische partijen.
Give It Up is lekker uptempo, solide stoempend als een wielrenner, Call Me is degelijk midtempo en Slipping Away begint verrassend met hoge o-hoo-hoozang van Phil Mogg (doet ie anders nooit), waarna het swingend vervolgt met sterke melodieën en een kwetsbaar gespeelde brug.
De tweede helft begint met The Spark That Is Us, voor mij het tweede absolute hoogtepunt van de plaat. De coupletten bevatten drie maten vierkwartsmaat, gevolgd door een tweekwarts. Omdat Bonham drummer is, denk ik al vlug aan diens vader John, toen deze bij Led Zeppelin Kashmir inspeelde.
De nummers daarna zijn qua tempo te vaak midtempo of nét iets sneller, waardoor enige eenvormigheid ontstaat. Neemt niet weg dat Sympathy een heerlijke massief refrein bevat en in het intro van Baby Blue klinkt práchtig akoestisch gitaarspel.
Ik geef na die zwakkere tweede helft een 7,5 als cijfer, uitgedrukt in 3,5 ster. Geoff Barton van Classic Rock was overigens rázend enthousiast, zo schrijft Neil Daniels in de bandbio: "I began to wonder if this might be the finest studio album of UFO's entire 35 year career."
Eind augustus 2024 verscheen een heruitgave bij Cleopatra met als bonustrack Messing up the Bed. Daarbij ook op 2LP in goudkleur verkrijgbaar.
Ex-UFO-toetsenist Danny Peyronel bracht eveneens in 2004 een album uit dat qua titel én hoes verwees naar No Heavy Petting (1976). Daarop een cover van Highway Lady.
Volgende UFO-album werd het relatief onbekend gebleven Showtime van een jaar later.
De drie albums die UFO in 1995, 2000 en 2002 met de teruggekeerde Michael Schenker had gemaakt, haalden noch in het Verenigd Koninkrijk, noch in de Verenigde Staten de albumlijsten. Dát was anders gehoopt. Geen terugkeer naar de (financiële) hoogtijdagen van eind jaren '70, die vooral met livedubbelaar Strangers in the Night (1979) was bereikt. Wat dat betreft was er geen verschil met de twee albums die UFO-zonder-Schenker als Way/Mogg maakte.
Volgens bandbiografie 'High Stakes & Dangerous Men' (2014) van Neil Daniels meldt de groep in januari 2003 dat Schenker is vertrokken, waarbij er inmiddels geen juridische redenen meer zijn die verhinderen dat men als UFO continueert.
Schenker zit in problemen: opnieuw door alcohol; schulden én een echtscheiding waarbij twee kinderen zijn betrokken verergeren de boel. De gitarist stelt orde op zaken: zo verkoopt hij gitaren plus andere persoonlijke bezittingen waarbij een tourbus, brengt met MSG Arachnophobiac uit en tourt, waarna hij zichzelf twee jaar later weer op orde heeft.
UFO meldt ondertussen dat ex-Europegitarist John Norum bij de band speelt; voor de tweede maal, als in 1995 bij de nasleep van de mislukte tour bij Walk on Water. Deze meldt echter enkele maanden later dat hij het aanbod heeft afgeslagen.
In juli 2003 duiken er geruchten op dat Vinnie Moore zich bij UFO heeft aangesloten, hetgeen in 2004 officieel wordt. Hem kende ik van het ijzerksterke en keiharde debuut van Vicious Rumors (1987) én van zijn subtielere soloalbum Mind's Eye (1986). Ander werk had mijn oren niet bereikt, waarbij zijn periode bij Alice Cooper ten tijde van Hey Stoopid (1991). Een vriend van Moore tipte hem, waarop de snarenman een demo naar UFO's Duitse manager Peter Knorn stuurde; ze kenden elkaar al van een ontmoeting in de VS toen Moore voor Schenker opende.
Toetsenist (en soms gitarist) Paul Raymond keert terug, waarmee een vol livegeluid én variatie zijn gewaarborgd. Derde grote verrassing is de komst van drummer Jason Bonham, die aan de groep wordt gekoppeld door Spike, de frontman van The Quireboys, de groep waarin Phil Moggs neef Nigel bassist is.
You Are Here wordt opgenomen in het Duitse Celle in de Area 51 Studio met Tommy Newton (Thomas Metzger) als nieuwe producer. Daarmee klinkt de boel coherenter dan de voorgangers. Net als op voorganger Sharks gaat UFO met hard rockende slidegitaren van start, hier When Daylight Goes to Town geheten. Een ijzersterk nummer, mede dankzij de rauwe tegenzang in het refrein van bassist Pete Way.
De nummers daarna hebben meer tijd nodig, maar geleidelijk pakt Black Cold Coffee met zijn gecompliceerde gitaarlicks. The Wild One is midtempo. Moore speelt gevarieerd: van robuuste hardrock via snufjes blues en shredracerij naar de nodige akoestische partijen.
Give It Up is lekker uptempo, solide stoempend als een wielrenner, Call Me is degelijk midtempo en Slipping Away begint verrassend met hoge o-hoo-hoozang van Phil Mogg (doet ie anders nooit), waarna het swingend vervolgt met sterke melodieën en een kwetsbaar gespeelde brug.
De tweede helft begint met The Spark That Is Us, voor mij het tweede absolute hoogtepunt van de plaat. De coupletten bevatten drie maten vierkwartsmaat, gevolgd door een tweekwarts. Omdat Bonham drummer is, denk ik al vlug aan diens vader John, toen deze bij Led Zeppelin Kashmir inspeelde.
De nummers daarna zijn qua tempo te vaak midtempo of nét iets sneller, waardoor enige eenvormigheid ontstaat. Neemt niet weg dat Sympathy een heerlijke massief refrein bevat en in het intro van Baby Blue klinkt práchtig akoestisch gitaarspel.
Ik geef na die zwakkere tweede helft een 7,5 als cijfer, uitgedrukt in 3,5 ster. Geoff Barton van Classic Rock was overigens rázend enthousiast, zo schrijft Neil Daniels in de bandbio: "I began to wonder if this might be the finest studio album of UFO's entire 35 year career."
Eind augustus 2024 verscheen een heruitgave bij Cleopatra met als bonustrack Messing up the Bed. Daarbij ook op 2LP in goudkleur verkrijgbaar.
Ex-UFO-toetsenist Danny Peyronel bracht eveneens in 2004 een album uit dat qua titel én hoes verwees naar No Heavy Petting (1976). Daarop een cover van Highway Lady.
Volgende UFO-album werd het relatief onbekend gebleven Showtime van een jaar later.
Ultravox - Quartet (1982)

4,0
3
geplaatst: 2 mei 2023, 18:11 uur
De zesde van Ultravox en de derde met Midge Ure in de gelederen, verscheen in oktober 1982. Tevens de tweede achtereenvolgende die in Nederland geen hits opleverde en mede daardoor liet ik Quartet aan mij voorbijgaan. Ten onrechte. Alweer!
Met George Martin achter de knoppen (opvallende keuze, al kan ik me even niet herinneren van welke andere groep ik die naam ook alweer ken
) is de sound wat ingetogener ten opzichte van voorganger Rage in Eden. Wél blijft het energiek klinken. Dit lichtere geluid wordt veroorzaakt doordat de scheurende gitaar en de grommende bas strakker worden aangelijnd. Houd je koest!
Daar komt bij dat je vooral een groep-met-keyboards hoort in plaats van synthesizergedomineerde (leuke voor Wordfeud) electropop. Dat mede omdat drummer Warren Cann op zes van de negen nummers op zijn conventionele drumstel speelt; alleen op de B-zijde ontwaar ik een drumcomputer, te weten op Visions in Blue, We Came to Dance en The Song (We Go). Ze horen bij de beste nummers van de plaat, de laatste mijn favoriet van Quartet.
Wat dat betreft is de soloplaat van Phil Lynott uit datzelfde jaar méér een synthesizeralbum dan deze van Ultravox. De digitale mannen op dat album: Ure met Thin Lizzy's Darren Warton.
De nummers op Quartet zijn vooral uptempo, gevarieerd, goed opgebouwd en hebben sterke melodieën met emotionele zang - niks te zeuren. Of toch wel: de viool van Billy Currie wordt niet/nauwelijks ingezet.
In Oor was Rogier van Bakel enthousiast over de A-kant en had minder met de tweede helft. Ik mag ze allebei graag horen.
In het Verenigd Koninkrijk scoorde de groep in tegenstelling tot de Lage Landen wel hits van deze plaat. Vanaf september 1982 maar liefst vier maal, alle vier top 20, respectievelijk Reap the Wild Wind (in oktober piekend op #12), Hymn (kerstsingle, #11 in januari 1983), Visions in Blue (#15 in maart) en We Came to Dance (#18 in juni). Toch gek dat dit in Nederland en Vlaanderen niets deed.
Met George Martin achter de knoppen (opvallende keuze, al kan ik me even niet herinneren van welke andere groep ik die naam ook alweer ken
) is de sound wat ingetogener ten opzichte van voorganger Rage in Eden. Wél blijft het energiek klinken. Dit lichtere geluid wordt veroorzaakt doordat de scheurende gitaar en de grommende bas strakker worden aangelijnd. Houd je koest! Daar komt bij dat je vooral een groep-met-keyboards hoort in plaats van synthesizergedomineerde (leuke voor Wordfeud) electropop. Dat mede omdat drummer Warren Cann op zes van de negen nummers op zijn conventionele drumstel speelt; alleen op de B-zijde ontwaar ik een drumcomputer, te weten op Visions in Blue, We Came to Dance en The Song (We Go). Ze horen bij de beste nummers van de plaat, de laatste mijn favoriet van Quartet.
Wat dat betreft is de soloplaat van Phil Lynott uit datzelfde jaar méér een synthesizeralbum dan deze van Ultravox. De digitale mannen op dat album: Ure met Thin Lizzy's Darren Warton.
De nummers op Quartet zijn vooral uptempo, gevarieerd, goed opgebouwd en hebben sterke melodieën met emotionele zang - niks te zeuren. Of toch wel: de viool van Billy Currie wordt niet/nauwelijks ingezet.
In Oor was Rogier van Bakel enthousiast over de A-kant en had minder met de tweede helft. Ik mag ze allebei graag horen.
In het Verenigd Koninkrijk scoorde de groep in tegenstelling tot de Lage Landen wel hits van deze plaat. Vanaf september 1982 maar liefst vier maal, alle vier top 20, respectievelijk Reap the Wild Wind (in oktober piekend op #12), Hymn (kerstsingle, #11 in januari 1983), Visions in Blue (#15 in maart) en We Came to Dance (#18 in juni). Toch gek dat dit in Nederland en Vlaanderen niets deed.
Ultravox - Rage in Eden (1981)

4,0
2
geplaatst: 1 mei 2023, 18:40 uur
Rage in Eden ging indertijd bijna geheel langs mij heen, omdat de tweede van Ultravox met frontman Midge Ure in Nederland geen hitsingles opleverde; dit in tegenstelling tot het Verenigd Koninkrijk, waar The Thin Wall in september en The Voice in december 1981 in de top 20 piekten.
Desalniettemin is dit een sterk album, dat niet onderdoet voor voorganger Vienna. Net als die elpee opgenomen in Duitsland bij Conny Plank, vinden we hier een mix van synthesizerpop met new wave in de klassieke bezetting bas-gitaar-drums. Wel is de invloed van synthesizers hier groter. Dat geldt met name voor de B-kant (vanaf track 5), waar met name de sequencer vaak de basis vormt van de muziek.
Op de eerste helft echter is de muziek vergelijkbaar met sommige muziek van The Stranglers in hun eerste post-punkfase, te weten op de albums The Raven (1979) en La Folie (’81). Ook bij Ultravox is de muziek stevig met licht-grommende bas, waaromheen stevige toetsen en vrij stevige gitaren klinken. Bombastisch dus. Speerpunt is de gepassioneerde zang van Ure, die de toch al sterke composities een extra duw omhoog geeft.
Enige nadeel van dit album is dat sommige nummers mij te lang duren om te blijven boeien, zelfs als ze op zich sterk zijn. Voorbeeld hiervan is The Thin Wall dat zo’n 5’40” duurt en waarin een sterk sequencerthema mij te vaak wordt herhaald.
Mijn voorkeur ligt daarom op de eerste helft bij The Voice, We Stand Alone en I Remember (Death in the Afternoon), waar op strangleriaanse wijze stevig en uptempo wordt gespeeld.
Hybride synthwave, waarin gitaar en toetsen om voorrang strijden, een gevecht dat in een gelijkspel tussen de instrumenten eindigt. Alhoewel, in Oor oordeelde Rogier van Bakel licht anders. De uiteindelijke winnaar is daarbij onbetwist de luisteraar. Fanatieke fans zouden de boxset kunnen overwegen, waar Edwin in 2021 over schreef.
Desalniettemin is dit een sterk album, dat niet onderdoet voor voorganger Vienna. Net als die elpee opgenomen in Duitsland bij Conny Plank, vinden we hier een mix van synthesizerpop met new wave in de klassieke bezetting bas-gitaar-drums. Wel is de invloed van synthesizers hier groter. Dat geldt met name voor de B-kant (vanaf track 5), waar met name de sequencer vaak de basis vormt van de muziek.
Op de eerste helft echter is de muziek vergelijkbaar met sommige muziek van The Stranglers in hun eerste post-punkfase, te weten op de albums The Raven (1979) en La Folie (’81). Ook bij Ultravox is de muziek stevig met licht-grommende bas, waaromheen stevige toetsen en vrij stevige gitaren klinken. Bombastisch dus. Speerpunt is de gepassioneerde zang van Ure, die de toch al sterke composities een extra duw omhoog geeft.
Enige nadeel van dit album is dat sommige nummers mij te lang duren om te blijven boeien, zelfs als ze op zich sterk zijn. Voorbeeld hiervan is The Thin Wall dat zo’n 5’40” duurt en waarin een sterk sequencerthema mij te vaak wordt herhaald.
Mijn voorkeur ligt daarom op de eerste helft bij The Voice, We Stand Alone en I Remember (Death in the Afternoon), waar op strangleriaanse wijze stevig en uptempo wordt gespeeld.
Hybride synthwave, waarin gitaar en toetsen om voorrang strijden, een gevecht dat in een gelijkspel tussen de instrumenten eindigt. Alhoewel, in Oor oordeelde Rogier van Bakel licht anders. De uiteindelijke winnaar is daarbij onbetwist de luisteraar. Fanatieke fans zouden de boxset kunnen overwegen, waar Edwin in 2021 over schreef.
Ultravox - Systems of Romance (1978)

3,5
1
geplaatst: 11 juni 2024, 13:32 uur
Totdat de cd de platenzaken ging domineren (rond 1993?) was Systems of Romance van de eerste drie albums van Ultravox de enige die je regelmatig in de bakken tegenkwam. Althans, zo herinner ik me dat. Waar Island met de eerste twee niet zozeer op het Europese continent mikte, was dat met deze anders.
De eerste van Ultravox! (toen nog met uitroepteken) vatte in 1976 de art- en pubrock tot 1975 samen, op de opvolger injecteerde men zichzelf met een fikse dosis punkenergie en op deze derde uit september 1978 wordt een evenwicht gevonden tussen die invloeden, waarbij het uitroepteken is verdwenen. Voor het eerst krijgen de synthesizers continu een prominente rol.
Qua sfeer heeft het resultaat weg van die op David Bowies Berlijntrilogie Low ('77), "Heroes" ('77) en Lodger ('79). Wat ontstaat is namelijk een hybride vorm van enerzijds de klassieke rock 'n' roll met gitaar-bas-drums en anderzijds de geluiden van een nieuwe generatie synths. Voeg daarbij de droge productie (drumgeluid!) en mede door de zangstijl van John Foxx een soms kille sfeer, en je hebt heerlijke new wave.
Daarmee loopt Ultravox voorop: Gary Numan en zijn Tubeway Army kwamen pas in '79 met een soortgelijke kruisbestuiving.
De klagende, lange gitaarlijnen die bij Ultravox op onder meer Maximum Acceleration klinken zijn als die van Carlos Alomar en Robert Fripp in 1977 bij Bowie. Hier is het Robin Simon die zo sterk speelt. Een andere manier van gitaarspelen die ontzettend veel sfeer aan de muziek geeft.
Meestal klinken akoestische drums, maar in bijvoorbeeld Quiet Man en Dislocation zijn ze zowaar digitaal. Beide vormen van slagwerk worden gespeeld door Warren Cann. En dan is er natuurlijk violist - toetsenist Billy Currie die met zijn klassieke achtergrond een progrockachtige benadering hanteert. Het duidelijkst klinkt die nog in het sobere slotnummer Just for a Moment. Alsof je de blauwdruk van de hit Vienna uit 1981 hoort.
Het is de van oorsprong krautrockproducer Connie Plank die Systems of Romance in zijn Duitse studio vastlegde met David Hutchins. Een geluid waarmee een nieuw tijdperk klonk.
Hits blijven uit ondanks een optreden bij de Britse tv-show The Old Grey Whistle Test. De elpee flopt en intern is onenigheid. Zowel Foxx als Simon verlaten de groep, de achterblijvers werken aan een doorstart. Billie Currie combineert dit in 1979 in Visage, samen met ex-boybandlid en ex-punkrocker Midge Ure en leden van postpunkgroep Magazine.
Van Systems of Romance verscheen in 2006 een opgepoetste cd-versie met bonussen. Een sterk album. Op reis door new wave kwam ik van The Dictators en reis door naar XTC.
De eerste van Ultravox! (toen nog met uitroepteken) vatte in 1976 de art- en pubrock tot 1975 samen, op de opvolger injecteerde men zichzelf met een fikse dosis punkenergie en op deze derde uit september 1978 wordt een evenwicht gevonden tussen die invloeden, waarbij het uitroepteken is verdwenen. Voor het eerst krijgen de synthesizers continu een prominente rol.
Qua sfeer heeft het resultaat weg van die op David Bowies Berlijntrilogie Low ('77), "Heroes" ('77) en Lodger ('79). Wat ontstaat is namelijk een hybride vorm van enerzijds de klassieke rock 'n' roll met gitaar-bas-drums en anderzijds de geluiden van een nieuwe generatie synths. Voeg daarbij de droge productie (drumgeluid!) en mede door de zangstijl van John Foxx een soms kille sfeer, en je hebt heerlijke new wave.
Daarmee loopt Ultravox voorop: Gary Numan en zijn Tubeway Army kwamen pas in '79 met een soortgelijke kruisbestuiving.
De klagende, lange gitaarlijnen die bij Ultravox op onder meer Maximum Acceleration klinken zijn als die van Carlos Alomar en Robert Fripp in 1977 bij Bowie. Hier is het Robin Simon die zo sterk speelt. Een andere manier van gitaarspelen die ontzettend veel sfeer aan de muziek geeft.
Meestal klinken akoestische drums, maar in bijvoorbeeld Quiet Man en Dislocation zijn ze zowaar digitaal. Beide vormen van slagwerk worden gespeeld door Warren Cann. En dan is er natuurlijk violist - toetsenist Billy Currie die met zijn klassieke achtergrond een progrockachtige benadering hanteert. Het duidelijkst klinkt die nog in het sobere slotnummer Just for a Moment. Alsof je de blauwdruk van de hit Vienna uit 1981 hoort.
Het is de van oorsprong krautrockproducer Connie Plank die Systems of Romance in zijn Duitse studio vastlegde met David Hutchins. Een geluid waarmee een nieuw tijdperk klonk.
Hits blijven uit ondanks een optreden bij de Britse tv-show The Old Grey Whistle Test. De elpee flopt en intern is onenigheid. Zowel Foxx als Simon verlaten de groep, de achterblijvers werken aan een doorstart. Billie Currie combineert dit in 1979 in Visage, samen met ex-boybandlid en ex-punkrocker Midge Ure en leden van postpunkgroep Magazine.
Van Systems of Romance verscheen in 2006 een opgepoetste cd-versie met bonussen. Een sterk album. Op reis door new wave kwam ik van The Dictators en reis door naar XTC.
Ultravox - Vienna (1980)

4,0
2
geplaatst: 12 april 2023, 19:12 uur
Heel vaak hoorde ik vanaf maart 1981 de single Vienna op de radio. Het bijbehorende album was toen al acht maanden uit, maar de naam van het Londense Ultravox zei me weinig of niets; dat die elpee alweer de vierde van de groep was evenmin.
Aan de British Charts te zien, liepen de Britten niet veel voor: Sleepwalk was daar Ultravox’ eerste hit. Het haalde in augustus ’80 #29 en Passing Strangers in oktober #59. Maar toen kwam het titellied op single uit en stond vanaf half februari ’81 vier weken #2. Nederland volgde en Vienna stond in april vier weken #1, in Vlaanderen in april-mei drie weken op die plek.
Het nummer was mij wat te langzaam, maar de sfeer door de synthesizers gecreëerd was helemaal fijn met die beat en echo’s, zeker in het snellere deel waar bovendien een viool klonk. Het werd echter zo vaak op de radio gedraaid dat ik het na enige tijd ontzettend zát was. Jarenlang...
De naam van de Schot Midge Ure viel daarbij vaak. Ik kende zijn naam van Thin Lizzy, waarmee hij niet alleen tourde: met frontman Phil Lynott zat hij frequent in de studio, hoorbaar op zowel band- als soloplaten van de Ier.
Anno 2023 valt mij op dat de groep bij de productie werd bijgestaan Konrad Connie Plank, de Duitser die ik van namen als Neu! en Kraftwerk ken. De stijl verraadt dat Ultravox net als Tubeway Army / Gary Numan een traditioneel gitaar-bas-drumsverleden had; meestal klinken traditionelere geluiden.
Met Astrodyne begint de plaat instrumentaal en bombastisch, in New Europeans klinkt “gewoon” lekkere new wave met gitaar en een vleugje toetsen, net als in Private Lives en Passing Strangers. Sleepwalk sluit de A-kant af en bevat sterkere digitale invloeden, maar nog altijd met het drumwerk van Warren Cann.
Mr. X op de B-kant is het eerste nummer met slechts digitale instrumenten, het is Cann die zingt. Western Promise is een mix van “klassieke” wave en in het eerste deel instrumentaal, met een hoofdrol voor de viool van Billy Currie. Na Vienna volgt All Stood Still, net als het slot van de A-kant een sterke mix van analoge en digitale klanken, met onder meer een gitaarsolootje en een vleugje scheurende reggaegitaar zoals ik dat van Fischer-Z ken.
Tevens op streaming te vinden is de 2008-cd-uitgave. Deze kent vele leuke bonussen met zowel demo’s, liveopnamen, oefenruimteversies én speciale versies, waarbij nieuw het instrumentale Alles Klar.
Een sterk album met pakkende composities en voorzichtig experiment: vaak een "conventioneel" bandje, soms een vernieuwend geluid. Geen pure synthesizerpop, maar zeker wel fijne new wave. Jan Libbenga vond dat indertijd in Oor overigens ook al.
Aan de British Charts te zien, liepen de Britten niet veel voor: Sleepwalk was daar Ultravox’ eerste hit. Het haalde in augustus ’80 #29 en Passing Strangers in oktober #59. Maar toen kwam het titellied op single uit en stond vanaf half februari ’81 vier weken #2. Nederland volgde en Vienna stond in april vier weken #1, in Vlaanderen in april-mei drie weken op die plek.
Het nummer was mij wat te langzaam, maar de sfeer door de synthesizers gecreëerd was helemaal fijn met die beat en echo’s, zeker in het snellere deel waar bovendien een viool klonk. Het werd echter zo vaak op de radio gedraaid dat ik het na enige tijd ontzettend zát was. Jarenlang...
De naam van de Schot Midge Ure viel daarbij vaak. Ik kende zijn naam van Thin Lizzy, waarmee hij niet alleen tourde: met frontman Phil Lynott zat hij frequent in de studio, hoorbaar op zowel band- als soloplaten van de Ier.
Anno 2023 valt mij op dat de groep bij de productie werd bijgestaan Konrad Connie Plank, de Duitser die ik van namen als Neu! en Kraftwerk ken. De stijl verraadt dat Ultravox net als Tubeway Army / Gary Numan een traditioneel gitaar-bas-drumsverleden had; meestal klinken traditionelere geluiden.
Met Astrodyne begint de plaat instrumentaal en bombastisch, in New Europeans klinkt “gewoon” lekkere new wave met gitaar en een vleugje toetsen, net als in Private Lives en Passing Strangers. Sleepwalk sluit de A-kant af en bevat sterkere digitale invloeden, maar nog altijd met het drumwerk van Warren Cann.
Mr. X op de B-kant is het eerste nummer met slechts digitale instrumenten, het is Cann die zingt. Western Promise is een mix van “klassieke” wave en in het eerste deel instrumentaal, met een hoofdrol voor de viool van Billy Currie. Na Vienna volgt All Stood Still, net als het slot van de A-kant een sterke mix van analoge en digitale klanken, met onder meer een gitaarsolootje en een vleugje scheurende reggaegitaar zoals ik dat van Fischer-Z ken.
Tevens op streaming te vinden is de 2008-cd-uitgave. Deze kent vele leuke bonussen met zowel demo’s, liveopnamen, oefenruimteversies én speciale versies, waarbij nieuw het instrumentale Alles Klar.
Een sterk album met pakkende composities en voorzichtig experiment: vaak een "conventioneel" bandje, soms een vernieuwend geluid. Geen pure synthesizerpop, maar zeker wel fijne new wave. Jan Libbenga vond dat indertijd in Oor overigens ook al.
Ultravox! - Ha!-Ha!-Ha! (1977)

4,0
0
geplaatst: 1 juni 2024, 12:34 uur
Ha - Ha - Ha! is de tweede van het Ultravox! uit oktober 1977, als punk een jaar een Britse mediahype is, pretenderd de gevestigde muziekorde omver te zullen werpen. Een bewering die vooral klonk als je de kringen rond de Sex Pistols hoorde, de groep die na een jaar tumult eveneens in oktober hun debuut uitbracht; de Ramones onthielden zich van zulke grootspraak. Het Londense Ultravox! is weliswaar minder opzienbarend maar bevond zich wel degelijk in de eerste golf nieuwe stijl.
Op Ultravox!' prima debuut uit 1976 klonk een aangename samenvatting van Britse alternatieve rock van de jaren '74-'76, plus hints op de nabije toekomst. Eigenlijk te ouderwets voor een groep die door de platenmaatschappij als punk of new wave werd aangeprezen, wat een nadeel zal zijn geweest voor de concerten: de energie van punk ontbreekt er te vaak.
Wel, dát is op hun tweede goedgemaakt. Het ene na het andere uptempo nummer vol scheurende gitaar komt voorbij, de Canadese drummer Warren Cann had daarbij het nodige uithoudingsvermogen nodig. Hiermee werd hun oude set aangevuld met knallend materiaal en in Foxx' zangstijl meen ik soms iets van Johnny Rotten terug te horen.
Maar dit is géén punk, al is die energie volop aanwezig. De meeste nummers werden geschreven door zanger-gitarist John Foxx, soms mede door Cann en bassist Chris Cross, zijn het de synthesizers van vierde co-componist Billy Currie die duidelijk maken dat de heren zich breder oriënteerden. Aanvankelijk nog heel bescheiden, zoals de eerste tonen van ROckwrok met zijn afwijkende typografie en het ingetogen synthintro van The Frozen Ones, waarna scheurende gitaren ondersteund door toetsen het nummer heerlijk uptempo laten knallen. Fear in the Western World knalt meteen met de snaredrum op elke tel en de gitaren van Foxx en Stevie Shears grommen en huilen dat het een lieve lust is.
Dan plotseling ingetogen piano: het intro van Distant Smile met later de synths en viool van Currie. Alsof we op de introspectieve tweede plaatkant van Bowies fameuze Low zitten, zó mooi. Even onverwacht is dat het op 2'40" (sorry voor de spoiler) als donderslag bij heldere hemel nog uptempo wordt, waarbij weer eens opvalt hoe goed de drums klinken in de productie van de groep met Steve Lillywhite.
Op de B-kant legt The Man Who Dies Everyday de nodige nadruk op synthesizers. Artificial Life begint klein met synthesizers en koele zang, om in vijf minuten naar een snelle gitaarclimax toe te groeien, compleet met raggende vioolsolo: prachtig! While I'm Still Alive bevat stevige, midtempo gitaarwave. Hiroshima Mon Amour tenslotte wordt gedragen door een synthesizerbeat én een saxsolo van gastmuzikant C.C. (Smith, van de groep Gloria Mundi).
De eerste oplage had een bonussingle met daarop het punkachtige Quirks en Modern Love. Die stonden met andere bonussen op de 2006-cd-heruitgave van Ha! - Ha! - Ha! en/of op de 2011-3cd-editie van verzamelaar The Island Years .
Hitsingles waren er in 1977 nog niet, reden dat dit Ultravox! dat jaar niet mijn oren bereikte. Maar als ik 'm in het echt tegenkom, schaf ik 'm aan. Knallende new wave met stevige gitaren, als contrast daarmee synthesizers en soms vervreemdend vioolspel? Helemaal fijn.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en co kwam vanaf het titelloze debuut van The Flyin' Spiderz en vervolgt bij de tweede van The Vibrators. Op naar april 1978.
Op Ultravox!' prima debuut uit 1976 klonk een aangename samenvatting van Britse alternatieve rock van de jaren '74-'76, plus hints op de nabije toekomst. Eigenlijk te ouderwets voor een groep die door de platenmaatschappij als punk of new wave werd aangeprezen, wat een nadeel zal zijn geweest voor de concerten: de energie van punk ontbreekt er te vaak.
Wel, dát is op hun tweede goedgemaakt. Het ene na het andere uptempo nummer vol scheurende gitaar komt voorbij, de Canadese drummer Warren Cann had daarbij het nodige uithoudingsvermogen nodig. Hiermee werd hun oude set aangevuld met knallend materiaal en in Foxx' zangstijl meen ik soms iets van Johnny Rotten terug te horen.
Maar dit is géén punk, al is die energie volop aanwezig. De meeste nummers werden geschreven door zanger-gitarist John Foxx, soms mede door Cann en bassist Chris Cross, zijn het de synthesizers van vierde co-componist Billy Currie die duidelijk maken dat de heren zich breder oriënteerden. Aanvankelijk nog heel bescheiden, zoals de eerste tonen van ROckwrok met zijn afwijkende typografie en het ingetogen synthintro van The Frozen Ones, waarna scheurende gitaren ondersteund door toetsen het nummer heerlijk uptempo laten knallen. Fear in the Western World knalt meteen met de snaredrum op elke tel en de gitaren van Foxx en Stevie Shears grommen en huilen dat het een lieve lust is.
Dan plotseling ingetogen piano: het intro van Distant Smile met later de synths en viool van Currie. Alsof we op de introspectieve tweede plaatkant van Bowies fameuze Low zitten, zó mooi. Even onverwacht is dat het op 2'40" (sorry voor de spoiler) als donderslag bij heldere hemel nog uptempo wordt, waarbij weer eens opvalt hoe goed de drums klinken in de productie van de groep met Steve Lillywhite.
Op de B-kant legt The Man Who Dies Everyday de nodige nadruk op synthesizers. Artificial Life begint klein met synthesizers en koele zang, om in vijf minuten naar een snelle gitaarclimax toe te groeien, compleet met raggende vioolsolo: prachtig! While I'm Still Alive bevat stevige, midtempo gitaarwave. Hiroshima Mon Amour tenslotte wordt gedragen door een synthesizerbeat én een saxsolo van gastmuzikant C.C. (Smith, van de groep Gloria Mundi).
De eerste oplage had een bonussingle met daarop het punkachtige Quirks en Modern Love. Die stonden met andere bonussen op de 2006-cd-heruitgave van Ha! - Ha! - Ha! en/of op de 2011-3cd-editie van verzamelaar The Island Years .
Hitsingles waren er in 1977 nog niet, reden dat dit Ultravox! dat jaar niet mijn oren bereikte. Maar als ik 'm in het echt tegenkom, schaf ik 'm aan. Knallende new wave met stevige gitaren, als contrast daarmee synthesizers en soms vervreemdend vioolspel? Helemaal fijn.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en co kwam vanaf het titelloze debuut van The Flyin' Spiderz en vervolgt bij de tweede van The Vibrators. Op naar april 1978.
Ultravox! - Ultravox! (1977)

3,5
0
geplaatst: 28 mei 2024, 19:42 uur
Het debuut van Ultravox! en daarmee reis ik vanaf Amerikaanse dansbare wavepop uit 1978 door Talking Heads terug naar het Londen van februari 1977, als Ultravox! verschijnt. Opgenomen door producers Steve Lillywhite en Brian Eno. De eerste deed datzelfde jaar Live! van Status Quo en de tweede Low van David Bowie. Verschillende muzikale werelden en laten die nou elkaar raken op deze plaat.
De muziek werd geschreven door zanger John Foxx wiens naam verscholen zit in de groepsnaam, toetsenist-violist Bill Currie en bassist Chris Cross. Het resultaat is een amalgaam van pubrock (in opener Satday Night In The City Of The Dead klinkt zelfs een mondharmonica), rockende kritiek op de belastingvluchters van de Rolling Stones in Life at Rainbow's End (For All the Tax Exiles on Main Street), swingende wave in Slip Away met daarin aangename toetsen en progrock in I Want to Be a Machine waarin echo's van het Genesis met Peter Gabriel klinken; met zijn dikke 7 minuten het langste nummer van de plaat.
Op kant 2 wordt opnieuw uit verschillende bronnen gedronken. Gitaarwave in Wide Boys, reggaepop in Dangerous Rhythm, funkinvloeden in The Lonely Hunter, dominante viool in het sterke The Wild, The Beautiful & The Damned en introverte synthpop in slotlied My Sex.
Nee, dit is nog niet het Ultravox met Midge Ure, die in datzelfde jaar vooral druk was met eerst nog Slik en PVC2, daarna met Rich Kids. Opgenomen in het najaar van 1976 is dit echter wel degelijk een lekkere samenvatting van Britse alternatieve rock van de jaren '74-'76 met daarin hints op de nabije toekomst.
Mijn reis vervolgt met Britse punk, op naar The Vibrators.
De muziek werd geschreven door zanger John Foxx wiens naam verscholen zit in de groepsnaam, toetsenist-violist Bill Currie en bassist Chris Cross. Het resultaat is een amalgaam van pubrock (in opener Satday Night In The City Of The Dead klinkt zelfs een mondharmonica), rockende kritiek op de belastingvluchters van de Rolling Stones in Life at Rainbow's End (For All the Tax Exiles on Main Street), swingende wave in Slip Away met daarin aangename toetsen en progrock in I Want to Be a Machine waarin echo's van het Genesis met Peter Gabriel klinken; met zijn dikke 7 minuten het langste nummer van de plaat.
Op kant 2 wordt opnieuw uit verschillende bronnen gedronken. Gitaarwave in Wide Boys, reggaepop in Dangerous Rhythm, funkinvloeden in The Lonely Hunter, dominante viool in het sterke The Wild, The Beautiful & The Damned en introverte synthpop in slotlied My Sex.
Nee, dit is nog niet het Ultravox met Midge Ure, die in datzelfde jaar vooral druk was met eerst nog Slik en PVC2, daarna met Rich Kids. Opgenomen in het najaar van 1976 is dit echter wel degelijk een lekkere samenvatting van Britse alternatieve rock van de jaren '74-'76 met daarin hints op de nabije toekomst.
Mijn reis vervolgt met Britse punk, op naar The Vibrators.
Uriah Heep - Abominog (1982)

4,5
3
geplaatst: 21 januari 2023, 19:13 uur
De eerste generatie rockbands kreeg het vanaf 1977 zwaar en al helemaal in de jaren ’80. Dit door de komst van new wave met kortere nummers en andere geluiden en kleding, de vorige generatie met hun spijkerpakken voor oude dinosaurussen uitmakend.
Ik lees op MusicMeter regelmatig mopperende verhalen van mensen die dat niet weten en de artiesten verwijten aan commerciële uitverkoop te hebben gedaan. Wie echter niet veranderde, ging ten onder. Het was Uriah Heep bijna gebeurd: dit album komt na een periode waarin Mick Box het enig overgebleven bandlid was.
Een positieve reactie las ik medio februari 1982, toen de groep zijn comeback bezegelde met Abominog. Voor mij was Uriah Heep zo'n band die passé was. Ik vond hun vroegere werk, voor zover ik dat kende, best goed. Maar die zweverige hardrock paste niet bij “mijn” jaren ’80.
Helaas is de recensie in Oor niet online te vinden, maar ik herinner me dat de auteur (Hans van den Heuvel?) schreef dat hammondorgel en wahwah-gitaareffect dan eindelijk waren ingeruild voor eigentijdse geluiden. Mijn interesse was gewekt. Daarbij vond ik de hoes mooi: in de platenbak van de fonotheek sprong ie eruit! Van dezelfde kunstenaar als Wild Dogs van The Rods uit datzelfde 1982, ook al zo’n favorietje van me.
De teruggekeerde drummer Lee Kerslake had uit zijn tijd bij Ozzy Osbourne bassist Bob Daisley meegenomen; laatstgenoemde schreef daar veel muziek en alle teksten. Hier schreef Daisley mee aan vijf nummers. Het geluid van Abominog lijkt dan ook wel op Osbournes laatste album Diary of a Madman: melodieus met enerzijds meezingbare refreinen en anderszijds een stevig geluid.
Qua productie hoor ik drie nieuwigheden: de gitaar van Mick Box staat bovenaan in de mix, anders dan voorheen het geval was bij Heep; bovendien laat hij af en toe horen snel te kunnen soleren; nieuwe toetsenist John Sinclair bracht hele andere geluiden met zich mee dan we voorheen bij Heep hoorden, een wereld aan sferen.
Indertijd vond ik dit een goed album, een dikke veertig jaar groeit mijn waardering alleen maar. Heep zette op Abominog weliswaar vier covers, waaronder het van zichzelf gecoverde Think it Over; toch klinkt het geheel homogeen, waarin nieuwe zanger Peter Goalby floreert met zijn krachtige stem, perfect passend bij het Heep in deze stijl. De enige keer dat nadrukkelijk wordt verwezen naar de voorbije dagen is via de koortjes in Sell your Soul. Gedurende de plaat gebeurt in elk nummer wel iets moois: een zanglijn, een geluid (de zeker toen gewaagde digitale beat in in het intro van On the Rebound bijvoorbeeld)... Fris en stevig.
Bovendien zijn er op streaming prima bonussen, leuk bijvoorbeeld om drie nummers in liveversie te horen. Ze knallen nog meer, inclusief gitaarsolo’s en drumrolls á la Over the Mountain uit Kerslakes dagen bij de madman.
Sterke hardrock, op de rustiger momenten zou je het adult oriented rock kunnen noemen; sterke liedjes bovendien. Voor mij één van de beste platen van de groep. 'Heep Heep hooray, Heep is back, ready for the 80's so still okay' zal iemand hebben gejubeld.
Volgende week verschijnt hun nieuwe album. Hopelijk kan ik weer juichen, want zeker vanaf Wake the Sleeper (2008) vind ik dit iedere keer weer een verrassend fris bandje. Net als hier op Abominog, toen de groep zich opnieuw uitvond.
Ik lees op MusicMeter regelmatig mopperende verhalen van mensen die dat niet weten en de artiesten verwijten aan commerciële uitverkoop te hebben gedaan. Wie echter niet veranderde, ging ten onder. Het was Uriah Heep bijna gebeurd: dit album komt na een periode waarin Mick Box het enig overgebleven bandlid was.
Een positieve reactie las ik medio februari 1982, toen de groep zijn comeback bezegelde met Abominog. Voor mij was Uriah Heep zo'n band die passé was. Ik vond hun vroegere werk, voor zover ik dat kende, best goed. Maar die zweverige hardrock paste niet bij “mijn” jaren ’80.
Helaas is de recensie in Oor niet online te vinden, maar ik herinner me dat de auteur (Hans van den Heuvel?) schreef dat hammondorgel en wahwah-gitaareffect dan eindelijk waren ingeruild voor eigentijdse geluiden. Mijn interesse was gewekt. Daarbij vond ik de hoes mooi: in de platenbak van de fonotheek sprong ie eruit! Van dezelfde kunstenaar als Wild Dogs van The Rods uit datzelfde 1982, ook al zo’n favorietje van me.
De teruggekeerde drummer Lee Kerslake had uit zijn tijd bij Ozzy Osbourne bassist Bob Daisley meegenomen; laatstgenoemde schreef daar veel muziek en alle teksten. Hier schreef Daisley mee aan vijf nummers. Het geluid van Abominog lijkt dan ook wel op Osbournes laatste album Diary of a Madman: melodieus met enerzijds meezingbare refreinen en anderszijds een stevig geluid.
Qua productie hoor ik drie nieuwigheden: de gitaar van Mick Box staat bovenaan in de mix, anders dan voorheen het geval was bij Heep; bovendien laat hij af en toe horen snel te kunnen soleren; nieuwe toetsenist John Sinclair bracht hele andere geluiden met zich mee dan we voorheen bij Heep hoorden, een wereld aan sferen.
Indertijd vond ik dit een goed album, een dikke veertig jaar groeit mijn waardering alleen maar. Heep zette op Abominog weliswaar vier covers, waaronder het van zichzelf gecoverde Think it Over; toch klinkt het geheel homogeen, waarin nieuwe zanger Peter Goalby floreert met zijn krachtige stem, perfect passend bij het Heep in deze stijl. De enige keer dat nadrukkelijk wordt verwezen naar de voorbije dagen is via de koortjes in Sell your Soul. Gedurende de plaat gebeurt in elk nummer wel iets moois: een zanglijn, een geluid (de zeker toen gewaagde digitale beat in in het intro van On the Rebound bijvoorbeeld)... Fris en stevig.
Bovendien zijn er op streaming prima bonussen, leuk bijvoorbeeld om drie nummers in liveversie te horen. Ze knallen nog meer, inclusief gitaarsolo’s en drumrolls á la Over the Mountain uit Kerslakes dagen bij de madman.
Sterke hardrock, op de rustiger momenten zou je het adult oriented rock kunnen noemen; sterke liedjes bovendien. Voor mij één van de beste platen van de groep. 'Heep Heep hooray, Heep is back, ready for the 80's so still okay' zal iemand hebben gejubeld.
Volgende week verschijnt hun nieuwe album. Hopelijk kan ik weer juichen, want zeker vanaf Wake the Sleeper (2008) vind ik dit iedere keer weer een verrassend fris bandje. Net als hier op Abominog, toen de groep zich opnieuw uitvond.
Uriah Heep - Chaos & Colour (2023)

4,5
4
geplaatst: 2 februari 2023, 21:24 uur
Sinds Chaos & Colour vorige week verscheen, heb ik het de nodige keren gedraaid, meerdere malen per dag. Na één keer was duidelijk dat Uriah Heep wederom stevige, geïnspireerde hardrock brengt, waarin veel energie en afwisseling zijn gestopt. Die indruk wordt bij iedere keer sterker, waarbij bovendien nieuwe details komen bovendrijven.
Ooit las ik de omschrijving 'retrogressive rock' voor hun muziek sinds 2008, een omschrijving die de spijker op de kop slaat. Enerzijds grijpt de band namelijk terug op hun geluid van de jaren ’70 en klinken af en toe de harmonieuze koortjes en frequent een Hammondorgel (inmiddels digitaal). Anderzijds steekt men regelmatig de grens van eigentijdse hardrock over naar eigentijdse progressive rock, waardoor een interessant mengsel van diverse kleuren ontstaat. Voeg daarbij de heerlijke gitaar- en toetsensolo’s met de vette productie van Jay Ruston en je hebt een album dat blijft boeien.
Met alle kwaliteit is het aanwijzen van favorieten moeilijk. Moet ik gaan voor de snelle opener Save me Tonight of het epische Hail the Sunrise? Voor het symfonische You’ll Never Be Alone of het gevarieerde Freedom to Be Free? Of het knallende Hurricane? Of een andere? Voor ieder nummer valt te pleiten.
De cd-versie bevat ten opzichte van de elpee twee nummers meer: Age of Changes met zijn dromerige intro en uptempo vervolg en Closer to your Dreams, dat met die typisch-snelle shuffle een ode is aan de legendarische Heepdrummer Lee Kerslake, een kleine drie jaar geleden overleden.
De titel geeft al aan dat het thema ‘heaven and hell’ betreft, of juister ‘hell and heaven’: ‘chaos’ staat voor het slechte, ‘colour’ voor het goede. De teksten verhalen over de moeilijkheden, uitdagingen en zoete ervaringen in het leven, waarin de twee uitersten elkaar ontmoeten. Zanger Bernie Shaw vertolkt ze krachtig en meeslepend, zoals in de powerballade One Nation, One Sun.
Gisteren drong tot mij door dat als ik dit vergelijk met de laatste twee studioalbums met origineel werk van Deep Purple, ik absoluut een voorkeur heb voor Heep. Bij Purple ervaar ik een zekere bezadigdheid waar zowel energie als avontuur zijn geslonken, terwijl Uriah Heep klinkt als een stel jonge honden mét gevoel voor de groepshistorie.
Gitarist Mick Box scheurt heerlijk, toetsenist Phil Lanzon is een waardig opvolger van zijn illustere voorganger Ken Hensley, eveneens in 2020 overleden. Drummer Russell Gilbrook zet zijn dubbele basdrums beperkt maar effectief in en houdt met bassist Dave Rimmer de basis strak, stevig en swingend.
Maar goed, wie de band is blijven volgen, wist dat allang. Voor nu houd ik het op 4,5 ster, als ik er over een half jaar nog zo over denk, worden dat er gewoon 5.
Ooit las ik de omschrijving 'retrogressive rock' voor hun muziek sinds 2008, een omschrijving die de spijker op de kop slaat. Enerzijds grijpt de band namelijk terug op hun geluid van de jaren ’70 en klinken af en toe de harmonieuze koortjes en frequent een Hammondorgel (inmiddels digitaal). Anderzijds steekt men regelmatig de grens van eigentijdse hardrock over naar eigentijdse progressive rock, waardoor een interessant mengsel van diverse kleuren ontstaat. Voeg daarbij de heerlijke gitaar- en toetsensolo’s met de vette productie van Jay Ruston en je hebt een album dat blijft boeien.
Met alle kwaliteit is het aanwijzen van favorieten moeilijk. Moet ik gaan voor de snelle opener Save me Tonight of het epische Hail the Sunrise? Voor het symfonische You’ll Never Be Alone of het gevarieerde Freedom to Be Free? Of het knallende Hurricane? Of een andere? Voor ieder nummer valt te pleiten.
De cd-versie bevat ten opzichte van de elpee twee nummers meer: Age of Changes met zijn dromerige intro en uptempo vervolg en Closer to your Dreams, dat met die typisch-snelle shuffle een ode is aan de legendarische Heepdrummer Lee Kerslake, een kleine drie jaar geleden overleden.
De titel geeft al aan dat het thema ‘heaven and hell’ betreft, of juister ‘hell and heaven’: ‘chaos’ staat voor het slechte, ‘colour’ voor het goede. De teksten verhalen over de moeilijkheden, uitdagingen en zoete ervaringen in het leven, waarin de twee uitersten elkaar ontmoeten. Zanger Bernie Shaw vertolkt ze krachtig en meeslepend, zoals in de powerballade One Nation, One Sun.
Gisteren drong tot mij door dat als ik dit vergelijk met de laatste twee studioalbums met origineel werk van Deep Purple, ik absoluut een voorkeur heb voor Heep. Bij Purple ervaar ik een zekere bezadigdheid waar zowel energie als avontuur zijn geslonken, terwijl Uriah Heep klinkt als een stel jonge honden mét gevoel voor de groepshistorie.
Gitarist Mick Box scheurt heerlijk, toetsenist Phil Lanzon is een waardig opvolger van zijn illustere voorganger Ken Hensley, eveneens in 2020 overleden. Drummer Russell Gilbrook zet zijn dubbele basdrums beperkt maar effectief in en houdt met bassist Dave Rimmer de basis strak, stevig en swingend.
Maar goed, wie de band is blijven volgen, wist dat allang. Voor nu houd ik het op 4,5 ster, als ik er over een half jaar nog zo over denk, worden dat er gewoon 5.
Uriah Heep - Fallen Angel (1978)

4,0
1
geplaatst: 25 januari 2023, 00:33 uur
Fallen Angel was de derde plaat van Uriah Heep die ik ergens in 1983 uit de bieb leende. Live (1973) en Abominog (1982) kende ik inmiddels. De eerste met de oorspronkelijke zanger, de laatste met de actuele (van die periode). In dat opzicht was Fallen Angel mijn missing link tussen het oude en het “huidige” Heep.
Hier zingt John Lawton, iemand met een aangename, licht-rauwe stem. Daarbij is Ken Hensley nog toetsenist en bovendien hoofdleverancier van liedjes.
Als fan van Britse metal was ik kritisch op deze voormalige hippierockers. Of beter: streng en eenkennig. Behalve de hoes beviel namelijk alleen Falling in Love. Bij die titel vreesde ik dat het een saaie ballade zou zijn, maar het is heerlijk uptempo, waarbij de gitaar in het intro fraai steeds harder wordt ingedraaid, gevolgd door die pakkende Heepkoortjes…
Afgelopen najaar kwam ik de elpee, verpakt in die prachtige klaphoes, tegen in een bak met tweedehands werk. Verleid door dit kunstwerkje schafte ik ‘m aan. Weer eens volgt de constatering dat ik indertijd te bekrompen luisterde, al ben ik tegelijkertijd niet over alles enthousiast.
Eerst kort de context. Het was 1978: punk en new wave hadden velen van de generatie daarvoor tot dinosaurussen bestempeld. Dat Heep zich al sinds 1976 tot kortere nummers beperkte (nog vóór de punkgolf dus!), beviel daarbij menig fan slecht. Als kort daarop publieksfavoriet David Byron de groep verlaat omdat diens groeiende alcoholisme de optredens molesteerde, wordt de neergang van Heeps populariteit versneld, al blijft de band in Duitsland en Frankrijk populair met top 20-noteringen voor dit album.
Sindsdien is de band dankzij gitarist Mick Box door dalen én over bergen gegaan. Sterker nog, overmorgen verschijnt hun nieuwe album! Komende september is het dan 45 jaar geleden dat dit Fallen Angel uitkwam.
Eerst de nummers die ik inmiddels kan waarderen. De plaat opent lekker met het uptempo Woman of the Night, dat bovendien een sterke melodie heeft. Falling in Love is nog altijd meer dan aangenaam. Put Your Lovin’ on Me is een vrij stevige midtempo stamper met zijn twee gitaren en doet enigszins aan het Rainbow van die dagen denken (het nummer L.A. Connection); maar dan in Heepjasje met koortjes.
Het uptempo Whad’ya Say trapt swingend de B-kant af met een extra rijk toetsengeluid. Het ontzettend knus 70’ties klinkende Love or Nothing is met zijn lalala-koortjes zowel oubollig als aangenaam: een sluw en vlot poprockliedje. I’m Alive kent dan weer een stevig gitaargeluid, waar drummer Lee Kerslake vrij gecompliceerde patronen mept. De titelsong sluit de plaat af met akoestische gitaar, diepe synthersizerklanken, Heepkoortjes en Hammond, een aangenaam lied.
Drie nummers vind ik simpelweg niks: One More Night en Save It zijn me te “zorgeloze” rockertjes met slidegitaar en in de laatste een saxofoon; Come Back to Me is de gevreesde kleffe liefdesballade.
Waarom ben ik zo blij verrast? Wel, de stem van John Lawton vind ik aangenaam, Kerslake drumt gevarieerd en het open spel van voormalig Bowiebassist Trevor Bolder past daar goed bij. Mick Box speelt weliswaar een bescheiden rol ten opzichte van toetsenist Ken Hensley, maar in combinatie met de koortjes klinkt aangename heavy rock in hun herkenbare stijl.
Op streaming tref ik de Deluxe edition uit 2004 aan met prima toevoegingen. Lawton zingt ook hier ontspannen, op zijn gemak, zelfs op de twee livenummers. In 2013 tourde hij nog éénmaal met de band als tijdelijk vervanger van Bernie Shaw, die een medische ingreep moest ondergaan.
Een ondergewaardeerd album uit de tijd dat de band bij menig fan én muziekpolitie uit de mode was.
Mijn vier sterren vertegenwoordigen een krappe 8.
Hier zingt John Lawton, iemand met een aangename, licht-rauwe stem. Daarbij is Ken Hensley nog toetsenist en bovendien hoofdleverancier van liedjes.
Als fan van Britse metal was ik kritisch op deze voormalige hippierockers. Of beter: streng en eenkennig. Behalve de hoes beviel namelijk alleen Falling in Love. Bij die titel vreesde ik dat het een saaie ballade zou zijn, maar het is heerlijk uptempo, waarbij de gitaar in het intro fraai steeds harder wordt ingedraaid, gevolgd door die pakkende Heepkoortjes…
Afgelopen najaar kwam ik de elpee, verpakt in die prachtige klaphoes, tegen in een bak met tweedehands werk. Verleid door dit kunstwerkje schafte ik ‘m aan. Weer eens volgt de constatering dat ik indertijd te bekrompen luisterde, al ben ik tegelijkertijd niet over alles enthousiast.
Eerst kort de context. Het was 1978: punk en new wave hadden velen van de generatie daarvoor tot dinosaurussen bestempeld. Dat Heep zich al sinds 1976 tot kortere nummers beperkte (nog vóór de punkgolf dus!), beviel daarbij menig fan slecht. Als kort daarop publieksfavoriet David Byron de groep verlaat omdat diens groeiende alcoholisme de optredens molesteerde, wordt de neergang van Heeps populariteit versneld, al blijft de band in Duitsland en Frankrijk populair met top 20-noteringen voor dit album.
Sindsdien is de band dankzij gitarist Mick Box door dalen én over bergen gegaan. Sterker nog, overmorgen verschijnt hun nieuwe album! Komende september is het dan 45 jaar geleden dat dit Fallen Angel uitkwam.
Eerst de nummers die ik inmiddels kan waarderen. De plaat opent lekker met het uptempo Woman of the Night, dat bovendien een sterke melodie heeft. Falling in Love is nog altijd meer dan aangenaam. Put Your Lovin’ on Me is een vrij stevige midtempo stamper met zijn twee gitaren en doet enigszins aan het Rainbow van die dagen denken (het nummer L.A. Connection); maar dan in Heepjasje met koortjes.
Het uptempo Whad’ya Say trapt swingend de B-kant af met een extra rijk toetsengeluid. Het ontzettend knus 70’ties klinkende Love or Nothing is met zijn lalala-koortjes zowel oubollig als aangenaam: een sluw en vlot poprockliedje. I’m Alive kent dan weer een stevig gitaargeluid, waar drummer Lee Kerslake vrij gecompliceerde patronen mept. De titelsong sluit de plaat af met akoestische gitaar, diepe synthersizerklanken, Heepkoortjes en Hammond, een aangenaam lied.
Drie nummers vind ik simpelweg niks: One More Night en Save It zijn me te “zorgeloze” rockertjes met slidegitaar en in de laatste een saxofoon; Come Back to Me is de gevreesde kleffe liefdesballade.
Waarom ben ik zo blij verrast? Wel, de stem van John Lawton vind ik aangenaam, Kerslake drumt gevarieerd en het open spel van voormalig Bowiebassist Trevor Bolder past daar goed bij. Mick Box speelt weliswaar een bescheiden rol ten opzichte van toetsenist Ken Hensley, maar in combinatie met de koortjes klinkt aangename heavy rock in hun herkenbare stijl.
Op streaming tref ik de Deluxe edition uit 2004 aan met prima toevoegingen. Lawton zingt ook hier ontspannen, op zijn gemak, zelfs op de twee livenummers. In 2013 tourde hij nog éénmaal met de band als tijdelijk vervanger van Bernie Shaw, die een medische ingreep moest ondergaan.
Een ondergewaardeerd album uit de tijd dat de band bij menig fan én muziekpolitie uit de mode was.
Mijn vier sterren vertegenwoordigen een krappe 8.
Uriah Heep - Live (1973)

3,5
2
geplaatst: 23 januari 2023, 18:09 uur
Een puber op ontdekkingstocht, begin jaren ’80: wat waren de goede platen van vóór mijn tijd? Dat wilde ik te weten komen. Reisgidsen hierbij: aanvankelijk tijdschrift Muziek Expres, kort daarna Oor en de Popencyclopedie van dat tijdschrift en weer later bovendien Aardschok. Plus uiteraard radio, vooral Hilversum 3 en BBC Radio 1.
Over dit album uit mei 1973 las ik dat het Uriah Heep internationaal tot een grote naam maakte, van de omvang van Led Zeppelin, Deep Purple en Black Sabbath. Pas nadat dit album uitkwam werd Easy Livin’ (in studioversie) in Nederland een hit: tipparade in juli 1972, uiteindelijk een dik jaar later in september 1973 in de Nationale Hitparade. Maar dan wel #5. De andere nummers van de groep die regelmatig op de radio klonken waren Gypsy en in mindere mate Return to Fantasy.
Live January ‘73 stond op de hoes vermeld. Het was in onze dorpsfonotheek de enige plaat met zanger David Byron in de bezetting en liveplaten vond ik erg gaaf, zoals het toverwoord was. Toch werd ik niet enthousiast.
De vier plaatkanten klonken dof en veel nummers vond ik te uitgesponnen. Het gitaarspel was niet spectaculair, de drumsolo overbodig, van de Hammond- en Mooggeluiden hield ik niet en de zang van David Byron was me te popachtig, clean en melodieus. Soms gilt hij, maar mist daarbij de kracht van Purples Ian Gillan. De rock ‘n’rollmedley die kant 4 afsluit, vond ik overbodig en stomvervelend. Laat ze hun jeugdhelden maar op een andere manier eren…
Indertijd noemden we dit hardrock, maar als metalfan vond dit te langzaam en zacht. Hippiehardrock. Was er toen een MuMe geweest, dan had ik maximaal anderhalve ster gegeven.
Zoals wel vaker kom ik zovele jaren later tot een hoger oordeel. Op streaming klinkt de plaat niet dof bijvoorbeeld. De start is grappig, heel anders dan het tegenwoordig gaat. Geen gezwollen intromuziek maar een begroeting door Byron (?) en het stemmen van de instrumenten. Sunrise wordt voorzichtig ingezet. Tijdens het intro klinkt de introductie van het concert, waarna het nummer luid wordt vervolgd.
Nu pas valt me op hoe virtuoos bassist Gary Thain hier speelt. Dat hoorde ik wel op Sweet Freedom, dat enkele maanden na deze dubbelaar verscheen en door mij rond 1984 werd aangeschaft. Op deze liveplaat was me dat niet opgevallen, mogelijk omdat het exemplaar uit de bieb zo dof klonk. Thain danst om het ritme heen, zoals John Entwistle van The Who dat ook zo goed kon. Zoals hij in Sweet Lorraine bijvoorbeeld doet, het is jazzachtig swingend.
Ook merk je dat Byron een sterke band met het publiek had, gezien de aan- en afkondigingen die hij doet en de publieksreacties daarop.
Van de grote vier was dit de meest symfonische groep, mede omdat de toetsen van Ken Hensley zo belangrijk waren en de gitaren van Mick Box minder prominent in de mix stonden. Op z’n hardst klinkt zijn slide- en wahwahspel in Tears in My Eyes. Tegelijkertijd heeft het allemaal veel sfeer, waarbij ik een enthousiast publiek hoor. Nog altijd ben ik niet van alle uitgesponnen versies onder de indruk, maar Circle of Hands en Gypsy laten horen dat de band wel degelijk zijn muziek spannend kon oprekken.
De medley aan het einde is mij nog steeds teveel, liever had ik daarvoor de volledige Magician’s Birthday gehoord in plaats van de kleine twee minuten die hiervan klinken. Dankzij een oudere collega zou ik dat juweeltje enkele jaren later alsnog ontdekken.
Daarbij realiseer ik me nog iets. Als ik het wel heb, is Heep in vergelijking met de andere drie grote hardrockbands van de vroege jaren ’70 de minst invloedrijke gebleken. In ieder geval in de kringen van hardrockers. Al is er momenteel een generatie die graag met Hammondorgel werkt, zoals het Nederlandse DeWolff - en laat ik Tricklebolt niet vergeten!
Maar wellicht zijn er liefhebbers van bijvoorbeeld symfonische, progressieve rock die dat anders zien? Op het uitgesponnen en slepende July Morning bijvoorbeeld zou je ook dat stickertje kunnen plakken.
In Nederland geen notering in de albumlijst, zie ik. Vreemd. Wat dat betreft voel ik me meer een Duitser: daar werd de plaat #7. Op streaming vond ik de uitgebreide 2cd-versie uit 2003 met enkele aardige bonussen. Inmiddels is hij mij 3,5 sterren waard, een zeven-en-een-half uitdrukkend, voor een acht (vier sterren) echter te mager.
Over dit album uit mei 1973 las ik dat het Uriah Heep internationaal tot een grote naam maakte, van de omvang van Led Zeppelin, Deep Purple en Black Sabbath. Pas nadat dit album uitkwam werd Easy Livin’ (in studioversie) in Nederland een hit: tipparade in juli 1972, uiteindelijk een dik jaar later in september 1973 in de Nationale Hitparade. Maar dan wel #5. De andere nummers van de groep die regelmatig op de radio klonken waren Gypsy en in mindere mate Return to Fantasy.
Live January ‘73 stond op de hoes vermeld. Het was in onze dorpsfonotheek de enige plaat met zanger David Byron in de bezetting en liveplaten vond ik erg gaaf, zoals het toverwoord was. Toch werd ik niet enthousiast.
De vier plaatkanten klonken dof en veel nummers vond ik te uitgesponnen. Het gitaarspel was niet spectaculair, de drumsolo overbodig, van de Hammond- en Mooggeluiden hield ik niet en de zang van David Byron was me te popachtig, clean en melodieus. Soms gilt hij, maar mist daarbij de kracht van Purples Ian Gillan. De rock ‘n’rollmedley die kant 4 afsluit, vond ik overbodig en stomvervelend. Laat ze hun jeugdhelden maar op een andere manier eren…
Indertijd noemden we dit hardrock, maar als metalfan vond dit te langzaam en zacht. Hippiehardrock. Was er toen een MuMe geweest, dan had ik maximaal anderhalve ster gegeven.
Zoals wel vaker kom ik zovele jaren later tot een hoger oordeel. Op streaming klinkt de plaat niet dof bijvoorbeeld. De start is grappig, heel anders dan het tegenwoordig gaat. Geen gezwollen intromuziek maar een begroeting door Byron (?) en het stemmen van de instrumenten. Sunrise wordt voorzichtig ingezet. Tijdens het intro klinkt de introductie van het concert, waarna het nummer luid wordt vervolgd.
Nu pas valt me op hoe virtuoos bassist Gary Thain hier speelt. Dat hoorde ik wel op Sweet Freedom, dat enkele maanden na deze dubbelaar verscheen en door mij rond 1984 werd aangeschaft. Op deze liveplaat was me dat niet opgevallen, mogelijk omdat het exemplaar uit de bieb zo dof klonk. Thain danst om het ritme heen, zoals John Entwistle van The Who dat ook zo goed kon. Zoals hij in Sweet Lorraine bijvoorbeeld doet, het is jazzachtig swingend.
Ook merk je dat Byron een sterke band met het publiek had, gezien de aan- en afkondigingen die hij doet en de publieksreacties daarop.
Van de grote vier was dit de meest symfonische groep, mede omdat de toetsen van Ken Hensley zo belangrijk waren en de gitaren van Mick Box minder prominent in de mix stonden. Op z’n hardst klinkt zijn slide- en wahwahspel in Tears in My Eyes. Tegelijkertijd heeft het allemaal veel sfeer, waarbij ik een enthousiast publiek hoor. Nog altijd ben ik niet van alle uitgesponnen versies onder de indruk, maar Circle of Hands en Gypsy laten horen dat de band wel degelijk zijn muziek spannend kon oprekken.
De medley aan het einde is mij nog steeds teveel, liever had ik daarvoor de volledige Magician’s Birthday gehoord in plaats van de kleine twee minuten die hiervan klinken. Dankzij een oudere collega zou ik dat juweeltje enkele jaren later alsnog ontdekken.
Daarbij realiseer ik me nog iets. Als ik het wel heb, is Heep in vergelijking met de andere drie grote hardrockbands van de vroege jaren ’70 de minst invloedrijke gebleken. In ieder geval in de kringen van hardrockers. Al is er momenteel een generatie die graag met Hammondorgel werkt, zoals het Nederlandse DeWolff - en laat ik Tricklebolt niet vergeten!
Maar wellicht zijn er liefhebbers van bijvoorbeeld symfonische, progressieve rock die dat anders zien? Op het uitgesponnen en slepende July Morning bijvoorbeeld zou je ook dat stickertje kunnen plakken.
In Nederland geen notering in de albumlijst, zie ik. Vreemd. Wat dat betreft voel ik me meer een Duitser: daar werd de plaat #7. Op streaming vond ik de uitgebreide 2cd-versie uit 2003 met enkele aardige bonussen. Inmiddels is hij mij 3,5 sterren waard, een zeven-en-een-half uitdrukkend, voor een acht (vier sterren) echter te mager.
Uriah Heep - Return to Fantasy (1975)

3,5
3
geplaatst: 13 juli 2023, 23:12 uur
In 1975 heette alles met scheurende gitaren hardrock of heavy rock. De drang naar het indelen in subgenres was er toen nog niet (mensen die deze periode bewust meemaakten: klopt dit?). Ik ging in oktober 1976 fanatiek naar Hilversum 3 luisteren en van Uriah Heep kwamen vooral Gypsy en Easy Livin' voorbij, plus een enkele keer het titelnummer van deze elpee.
Als single haalde Return to Fantasy in september 1975 #34 in de Top 40, bij de Nationale Hitparade van de NOS werd het slechts Tipparade (maar die telde dan ook slechts 30 nummers). In de BRT Top 30 werd het #30.
Vergeleken met de andere groepen van de grote vier die vanaf 1970 de heavy rock domineerden (Led Zeppelin, Deep Purple, Black Sabbath) was Uriah Heep de lichtste. Zanger David Byron had niet een krachtige powerstem zoals de zangers van de andere bands, maar wél een lenige. Ik vond Heep zelfs beter dan Zep, zoals fans hen liefkozend met koosnaampjes noemden.
Vorige week was ik bij De Groeverij in Houten, waar deze elpee tweemaal stond. Met zo'n mooie hoes heb ik één exemplaar meegenomen. Hoe bevalt hij anno 2023?
Tweemaal werd ik heel vrolijk. Het titelnummer vind ik een verbeterde versie van Easy Livin' (dat al zo goed is!) met die typische verouderde shuffle van drummer Lee Kerslake, diezelfde kant 1 sluit af met Beautiful Dream, dat met keiharde synthesizergeluiden aftrapt. Alsof ik in 1975 in een bioscoop naar een science-fictionfilm kijk: enerzijds supergedateerde geluiden, maar lékker... Zwáár genieten. Star Wars avant le lettre en Byron die aan het einde aangenaam met zijn kopstem zingt.
Verder klinken enkele lekkere rockende nummers, die tegelijkertijd niet heel speciaal zijn. In 2011 vergeleek Lonesome Crow Shady Lady terecht qua riff met Status Quo, bij Heep klinkt bovendien een slidegitaar die ik inmiddels associeer met de eerste albums van Whitesnake, een band die toen nog moest beginnen. Hetzelfde geldt voor de gitaren in het stevige Showdown waarin bovendien een aangenaam hammondorgel klinkt en een geinige gitaarsolo.
Een dieptepunt ontbreekt evenmin: waarom gingen sommige heavy rockbands toch stoeien met blazers? De fans van dat soort getoeter droegen in die jaren broeken met wijde pijpen en gingen naar discotheken om op soul, funk en disco te dansen. Rockers gingen voor ruige gitaren en verwelkomden in datzelfde 1975 een nieuwe klasbakgroep: Status Quo scoorde met Roll over Lay Down. Dat verschil had ik in '76 of '77 wel snel in de gaten, waarom Heep dan niet op Prima Donna? Als popliedje niet onaardig overigens en Byron zingt het met verve, maar hier past het niet.
Twee hele sterke nummers, de rest is okay, op één nummer na dat op deze plaat niet passend is. Een ruime voldoende voor de plaat met een prachtige hoes.
Degenen die in het verleden noteerden dat dit de laatste goede Uriah Heep was, lopen inmiddels hopeloos achter: vanaf Wake the Sleeper (2008) bracht de groep het ene na het andere sterke retrogressive album uit. Tenzij je denkt dat vroeger alles beter was, maar dát vind ik zo'n suffe stelling!
Als single haalde Return to Fantasy in september 1975 #34 in de Top 40, bij de Nationale Hitparade van de NOS werd het slechts Tipparade (maar die telde dan ook slechts 30 nummers). In de BRT Top 30 werd het #30.
Vergeleken met de andere groepen van de grote vier die vanaf 1970 de heavy rock domineerden (Led Zeppelin, Deep Purple, Black Sabbath) was Uriah Heep de lichtste. Zanger David Byron had niet een krachtige powerstem zoals de zangers van de andere bands, maar wél een lenige. Ik vond Heep zelfs beter dan Zep, zoals fans hen liefkozend met koosnaampjes noemden.
Vorige week was ik bij De Groeverij in Houten, waar deze elpee tweemaal stond. Met zo'n mooie hoes heb ik één exemplaar meegenomen. Hoe bevalt hij anno 2023?
Tweemaal werd ik heel vrolijk. Het titelnummer vind ik een verbeterde versie van Easy Livin' (dat al zo goed is!) met die typische verouderde shuffle van drummer Lee Kerslake, diezelfde kant 1 sluit af met Beautiful Dream, dat met keiharde synthesizergeluiden aftrapt. Alsof ik in 1975 in een bioscoop naar een science-fictionfilm kijk: enerzijds supergedateerde geluiden, maar lékker... Zwáár genieten. Star Wars avant le lettre en Byron die aan het einde aangenaam met zijn kopstem zingt.
Verder klinken enkele lekkere rockende nummers, die tegelijkertijd niet heel speciaal zijn. In 2011 vergeleek Lonesome Crow Shady Lady terecht qua riff met Status Quo, bij Heep klinkt bovendien een slidegitaar die ik inmiddels associeer met de eerste albums van Whitesnake, een band die toen nog moest beginnen. Hetzelfde geldt voor de gitaren in het stevige Showdown waarin bovendien een aangenaam hammondorgel klinkt en een geinige gitaarsolo.
Een dieptepunt ontbreekt evenmin: waarom gingen sommige heavy rockbands toch stoeien met blazers? De fans van dat soort getoeter droegen in die jaren broeken met wijde pijpen en gingen naar discotheken om op soul, funk en disco te dansen. Rockers gingen voor ruige gitaren en verwelkomden in datzelfde 1975 een nieuwe klasbakgroep: Status Quo scoorde met Roll over Lay Down. Dat verschil had ik in '76 of '77 wel snel in de gaten, waarom Heep dan niet op Prima Donna? Als popliedje niet onaardig overigens en Byron zingt het met verve, maar hier past het niet.
Twee hele sterke nummers, de rest is okay, op één nummer na dat op deze plaat niet passend is. Een ruime voldoende voor de plaat met een prachtige hoes.
Degenen die in het verleden noteerden dat dit de laatste goede Uriah Heep was, lopen inmiddels hopeloos achter: vanaf Wake the Sleeper (2008) bracht de groep het ene na het andere sterke retrogressive album uit. Tenzij je denkt dat vroeger alles beter was, maar dát vind ik zo'n suffe stelling!
Uriah Heep - Sweet Freedom (1973)

3,5
1
geplaatst: 13 oktober 2022, 23:58 uur
Als je als pubertje vanaf najaar 1976 de wereld van popmuziek ging ontdekken, gegrepen door het muziekvirus, was er al een hoop te ontdekken. Zo leerde ik over de ‘Grote Vier van de Hardrock’, die er toen ook al was. Nog geen Metallica, Slayer, Megadeth en Anthrax. Nee, ze luisterden naar de namen Deep Purple, Black Sabbath, Led Zeppelin en Uriah Heep.
Van Arbeidsvitaminen en de bijna jaarlijkse Top 100 Aller Tijden bij Veronica kende ik drie hits die de groep in Nederland had gescoord, te weten Gypsy, Easy Livin' en Return to Fantasy. Een smakelijk trio, geknipt voor mijn oortjes.
In de fonotheek van het dorp stond bovendien één en ander. Sweet Freedom ontbrak daar, maar de Popencyclopedie van Oor verzekerde me dat ik me geen buil zou vallen. Naar de winkel dus, want de nieuwsgierigheid was weer eens geprikkeld.
Relatief goedkoop stond ie daar als enkele hoes; pas jaren later zou ik ontdekken dat het album oorspronkelijk in klaphoes beschikbaar was. Het zou de enige Heep zijn die ik ooit zou aanschaffen. Ik was namelijk niet onverdeeld gelukkig met de plaat. Het gitaargeluid vond ik veel te zacht, zeker in vergelijking met de heftige kant van mijn favorieten Purple en vooral Sabbath. De muziek was dit pubertje dus niet heavy genoeg, desondanks constateerde ik dat diverse liedjes duidelijk kwaliteit hadden.
Het toetsenwerk van Ken Hensley bijvoorbeeld, al was ik toentertijd niet per se een fan van het Hammondorgel, die onvermijdelijk klonk op deze (hard)rockelpee uit 1973… Hij speelde lekkere partijen. De zanglijnen die David Byron aanhoudt zijn zeer melodieus, te lief voor mijn toenmalige puberbrein, dat bovendien zijn vibrato te dwingend vond, zoals in het titellied. Hij miste daarbij machtige stembanden. Het onvermijdelijke handelsmerk van de band, de vaak hoge koortjes, vond ik dan weer aangenaam.
Vooral van de ritmesectie kon ik ontzettend genieten: Gary Thain danst om de tel heen en levert tal van tegenmelodietjes die drummer Lee Kerslake vakkundig strak houdt. Laatstgenoemde speelde ten tijde dat ik deze plaat kocht inmiddels bij Ozzy Osbourne, waar hij nog veel meer op dreef was.
Mijn favorieten waren begin jaren ‘80 dezelfde als die MuMensen hierboven noemden: Stealin’ met zijn sterke opbouw en pakkende shuffle en koortje, Sweet Freedom waarin Thaine op dreef is, Seven Stars met daarin dat alfabetlied, een soort lightversie van Easy Livin', en tenslotte Pilgrim met een tekst waarbij ik moest denken aan The Canterbury Tales, die we op school bij Engels behandelden. Dat hij hier op Gillaniaanse wijze naar een climax krijste vond ik heerlijk, al miste hij duidelijk de kracht waarover de Purplezanger beschikte.
We schrijven 2022. Ik was nooit wég van de plaat, toch moet ik ‘m veel hebben gedraaid: na het album decennia niet te hebben gehoord blijk ik lappen tekst te kunnen meezingen. Het blijkt nog steeds een charmant album, passend bij de vroege jaren ’70. Toetsen en gitaar staan inderdaad erg zacht in de mix. Tegenwoordig ervaar ik het geluid van gitarist Mick Box als een elektrische grasmaaier in de verte: duidelijk hoorbaar, maar het mist ballen.
Hiertegenover staat dat er een favorietje is bijgekomen, eentje die me indertijd niet kon bekoren: Circus bevat inventieve partijen op de akoestische slaggitaar, een heerlijk charmant liedje. Dat me dat toen niet opviel?!
Sterke liedjes op de grens van rock en hardrock van een band met een eigen, herkenbare stijl. Leuk om weer eens een paar keer te draaien, zeker nu ik de laatste jaren die typische jaren ’70 (rock)sound in knusse sferen kan herwaarderen. Nee, het knalt niet je speakers uit zoals vanaf 1979 geleidelijk de productionele standaard werd, maar die ingetogenheid heeft wel zijn charme.
Na jarenlang van de Big 4 van de jaren '80 te hebben genoten (plus nog véél meer namen en genres - maar hoe goed en invloedrijk waren/zijn die mannen in hardegitarenland!) blijkt het Uriah Heep van 1973 een aangename herontdekking.
Van Arbeidsvitaminen en de bijna jaarlijkse Top 100 Aller Tijden bij Veronica kende ik drie hits die de groep in Nederland had gescoord, te weten Gypsy, Easy Livin' en Return to Fantasy. Een smakelijk trio, geknipt voor mijn oortjes.
In de fonotheek van het dorp stond bovendien één en ander. Sweet Freedom ontbrak daar, maar de Popencyclopedie van Oor verzekerde me dat ik me geen buil zou vallen. Naar de winkel dus, want de nieuwsgierigheid was weer eens geprikkeld.
Relatief goedkoop stond ie daar als enkele hoes; pas jaren later zou ik ontdekken dat het album oorspronkelijk in klaphoes beschikbaar was. Het zou de enige Heep zijn die ik ooit zou aanschaffen. Ik was namelijk niet onverdeeld gelukkig met de plaat. Het gitaargeluid vond ik veel te zacht, zeker in vergelijking met de heftige kant van mijn favorieten Purple en vooral Sabbath. De muziek was dit pubertje dus niet heavy genoeg, desondanks constateerde ik dat diverse liedjes duidelijk kwaliteit hadden.
Het toetsenwerk van Ken Hensley bijvoorbeeld, al was ik toentertijd niet per se een fan van het Hammondorgel, die onvermijdelijk klonk op deze (hard)rockelpee uit 1973… Hij speelde lekkere partijen. De zanglijnen die David Byron aanhoudt zijn zeer melodieus, te lief voor mijn toenmalige puberbrein, dat bovendien zijn vibrato te dwingend vond, zoals in het titellied. Hij miste daarbij machtige stembanden. Het onvermijdelijke handelsmerk van de band, de vaak hoge koortjes, vond ik dan weer aangenaam.
Vooral van de ritmesectie kon ik ontzettend genieten: Gary Thain danst om de tel heen en levert tal van tegenmelodietjes die drummer Lee Kerslake vakkundig strak houdt. Laatstgenoemde speelde ten tijde dat ik deze plaat kocht inmiddels bij Ozzy Osbourne, waar hij nog veel meer op dreef was.
Mijn favorieten waren begin jaren ‘80 dezelfde als die MuMensen hierboven noemden: Stealin’ met zijn sterke opbouw en pakkende shuffle en koortje, Sweet Freedom waarin Thaine op dreef is, Seven Stars met daarin dat alfabetlied, een soort lightversie van Easy Livin', en tenslotte Pilgrim met een tekst waarbij ik moest denken aan The Canterbury Tales, die we op school bij Engels behandelden. Dat hij hier op Gillaniaanse wijze naar een climax krijste vond ik heerlijk, al miste hij duidelijk de kracht waarover de Purplezanger beschikte.
We schrijven 2022. Ik was nooit wég van de plaat, toch moet ik ‘m veel hebben gedraaid: na het album decennia niet te hebben gehoord blijk ik lappen tekst te kunnen meezingen. Het blijkt nog steeds een charmant album, passend bij de vroege jaren ’70. Toetsen en gitaar staan inderdaad erg zacht in de mix. Tegenwoordig ervaar ik het geluid van gitarist Mick Box als een elektrische grasmaaier in de verte: duidelijk hoorbaar, maar het mist ballen.
Hiertegenover staat dat er een favorietje is bijgekomen, eentje die me indertijd niet kon bekoren: Circus bevat inventieve partijen op de akoestische slaggitaar, een heerlijk charmant liedje. Dat me dat toen niet opviel?!
Sterke liedjes op de grens van rock en hardrock van een band met een eigen, herkenbare stijl. Leuk om weer eens een paar keer te draaien, zeker nu ik de laatste jaren die typische jaren ’70 (rock)sound in knusse sferen kan herwaarderen. Nee, het knalt niet je speakers uit zoals vanaf 1979 geleidelijk de productionele standaard werd, maar die ingetogenheid heeft wel zijn charme.
Na jarenlang van de Big 4 van de jaren '80 te hebben genoten (plus nog véél meer namen en genres - maar hoe goed en invloedrijk waren/zijn die mannen in hardegitarenland!) blijkt het Uriah Heep van 1973 een aangename herontdekking.
