Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Cure - Pornography (1982)

5,0
7
geplaatst: 13 september 2022, 22:20 uur
En toen naderde daar de nieuwe Cure. Deze puber volgde het nieuws gespannen. Leek de sound op de vorige twee albums sterk op elkaar, voor Pornography werd iets anders verwacht. Alleen al om de titel was ruim van tevoren één en ander te doen, waarbij met name over de hoes werd gespeculeerd.
Gelukkig geen obscene plaatjes, zo bleek toen de plaat in mei 1982 verscheen. Oor (Bert van de Kamp) was niet zo positief over de muziek, al hield hij nadrukkelijk een slag om de arm. Fanatiek spelde ik de recensie in de bibliotheek, waar ik mij al lezend verloor in de ingebeelde muziek. Toen in juli het vinyl daadwerkelijk in de bak van de fonotheek stond, ontfermde ik mij er gretig over.
Ik herinner me die bloedhete zomerdag in 1982, toen deze plaat zijn rondjes draaide op mijn draaitafel.
Al bij de eerste tonen was duidelijk dat dit geen herhaling was van de sound van Seventeen Seconds en Faith. Die waren geproduceerd door Mike Hedges, uiteraard mét frontman Robert Smith. Deze keer zat Phil Thornalley achter de knoppen en denderde zware percussie uit mijn boxen, vergezeld door de diepe bas- en toetsenklanken van Simon Gallup. Daar bovenuit was er de ijle stem van Smith, zijn weltschmerz beklagend.
De muziek en de stijl, ze mochten zijn veranderd maar het was onmiskenbaar The Cure. Een band als deze stond op zichzelf. Enerzijds leek het toch wel op de vorige albums, anderzijds werden er geluidsmuren opgetrokken zonder dat scheurende gitaren nodig waren.
De sfeer was wederom mystiek en diep-melancholisch: “Ambition in the back of a black car” weeklaagde Smith en ik dacht terug aan de begrafenis van mijn opa, toen alweer bijna vijf jaar geleden. De repetitieve drumpatronen van Lol Tolhurst dreunden door tot in mijn ziel.
Van geleende platen koos ik altijd kritisch de beste nummers om op te nemen, want cassettebandjes waren duur en snel vol. Bij Pornography echter werd duidelijk dat die in zijn geheel moest worden gekopieerd. Het bandje bevatte vervolgens als extraatje gratis ruis, typisch voor het medium, wat ik op de koop toe nam.
Ook vandaag kan ik niet echt een favoriet van dit album kiezen. Aangezien ik van MuMe maar twee keer mag kiezen, ga ik voor opener One Hundred Years die mij indertijd op mijn snikhete zolderkamer omverblies plus voor het enigszins verstilde Siamese Twins. Maar vraag het me over een uur en het zijn misschien A Short Term Effect of het hypnotiserende A Strange Day. Of weer andere.
Als ik dit album tegenwoordig hoor, sinds enkele jaren heb ik 'm op cd, weet ik weer hoe het voelt om in je zomervakantie te moeten lezen voor je boekenlijst (Couperus) terwijl The Cure daarbij de soundtrack leverde en ik in de provisiekast van mijn ouders vermouth had ontdekt.
Maar het is meer, véél meer dan nostalgie. Sterke composities, ingebed in een galmende sound van drums, bas en keyboards. Een wereld op zich, die maar één album zou duren.
Gelukkig geen obscene plaatjes, zo bleek toen de plaat in mei 1982 verscheen. Oor (Bert van de Kamp) was niet zo positief over de muziek, al hield hij nadrukkelijk een slag om de arm. Fanatiek spelde ik de recensie in de bibliotheek, waar ik mij al lezend verloor in de ingebeelde muziek. Toen in juli het vinyl daadwerkelijk in de bak van de fonotheek stond, ontfermde ik mij er gretig over.
Ik herinner me die bloedhete zomerdag in 1982, toen deze plaat zijn rondjes draaide op mijn draaitafel.
Al bij de eerste tonen was duidelijk dat dit geen herhaling was van de sound van Seventeen Seconds en Faith. Die waren geproduceerd door Mike Hedges, uiteraard mét frontman Robert Smith. Deze keer zat Phil Thornalley achter de knoppen en denderde zware percussie uit mijn boxen, vergezeld door de diepe bas- en toetsenklanken van Simon Gallup. Daar bovenuit was er de ijle stem van Smith, zijn weltschmerz beklagend.
De muziek en de stijl, ze mochten zijn veranderd maar het was onmiskenbaar The Cure. Een band als deze stond op zichzelf. Enerzijds leek het toch wel op de vorige albums, anderzijds werden er geluidsmuren opgetrokken zonder dat scheurende gitaren nodig waren.
De sfeer was wederom mystiek en diep-melancholisch: “Ambition in the back of a black car” weeklaagde Smith en ik dacht terug aan de begrafenis van mijn opa, toen alweer bijna vijf jaar geleden. De repetitieve drumpatronen van Lol Tolhurst dreunden door tot in mijn ziel.
Van geleende platen koos ik altijd kritisch de beste nummers om op te nemen, want cassettebandjes waren duur en snel vol. Bij Pornography echter werd duidelijk dat die in zijn geheel moest worden gekopieerd. Het bandje bevatte vervolgens als extraatje gratis ruis, typisch voor het medium, wat ik op de koop toe nam.
Ook vandaag kan ik niet echt een favoriet van dit album kiezen. Aangezien ik van MuMe maar twee keer mag kiezen, ga ik voor opener One Hundred Years die mij indertijd op mijn snikhete zolderkamer omverblies plus voor het enigszins verstilde Siamese Twins. Maar vraag het me over een uur en het zijn misschien A Short Term Effect of het hypnotiserende A Strange Day. Of weer andere.
Als ik dit album tegenwoordig hoor, sinds enkele jaren heb ik 'm op cd, weet ik weer hoe het voelt om in je zomervakantie te moeten lezen voor je boekenlijst (Couperus) terwijl The Cure daarbij de soundtrack leverde en ik in de provisiekast van mijn ouders vermouth had ontdekt.
Maar het is meer, véél meer dan nostalgie. Sterke composities, ingebed in een galmende sound van drums, bas en keyboards. Een wereld op zich, die maar één album zou duren.
The Cure - Seventeen Seconds (1980)

5,0
15
geplaatst: 9 december 2021, 17:10 uur
Als beginnend puber was ik volledig op radio aangewezen. Er was welgeteld één popzender: Hilversum 3. De liedjes sloeg ik op in mijn hoofd en, indien mogelijk, op cassettebandje. Als je geluk had praatte de dj niet door de liedjes heen, wat eigenlijk alleen het geval was bij de Nationale Hitparade van Felix Meurders en Arbeidsvitaminen.
Eind 1978, begin ‘79 moet ik voor het eerst The Cure gehoord hebben. Killing an Arab was echt een liedje voor VARA, KRO en VPRO, die nauwlettend nieuwe trends in de kwaliteitspop volgden. Dezelfde omroepen draaiden enige tijd later Boys Don’t Cry. Lekkere popliedjes die de energie van punk hadden, maar dan zonder scheurende gitaren. Ook de stem van ene Robert Smith viel me op. Het vertaalde bovendien de Britse sfeer onder de regering van Thatcher in muziek. Hoe knap.
In maart 1980, het staartje van een koude winter, verscheen single A Forest, wat hun eerste hit in Nederland zou worden. Met moeite. Pas eind augustus betrad de single de hitparade, terwijl ik allang was omvergeblazen door de mystieke sfeer, waarin nog sterker die ijle stem klaagde. Nu het een hit was, was ie ook te horen bij de omroepen die zich vooral op de hitlijsten richtten, zoals AVRO en TROS.
We spoelen de videoband naar december '80. Nadat ik de beschikking kreeg over een eigen platenspeler en bovendien mijn eigen lidmaatschap van de fonotheek, stond The Cure hoog op mijn leenwensenlijstje. Op vrijdagavond was de fonotheek in ons dorp open. Gelukkig voor mij stond die bewuste keer Seventeen Seconds in de bakken.
Het bleek niet zomaar een album met liedjes. Nee, dit was een reis naar een woud. Of zoiets. Inmiddels waren de donkere, koude dagen voor Kerst aangebroken. Een nieuwe winter naderde en het was alsof ik de soundtrack erbij had. In combinatie met de hoes (boomtoppen, vage beelden, lang voordat extremere genres de thematiek van winterse bossen ontdekten) werd een sfeer neergezet die, versterkt door de rare, dunne drumsound, bijna voor een sneeuwbui in mijn kamer zorgde.
De instrumentale opener A Reflection voerde me terug naar Low van Bowie en dan vooral de “gregoriaanse” B-kant daarvan, met name de klaaglijkheid van Warszawa. Net als op dat album, was ook hier een eigenzinnige drumsound te horen. Al snel klinkt Play For Today met zijn melodieuze baslijnen, een wavegitaar (licht chorusreffect) en de zwevende toetsen die ik van A Forest kende. Zo ging het de hele plaatkant door en wist ik zeker dat deze jongen niet de enige niet-begrepene op deze wereld was. Puberheimwee naar… ja, naar wat eigenlijk?
Jammer dat de lp beschadigd was. Of hoorde dat zo? Niemand die ik kende wist waarom het piano-intro van The Final Sound, de bijna instrumentale opener van kant B, zo abrupt eindigde. Pas toen ik jaren later de cd had gekocht, wist ik definitief dat het echt zo op de plaat stond. Hierna komt langzaam A Forest op gang, een langere versie dan op single. De stem in een wolkje echo, een tekst die ik met mijn beetje Engels al wel verstond maar niet begreep. Een mooie gitaarsolo van akkoorden die geleidelijk vals worden en dan alweer zo’n raar einde.
Hierna het wonderschone M (hoe triest: ze is verliefd op een ander), en na At Night met zijn ondefinieerbare scheurende klanken het afsluitende titellied, met een intro dat trááág op gang kwam.
Keer op keer draaide ik de plaat; na drie weken moest ie terug naar de bieb, zorgvuldig had ik 'm op een cassettebandje gekopieerd, inclusief gratis extra ruis.
We spoelen de band ruim veertig jaar verder. Dankzij Cured, de fascinerende en soms ontnuchterende autobiografie van drummer Lol Tolhurst, weet ik dat Smith zocht naar vernieuwing, weg van het post-punklabel dat de band toen al had opgeplakt gekregen.
Het eerste concert in de viermansbezetting-met-toetsenist was in Eindhoven. Even googlen: 11 december 1979, De Effenaar. Tolhorst vertelt dat de band op deze tour uitgebreid de nieuwe sound kon uitproberen, wat zich bij de opnamen uitbetaalde. Dat rare einde van de B-opener blijkt tóch het gevolg van een probleem met de opnametape, wat ze toen maar zo hebben gelaten. Maar hé, inmiddels is die disharmonie juist zo passend.
Mijn mening is onveranderd: dit album is een symfonie, mijn gemoed nog altijd in besneeuwde bossen brengend. Een plaat die ik bij voorkeur in zijn geheel beluister.
Eind 1978, begin ‘79 moet ik voor het eerst The Cure gehoord hebben. Killing an Arab was echt een liedje voor VARA, KRO en VPRO, die nauwlettend nieuwe trends in de kwaliteitspop volgden. Dezelfde omroepen draaiden enige tijd later Boys Don’t Cry. Lekkere popliedjes die de energie van punk hadden, maar dan zonder scheurende gitaren. Ook de stem van ene Robert Smith viel me op. Het vertaalde bovendien de Britse sfeer onder de regering van Thatcher in muziek. Hoe knap.
In maart 1980, het staartje van een koude winter, verscheen single A Forest, wat hun eerste hit in Nederland zou worden. Met moeite. Pas eind augustus betrad de single de hitparade, terwijl ik allang was omvergeblazen door de mystieke sfeer, waarin nog sterker die ijle stem klaagde. Nu het een hit was, was ie ook te horen bij de omroepen die zich vooral op de hitlijsten richtten, zoals AVRO en TROS.
We spoelen de videoband naar december '80. Nadat ik de beschikking kreeg over een eigen platenspeler en bovendien mijn eigen lidmaatschap van de fonotheek, stond The Cure hoog op mijn leenwensenlijstje. Op vrijdagavond was de fonotheek in ons dorp open. Gelukkig voor mij stond die bewuste keer Seventeen Seconds in de bakken.
Het bleek niet zomaar een album met liedjes. Nee, dit was een reis naar een woud. Of zoiets. Inmiddels waren de donkere, koude dagen voor Kerst aangebroken. Een nieuwe winter naderde en het was alsof ik de soundtrack erbij had. In combinatie met de hoes (boomtoppen, vage beelden, lang voordat extremere genres de thematiek van winterse bossen ontdekten) werd een sfeer neergezet die, versterkt door de rare, dunne drumsound, bijna voor een sneeuwbui in mijn kamer zorgde.
De instrumentale opener A Reflection voerde me terug naar Low van Bowie en dan vooral de “gregoriaanse” B-kant daarvan, met name de klaaglijkheid van Warszawa. Net als op dat album, was ook hier een eigenzinnige drumsound te horen. Al snel klinkt Play For Today met zijn melodieuze baslijnen, een wavegitaar (licht chorusreffect) en de zwevende toetsen die ik van A Forest kende. Zo ging het de hele plaatkant door en wist ik zeker dat deze jongen niet de enige niet-begrepene op deze wereld was. Puberheimwee naar… ja, naar wat eigenlijk?
Jammer dat de lp beschadigd was. Of hoorde dat zo? Niemand die ik kende wist waarom het piano-intro van The Final Sound, de bijna instrumentale opener van kant B, zo abrupt eindigde. Pas toen ik jaren later de cd had gekocht, wist ik definitief dat het echt zo op de plaat stond. Hierna komt langzaam A Forest op gang, een langere versie dan op single. De stem in een wolkje echo, een tekst die ik met mijn beetje Engels al wel verstond maar niet begreep. Een mooie gitaarsolo van akkoorden die geleidelijk vals worden en dan alweer zo’n raar einde.
Hierna het wonderschone M (hoe triest: ze is verliefd op een ander), en na At Night met zijn ondefinieerbare scheurende klanken het afsluitende titellied, met een intro dat trááág op gang kwam.
Keer op keer draaide ik de plaat; na drie weken moest ie terug naar de bieb, zorgvuldig had ik 'm op een cassettebandje gekopieerd, inclusief gratis extra ruis.
We spoelen de band ruim veertig jaar verder. Dankzij Cured, de fascinerende en soms ontnuchterende autobiografie van drummer Lol Tolhurst, weet ik dat Smith zocht naar vernieuwing, weg van het post-punklabel dat de band toen al had opgeplakt gekregen.
Het eerste concert in de viermansbezetting-met-toetsenist was in Eindhoven. Even googlen: 11 december 1979, De Effenaar. Tolhorst vertelt dat de band op deze tour uitgebreid de nieuwe sound kon uitproberen, wat zich bij de opnamen uitbetaalde. Dat rare einde van de B-opener blijkt tóch het gevolg van een probleem met de opnametape, wat ze toen maar zo hebben gelaten. Maar hé, inmiddels is die disharmonie juist zo passend.
Mijn mening is onveranderd: dit album is een symfonie, mijn gemoed nog altijd in besneeuwde bossen brengend. Een plaat die ik bij voorkeur in zijn geheel beluister.
The Cure - Songs of a Lost World (2024)

4,0
9
geplaatst: 1 december 2024, 09:13 uur
Vrijdag 1 november was een grijze dag, zij het droog en kalm. De dag dat ik de nieuwe Cure zou gaan halen. Eerst was daar de fietstocht naar het familiegraf in de Grote Stad, waar (over)grootouders rusten. Nadat ik dit had onderhouden, vervolgde de reis naar de platenzaak. Onderweg bedacht ik me dat dit dan ein-de-lijk het studiodebuut van de avontuurlijke gitarist Reeves Gabrels bij de groep betekent; hij zit al sinds 2012 bij The Cure! De dame vóór mij vertrok met het vinyl ervan, ik schafte de 2cd+bluray aan.
Vervolgens naar mijn lief voor stevige koffie en genegenheid en daarna huiswaarts, om in de avond via streaming The Cure live te gaan zien.
Wie de voorbije jaren een concert van de groep bezocht, zou daar enkele nummers horen van een album dat maar niet wilde verschijnen. Ik zag in november '22 in de Ziggo hoe The Cure van dit album vijf nummers speelde. Afgetrapt werd met Alone, verderop in de set zaten And Nothing Is Forever en A Fragile Thing, waarna Endsong de set afsloot; vervolgens opende de eerste toegift met I Can Never Say Goodbye.
Zondag 1 december 2024. Songs of a Lost World draait hier precies een maand regelmatig rondjes. Dat Songs of a Lost World stemmig en overwegend langzaam is, was door het concert bepaald geen verrassing. In combinatie met de regen- en onweersgeluiden die voor het concert en tussen de toegiften klonken, bracht dit een kalmerende sfeer. Als was het een zomeravond.
Titel Songs of a Lost World verwijst mét de teksten naar de vergankelijkheid van het leven. Ten tijde van hun eerste albums woei de wind van de kille koude oorlog, een sfeer die terug is in het nieuws, nu bij een openlijke oorlog op Europese bodem waarvan de dreiging zich wereldwijd laat voelen.
Het tekstboekje begint met een citaat uit het sonnet When I Have Fears that I May Cease to Be (1818) van de Amerikaanse dichter John Keats. Daarin de regel: ”Then on the shore of the wide world i stand alone and think till love and fame to nothingness do sink.” In lijn met de lebensschmerz van Seventeen Seconds (1980), Faith (1981), Pornography (1982) en de latere albums Disintegration (1989, teksten over het betreden van de drempel van dertig jaar) en Bloodflowers (2000, over veertig worden). Op menig ander album van de groep keert die sfeer overigens terug, zelfs op het uitbundige Kiss Me, Kiss Me, Kiss Me.
Inmiddels is Robert Smith 65 en diens ooit ravenzwarte bos haar grijzend. Zoals de hoes van Faith grijs is, een kleur die terugkeert op de hoes van Songs of a Lost World, herinnerend aan onze vergankelijkheid. Jupiter noteerde op 10 oktober: "Tussen 2016 en 2019 overleden de ouders en broer van [frontman] Robert [Smith] èn de vrouw van [bassist] Simon [Gallup]." Tegelijkertijd herinnert Smith ons aan de waarde van liefde, die herhaaldelijk in de teksten wordt benoemd.
Terwijl defensiebudgetten stijgen, klinken de indringende woorden van War Song, al zou het ook in het klein op relationele troebelen kunnen slaan: “However we regret, all of we will ever know is bitter ends. For we are born to war.” De context van The Cure van de jaren ’80 – ’82 is terug.
Ook al word ik niet omver geblazen, sterk is Songs of a Lost World wel degelijk en met 50 minuten niet onnodig opgerekt. Overwegend kalm, met als uitzonderingen het stevige Drone:Nodrone en het met vele toms opgetuigde All I Ever Am. Naast de nummers die in de Ziggo klonken, hoort die laatste bij mijn favorieten van de plaat.
Met het drumgeluid heb ik geen moeite. Op bluray staat de PCM Stereo 96 Hz 24-bit. Die draai ik soms ter variatie: is luider, met dieeepe baslijnen van Gallup, Pornographyaanse percussie en massieve synthmuren. De rol van Gabrels is kleiner dan ik verwachtte, maar evengoed fraai: hoor zijn gitaar huilen tijdens de regels "It's all gone" in Endsong... De instrumentale cd die eveneens deel uitmaakt van de drieschijfjesdoos is me dan net teveel van het goede.
Voor iedereen die slechts Disintegration terughoort: luister (weer) eens naar All Cats Are Grey van Faith. De overeenkomsten met Songs of a Lost World zijn legio: lang intro, veel toms in de percussie, dominante toetsen, weemoed...
Is dit de laatste Cure? Vast niet. Om de setlist af te sluiten met Endsong en na een regenpauze terug te keren met I Never Can Say Goodbye getuigde niet alleen van humor maar tevens van hoezeer de groep geniet van optreden. Wellicht was het een hint op de toekomst. Tijdens Plainsong zagen we Smith zelfs zonder gitaar lááángzaam slenteren, genietend van het contact met de voorste rijen.
Twee nummers kunnen zomaar op de opvolger komen te staan: het al sinds 2004 rondzingende A Boy I Never Knew staat immers niet op dit album. Bovendien bevat Songs of a Lost World naast de acht hoorbare nummers de tekst van een negende: in het boekje worden de lyrieken van War Song gevolgd door de intense reflecties van Bodiam Sky. Nee, The Cure heeft meer in petto. Laat dat niet weer zestien jaar duren…
Na een maand afspelen ga ik voorzichtig op (een dikke) 4 sterren zitten. Als het voorjaar komt, pluk ik 'm weer uit de kast en ga ik merken hoe Songs of a Lost World dan binnenkomt. Minder wordt het zeker níet.
Vervolgens naar mijn lief voor stevige koffie en genegenheid en daarna huiswaarts, om in de avond via streaming The Cure live te gaan zien.
Wie de voorbije jaren een concert van de groep bezocht, zou daar enkele nummers horen van een album dat maar niet wilde verschijnen. Ik zag in november '22 in de Ziggo hoe The Cure van dit album vijf nummers speelde. Afgetrapt werd met Alone, verderop in de set zaten And Nothing Is Forever en A Fragile Thing, waarna Endsong de set afsloot; vervolgens opende de eerste toegift met I Can Never Say Goodbye.
Zondag 1 december 2024. Songs of a Lost World draait hier precies een maand regelmatig rondjes. Dat Songs of a Lost World stemmig en overwegend langzaam is, was door het concert bepaald geen verrassing. In combinatie met de regen- en onweersgeluiden die voor het concert en tussen de toegiften klonken, bracht dit een kalmerende sfeer. Als was het een zomeravond.
Titel Songs of a Lost World verwijst mét de teksten naar de vergankelijkheid van het leven. Ten tijde van hun eerste albums woei de wind van de kille koude oorlog, een sfeer die terug is in het nieuws, nu bij een openlijke oorlog op Europese bodem waarvan de dreiging zich wereldwijd laat voelen.
Het tekstboekje begint met een citaat uit het sonnet When I Have Fears that I May Cease to Be (1818) van de Amerikaanse dichter John Keats. Daarin de regel: ”Then on the shore of the wide world i stand alone and think till love and fame to nothingness do sink.” In lijn met de lebensschmerz van Seventeen Seconds (1980), Faith (1981), Pornography (1982) en de latere albums Disintegration (1989, teksten over het betreden van de drempel van dertig jaar) en Bloodflowers (2000, over veertig worden). Op menig ander album van de groep keert die sfeer overigens terug, zelfs op het uitbundige Kiss Me, Kiss Me, Kiss Me.
Inmiddels is Robert Smith 65 en diens ooit ravenzwarte bos haar grijzend. Zoals de hoes van Faith grijs is, een kleur die terugkeert op de hoes van Songs of a Lost World, herinnerend aan onze vergankelijkheid. Jupiter noteerde op 10 oktober: "Tussen 2016 en 2019 overleden de ouders en broer van [frontman] Robert [Smith] èn de vrouw van [bassist] Simon [Gallup]." Tegelijkertijd herinnert Smith ons aan de waarde van liefde, die herhaaldelijk in de teksten wordt benoemd.
Terwijl defensiebudgetten stijgen, klinken de indringende woorden van War Song, al zou het ook in het klein op relationele troebelen kunnen slaan: “However we regret, all of we will ever know is bitter ends. For we are born to war.” De context van The Cure van de jaren ’80 – ’82 is terug.
Ook al word ik niet omver geblazen, sterk is Songs of a Lost World wel degelijk en met 50 minuten niet onnodig opgerekt. Overwegend kalm, met als uitzonderingen het stevige Drone:Nodrone en het met vele toms opgetuigde All I Ever Am. Naast de nummers die in de Ziggo klonken, hoort die laatste bij mijn favorieten van de plaat.
Met het drumgeluid heb ik geen moeite. Op bluray staat de PCM Stereo 96 Hz 24-bit. Die draai ik soms ter variatie: is luider, met dieeepe baslijnen van Gallup, Pornographyaanse percussie en massieve synthmuren. De rol van Gabrels is kleiner dan ik verwachtte, maar evengoed fraai: hoor zijn gitaar huilen tijdens de regels "It's all gone" in Endsong... De instrumentale cd die eveneens deel uitmaakt van de drieschijfjesdoos is me dan net teveel van het goede.
Voor iedereen die slechts Disintegration terughoort: luister (weer) eens naar All Cats Are Grey van Faith. De overeenkomsten met Songs of a Lost World zijn legio: lang intro, veel toms in de percussie, dominante toetsen, weemoed...
Is dit de laatste Cure? Vast niet. Om de setlist af te sluiten met Endsong en na een regenpauze terug te keren met I Never Can Say Goodbye getuigde niet alleen van humor maar tevens van hoezeer de groep geniet van optreden. Wellicht was het een hint op de toekomst. Tijdens Plainsong zagen we Smith zelfs zonder gitaar lááángzaam slenteren, genietend van het contact met de voorste rijen.
Twee nummers kunnen zomaar op de opvolger komen te staan: het al sinds 2004 rondzingende A Boy I Never Knew staat immers niet op dit album. Bovendien bevat Songs of a Lost World naast de acht hoorbare nummers de tekst van een negende: in het boekje worden de lyrieken van War Song gevolgd door de intense reflecties van Bodiam Sky. Nee, The Cure heeft meer in petto. Laat dat niet weer zestien jaar duren…
Na een maand afspelen ga ik voorzichtig op (een dikke) 4 sterren zitten. Als het voorjaar komt, pluk ik 'm weer uit de kast en ga ik merken hoe Songs of a Lost World dan binnenkomt. Minder wordt het zeker níet.
The Cure - Standing on a Beach (1986)
Alternatieve titel: Staring at the Sea

4,5
1
geplaatst: 7 juni 2023, 11:07 uur
Toen ik rond 2001 van mijn zus deze verzamelaar kreeg, ben ik begonnen met het verzamelen van de overige albums.
Hun muziek leende ik twee decennia eerder uit de fonotheek op elpee, die ik op cassette opnam. Maar cassette en vinyl waren inmiddels hopeloos verouderd (dus niet, weten we nu...) en daarom richtte ik me op cd, waarop bovendien soms leuke extra's stonden in vergelijking met de elpee.
Het was fantastisch om al die leuke liedjes eens op een rij te beluisteren, al dekt de vlag Standing on a Beach - The Singles niet helemaal de lading, omdat louter singleversies klinken. Maar dat weet ik ook pas sinds ik het artikel over het album op Wikipedia las, aan de luisterervaring doet dit niets af.
Met non-albumsingles The Walk, The Lovecats en The Caterpillar maakte de groep de overstap naar luchtiger werk. Voor het eerst hoorde ik die níet vanaf de radio. Ik heb de versie met zeventien tracks, dus tot en met A Night Like This en werkelijk, het is zeventien nummers lang genieten.
Mooi is ook de hoes met de gegroefde kop van een visser, die in het groot op vinyl nog mooier is dan op mijn cd-versie. Prachtige foto. Het album dat mij terugbracht bij een bandje dat ik weliswaar niet was vergeten, maar bij herontdekking nog beter en interessanter bleek dan ik dacht.
Cijfers geven aan verzamelaars geven is een beetje onzinnig, maar met deze compilatie is het eenvoudigweg genieten van kop tot staart.
Hun muziek leende ik twee decennia eerder uit de fonotheek op elpee, die ik op cassette opnam. Maar cassette en vinyl waren inmiddels hopeloos verouderd (dus niet, weten we nu...) en daarom richtte ik me op cd, waarop bovendien soms leuke extra's stonden in vergelijking met de elpee.
Het was fantastisch om al die leuke liedjes eens op een rij te beluisteren, al dekt de vlag Standing on a Beach - The Singles niet helemaal de lading, omdat louter singleversies klinken. Maar dat weet ik ook pas sinds ik het artikel over het album op Wikipedia las, aan de luisterervaring doet dit niets af.
Met non-albumsingles The Walk, The Lovecats en The Caterpillar maakte de groep de overstap naar luchtiger werk. Voor het eerst hoorde ik die níet vanaf de radio. Ik heb de versie met zeventien tracks, dus tot en met A Night Like This en werkelijk, het is zeventien nummers lang genieten.
Mooi is ook de hoes met de gegroefde kop van een visser, die in het groot op vinyl nog mooier is dan op mijn cd-versie. Prachtige foto. Het album dat mij terugbracht bij een bandje dat ik weliswaar niet was vergeten, maar bij herontdekking nog beter en interessanter bleek dan ik dacht.
Cijfers geven aan verzamelaars geven is een beetje onzinnig, maar met deze compilatie is het eenvoudigweg genieten van kop tot staart.
The Cure - The Cure (2004)

4,0
2
geplaatst: 10 juli 2023, 15:35 uur
In januari 2004 had oude platenmaatschappij Fiction afscheid genomen van The Cure met de indrukwekkende box Join the Dots, waarna in juni het titelloze debuut bij I Am Records volgde. Het label van de Amerikaanse producer Ross Robinson, fanatiek fan van The Cure sinds zijn jeugd en er diep van overtuigd dat hij een spirituele missie had om hun nieuwe album te produceren. Hij stalkte Smith met e-mails en backstagebezoeken na afloop van optredens in Europa, waarna deze zijn plannen voor een soloalbum maar weer eens in de vriezer legde. De Amerikaan die een grote naam was geworden dankzij zijn producties van de nodige namen in nu metal, won het. Smith had het debuut van Korn en was nieuwsgierig geworden.
In de special over The Cure van tijdschrift Uncut (2018) kom ik bij dit album veel vermakelijks tegen. Robinson werkte in de Londense Olympic Studios namelijk anders dan de Engelsen gewend waren. Bij binnenkomst werd eerst gepraat: Smith moest uitleggen wat zijn teksten betekenden, waar de anderen hem nooit vragen over stelden. Het werden psychologische sessies met de nodige tranen tot gevolg. Hier had niemand zin in, Smith al helemaal niet. Toch ging hij mee, omdat hij nieuwsgierig was naar het resultaat van deze aanpak.
Toetsenist Roger O’Donnell kreeg hoogoplopende ruzie met Robinson, omdat die eiste dat alle instrumenten door analoge versterkers zouden worden gehaald. Bassist Simon Gallup sloeg bijna Robinson in het gezicht, toen deze het waagde op zijn gitaar te tikken terwijl hij speelde.
De producer stond erop dat de plaat The Cure zou heten, omdat de groep tot zijn kern zou komen. Twintig nummers werden opgenomen, maar geleidelijk verzette Smith zich tegen de Amerikaan: niet alles moest woest klinken en bovendien moest het album niet te lang duren.
Het album telde in 2004 vier versies, waarover later meer. Op mijn cd staan twaalf nummers. De eerste twee zijn zoals Robinson het wenste: woest en scheurend met veel ruimte voor de huilende wahwah-gitaren van Perry Bamonte en de potten en pannen van drummer Jason Cooper. Niet “mijn” Cure.
Alhoewel de gitaren en vooral drums op Before Three nog altijd onstuimig zijn, wint de melodie het toch, net als op The End of the World.
Toetsen spelen tot dan een ondergeschikte rol, wat verandert met Anniversary dat dreigend en onheilspellend is, zonder drukke gitaar- en drumpartijen; sterker nog, de drums zijn digitaal, geprogrammeerd door Jesse Canon. Een groeibriljantje.
In Us or Them is Smith boos op de politiek, ondersteund door Coopers drukke spel. In vergelijking met het geweld tot dan toe is alt.end bijna lieflijk, met een heerlijk herkenbare baslijn van Gallup.
Op (I Don’t Know What’s Going) On klinkt dan eindelijk een toetsentapijt, wat ik onbewust heb gemist. De melodie is bovendien sterk én romantisch. Robert was nog altijd verliefd op zijn Mary! Toetsen klinken nog prominenter op Taking Off, de richting die Smith tegen de zin van Robinson in propageerde: “Als het album The Cure heet, dan moet het de diverse kanten van onze muziek laten horen,” luidde diens onweerlegbare argument.
Never kent de meest scheurende gitaren bij The Cure tot dan toe; het klinkt meer punk dan het debuut van de groep uit 1979. The Promise is ook al heftig, maar bouwt wel fraai op naar een climax. In de Amerikaanse editie was dit het slotlied, wij Europeanen kregen het rustieke Going Nowhere als besluit, kort maar dromerig.
Eveneens in 2004 verscheen deze Britse cd-editie met dertien tracks: nummer 4 is hier Truth Goodness & Beauty, een rustiger lied. Wie de dubbelelpee kocht (maar vinyl was passé in die jaren) kreeg als bonusnummer het slepend-melancholieke This Morning.
Wat op niet één versie verscheen (want veel te persoonlijk vond Smith, hij huilde tijdens de opnamen) is het autobiografische The Boy I Never Knew, dat een ware cultstatus kreeg. Momenteel op YouTube te vinden dankzij Poolse inbreng.
The Cure ging op The Curiosa Tour met onder meer Interpol en Mogwai als supportbands. Nog geen jaar later kregen zowel Bamonte als O’Donnell onverwacht hun ontslag, de reden hiervoor werd nooit publiek gemaakt. In juni 2005 keerde gitarist en Smiths zwager Porl Thompson terug als gitarist, in juli speelde de groep als kwartet in Parijs op het Live 8-festival.
Deze Cure is er één als een nieuwe collega, die een ruw type lijkt. Leer je echter de mens erachter beter kennen, dan blijkt deze over zachte eigenschappen te beschikken. Niet zo lief als de kindertekeningen van het boekje doen vermoeden (maar liefst zestien kinderen ontvangen wellicht een jaarlijkse toelage hiervoor, waaronder neefjes/nichtjes van Smith), maar veel toegankelijker dan de openers Lost en Labyrinth doen vermoeden.
In de special over The Cure van tijdschrift Uncut (2018) kom ik bij dit album veel vermakelijks tegen. Robinson werkte in de Londense Olympic Studios namelijk anders dan de Engelsen gewend waren. Bij binnenkomst werd eerst gepraat: Smith moest uitleggen wat zijn teksten betekenden, waar de anderen hem nooit vragen over stelden. Het werden psychologische sessies met de nodige tranen tot gevolg. Hier had niemand zin in, Smith al helemaal niet. Toch ging hij mee, omdat hij nieuwsgierig was naar het resultaat van deze aanpak.
Toetsenist Roger O’Donnell kreeg hoogoplopende ruzie met Robinson, omdat die eiste dat alle instrumenten door analoge versterkers zouden worden gehaald. Bassist Simon Gallup sloeg bijna Robinson in het gezicht, toen deze het waagde op zijn gitaar te tikken terwijl hij speelde.
De producer stond erop dat de plaat The Cure zou heten, omdat de groep tot zijn kern zou komen. Twintig nummers werden opgenomen, maar geleidelijk verzette Smith zich tegen de Amerikaan: niet alles moest woest klinken en bovendien moest het album niet te lang duren.
Het album telde in 2004 vier versies, waarover later meer. Op mijn cd staan twaalf nummers. De eerste twee zijn zoals Robinson het wenste: woest en scheurend met veel ruimte voor de huilende wahwah-gitaren van Perry Bamonte en de potten en pannen van drummer Jason Cooper. Niet “mijn” Cure.
Alhoewel de gitaren en vooral drums op Before Three nog altijd onstuimig zijn, wint de melodie het toch, net als op The End of the World.
Toetsen spelen tot dan een ondergeschikte rol, wat verandert met Anniversary dat dreigend en onheilspellend is, zonder drukke gitaar- en drumpartijen; sterker nog, de drums zijn digitaal, geprogrammeerd door Jesse Canon. Een groeibriljantje.
In Us or Them is Smith boos op de politiek, ondersteund door Coopers drukke spel. In vergelijking met het geweld tot dan toe is alt.end bijna lieflijk, met een heerlijk herkenbare baslijn van Gallup.
Op (I Don’t Know What’s Going) On klinkt dan eindelijk een toetsentapijt, wat ik onbewust heb gemist. De melodie is bovendien sterk én romantisch. Robert was nog altijd verliefd op zijn Mary! Toetsen klinken nog prominenter op Taking Off, de richting die Smith tegen de zin van Robinson in propageerde: “Als het album The Cure heet, dan moet het de diverse kanten van onze muziek laten horen,” luidde diens onweerlegbare argument.
Never kent de meest scheurende gitaren bij The Cure tot dan toe; het klinkt meer punk dan het debuut van de groep uit 1979. The Promise is ook al heftig, maar bouwt wel fraai op naar een climax. In de Amerikaanse editie was dit het slotlied, wij Europeanen kregen het rustieke Going Nowhere als besluit, kort maar dromerig.
Eveneens in 2004 verscheen deze Britse cd-editie met dertien tracks: nummer 4 is hier Truth Goodness & Beauty, een rustiger lied. Wie de dubbelelpee kocht (maar vinyl was passé in die jaren) kreeg als bonusnummer het slepend-melancholieke This Morning.
Wat op niet één versie verscheen (want veel te persoonlijk vond Smith, hij huilde tijdens de opnamen) is het autobiografische The Boy I Never Knew, dat een ware cultstatus kreeg. Momenteel op YouTube te vinden dankzij Poolse inbreng.
The Cure ging op The Curiosa Tour met onder meer Interpol en Mogwai als supportbands. Nog geen jaar later kregen zowel Bamonte als O’Donnell onverwacht hun ontslag, de reden hiervoor werd nooit publiek gemaakt. In juni 2005 keerde gitarist en Smiths zwager Porl Thompson terug als gitarist, in juli speelde de groep als kwartet in Parijs op het Live 8-festival.
Deze Cure is er één als een nieuwe collega, die een ruw type lijkt. Leer je echter de mens erachter beter kennen, dan blijkt deze over zachte eigenschappen te beschikken. Niet zo lief als de kindertekeningen van het boekje doen vermoeden (maar liefst zestien kinderen ontvangen wellicht een jaarlijkse toelage hiervoor, waaronder neefjes/nichtjes van Smith), maar veel toegankelijker dan de openers Lost en Labyrinth doen vermoeden.
The Cure - The Head on the Door (1985)

3,5
2
geplaatst: 4 juni 2023, 08:08 uur
The Cure verruilt vanaf november 1982 (single Let's Go to Bed) hun sferische new wave voor luchtiger pop en slaagde er tegelijk in als The Cure te blijven klinken. In mei 1983 volgt album The Top, dat die koers nog eens bevestigt, in december is er verzamelaar Japanese Whispers en in juni 1984 wordt The Caterpillar in Nederland een hitje. Is de groep in die fase nog wat zoekende, op The Head on the Door uit augustus 1985 worden de zomerse popsferen verder uitgewerkt.
In zijn boek 'Cured' (2016) vertelt Lol Tolhorst over het vervolg van zijn overstap van drums naar toetsen, op de voorganger gemaakt. Inmiddels had hij een Yamaha RX15 drummachine en E-mu Emulator II aangeschaft, waarmee hij ijverig aan de slag had willen gaan om deze instrumenten goed onder de knie te krijgen. Openhartig vertelt hij dat zijn alcoholverslaving enige rem op dit voornemen zette.
In december 2018 verscheen een Cure-editie van tijdschrift Uncut met daarin de nodige terug-in-de-tijd-interviews. Bij dit album meldde frontman Robert Smith: "No more mad Bob". De interviewer: "Pardon?" "No more mad Bob". Oh, I see, Robert Smith is happy. Deliriously happy.
Drummer Andy Anderson was alweer vervangen door de Franse Brit Boris Williams. Single In Between Days (Smith: "Probably the simplest thing I've written since 'Boys Don't Cry'") haalde in Nederland bij de Nationale Hitparade in september 1985 #26, een nummer dat ik wat zwaarmoediger en dus mooier vond dan de voorgaande singles. Lichter was Close to Me met alle hijgjes in de zang, #16 in oktober.
Net als op The Top is The Head on the Door een fraaie verzameling van zomerse wave, die in de meeste gevallen goed uitpakt. De flamencogitaren van Porl Thompson in The Blood bijvoorbeeld, de tekst verwijzend naar Smiths rooms-katholieke jeugd. Push leek wel bijna een liedje van The Pretenders, aangename gitaarpop met een lang en pakkend intro.
Over de tweede helft ben ik iets minder enthousiast. The Baby Screams heeft een wat saai baslijntje, Screw heeft een nog slechter exemplaar dat uit den treure wordt herhaald.
Maar behalve de vrolijke tweede single, blijft leuk, klinkt hier ook het magistrale A Night Like This, met als kers op de taart de solo van gastsaxofonist Rob Howe. Een nummer dat goed zou hebben gepast bij The E Street Band! Op Sinking zijn het toetsenlijn en fraaie opbouw die het album in weemoedige stemming afsluiten.
De 2006-speciale editie bracht de nodige demo- en live-extra's, een versie die op streaming is te vinden. Leuk om de oorspronkelijke schetsen eens te horen maar niet spectaculair.
Smith verklaart in het Uncut-interview zijn liefde voor Dare van The Human League en beaamt dat The Cure en New Order overeenkomsten hebben. "You could probably compare us to Wham!" Geen muziek voor sombere vleermuizen dus, maar nog altijd zeer sferisch en van hoge kwaliteit.
Afgelopen november zag ik de groep in de Ziggo Dome, van dit album werden A Night like This, Push en In Between Days gespeeld. Ook voor Smith en bassist Simon Gallup, de enigen die van de bezetting op The Head on the Door nog deel uitmaken van de groep, is dit kennelijk een relevant album.
In zijn boek 'Cured' (2016) vertelt Lol Tolhorst over het vervolg van zijn overstap van drums naar toetsen, op de voorganger gemaakt. Inmiddels had hij een Yamaha RX15 drummachine en E-mu Emulator II aangeschaft, waarmee hij ijverig aan de slag had willen gaan om deze instrumenten goed onder de knie te krijgen. Openhartig vertelt hij dat zijn alcoholverslaving enige rem op dit voornemen zette.
In december 2018 verscheen een Cure-editie van tijdschrift Uncut met daarin de nodige terug-in-de-tijd-interviews. Bij dit album meldde frontman Robert Smith: "No more mad Bob". De interviewer: "Pardon?" "No more mad Bob". Oh, I see, Robert Smith is happy. Deliriously happy.
Drummer Andy Anderson was alweer vervangen door de Franse Brit Boris Williams. Single In Between Days (Smith: "Probably the simplest thing I've written since 'Boys Don't Cry'") haalde in Nederland bij de Nationale Hitparade in september 1985 #26, een nummer dat ik wat zwaarmoediger en dus mooier vond dan de voorgaande singles. Lichter was Close to Me met alle hijgjes in de zang, #16 in oktober.
Net als op The Top is The Head on the Door een fraaie verzameling van zomerse wave, die in de meeste gevallen goed uitpakt. De flamencogitaren van Porl Thompson in The Blood bijvoorbeeld, de tekst verwijzend naar Smiths rooms-katholieke jeugd. Push leek wel bijna een liedje van The Pretenders, aangename gitaarpop met een lang en pakkend intro.
Over de tweede helft ben ik iets minder enthousiast. The Baby Screams heeft een wat saai baslijntje, Screw heeft een nog slechter exemplaar dat uit den treure wordt herhaald.
Maar behalve de vrolijke tweede single, blijft leuk, klinkt hier ook het magistrale A Night Like This, met als kers op de taart de solo van gastsaxofonist Rob Howe. Een nummer dat goed zou hebben gepast bij The E Street Band! Op Sinking zijn het toetsenlijn en fraaie opbouw die het album in weemoedige stemming afsluiten.
De 2006-speciale editie bracht de nodige demo- en live-extra's, een versie die op streaming is te vinden. Leuk om de oorspronkelijke schetsen eens te horen maar niet spectaculair.
Smith verklaart in het Uncut-interview zijn liefde voor Dare van The Human League en beaamt dat The Cure en New Order overeenkomsten hebben. "You could probably compare us to Wham!" Geen muziek voor sombere vleermuizen dus, maar nog altijd zeer sferisch en van hoge kwaliteit.
Afgelopen november zag ik de groep in de Ziggo Dome, van dit album werden A Night like This, Push en In Between Days gespeeld. Ook voor Smith en bassist Simon Gallup, de enigen die van de bezetting op The Head on the Door nog deel uitmaken van de groep, is dit kennelijk een relevant album.
The Cure - The Top (1984)

3,5
0
geplaatst: 21 november 2022, 20:14 uur
Na het verschijnen van Pornography werd The Cure een bandje waar ik weinig meer van begreep. Inleiding was het bericht dat bassist Simon Gallup de band had verlaten, om weer terug te keren en vervolgens "definitief" te vertrekken, The Cure tot een duo reducerend. Drummer Lol Tolhurst stapte daarop over naar toetsen; huh?
Toch kwam al in november 1982 single Let’s Go to Bed. Maar waarom verschenen op bas en drums slechts huurlingen? En hoezo was Robert Smith ineens zo vrolijk?
Of was The Cure gestopt? Want Smith speelde ineens zowel bij The Glove als Siouxie and the Banshees... Gelukkig verschenen dan toch in juli en oktober 1983 singles The Walk en The Lovecats met daarop wederom de nodige lichtheid.
Wat ik bovendien niet snapte, was dat er geen album bij de singles verscheen. En toen daar eindelijk in mei 1984 The Top verscheen, stonden die liedjes daar niet op. Vraagtekens, vraagtekens.
Voorbij waren de soundscapes van de vorige drie albums, symfonieën op zichzelf. Op The Top met zijn oosters-kleurige hoes klinkt een verzameling losse liedjes. Hoe die heetten, was puzzelen gezien het onoverzichtelijke label waarop de liedtitels niet nummersgewijs staan vermeld, terwijl ik de achterzijde van de buitenhoes veelvuldig ronddraaide om die te kunnen lezen.
De A-kant kent grote tegenstellingen: Met Shake Dog Shake en Give Me It waait Smith luide gitaarwolken om zich heen door chorus- en/of flangereffecten te gebruiken; melancholie klinkt op zowel Bird Mad Girl, dat qua gitaargeluid terugkeerde naar 1979, als op Dressing Up met z’n panfluitkeyboards; terwijl in Wailing Wall pseudo-Arabische muziek is te horen.
De B-zijde opent met hun eerste hit(je) sinds 1980: het mallotige The Caterpillar haalde in juni 1984 #35 in de Nationale Hitparade, bij Veronica slechts de Tipparade. Bij Piggy in the Mirror was de heerlijke melancholie er weer, al dacht ik met die titel vooral aan het personage uit The Muppet Show; bij het intro van The Empty World meende ik een symfonische rockband te horen waarna (hoera!) de klaaglijke zang van Smith het overneemt.
Daarna was het voorbij voor mij: Bananafishbones ging met zijn te vaak herhaalde dalende akkoordenschema snel vervelen en hetzelfde geldt voor het eentonige titelnummer, waarop weer enige knipogen uit het Midden-Oosten klinken.
In autobiografie Cured (2016) gaf Lol Tolhurst mij dan eindelijk antwoorden op de vragen van voorheen. Hij vertelt het nodige over de vechtpartij tussen Smith en Gallup in een club in Straatsburg in 1982, zijn overstap naar de toetsen en hoe de band enige tijd op sterven na dood was. Open is hij over de gevolgen van enerzijds te hard (moeten) werken, drugs en alcohol en anderzijds vakantie in Frankrijk en kunst in Spanje. Ook verklaart hij waarom er drie non-albumsingles verschenen en wat de reden is dat ze zo anders klinken dan de zware melancholie van voorheen.
Wat me nu pas opvalt is hoezeer ik de repetitieve drumpatronen van hem mis: opvolger Andy Anderson was weliswaar technisch veel vaardiger, maar tevens conventioneler. Daarmee verdween iets van de magie van de tripel Seventeen Seconds - Faith - Pornography. Tegelijk valt op hoe The Cure in al haar vormen toch The Cure blijft: het zit 'm in de stem van Robert Smith. IJl, lenig, emotievol en onvergelijkbaar met andere zangers.
Toch kwam al in november 1982 single Let’s Go to Bed. Maar waarom verschenen op bas en drums slechts huurlingen? En hoezo was Robert Smith ineens zo vrolijk?
Of was The Cure gestopt? Want Smith speelde ineens zowel bij The Glove als Siouxie and the Banshees... Gelukkig verschenen dan toch in juli en oktober 1983 singles The Walk en The Lovecats met daarop wederom de nodige lichtheid.
Wat ik bovendien niet snapte, was dat er geen album bij de singles verscheen. En toen daar eindelijk in mei 1984 The Top verscheen, stonden die liedjes daar niet op. Vraagtekens, vraagtekens.
Voorbij waren de soundscapes van de vorige drie albums, symfonieën op zichzelf. Op The Top met zijn oosters-kleurige hoes klinkt een verzameling losse liedjes. Hoe die heetten, was puzzelen gezien het onoverzichtelijke label waarop de liedtitels niet nummersgewijs staan vermeld, terwijl ik de achterzijde van de buitenhoes veelvuldig ronddraaide om die te kunnen lezen.
De A-kant kent grote tegenstellingen: Met Shake Dog Shake en Give Me It waait Smith luide gitaarwolken om zich heen door chorus- en/of flangereffecten te gebruiken; melancholie klinkt op zowel Bird Mad Girl, dat qua gitaargeluid terugkeerde naar 1979, als op Dressing Up met z’n panfluitkeyboards; terwijl in Wailing Wall pseudo-Arabische muziek is te horen.
De B-zijde opent met hun eerste hit(je) sinds 1980: het mallotige The Caterpillar haalde in juni 1984 #35 in de Nationale Hitparade, bij Veronica slechts de Tipparade. Bij Piggy in the Mirror was de heerlijke melancholie er weer, al dacht ik met die titel vooral aan het personage uit The Muppet Show; bij het intro van The Empty World meende ik een symfonische rockband te horen waarna (hoera!) de klaaglijke zang van Smith het overneemt.
Daarna was het voorbij voor mij: Bananafishbones ging met zijn te vaak herhaalde dalende akkoordenschema snel vervelen en hetzelfde geldt voor het eentonige titelnummer, waarop weer enige knipogen uit het Midden-Oosten klinken.
In autobiografie Cured (2016) gaf Lol Tolhurst mij dan eindelijk antwoorden op de vragen van voorheen. Hij vertelt het nodige over de vechtpartij tussen Smith en Gallup in een club in Straatsburg in 1982, zijn overstap naar de toetsen en hoe de band enige tijd op sterven na dood was. Open is hij over de gevolgen van enerzijds te hard (moeten) werken, drugs en alcohol en anderzijds vakantie in Frankrijk en kunst in Spanje. Ook verklaart hij waarom er drie non-albumsingles verschenen en wat de reden is dat ze zo anders klinken dan de zware melancholie van voorheen.
Wat me nu pas opvalt is hoezeer ik de repetitieve drumpatronen van hem mis: opvolger Andy Anderson was weliswaar technisch veel vaardiger, maar tevens conventioneler. Daarmee verdween iets van de magie van de tripel Seventeen Seconds - Faith - Pornography. Tegelijk valt op hoe The Cure in al haar vormen toch The Cure blijft: het zit 'm in de stem van Robert Smith. IJl, lenig, emotievol en onvergelijkbaar met andere zangers.
The Cure - Three Imaginary Boys (1979)

4,0
0
geplaatst: 1 december 2023, 17:06 uur
Boys Don't Cry was het oudste album van The Cure dat ik leerde kennen, dankzij de fonotheek in het dorp. Ik wist niet dat dat eigenlijk een heruitgave van dit Three Imaginary Boys was, de eigenlijke debuutplaat van The Cure.
De groep is hier nog in de beginfase, met een hoes die frontman Robert Smith nooit zou hebben uitgekozen. Sterker nog, naar aanleiding van deze lamp-met-koelkast-met-stofzuiger zorgde hij ervoor dat het artwork nooit meer uit handen zou worden gegeven.
Onlangs kwam ik deze bij toeval op cd tegen, met bovendien een tweede cd met 20 bonussen, de editie uit 2012. Wist niet eens dat deze bestond en aarzelde niet. Lang leve platenzaken!
De melancholie waar ik zo van houd klinkt op Another Day, Fire in Cairo en Three Imaginary Boys, voorlopers van de navolgende albums Seventeen Seconds en Faith. Maar vooral klinkt muziek die hoorbaar uit punk voortkwam zoals in het felle It's Not You, al is dat meestal zonder scheurend gitaartje. Ontegenzeglijk is het talent van Smith te horen, ook als de toen nog jongens Jimi Hendrix' Foxy Lady bijna onherkenbaar omvormen naar een passend Curejasje.
Cd2 heeft als titel Rarities 1977-1977. Soms is het grappig, soms interessant, soms sterk of dan weer niet. Een vermakelijk schijfje: thuis- en studiodemo's, nummers die afvielen voor het debuut en drie liveversies.
Pure punk klinkt op Heroin Face en I Just Need Myself; voor het eerst dat ik die ruwe geluiden bij de groep hoor. Verder onder meer een vermakelijke oerversie van 10:15 Saturday Night (later op de cd nog eens twee versies van het lied) en de nummers die op de elpee Boys Don't Cry nieuw waren.
In het cd-boekje een biografie rond dit debuut met enkele foto's, waarop de mannen (naast Smith Lol Tolhurst en Michael Dempsey) nog lange haren hebben in de stijl van de jaren '70, geheel anders dan het gothic imago met lippenstift waarmee de groep later in de jaren '80 naar buiten trad.
Een meer dan aardig debuut en de bonus-cd maakt het alleen maar leuker.
De groep is hier nog in de beginfase, met een hoes die frontman Robert Smith nooit zou hebben uitgekozen. Sterker nog, naar aanleiding van deze lamp-met-koelkast-met-stofzuiger zorgde hij ervoor dat het artwork nooit meer uit handen zou worden gegeven.
Onlangs kwam ik deze bij toeval op cd tegen, met bovendien een tweede cd met 20 bonussen, de editie uit 2012. Wist niet eens dat deze bestond en aarzelde niet. Lang leve platenzaken!
De melancholie waar ik zo van houd klinkt op Another Day, Fire in Cairo en Three Imaginary Boys, voorlopers van de navolgende albums Seventeen Seconds en Faith. Maar vooral klinkt muziek die hoorbaar uit punk voortkwam zoals in het felle It's Not You, al is dat meestal zonder scheurend gitaartje. Ontegenzeglijk is het talent van Smith te horen, ook als de toen nog jongens Jimi Hendrix' Foxy Lady bijna onherkenbaar omvormen naar een passend Curejasje.
Cd2 heeft als titel Rarities 1977-1977. Soms is het grappig, soms interessant, soms sterk of dan weer niet. Een vermakelijk schijfje: thuis- en studiodemo's, nummers die afvielen voor het debuut en drie liveversies.
Pure punk klinkt op Heroin Face en I Just Need Myself; voor het eerst dat ik die ruwe geluiden bij de groep hoor. Verder onder meer een vermakelijke oerversie van 10:15 Saturday Night (later op de cd nog eens twee versies van het lied) en de nummers die op de elpee Boys Don't Cry nieuw waren.
In het cd-boekje een biografie rond dit debuut met enkele foto's, waarop de mannen (naast Smith Lol Tolhurst en Michael Dempsey) nog lange haren hebben in de stijl van de jaren '70, geheel anders dan het gothic imago met lippenstift waarmee de groep later in de jaren '80 naar buiten trad.
Een meer dan aardig debuut en de bonus-cd maakt het alleen maar leuker.
The Cure - Torn Down (2018)
Alternatieve titel: Mixed Up Extras

3,5
0
geplaatst: 21 juni 2023, 10:46 uur
Torn Down verscheen in april 2018 ter gelegenheid van Record Store Day. Later dat jaar verschenen als cd 3 van de nieuwe 3cd-versie van Mixed Up. Het is van die editie dat ik dit album ken.
Voor een album met remixen valt dit niet tegen: vijfmaal ben ik positief. Smith ging wederom zelf aan de slag en verbouwde in chronologische volgorde van ieder album één nummer.
Dat dit kan slagen, ondervind ik bij M (Attack Mix), het sfeervolle The Drowning Man (Bright Birds Mix) en A Strange Day (Drowning Waves Mix), gedrieën niet toevallig oorspronkelijk van de gouden drieslag Seventeen Seconds, Faith en Pornography.
Dan is het even doorbijten, maar genieten is het wederom bij From the Edge of the Deep Green Sea (Love in Vain Mix) dat langzaam naar een climax opbouwt met een fraaie gitaarsolo, en het in twee delen verdeelde Want (Time Mix), dat semi-klassiek en klaaglijk wordt. Geinig maar niet per se pakkend zijn de snelle triphopbeats in Lost (Found Mix).
Mijn verwachtingen waren niet heel hoog (remixalbums zijn vaak matig of nog erger) en dus valt het alleszins mee. Tegelijkertijd zijn opinies ten aanzien van remixen extra persoonlijk en divers. De nummers die mij weinig deden, kunnen door een ander juist wél worden gewaardeerd, afhankelijk van de beat en andere geluidjes. Of misschien vindt iemand mijn favorieten van dit album juist helemaal niks. Het is dus maar de vraag of een ander wat met mijn mening kan, maar vele meningen (zoals die hierboven) maken het plaatje wel compleet.
Voor een album met remixen valt dit niet tegen: vijfmaal ben ik positief. Smith ging wederom zelf aan de slag en verbouwde in chronologische volgorde van ieder album één nummer.
Dat dit kan slagen, ondervind ik bij M (Attack Mix), het sfeervolle The Drowning Man (Bright Birds Mix) en A Strange Day (Drowning Waves Mix), gedrieën niet toevallig oorspronkelijk van de gouden drieslag Seventeen Seconds, Faith en Pornography.
Dan is het even doorbijten, maar genieten is het wederom bij From the Edge of the Deep Green Sea (Love in Vain Mix) dat langzaam naar een climax opbouwt met een fraaie gitaarsolo, en het in twee delen verdeelde Want (Time Mix), dat semi-klassiek en klaaglijk wordt. Geinig maar niet per se pakkend zijn de snelle triphopbeats in Lost (Found Mix).
Mijn verwachtingen waren niet heel hoog (remixalbums zijn vaak matig of nog erger) en dus valt het alleszins mee. Tegelijkertijd zijn opinies ten aanzien van remixen extra persoonlijk en divers. De nummers die mij weinig deden, kunnen door een ander juist wél worden gewaardeerd, afhankelijk van de beat en andere geluidjes. Of misschien vindt iemand mijn favorieten van dit album juist helemaal niks. Het is dus maar de vraag of een ander wat met mijn mening kan, maar vele meningen (zoals die hierboven) maken het plaatje wel compleet.
The Cure - Wild Mood Swings (1996)

4,0
2
geplaatst: 1 juli 2023, 11:59 uur
Niet bepaald de populairste Cure, zij het dat wie ‘m op vinyl wil hebben, véél moet neerleggen. Deze stamt dan ook uit de periode dat de cd het vinyl totaal uit de platenzaken had verdreven, wat ik een droevige constatering vond met die kleine doosjes met hun minihoesjes. Voordeel was de langere speelduur, maar in de loop der jaren zou ik ontdekken dat menig artiest die gebruikte om ook nummers van minder kaliber erop te zetten, waardoor menig album op het saaie af werd uitgerekt.
De popwereld is er één van continu veranderende mode en smaak. De bands die uit new wave voortkwamen hadden het in 1996 zwaar. Alanis Morrissette met Jagged Little Pill, dát was je van het, brengt de special van tijdschrift Uncut over The Cure (2018) fijntjes in herinnering. Groepen als New Order en The Cure? Naaaah…
Alhoewel Wild Mood Swings in muzikaal opzicht slechts een kleine stap verwijderd is van voorganger Wish (1992), waren de reacties negatief. Hier op MuMe aanvankelijk ook, al zie ik hierboven een kentering. In Nederland slechts #37 in de albumlijst, waar in andere landen de top 10 (soms bijna) werd gehaald. The Cure was in mijn kikkerlandje uit de mode.
De aanloop was rommelig geweest. Gitarist Porl Thompson was tourmoe en verliet de band om bij Robert Plant & Jimmy Page te gaan touren (!), waarop voormalig gitaarroadie en inmiddels toetsenist Perry Bamonte zijn vervanger werd.
Toetsenist Roger O’Donnell had ooit ruzie maar nu niet meer en werd wederom ingelijfd, op bas keerde oudgediende Simon Gallup op tijd terug van langer durend ziekteverlof, na mentaal in de knoop te hebben gezeten. Drummer Boris Williams vertrok en werd door maar liefst vier stokkenmannen vervangen, van wie Jason Cooper de drumkruk definitief veroverde. Niet vreemd in al dit tumult dat frontman Robert Smith overwoog een soloalbum te maken.
Een jarenlang slepend juridisch geschil met ex-drummer en -toetsenist en vooral voormalige vriend Lol Tolhurst over de groepsnaam en royalties werd in 1994 beslist in nadeel van de ex. Een complete knock-out, waarmee Smith definitief verder kon met zijn Cure, dat in 1993 de livealbums Show en Paris uitbracht.
The Cure was niet meer dat trio uit Crawley dat het aan de stok had met skinheads. Dit was een groep die de wereld rondreisde, op zonnige plaatsen als Mexico speelde en bovendien frequent was te zien bij de nieuwe trend in popland: zomerfestivals. Die veranderingen hoor je terug.
Waar op voorganger Wish violiste Kate Wilkinson een fraaie bijrol in To Wish Impossible Things vervulde, liet Smith op Wild Mood Swings meer hulptroepen aanrukken: diverse strijkers en blazers assisteerden, resulterend in een breed scala aan geluiden en sferen.
Op dit album bedient Smith zowel de liefhebbers van melancholie als psychedelische gitaren als popliedjes. Of beter: hij geeft die drie kanten van zichzelf ruimte.
Melancholie klinkt op heerlijke opener Want, in het rijke strijkarrangement van This Is a Lie, het ingetogen Jupiter Crash, Numb met sitar en strijkers en de twee afsluitende nummers Treasure en Bare, die het album kalmpjes naar zijn einde brengen.
Psychedelisch scheurende gitaren zijn te horen in Club America waar Smith lager dan ooit zingt (ik herkende hem amper) en in Trap dat een prachtige melodie kent.
Pop klinkt in The 13th dat met zijn blazers en swing niet goed werd ontvangen als eerste single, Strange Attraction, het vrolijke Mint Car (met de regel “The sun is up, I’m so happy I could scream" zou dit een logischer eerste singlekeuze zijn geweest), vrolijkheid en strijkers in Round & Round & Round, in Gone! zelfs swingjazz met blazers; Return is vrolijk met alweer blazers.
Eén hitsingle had wellicht veel slechte meningsvorming kunnen voorkomen, maar zelfs Mint Car werd niet de klapper. Smith toonde zich acht jaar later teleurgesteld in de slechte reacties van toen. Ik ga met hem mee, net als met zijn opinie dat hij de plaat wellicht iets korter had moeten houden, door ofwel minder nummers erop te zetten, ofwel ze korter te laten duren. Maar speel ze los van elkaar af en je zult geen zwakke compositie vinden.
De popwereld is er één van continu veranderende mode en smaak. De bands die uit new wave voortkwamen hadden het in 1996 zwaar. Alanis Morrissette met Jagged Little Pill, dát was je van het, brengt de special van tijdschrift Uncut over The Cure (2018) fijntjes in herinnering. Groepen als New Order en The Cure? Naaaah…
Alhoewel Wild Mood Swings in muzikaal opzicht slechts een kleine stap verwijderd is van voorganger Wish (1992), waren de reacties negatief. Hier op MuMe aanvankelijk ook, al zie ik hierboven een kentering. In Nederland slechts #37 in de albumlijst, waar in andere landen de top 10 (soms bijna) werd gehaald. The Cure was in mijn kikkerlandje uit de mode.
De aanloop was rommelig geweest. Gitarist Porl Thompson was tourmoe en verliet de band om bij Robert Plant & Jimmy Page te gaan touren (!), waarop voormalig gitaarroadie en inmiddels toetsenist Perry Bamonte zijn vervanger werd.
Toetsenist Roger O’Donnell had ooit ruzie maar nu niet meer en werd wederom ingelijfd, op bas keerde oudgediende Simon Gallup op tijd terug van langer durend ziekteverlof, na mentaal in de knoop te hebben gezeten. Drummer Boris Williams vertrok en werd door maar liefst vier stokkenmannen vervangen, van wie Jason Cooper de drumkruk definitief veroverde. Niet vreemd in al dit tumult dat frontman Robert Smith overwoog een soloalbum te maken.
Een jarenlang slepend juridisch geschil met ex-drummer en -toetsenist en vooral voormalige vriend Lol Tolhurst over de groepsnaam en royalties werd in 1994 beslist in nadeel van de ex. Een complete knock-out, waarmee Smith definitief verder kon met zijn Cure, dat in 1993 de livealbums Show en Paris uitbracht.
The Cure was niet meer dat trio uit Crawley dat het aan de stok had met skinheads. Dit was een groep die de wereld rondreisde, op zonnige plaatsen als Mexico speelde en bovendien frequent was te zien bij de nieuwe trend in popland: zomerfestivals. Die veranderingen hoor je terug.
Waar op voorganger Wish violiste Kate Wilkinson een fraaie bijrol in To Wish Impossible Things vervulde, liet Smith op Wild Mood Swings meer hulptroepen aanrukken: diverse strijkers en blazers assisteerden, resulterend in een breed scala aan geluiden en sferen.
Op dit album bedient Smith zowel de liefhebbers van melancholie als psychedelische gitaren als popliedjes. Of beter: hij geeft die drie kanten van zichzelf ruimte.
Melancholie klinkt op heerlijke opener Want, in het rijke strijkarrangement van This Is a Lie, het ingetogen Jupiter Crash, Numb met sitar en strijkers en de twee afsluitende nummers Treasure en Bare, die het album kalmpjes naar zijn einde brengen.
Psychedelisch scheurende gitaren zijn te horen in Club America waar Smith lager dan ooit zingt (ik herkende hem amper) en in Trap dat een prachtige melodie kent.
Pop klinkt in The 13th dat met zijn blazers en swing niet goed werd ontvangen als eerste single, Strange Attraction, het vrolijke Mint Car (met de regel “The sun is up, I’m so happy I could scream" zou dit een logischer eerste singlekeuze zijn geweest), vrolijkheid en strijkers in Round & Round & Round, in Gone! zelfs swingjazz met blazers; Return is vrolijk met alweer blazers.
Eén hitsingle had wellicht veel slechte meningsvorming kunnen voorkomen, maar zelfs Mint Car werd niet de klapper. Smith toonde zich acht jaar later teleurgesteld in de slechte reacties van toen. Ik ga met hem mee, net als met zijn opinie dat hij de plaat wellicht iets korter had moeten houden, door ofwel minder nummers erop te zetten, ofwel ze korter te laten duren. Maar speel ze los van elkaar af en je zult geen zwakke compositie vinden.
The Cure - Wish (1992)

4,5
3
geplaatst: 27 juni 2023, 18:24 uur
Menigeen schijnt dit album te verguizen; ik verbaas mij juist omdat het lijkt alsof ik naar een sterke setlist luister, zij het slechts bestaand uit één dubbelalbum met liedjes van 1990 tot 1992 geschreven. Alleen met afsluiter End kan ik wat minder.
De plaat start met twee sterke uptempo nummers, waarna ik voor het eerst in de geschiedenis van The Cure Robert Smith in een lagere versnelling hoor zingen. Of deed hij dat al eerder? Hoe dan ook, ik vind zijn stem in het ingetogen Apart best wel... apart. En vooral mooi.
Ik draai 'm van cd, maar als ik de verdeling op vinyl erbij houd, valt iets op. Vanaf kant 2 (drie nummers per zijde, dus te beginnen met track 4) is de opbouw steeds hetzelfde: een heel uptempo nummer wordt gevolgd door een langzamer nummer wordt gevolgd door een vlotter nummer. Zo trapt From the Edge of the Deep Green Sea aantrekkelijk kant 2 af met zijn stijgende akkoordenlijn en doet de tijdloze single Friday I'm in Love hetzelfde op kant 3. Nog altijd weet ik hoe dit perfecte popliedje in de zomer van 2010 langskwam op de radio tijdens een snikhete autorit door de Eifel.
De tweede ballade met Smiths stem lager dan anders en bovendien tweestemmig ingezongen, is ook al zo mooi: het sfeervolle Trust.
Troef op Wish is bovendien het gitaarwerk van Porl Thompson, die de gitaren heerlijk newwaviaans laat waaieren. Qua teksten heb ik niet het idee dat Smith heel persoonlijk is: hij bezingt vooral de liefde in de verschillende seizoenen, of juist de afkeer van iemand. Als een willekeurige verzameling verhalen.
In de Curespecial van Uncut in 2018 staat een interview uit 1992 met de groep, waarin wordt verteld dat een dartbord van voormalig drummer/toetsenist Lol Tolhurst meereisde tijdens de tournee, omdat deze zich steeds rancuneuzer naar de groep gedroeg. Iets wat Tolhurst later in zijn autobio volledig zou erkennen en waarvan hij dan spijt betuigt. Smith in een NME-interview in '92: "Why was Lol in the band so long? (...) Because I have an angelic compassion."
Vóórdat men aan Wish begon, was ook de andere toetsenist uitgevallen: in het boekje bij de 3cd-editie van Mixed Up wijdt Smith dit aan vermoeidheid, Uncut berichtte echter dat Roger O'Donnell was vertrokken wegens onenigheid met de ritmesectie, te weten bassist Simon Gallup en drummer Boris Williams. De laatste is op dit album overigens zeer op dreef. Nieuwe toetsenist was tot dan gitaarroadie bij de groep: Perry Bamonte.
Eveneens in Uncut vertelt Smith weinig op te hebben met gothic, al noemt hij wel enkele namen die hem in 1992 goed bevielen: albums van Ride, My Bloody Valentine, Curve en Lush, naast een EP van Levitation, een single van Chapterhouse en Smashing Pumpkins. Zelfs over zijn kapsel heeft hij, dan zojuist gekortwiekt, nieuws: "I always use gel, not hairspray. It's called KMS and it comes with hexagons on."
Ik heb bij mijn waardering hier op MuMe eens drie onbekendere nummers als favoriet uitgekozen, de keuze is eigenlijk te groot. Heel donker is ie niet, in de rustiger nummers wel melancholisch. Met alle variatie beleef ik het tegelijkertijd als een sterk geheel, in plaats van een verzameling losse liedjes.
Wish werd in Groot-Brittannië #1, in de Verenigde Staten van die plek afgehouden door een andere Britse band, te weten Def Leppard met Adrenalize. Dan veel liever deze Wish.
De plaat start met twee sterke uptempo nummers, waarna ik voor het eerst in de geschiedenis van The Cure Robert Smith in een lagere versnelling hoor zingen. Of deed hij dat al eerder? Hoe dan ook, ik vind zijn stem in het ingetogen Apart best wel... apart. En vooral mooi.
Ik draai 'm van cd, maar als ik de verdeling op vinyl erbij houd, valt iets op. Vanaf kant 2 (drie nummers per zijde, dus te beginnen met track 4) is de opbouw steeds hetzelfde: een heel uptempo nummer wordt gevolgd door een langzamer nummer wordt gevolgd door een vlotter nummer. Zo trapt From the Edge of the Deep Green Sea aantrekkelijk kant 2 af met zijn stijgende akkoordenlijn en doet de tijdloze single Friday I'm in Love hetzelfde op kant 3. Nog altijd weet ik hoe dit perfecte popliedje in de zomer van 2010 langskwam op de radio tijdens een snikhete autorit door de Eifel.
De tweede ballade met Smiths stem lager dan anders en bovendien tweestemmig ingezongen, is ook al zo mooi: het sfeervolle Trust.
Troef op Wish is bovendien het gitaarwerk van Porl Thompson, die de gitaren heerlijk newwaviaans laat waaieren. Qua teksten heb ik niet het idee dat Smith heel persoonlijk is: hij bezingt vooral de liefde in de verschillende seizoenen, of juist de afkeer van iemand. Als een willekeurige verzameling verhalen.
In de Curespecial van Uncut in 2018 staat een interview uit 1992 met de groep, waarin wordt verteld dat een dartbord van voormalig drummer/toetsenist Lol Tolhurst meereisde tijdens de tournee, omdat deze zich steeds rancuneuzer naar de groep gedroeg. Iets wat Tolhurst later in zijn autobio volledig zou erkennen en waarvan hij dan spijt betuigt. Smith in een NME-interview in '92: "Why was Lol in the band so long? (...) Because I have an angelic compassion."
Vóórdat men aan Wish begon, was ook de andere toetsenist uitgevallen: in het boekje bij de 3cd-editie van Mixed Up wijdt Smith dit aan vermoeidheid, Uncut berichtte echter dat Roger O'Donnell was vertrokken wegens onenigheid met de ritmesectie, te weten bassist Simon Gallup en drummer Boris Williams. De laatste is op dit album overigens zeer op dreef. Nieuwe toetsenist was tot dan gitaarroadie bij de groep: Perry Bamonte.
Eveneens in Uncut vertelt Smith weinig op te hebben met gothic, al noemt hij wel enkele namen die hem in 1992 goed bevielen: albums van Ride, My Bloody Valentine, Curve en Lush, naast een EP van Levitation, een single van Chapterhouse en Smashing Pumpkins. Zelfs over zijn kapsel heeft hij, dan zojuist gekortwiekt, nieuws: "I always use gel, not hairspray. It's called KMS and it comes with hexagons on."
Ik heb bij mijn waardering hier op MuMe eens drie onbekendere nummers als favoriet uitgekozen, de keuze is eigenlijk te groot. Heel donker is ie niet, in de rustiger nummers wel melancholisch. Met alle variatie beleef ik het tegelijkertijd als een sterk geheel, in plaats van een verzameling losse liedjes.
Wish werd in Groot-Brittannië #1, in de Verenigde Staten van die plek afgehouden door een andere Britse band, te weten Def Leppard met Adrenalize. Dan veel liever deze Wish.
The Damned - Damned Damned Damned (1977)

3,5
2
geplaatst: 16 maart 2024, 15:06 uur
"Made to be played loud at low volume", vermeldt de hoes.
New Rose was de eerste punksingle die het kersverse Stiff uitbracht, hun derde single in successie. Dit in oktober 1976, geproduceerd door Nick Lowe. De elpee Damned Damned Damned verscheen op 18 februari 1977 als eerste Britse punkelpee, nadat de maand ervoor de EP Spiral Scratch van The Buzzcocks uit de regio Manchester uitkwam.
Andere voortrekkers: uiteraard de New Yorkse Ramones met The Blizkrieg Bop!! zoals dat in februari 1976 op hun single stond afgedrukt, The Saints uit Brisbane, Australië met single (I'm) Stranded in september 1976 en Sex Pistols met Anarchy in the U.K. in november.
Die laatste groep gaf in Londen in juni 1976 een concert dat velen inspireerde ook een band te beginnen, zeker toen Ramones de maand erop in de stad optraden, net als The Damned dat live debuteerde als opener voor Sex Pistols.
The Damned behoort dus tot de absolute voortrekkers van punk. Sterker nog, drie van de leden speelden eerder in Masters of the Backside, een eerste poging van manager Malcolm McLaren om in Londen verder te gaan in het voetspoor van "zijn" New York Dolls. In die groep ook Chrissie Hynde, later bekend geworden als frontvrouw van The Pretenders.
Heel veel namen. Is Damned Damned Damned, eveneens voor Stiff met knoppenman Nick Lowe opgenomen, werkelijk een nieuw jaar 0 in de pophistorie, zoals de licht-hysterische Britse pers ons indertijd voorhield?
Nee, natuurlijk niet. In de kalmere momenten zoals Fan Club en Feel the Pain hoor je bijvoorbeeld echo's van The Who. Maar het furieuze drumwerk van Rat Scabies is voor dan ongekend en de nummers waarop hij dat etaleert zijn mijn favorieten.
New Rose hoorde ik indertijd zowaar op Hilversum 3 en rond dezelfde tijd ontdekte deze beginnende tiener Down Down (1974) van Status Quo; tot op de dag van vandaag vind ik ze qua slaggitaren sterk op elkaar lijken. Pure, harde rock 'n' roll in de voetsporen van Chuck Berry, waarbij de versterkers bij The Damned klinken alsof ze ieder moment kunnen worden opgeblazen.
Het is het heftigste nummer van de plaat, elders zijn versterkers meer beheerst afgesteld. Zoals op opener Neat Neat Neat, dat desalniettemin ferm uit de boxen knalt. Hier al de eerste gitaarsolo, bewijzend dat Brian James technisch onderlegd was, haaks op de punkfilosofie. Je hoort ze in bijna in ieder nummer met Fish als langste voorbeeld, terwijl het intro van See Her Tonite zelfs snelle gitaarloopjes bevat. Waar komt toch die rare stelling vandaan dat punk geen solo’s mag bevatten? I Feel Alright besluit opgewekt de plaat, waarbij de bekkens je weer om de oren vliegen.
In 2017, toen het album 40 kaarsjes uitblies, blikten twee van de leden terug in de British Library, hier te zien. In twee dagen opgenomen, in twee dagen gemixt, zo herinnert één van hen zich. Nick Lowe beperkte zich tot opnemen: geen overdubs.
Ik kwam hier vanaf de eerste single van Stiff, van de hand van diezelfde Nick Lowe. En nu naar de eerste stappen van The Saints: de reis door punk en new wave gaat verder.
New Rose was de eerste punksingle die het kersverse Stiff uitbracht, hun derde single in successie. Dit in oktober 1976, geproduceerd door Nick Lowe. De elpee Damned Damned Damned verscheen op 18 februari 1977 als eerste Britse punkelpee, nadat de maand ervoor de EP Spiral Scratch van The Buzzcocks uit de regio Manchester uitkwam.
Andere voortrekkers: uiteraard de New Yorkse Ramones met The Blizkrieg Bop!! zoals dat in februari 1976 op hun single stond afgedrukt, The Saints uit Brisbane, Australië met single (I'm) Stranded in september 1976 en Sex Pistols met Anarchy in the U.K. in november.
Die laatste groep gaf in Londen in juni 1976 een concert dat velen inspireerde ook een band te beginnen, zeker toen Ramones de maand erop in de stad optraden, net als The Damned dat live debuteerde als opener voor Sex Pistols.
The Damned behoort dus tot de absolute voortrekkers van punk. Sterker nog, drie van de leden speelden eerder in Masters of the Backside, een eerste poging van manager Malcolm McLaren om in Londen verder te gaan in het voetspoor van "zijn" New York Dolls. In die groep ook Chrissie Hynde, later bekend geworden als frontvrouw van The Pretenders.
Heel veel namen. Is Damned Damned Damned, eveneens voor Stiff met knoppenman Nick Lowe opgenomen, werkelijk een nieuw jaar 0 in de pophistorie, zoals de licht-hysterische Britse pers ons indertijd voorhield?
Nee, natuurlijk niet. In de kalmere momenten zoals Fan Club en Feel the Pain hoor je bijvoorbeeld echo's van The Who. Maar het furieuze drumwerk van Rat Scabies is voor dan ongekend en de nummers waarop hij dat etaleert zijn mijn favorieten.
New Rose hoorde ik indertijd zowaar op Hilversum 3 en rond dezelfde tijd ontdekte deze beginnende tiener Down Down (1974) van Status Quo; tot op de dag van vandaag vind ik ze qua slaggitaren sterk op elkaar lijken. Pure, harde rock 'n' roll in de voetsporen van Chuck Berry, waarbij de versterkers bij The Damned klinken alsof ze ieder moment kunnen worden opgeblazen.
Het is het heftigste nummer van de plaat, elders zijn versterkers meer beheerst afgesteld. Zoals op opener Neat Neat Neat, dat desalniettemin ferm uit de boxen knalt. Hier al de eerste gitaarsolo, bewijzend dat Brian James technisch onderlegd was, haaks op de punkfilosofie. Je hoort ze in bijna in ieder nummer met Fish als langste voorbeeld, terwijl het intro van See Her Tonite zelfs snelle gitaarloopjes bevat. Waar komt toch die rare stelling vandaan dat punk geen solo’s mag bevatten? I Feel Alright besluit opgewekt de plaat, waarbij de bekkens je weer om de oren vliegen.
In 2017, toen het album 40 kaarsjes uitblies, blikten twee van de leden terug in de British Library, hier te zien. In twee dagen opgenomen, in twee dagen gemixt, zo herinnert één van hen zich. Nick Lowe beperkte zich tot opnemen: geen overdubs.
Ik kwam hier vanaf de eerste single van Stiff, van de hand van diezelfde Nick Lowe. En nu naar de eerste stappen van The Saints: de reis door punk en new wave gaat verder.
The Damned - Darkadelic (2023)

4,0
0
geplaatst: 10 december 2023, 17:08 uur
Dát is zeker waar! Ik kom terug bij dit album omdat You're Gonna Realise en From Your Lips op mijn lijstje met scheurende gitaren waren beland en ik het album eens goed ging beluisteren. Waar menig generatiegenoot in Nederland een minimaal redelijke bekendheid geniet, geldt dat niet voor The Damned, al hadden we in de jaren '80 de hits van en verhalen bij die "maffe" gitarist Captain Sensible.
Na de tumultueuze punkfase (eerste punksingle ooit, bovendien één van de eerste keren dat ik voor scheurende gitaren viel, New Rose uit 1976 is een persoonlijke favoriet gebleven) volgde slechts bescheiden aandacht in het land van sloten, kikkers en weilanden.
Dit terwijl de groep zich vernieuwde en in eigen land één van de koplopers in de nieuwe gothicbeweging werd. Hun platen kom je hier zelden tweedehands tegen, naar ik aanneem omdat ze weinig werden verkocht; de albumlijst van dutchcharts vermeldt inderdaad geen noteringen. Geheel anders is het overzicht bij de British charts: dit album haalde daar in mei #9.
Darkadelic bevat het ene na het andere lekkere nummer. Zoals The Stranglers terugkeerden naar het gekruide geluid van de eerste jaren, zo klinkt de groep hier gothic als in de jaren '80. Dat betekent niet de zware stemmen die je bij hedendaagse groepen in het genre hoort, daarvoor zingt Dave Vanian niet diep genoeg. Maar de weemoed druipt van de muziek, in sterke liedjes gegoten.
Wat het extra lekker maakt is het orgeltje van Monty Oxymoron dat, vergelijkbaar maar soberder dan bij The Stranglers, regelmatig opduikt en de liedjes van een extra laagje voorziet, ook wel herinnerend aan de eerste platen van Elvis Costello.
Slechte nummers hoor ik niet, het aantal favorietjes is teveel om te noemen. Misschien is dat een nadeel, dat er niet een enkel nummer helemaal uitspringt. Een poging tot meer: het snelle Bad Weather Girl, het uptempo-en-toch-slepende Western Promise en het pittige Wake the Dead. Ik ontdek dit album relatief laat, beter dat dan nooit...
Na de tumultueuze punkfase (eerste punksingle ooit, bovendien één van de eerste keren dat ik voor scheurende gitaren viel, New Rose uit 1976 is een persoonlijke favoriet gebleven) volgde slechts bescheiden aandacht in het land van sloten, kikkers en weilanden.
Dit terwijl de groep zich vernieuwde en in eigen land één van de koplopers in de nieuwe gothicbeweging werd. Hun platen kom je hier zelden tweedehands tegen, naar ik aanneem omdat ze weinig werden verkocht; de albumlijst van dutchcharts vermeldt inderdaad geen noteringen. Geheel anders is het overzicht bij de British charts: dit album haalde daar in mei #9.
Darkadelic bevat het ene na het andere lekkere nummer. Zoals The Stranglers terugkeerden naar het gekruide geluid van de eerste jaren, zo klinkt de groep hier gothic als in de jaren '80. Dat betekent niet de zware stemmen die je bij hedendaagse groepen in het genre hoort, daarvoor zingt Dave Vanian niet diep genoeg. Maar de weemoed druipt van de muziek, in sterke liedjes gegoten.
Wat het extra lekker maakt is het orgeltje van Monty Oxymoron dat, vergelijkbaar maar soberder dan bij The Stranglers, regelmatig opduikt en de liedjes van een extra laagje voorziet, ook wel herinnerend aan de eerste platen van Elvis Costello.
Slechte nummers hoor ik niet, het aantal favorietjes is teveel om te noemen. Misschien is dat een nadeel, dat er niet een enkel nummer helemaal uitspringt. Een poging tot meer: het snelle Bad Weather Girl, het uptempo-en-toch-slepende Western Promise en het pittige Wake the Dead. Ik ontdek dit album relatief laat, beter dat dan nooit...
The Damned - Machine Gun Etiquette (1979)

3,5
1
geplaatst: 7 november 2024, 19:13 uur
De Britse punk van het eerste uur (1975-1977) was niet ongeschonden uit de strijd gekomen. Zo was de tweede van The Damned in 1977 geflopt. De groep die de eerste Britse punkelpee in de historie uitbracht, viel zelfs in februari 1978. Einde verhaal. Althans, voor even.
Wie niet van namennoemerij houdt, moet de komende alinea overslaan. Drummer Rat Scabies begon Les Punks, dat ook wel als The Doomed acteert. Hierin niet geheel toevallig andere ex-Damneders: zanger Dave Vanian en bassist-maar-nu-gitarist-en-toetsenist Rat Scabies. Als bassist fungeert ene Lemmy Kilmister en wie raadt met welke band hij in die dagen bekend werd, wint een elpee van Motörhead. Deze is al spoedig te druk met die andere groep en draagt het stokje over aan Henry Badowski, ex-Wreckless Eric.
In april 1979 gaat deze groep The Damned heten en op 1 december verschijnt hun derde album Machine Gun Etiquette bij het Chiswicklabel van Ted Carroll, voormalig manager van Thin Lizzy. Inmiddels is Algy Ward de nieuwe bassist is; je zou hem kunnen kennen als de Engelsman in het Australische The Saints.
Een carrousel aan namen, wat telt is de muziek. Wel, The Damned trapt de plaat op aangenaam Motörheadiaanse wijze af met twee nummers vol dubbele basdrum. Love Song en het titelnummer - indertijd door mij van de radio opgenomen, ik dacht dat het Second Time Around heette en dat dit The Damned was, ontging me eveneens... Vanian gebruikt namelijk zijn stem wat anders en ik had 'm niet herkend. Lemmy kreeg hiervoor geen credits, maar zijn muzikale invloed is niet te missen.
De plaat ramt vlot en geïnspireerd door. Enkele hoogtepunten. Het melodieuze en kalmere I Just Can't Be Happy Today heeft een fraaie toetsenpartij, Melody Lee begint verraderlijk lief met een mooie pianopartij, waarvan het thema al spoedig fel punkend wordt voortgezet. These Hands bevat een nadrukkelijke driekwartsmaat.
Kant 2 is minder pakkend, maar het in twee delen opgebouwde Smash It Up is heerlijk met een kalm eerste deel en een uptempo vervolg met oehoehoehoe-refrein. The Damned haalde voor het eerst de officiële Britse singlehitlijst. Love Song in mei '79 #20, Smash It Up in oktober #35 en I Just Can't Be Happy Today in december #46.
Al in 1989 verscheen een bonuseditie met o.a. twee covers. Eén van The Sweet: Ballroom Blitz met Lemmy op bas en van Jefferson Airplane White Rabbit, in april 1983 een singlehit met #83 als hoogste notering. Pubquizfeitje: van welke groep zijn twee leden op deze plaat te horen, omdat ze tegelijkertijd in dezelfde studio werkten? Antwoord: The Clash.
Al met al een aangenaam album. Een 7,5 van mij, in drie-komma-vijf sterren uitgedrukt.
Anders dan ik bij mijn vorige album op de queste door new wave schreef, verscheen Machine Gun Etiquette niet op 1 december maar op 9 november. Het wordt overmorgen dus 45 jaar. Dat vorige album was van The Boys en voor mijn volgende ga ik terug naar augustus 1979: Talking Heads met Fear of Music.
Wie niet van namennoemerij houdt, moet de komende alinea overslaan. Drummer Rat Scabies begon Les Punks, dat ook wel als The Doomed acteert. Hierin niet geheel toevallig andere ex-Damneders: zanger Dave Vanian en bassist-maar-nu-gitarist-en-toetsenist Rat Scabies. Als bassist fungeert ene Lemmy Kilmister en wie raadt met welke band hij in die dagen bekend werd, wint een elpee van Motörhead. Deze is al spoedig te druk met die andere groep en draagt het stokje over aan Henry Badowski, ex-Wreckless Eric.
In april 1979 gaat deze groep The Damned heten en op 1 december verschijnt hun derde album Machine Gun Etiquette bij het Chiswicklabel van Ted Carroll, voormalig manager van Thin Lizzy. Inmiddels is Algy Ward de nieuwe bassist is; je zou hem kunnen kennen als de Engelsman in het Australische The Saints.
Een carrousel aan namen, wat telt is de muziek. Wel, The Damned trapt de plaat op aangenaam Motörheadiaanse wijze af met twee nummers vol dubbele basdrum. Love Song en het titelnummer - indertijd door mij van de radio opgenomen, ik dacht dat het Second Time Around heette en dat dit The Damned was, ontging me eveneens... Vanian gebruikt namelijk zijn stem wat anders en ik had 'm niet herkend. Lemmy kreeg hiervoor geen credits, maar zijn muzikale invloed is niet te missen.
De plaat ramt vlot en geïnspireerd door. Enkele hoogtepunten. Het melodieuze en kalmere I Just Can't Be Happy Today heeft een fraaie toetsenpartij, Melody Lee begint verraderlijk lief met een mooie pianopartij, waarvan het thema al spoedig fel punkend wordt voortgezet. These Hands bevat een nadrukkelijke driekwartsmaat.
Kant 2 is minder pakkend, maar het in twee delen opgebouwde Smash It Up is heerlijk met een kalm eerste deel en een uptempo vervolg met oehoehoehoe-refrein. The Damned haalde voor het eerst de officiële Britse singlehitlijst. Love Song in mei '79 #20, Smash It Up in oktober #35 en I Just Can't Be Happy Today in december #46.
Al in 1989 verscheen een bonuseditie met o.a. twee covers. Eén van The Sweet: Ballroom Blitz met Lemmy op bas en van Jefferson Airplane White Rabbit, in april 1983 een singlehit met #83 als hoogste notering. Pubquizfeitje: van welke groep zijn twee leden op deze plaat te horen, omdat ze tegelijkertijd in dezelfde studio werkten? Antwoord: The Clash.
Al met al een aangenaam album. Een 7,5 van mij, in drie-komma-vijf sterren uitgedrukt.
Anders dan ik bij mijn vorige album op de queste door new wave schreef, verscheen Machine Gun Etiquette niet op 1 december maar op 9 november. Het wordt overmorgen dus 45 jaar. Dat vorige album was van The Boys en voor mijn volgende ga ik terug naar augustus 1979: Talking Heads met Fear of Music.
The Damned - Music for Pleasure (1977)

2,5
0
geplaatst: 6 mei 2024, 19:01 uur
Het tweede album van een groep is een gevaarlijke. Hierop belandden nogal eens de nummers die het debuut niet haalden, oftewel de tweede keus. Als er te weinig waren voor een ‘full-length album’ van 35 á 45 minuten, werd dat aangevuld met inderhaast nieuw geschreven werk.
Soms had een band mazzel: Tony Iommi en Geezer Butler van Black Sabbath schreven in 1970 voor hun tweede album een extra nummer en laat dat nou de klapper zijn geworden: Paranoid. Was dat niet het geval geweest, dan had die plaat wellicht hetzelfde lot gekregen als de tweede van The Damned, Music for Pleasure.
Ach ja, The Damned. Jonge ventjes die opeens op de top van de Britse punkgolf surften met de eerste Britse punkelpee in de geschiedenis en veel reuring veroorzaakten met hun luide muziek. Groot-Brittannië sprak er schande van, goed voor de publiciteit.
Veel optredens ook, touren met diverse andere punkpioniers. Te druk om eens goed voor nieuw werk te gaan zitten. En mogelijk ook niet helemaal nuchter wat betreft genotsmiddelen, maar dat is een aanname van mij. En dan laten de platenbazen van Stiff je nog in datzelfde 1977 een tweede elpee uitbrengen. In november, zodat het richting Kerst goed kan verkopen.
Critici sabelden hun tweede album neer. Of het daardoor kwam, weet ik niet. Zeker is in ieder geval dat Music for Pleasure niet eens de Britse albumlijst haalde, waarna de groep korte tijd uit elkaar viel.
Anno 2024 op MusicMeter: tot vandaag vier korte, weinigzeggende berichten sinds plaatsing in oktober 2005. Conclusie: Music for Pleasure is ook hier een verguisde en vergeten plaat.
Dát zullen we nog wel eens zien, denk ik dan. En dus diverse malen gedraaid. De groep was een kwintet geworden: met slaggitarist Lu Edmonds erbij zijn de gitaarmuren hoger dan op het debuut en dat is fijn.
Kant 1 begint veelbelovend met het uptempo scheurende Problem Child, wat bij herhaald draaien steeds beter wordt. Nee, niet hetzelfde nummer als dat van AC/DC. Cry Wolf bevat een Kinkachtige riff in het intro, waarna in de coupletten lange akkoorden en snelle drumpartijen volgen. Rat Scabies mept zich sowieso een óngeluk op dit album, wát een energie! En nee, dit is niet hetzelfde Cry Wolf dat later door a-ha werd uitgebracht…
Het even energieke One way Love bevat verrassenderwijs slidegitaar, bespeeld door bassist Captain Sensible. Lekker hoor, doet me aan die andere Australische rauwdouwers van Rose Tattoo denken, die het jaar erop debuteerden.
Met Politics déndert de groep door, maar voor het eerst overtuigt het me niet. Dat lukt dan weer wel met Stretcher Case, omdat de melodie sterker is. Kant 1 sluit af met Idiot Box, dat met bijna vijf minuten en rock ‘n’ roll gitaarlicks niet beklijft.
Over kant 2 ben ik minder positief. Net als bij de twee mindere nummers op de eerste helft lukt het The Damned niet om pakkende riffs of melodieën te schrijven. Dan kun je wel hard spelen, maar ik wil meer. You Take My Money gaat bijvoorbeeld over het liefje dat het geld van de man opmaakt. Gaap. Alone is wellicht leuk voor liefhebbers van MC5, de proto-hardrockers die in 1969 zo’n indruk maakten. Psychedelische hardrock verkleed als punk.
Your Eyes is een loflied op de ogen van een speciaal persoon. De twee-akkoordenriff van het refrein pakt niet. Creep is snel maar alweer niet pakkend, net als het langzamere You Know, dat alleen vanwege de gewaagde saxsolo van gastmuzikant Lol Coxhill aan een onvoldoende ontkomt.
In 2002 verscheen een cd-editie met daarop de opgerockte versie van Help van De Keavers uit Leverpoel, die ik wel geinig vind; Sick of Being Sick is eveneens niet onaardig en het nog geen minuut durende Singalong a Scabies is een instrumentaal grapje maar ook niet meer.
Even de schoolmeester spelen: een 7- voor de eerste plaatkant, een 3 voor de tweede maakt gemiddeld een 5. Met de bonussen wordt het een 5+, oftewel tweeëneenhalve ster. Het debuut was beter, jazeker, maar de slechte reputatie van Music for Pleasure is overdreven.
Ik kwam vanaf de derde Ramones tijdens mijn reis door de albums achter mijn new wave- en punkafspeellijsten. Omdat ik het volgende album uit november 1977, David Bowies ”"Heroes" al eerder beschreef, ga ik naar de derde elpee die in 1977 van Iggy Pop verscheen.
Soms had een band mazzel: Tony Iommi en Geezer Butler van Black Sabbath schreven in 1970 voor hun tweede album een extra nummer en laat dat nou de klapper zijn geworden: Paranoid. Was dat niet het geval geweest, dan had die plaat wellicht hetzelfde lot gekregen als de tweede van The Damned, Music for Pleasure.
Ach ja, The Damned. Jonge ventjes die opeens op de top van de Britse punkgolf surften met de eerste Britse punkelpee in de geschiedenis en veel reuring veroorzaakten met hun luide muziek. Groot-Brittannië sprak er schande van, goed voor de publiciteit.
Veel optredens ook, touren met diverse andere punkpioniers. Te druk om eens goed voor nieuw werk te gaan zitten. En mogelijk ook niet helemaal nuchter wat betreft genotsmiddelen, maar dat is een aanname van mij. En dan laten de platenbazen van Stiff je nog in datzelfde 1977 een tweede elpee uitbrengen. In november, zodat het richting Kerst goed kan verkopen.
Critici sabelden hun tweede album neer. Of het daardoor kwam, weet ik niet. Zeker is in ieder geval dat Music for Pleasure niet eens de Britse albumlijst haalde, waarna de groep korte tijd uit elkaar viel.
Anno 2024 op MusicMeter: tot vandaag vier korte, weinigzeggende berichten sinds plaatsing in oktober 2005. Conclusie: Music for Pleasure is ook hier een verguisde en vergeten plaat.
Dát zullen we nog wel eens zien, denk ik dan. En dus diverse malen gedraaid. De groep was een kwintet geworden: met slaggitarist Lu Edmonds erbij zijn de gitaarmuren hoger dan op het debuut en dat is fijn.
Kant 1 begint veelbelovend met het uptempo scheurende Problem Child, wat bij herhaald draaien steeds beter wordt. Nee, niet hetzelfde nummer als dat van AC/DC. Cry Wolf bevat een Kinkachtige riff in het intro, waarna in de coupletten lange akkoorden en snelle drumpartijen volgen. Rat Scabies mept zich sowieso een óngeluk op dit album, wát een energie! En nee, dit is niet hetzelfde Cry Wolf dat later door a-ha werd uitgebracht…
Het even energieke One way Love bevat verrassenderwijs slidegitaar, bespeeld door bassist Captain Sensible. Lekker hoor, doet me aan die andere Australische rauwdouwers van Rose Tattoo denken, die het jaar erop debuteerden.
Met Politics déndert de groep door, maar voor het eerst overtuigt het me niet. Dat lukt dan weer wel met Stretcher Case, omdat de melodie sterker is. Kant 1 sluit af met Idiot Box, dat met bijna vijf minuten en rock ‘n’ roll gitaarlicks niet beklijft.
Over kant 2 ben ik minder positief. Net als bij de twee mindere nummers op de eerste helft lukt het The Damned niet om pakkende riffs of melodieën te schrijven. Dan kun je wel hard spelen, maar ik wil meer. You Take My Money gaat bijvoorbeeld over het liefje dat het geld van de man opmaakt. Gaap. Alone is wellicht leuk voor liefhebbers van MC5, de proto-hardrockers die in 1969 zo’n indruk maakten. Psychedelische hardrock verkleed als punk.
Your Eyes is een loflied op de ogen van een speciaal persoon. De twee-akkoordenriff van het refrein pakt niet. Creep is snel maar alweer niet pakkend, net als het langzamere You Know, dat alleen vanwege de gewaagde saxsolo van gastmuzikant Lol Coxhill aan een onvoldoende ontkomt.
In 2002 verscheen een cd-editie met daarop de opgerockte versie van Help van De Keavers uit Leverpoel, die ik wel geinig vind; Sick of Being Sick is eveneens niet onaardig en het nog geen minuut durende Singalong a Scabies is een instrumentaal grapje maar ook niet meer.
Even de schoolmeester spelen: een 7- voor de eerste plaatkant, een 3 voor de tweede maakt gemiddeld een 5. Met de bonussen wordt het een 5+, oftewel tweeëneenhalve ster. Het debuut was beter, jazeker, maar de slechte reputatie van Music for Pleasure is overdreven.
Ik kwam vanaf de derde Ramones tijdens mijn reis door de albums achter mijn new wave- en punkafspeellijsten. Omdat ik het volgende album uit november 1977, David Bowies ”"Heroes" al eerder beschreef, ga ik naar de derde elpee die in 1977 van Iggy Pop verscheen.
The Damned - The Black Album (1980)

4,0
1
geplaatst: 10 juni 2025, 23:37 uur
Het beste punk album ooit gemaakt en zeker beter gespeeld en geschreven dan Nevermind the Sexpistols.
Stel dat E-Clect-Eddy dit niet in 2006, maar in 1980 in Oor bij verschijnen had geschreven. En stel dat deze toen onzekere, puisterige puber dat had gelezen. Stel dat ik na het lezen The Black Album van The Damned vervolgens uit de dorpsfonotheek had geleend.
Dan was ik minimaal zwáár verrast en vermoedelijk enigszins teleurgesteld geweest. Bij 'punk' immers denk ik aan scheurende gitaren en snelle nummers. Op hun vierde album slaan de verdoemden echter nieuwe paden in. Verkrijgbaar als fraai verpakte dubbelaar maar ook als enkelaar, waarbij kant 3 en 4 zijn weggelaten en de hoes is versoberd.
Opener Wait for the Blackout en Lively Arts zijn weliswaar uptempo en energiek, maar punk? Dave Vanian zet zijn bariton in, niet de boosheid van voorheen. Met Silly Kid's Games klinkt een lekker Brits popliedje met hammondorgel en BeachBoyskoortje.
Drinking about My Baby begint met de piano van Captain Sensible; zoals Madness (!) dat deed en voor het eerst klinkt scheurende gitaar. Vooral grappig vanwege de titel, verder een standaard rockend liedje met rollend drumwerk van Rat Scabies plus handgeklap in het slot.
Twisted Nerve gaat met de dominante baslijnen van nieuweling Paul Gray (ex-Eddie & The Hot Rods) de kant van postpunk op, vergelijkbaar met de vroege The Cure en Joy Division. Tegelijkertijd melodieus en vrij ingetogen gezongen, trompetten komen erbij, met het rockende Hit or Miss gaat het weer de punkkant op - mét blazers.
Op kant 2 wordt het geluid verbreed. Akoestische gitaar en melancholie in het bariton-gezongen Dr. Jeckyll and Mr. Hyde, met een intro dat me aan - sorry punkpuristen! - Led Zeppelins Stairway to Heaven herinnert.
Het punkverleden keert terug met Sick of This and That dat een dikke 100 seconden doordendert, waarna The Damned zich onmiddellijk ver van die stijl verwijdert met The History of the World (Part 1). Als single werd het in het Verenigd Koninkrijk in oktober 1980 #51. Blijkens de hoes "overproduced by Hans Zimmer" : dansende piano en strakke synths, het heeft weg The Stranglers die na punk nieuwe wegen verkenden, op weg naar pop. 13th Floor Vendetta doet iets soortgelijks, inclusief akoestische gitaar en pianoassociaties met Madness. Grays basspel brengt tevens wat postpunk.
Bijna-hardrock in het intro van Therapy, waarna Gray zijn bas heerlijk laat grommen en het bijna op z'n Motörheads snel vervolgt, zij het dat Vanian weer diep zingt. Na drie minuten "loopt de boel vast" om een dikke twee minuten later met knarsende gitaar van Sensible bloedeloos te eindigen.
Kant 3 bevat slechts Curtain Call, waar op z'n psychedelisch' wordt geëxperimenteerd, inclusief sequencerende synthesizer en ruimteschipgeluiden. De verbreding van het geluid gaat "where no Damned has gone before", om de tv-serie Star Trek te parafraseren. Het wérkt.
Terug naar aarde met livekant 4. Was ik nog puber geweest dan had ik het gitaargeluid bedroevend gevonden. Veel te clean voor punk: zelfs het extra snel gespeelde New Rose redt het niet in vergelijking met de single uit '76. Van de voorganger komen we titellied Machine Gun Etiquette tegen, nu echter Second Time Around geheten. Mijn favoriet is het breed uitwaaierende gitaarslot Plan 9 Channel 7.
De dubbelaar haalde in het VK in november 1980 slechts #29 en stond daar een schamele drie weken in de albumlijst. De muziek waardeer ik echter met een 8.
In 2005 verscheen een Deluxe-editie met de nodige bonussen. Daarbij single White Rabbit, gecoverd van Jefferson Airplane, eind maart '83 #82 bij de Britten.
Mijn reis door new wave en aanverwanten vervolgt. Ik kwam van de Duitse groep The Stripes en reis terug naar mei 1980, als het debuut van het Engelse The Chords verschijnt.
The December People - Sounds Like Christmas (2001)

4,0
0
geplaatst: 6 december 2023, 14:41 uur
Enkele ervaren Amerikanen namen in de zomer van 2001 voor het progrocklabel Magna Carta een kerstig album op, waarvan de opbrengst naar een goed doel ging. Ook op streaming te vinden.
Veel kerstmuziek is kitsch die mijn humeur verpest. Toch zijn er uitzonderingen: The Jethro Tull Christmas Album (2003) is mijn eerste keus en verrassenderwijs heeft III: Wintersongs (2009) van Rob Halford zijn momenten.
Vreemde eenden in mijn rockbijt zijn de Vlaamse Renaissancemuziek van Jan de Wilde & Currende op O Kerstnacht schooner dan de dagen (2013) en mijn recente ontdekking The Holly Bears the Crown (1969) van The Young Tradition.
Bij mijn reis door de discografie van Kansas kwam ik kort daarvoor dit Sounds Like Christmas (2001) tegen, waarop jarenlang hun laatste studioproduct klonk: track 11 The Light is een sterk aor-nummer in de stijl van het Kansas uit de jaren ’80, de periode met Steve Morse. Er bleek echter veel meer te genieten.
The December People is een gelegenheidsproject met eveneens sterke zang van hun eigen Robert Berry, goed passend bij de lichte progressieve rock.
Kansaszanger Steve Walsh is buiten zijn groep op meer nummers te horen. Andere gastzangers zijn John Wetton van King Crimson, Asia en diverse andere groepen; Mike Baker van Shadow Gallery; Trent Gardner van Magellan; en Jake Livgren, zanger op diverse soloplaten van ex-Kansasman Kerry Livgren.
De kracht van de muziek zit ‘m echter vooral in de muziek, waar progrock samengaat met traditionals, zonder dat het klef wordt. Wel is het soms humoristisch én herkenbaar: je zou een pubquizje van dit album kunnen maken.
Wiens gitaargeluid wordt geleend in Heard the Bells on Christmas Day (Brian May), welke rockklassiekers worden geciteerd in 'Twas the Night Before Christmas (Led Zeppelins Stairway to Heaven en Kashmir) welke in Up on the Housetop / Deck the Halls (Kansas’ Carry on Wayward Son), welke in The First Noel (King Crimsons In the Court of the Crimson King? Met als inkoppertje de vraag wie het origineel van het in ELO-jasje gestoken Happy X-Mas schreef.
Wat dat betreft valt er vast meer te herkennen. Het boekje bij de cd geeft alvast enkele hints. The December People maakte vervolgens nog eens vier kerstalbums, de laatste in 2017 verschenen.
Ik schreef dit verhaal begin november, maar heb gewacht met posten tot Sinterklaas het land uit was (de goedheiligman wordt trouwens in een tweetal nummers genoemd). Draaide ‘m een dikke maand regelmatig (ja, al in oktober was het hier regelmatig kerstig): blijkt een groeiplaatje te zijn. Ik heb er een derde kerstrockplaat bij, eentje die meer dan aardig is.
Aanbevolen voor hen die van aor á la Styx of toegankelijke progrock á la Marillion houden. Ik wens u goede weken op weg naar Kerstmis!
Veel kerstmuziek is kitsch die mijn humeur verpest. Toch zijn er uitzonderingen: The Jethro Tull Christmas Album (2003) is mijn eerste keus en verrassenderwijs heeft III: Wintersongs (2009) van Rob Halford zijn momenten.
Vreemde eenden in mijn rockbijt zijn de Vlaamse Renaissancemuziek van Jan de Wilde & Currende op O Kerstnacht schooner dan de dagen (2013) en mijn recente ontdekking The Holly Bears the Crown (1969) van The Young Tradition.
Bij mijn reis door de discografie van Kansas kwam ik kort daarvoor dit Sounds Like Christmas (2001) tegen, waarop jarenlang hun laatste studioproduct klonk: track 11 The Light is een sterk aor-nummer in de stijl van het Kansas uit de jaren ’80, de periode met Steve Morse. Er bleek echter veel meer te genieten.
The December People is een gelegenheidsproject met eveneens sterke zang van hun eigen Robert Berry, goed passend bij de lichte progressieve rock.
Kansaszanger Steve Walsh is buiten zijn groep op meer nummers te horen. Andere gastzangers zijn John Wetton van King Crimson, Asia en diverse andere groepen; Mike Baker van Shadow Gallery; Trent Gardner van Magellan; en Jake Livgren, zanger op diverse soloplaten van ex-Kansasman Kerry Livgren.
De kracht van de muziek zit ‘m echter vooral in de muziek, waar progrock samengaat met traditionals, zonder dat het klef wordt. Wel is het soms humoristisch én herkenbaar: je zou een pubquizje van dit album kunnen maken.
Wiens gitaargeluid wordt geleend in Heard the Bells on Christmas Day (Brian May), welke rockklassiekers worden geciteerd in 'Twas the Night Before Christmas (Led Zeppelins Stairway to Heaven en Kashmir) welke in Up on the Housetop / Deck the Halls (Kansas’ Carry on Wayward Son), welke in The First Noel (King Crimsons In the Court of the Crimson King? Met als inkoppertje de vraag wie het origineel van het in ELO-jasje gestoken Happy X-Mas schreef.
Wat dat betreft valt er vast meer te herkennen. Het boekje bij de cd geeft alvast enkele hints. The December People maakte vervolgens nog eens vier kerstalbums, de laatste in 2017 verschenen.
Ik schreef dit verhaal begin november, maar heb gewacht met posten tot Sinterklaas het land uit was (de goedheiligman wordt trouwens in een tweetal nummers genoemd). Draaide ‘m een dikke maand regelmatig (ja, al in oktober was het hier regelmatig kerstig): blijkt een groeiplaatje te zijn. Ik heb er een derde kerstrockplaat bij, eentje die meer dan aardig is.
Aanbevolen voor hen die van aor á la Styx of toegankelijke progrock á la Marillion houden. Ik wens u goede weken op weg naar Kerstmis!
The Dictators - Bloodbrothers (1978)

3,5
0
geplaatst: 8 juni 2024, 15:21 uur
Dankzij hun debuut Go Girl Crazy! uit 1975 worden de New Yorkse The Dictators gezien als één van degenen die aan de wieg van punk stonden. In hun teksten zat een dikke knipoog, waarna het op Manifest Destiny (1977) iets serieuzer werd, zij het muzikaal nog steeds vrij divers met diverse stijlen. Met Bloodbrothers leverden ze in juli 1978 hun stevigste plaat van de drie.
Fans noemen hen dan The Dic's en zo gingen ze zichzelf ook noemen. De plaat wordt met one-two-three-four! afgeteld door, naar verluidt, Bruce Springsteen. Daarna doet het felle Faster & Louder precies wat ons wordt beloofd. De meeste nummers zijn (deels) van de hand van bassist Andy Shernoff.
De lichtelijk patserig rauwe voordracht van zanger Dick Manitoba was altijd al lichtelijk over de top en gaf zo een knipoog aan de muziek. Op de voorgangers was die tongue-in-cheek sterker dan op Bloodbrothers, dat consequent steviger en serieuzer is dan de twee voorgangers bij elkaar. Tegelijkertijd melodieus, waarbij ik soms aan de gitaarwave van Blondie moet denken zoals in No Tomorrow en Stay with Me, soms aan de protopunk van Iggy Pop en The Stooges zoals in Borneo Jimmy en de doomriff van The Minnesota Strip is overduidelijk geleend van de vroege Black Sabbath.
Waar de voorganger redelijk verkocht, lukte dat niet met Bloodbrothers. Waarschijnlijk een gevalletje te mainstream voor alternatief en te stevig voor mainstream. Want is dit punk of hardrock of new wave of een ruige Bruce Springsteen? De band gooit de handdoek in de ring.
Gitarist Ross 'The Boss' Friedman kwam ik in 1982 tegen als snarenracer bij machometalband Manowar, sinds 2008 maakte enkele knallende soloplaten. Minder glamour voor Manitoba die in eerste instantie taxichauffeur werd en pas in 1986 weer serieus werk maakte van zijn zangcarrière. Shernoff werd producer en liedschrijver. Slaggitarist Scott 'Top Ten' Kempner bleef actief in diverse groepen en bracht bovendien solowerk uit. Hij overleed in 2023.
Sinds 1995 herrees de groep regelmatig uit de as voor kortere en langere reünies, anno 2024 zijn Friedman en Shernoff nog altijd Dic's. In 2022 herverscheen Bloodbrothers in Nederland bij Music on CD en in '23 op elpee bij Music on Vinyl.
Ik kwam hier op mijn reis door new wave en aanverwanten. Het vorige station was het debuut van het Londense Alternative TV, voor de volgende terug naar de Britse hoofdstad voor de eveneens derde van Ultravox.
Fans noemen hen dan The Dic's en zo gingen ze zichzelf ook noemen. De plaat wordt met one-two-three-four! afgeteld door, naar verluidt, Bruce Springsteen. Daarna doet het felle Faster & Louder precies wat ons wordt beloofd. De meeste nummers zijn (deels) van de hand van bassist Andy Shernoff.
De lichtelijk patserig rauwe voordracht van zanger Dick Manitoba was altijd al lichtelijk over de top en gaf zo een knipoog aan de muziek. Op de voorgangers was die tongue-in-cheek sterker dan op Bloodbrothers, dat consequent steviger en serieuzer is dan de twee voorgangers bij elkaar. Tegelijkertijd melodieus, waarbij ik soms aan de gitaarwave van Blondie moet denken zoals in No Tomorrow en Stay with Me, soms aan de protopunk van Iggy Pop en The Stooges zoals in Borneo Jimmy en de doomriff van The Minnesota Strip is overduidelijk geleend van de vroege Black Sabbath.
Waar de voorganger redelijk verkocht, lukte dat niet met Bloodbrothers. Waarschijnlijk een gevalletje te mainstream voor alternatief en te stevig voor mainstream. Want is dit punk of hardrock of new wave of een ruige Bruce Springsteen? De band gooit de handdoek in de ring.
Gitarist Ross 'The Boss' Friedman kwam ik in 1982 tegen als snarenracer bij machometalband Manowar, sinds 2008 maakte enkele knallende soloplaten. Minder glamour voor Manitoba die in eerste instantie taxichauffeur werd en pas in 1986 weer serieus werk maakte van zijn zangcarrière. Shernoff werd producer en liedschrijver. Slaggitarist Scott 'Top Ten' Kempner bleef actief in diverse groepen en bracht bovendien solowerk uit. Hij overleed in 2023.
Sinds 1995 herrees de groep regelmatig uit de as voor kortere en langere reünies, anno 2024 zijn Friedman en Shernoff nog altijd Dic's. In 2022 herverscheen Bloodbrothers in Nederland bij Music on CD en in '23 op elpee bij Music on Vinyl.
Ik kwam hier op mijn reis door new wave en aanverwanten. Het vorige station was het debuut van het Londense Alternative TV, voor de volgende terug naar de Britse hoofdstad voor de eveneens derde van Ultravox.
The Dictators - Go Girl Crazy! (1975)

3,5
0
geplaatst: 2 maart 2024, 08:10 uur
Niet te serieus nemen dit luide debuut van The Dictators. Scheurende gitaren worden gecombineerd met dikke knipogen. Wie dat na de hoesfoto, albumtitel Go Girl Crazy! en vals gezongen cover I Got You Babe nog niet doorheeft, moet de achterzijde van de hoes nog maar eens bekijken. Er mag gelachen worden!
Dat zet zich voort op het rockende heimweelied Back to Africa, waarna op Master Race Rock venijnig en fel wordt gespeeld. Want dat is een volgende kenmerk: hier en daar wordt snel gesoleerd en vaak wordt het distortionpedaal diep ingetrapt.
Kant 2 opent met cafégeluiden en hammondorgeltje in Teengenerate dat ow-hoo-wowkoortjes bevat, waarna het versnelt met California Sun, het tweede nummer vol fernweh. Meer stevige gitaren in Two Tub Man, Weekend en (I Live for) Girls and Cars, de laatste met surfkoortje á la The Beach Boys.
Qua sfeer en humor vergelijkbaar met het Europese debuut van AC/DC, met die achterzijde waar deze puber zo om moest lachen. Voer voor puberjongens en wie weet -meisjes. En iets van dat pubertje zit nog in mij. Pretpunk avant le lettre.
In opener The Next Big Thing wordt gezongen dat "But I won't be happy, till I'm known far and wide - With my face on the cover of the TV guide". Dat is vast nooit gelukt, maar vermakelijk is de plaat wel en bovendien in de boeken als invloed op de New Yorkse punkscene.
Wie de originele elpee wil hebben, moet redelijk in de buidel tasten: het goedkoopste exemplaar in Europa (vrij van importheffingen) is €33,- exclusief verzendkosten. Zegt iets over de cultstatus van het plaatje.
Gitarist Ross 'The Boss' Friedman dook begin jaren '80, nog altijd heftig solerend, op bij een groep met minder zelfspot maar nog altijd over de top: metalband Manowar.
Ik kwam hier tijdens mijn reis door protowave vanaf Kilburn & the High Roads en vervolg die met Patti Smith, opnieuw in 1975.
Dat zet zich voort op het rockende heimweelied Back to Africa, waarna op Master Race Rock venijnig en fel wordt gespeeld. Want dat is een volgende kenmerk: hier en daar wordt snel gesoleerd en vaak wordt het distortionpedaal diep ingetrapt.
Kant 2 opent met cafégeluiden en hammondorgeltje in Teengenerate dat ow-hoo-wowkoortjes bevat, waarna het versnelt met California Sun, het tweede nummer vol fernweh. Meer stevige gitaren in Two Tub Man, Weekend en (I Live for) Girls and Cars, de laatste met surfkoortje á la The Beach Boys.
Qua sfeer en humor vergelijkbaar met het Europese debuut van AC/DC, met die achterzijde waar deze puber zo om moest lachen. Voer voor puberjongens en wie weet -meisjes. En iets van dat pubertje zit nog in mij. Pretpunk avant le lettre.
In opener The Next Big Thing wordt gezongen dat "But I won't be happy, till I'm known far and wide - With my face on the cover of the TV guide". Dat is vast nooit gelukt, maar vermakelijk is de plaat wel en bovendien in de boeken als invloed op de New Yorkse punkscene.
Wie de originele elpee wil hebben, moet redelijk in de buidel tasten: het goedkoopste exemplaar in Europa (vrij van importheffingen) is €33,- exclusief verzendkosten. Zegt iets over de cultstatus van het plaatje.
Gitarist Ross 'The Boss' Friedman dook begin jaren '80, nog altijd heftig solerend, op bij een groep met minder zelfspot maar nog altijd over de top: metalband Manowar.
Ik kwam hier tijdens mijn reis door protowave vanaf Kilburn & the High Roads en vervolg die met Patti Smith, opnieuw in 1975.
The Dictators - Manifest Destiny (1977)

3,0
0
geplaatst: 8 mei 2024, 07:33 uur
In mijn hoofd zijn punk en hardrock gescheiden werelden. Er zijn echter namen die deze grens overschreden. In Engeland was dat Bernie Tormé, in New York hadden we The Dictators die op Manifest Destiny beide genres spelen. Ik kom hier op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en punk. Dit vanaf de oersynths van Suicide.
In 1977 verscheen de tweede van The Dictators. Hun debuut uit '75 bevatte achteraf gezien protopunk, maar werd toen werd omschreven als heavy rock of een synoniem ervan. Na verschijning was de groep enige tijd uit elkaar gevallen, om in '76 een doorstart te maken met een nieuwe bassist en drummer. Bovendien voormalig zanger-bassist Andy Shernoff terug, nu om toetsen te spelen.
De spraakmakende frontman 'Handsome' Dick Manitoba vocht in de pers een fittie uit met shockrocker Wayne County, wat mede leidde tot een contract met platenlabel Asylum, dat Manifest Destiny uitbracht.
Objectief gezien heeft dit album echter bar weinig met punk te maken. Het gaat van meezingbare powerpop naar onvervalste spierballenhardrock. Geen herhaling van Go Girl Crazy!
"Gewoon pop" schrijft jorro hierboven, en "veel te tam". Het eerste klopt niet, het tweede vaak wel. Opener Exposed is flauw, Heartaches bevat met scheurende gitaartjes plus koortjes aangename powerpop, net als het weemoedige Sleepin' with the TV On en het verhalende Disease over een stervende zeeman bevat een zekere gekte.
Op kant 2 wordt het steviger, al start het alweer tam met powerballade Hey Boys. Maar dan krijgt de latere metalhead annex snarenracer Ross 'The Boss' Friedman meer ruimte. Steppin' Out begint midtempo maar versnelt en bevat dubbele gitaarlijnen á la Thin Lizzy, Science Has Gone Too Far heeft een pakkend refrein en toch nog iets van punk, in Young Fast Scientific is het genieten van de gitaarsolo en tenslotte de lekkere en luide cover van Iggy & The Stooges' Search and Destroy. Kant 2 zal indertijd fans van Blue Öyster Cult tot Ted Nugent hebben aangesproken.
De elpee haalde in augustus '77 #193 in de Billboard 200. The Dictators keerden het jaar erop terug met het luidere Bloodbrothers, zij het dat bassist Mark Mendoza dan alweer is vertrokken. Veelzeggend is zijn overstap naar glamhardrockers Twisted Sister, op dat moment slechts bekend in de regio New York, vanaf 1982 een groter publiek bereikend.
Op reis door new wave en punk is 1977 voltooid. Begin 1978 verschenen allerlei langspeelplaten en singles die ik al eerder besprak: Nick Lowe met het warme I Love the Sound of Breaking Glass van Jesus of Cool, Blondie met sixtiespop in Denis van Plastic Letters, punk-met-blazers van The Saints met Know Your Product van Eternally Yours en Elvis Costello met een betoverend ritme in (I Don't Want to Go to) Chelsea van This Year's Model.
Dan kom ik bij een buitenbeentje, dat desondanks prima past in mijn afspeellijsten over dat jaar. Een vergeten (?) hit uit '78: Uptown Top Ranking van het Jamaicaanse duo Althea and Donna, hintend op menig reggae-beïnvloede naam die in new wave zou opduiken.
In 1977 verscheen de tweede van The Dictators. Hun debuut uit '75 bevatte achteraf gezien protopunk, maar werd toen werd omschreven als heavy rock of een synoniem ervan. Na verschijning was de groep enige tijd uit elkaar gevallen, om in '76 een doorstart te maken met een nieuwe bassist en drummer. Bovendien voormalig zanger-bassist Andy Shernoff terug, nu om toetsen te spelen.
De spraakmakende frontman 'Handsome' Dick Manitoba vocht in de pers een fittie uit met shockrocker Wayne County, wat mede leidde tot een contract met platenlabel Asylum, dat Manifest Destiny uitbracht.
Objectief gezien heeft dit album echter bar weinig met punk te maken. Het gaat van meezingbare powerpop naar onvervalste spierballenhardrock. Geen herhaling van Go Girl Crazy!
"Gewoon pop" schrijft jorro hierboven, en "veel te tam". Het eerste klopt niet, het tweede vaak wel. Opener Exposed is flauw, Heartaches bevat met scheurende gitaartjes plus koortjes aangename powerpop, net als het weemoedige Sleepin' with the TV On en het verhalende Disease over een stervende zeeman bevat een zekere gekte.
Op kant 2 wordt het steviger, al start het alweer tam met powerballade Hey Boys. Maar dan krijgt de latere metalhead annex snarenracer Ross 'The Boss' Friedman meer ruimte. Steppin' Out begint midtempo maar versnelt en bevat dubbele gitaarlijnen á la Thin Lizzy, Science Has Gone Too Far heeft een pakkend refrein en toch nog iets van punk, in Young Fast Scientific is het genieten van de gitaarsolo en tenslotte de lekkere en luide cover van Iggy & The Stooges' Search and Destroy. Kant 2 zal indertijd fans van Blue Öyster Cult tot Ted Nugent hebben aangesproken.
De elpee haalde in augustus '77 #193 in de Billboard 200. The Dictators keerden het jaar erop terug met het luidere Bloodbrothers, zij het dat bassist Mark Mendoza dan alweer is vertrokken. Veelzeggend is zijn overstap naar glamhardrockers Twisted Sister, op dat moment slechts bekend in de regio New York, vanaf 1982 een groter publiek bereikend.
Op reis door new wave en punk is 1977 voltooid. Begin 1978 verschenen allerlei langspeelplaten en singles die ik al eerder besprak: Nick Lowe met het warme I Love the Sound of Breaking Glass van Jesus of Cool, Blondie met sixtiespop in Denis van Plastic Letters, punk-met-blazers van The Saints met Know Your Product van Eternally Yours en Elvis Costello met een betoverend ritme in (I Don't Want to Go to) Chelsea van This Year's Model.
Dan kom ik bij een buitenbeentje, dat desondanks prima past in mijn afspeellijsten over dat jaar. Een vergeten (?) hit uit '78: Uptown Top Ranking van het Jamaicaanse duo Althea and Donna, hintend op menig reggae-beïnvloede naam die in new wave zou opduiken.
The Durutti Column - The Return of The Durutti Column (1980)

3,5
2
geplaatst: 9 december 2024, 22:48 uur
Er is doellijntechnologie nodig om te bepalen wanneer dit album verscheen, eind 1979 of begin 1980. Hierboven een discussie daarover, waarbij de aangehaalde bronnen elkaar lijken tegen te spreken. Wat ik eruit opmaak, is dat The Return Of The Durutti Column op diverse momenten in diverse uitvoeringen verscheen, dat de administratie van het piepjonge label Factory niet ordelijk was en dat zo archivarische verwarring ontstond.
Ach, wat doen die details ertoe? Op dit instrumentale album creëert gitarist Vini Reilly eigenzinnige muziekjes en helpt de naam van producer Martin Hannett om mij nieuwsgierig te maken. Met die laatste naam zou je denken dat we hier in het land van new wave zitten, zeker met de wetenschap dat Factory dit uitbracht. Een hokje dat hier niet werkt, zoals in het bericht hierboven genoemd; zo klinkt de producer op "on-Martin Hannett wijze". Het resultaat is een kalm album met de gitaar in veel echo en reverb gedrenkt.
Oorspronkelijk negen nummers plus twee op flexidisc-single, te weten een First en een Second Aspect van de hand van Hannett, die daar met zijn elektronica speelt; doet me enigszins denken aan deze Martin Hannett's Personal Mixes, onder de vlag van Joy Division uitgebracht.
Maar vooral is The Return Of The Durutti Column een gitaaralbum, waarbij Reilly bepaald níet het principe van 'twee akkoorden en dan rammen' huldigt. Virtuoos en sferisch, een zijpaadje dat je vanaf wave ver weg voert naar de wereld van gitaar en fusion - maar dan anders. In latere edities met meer tracks, waaronder vocalen in Sleep Will Come.
Mijn reis door het genre kwam van een overmelig kerstalbum van The Boys vermomd als The Yobs en vervolgt bij een Engelse groep die meteen met hun debuut grote indruk maakte in de VS - en ook in Nederland. In januari 1980 debuteerden de Pretenders.
Ach, wat doen die details ertoe? Op dit instrumentale album creëert gitarist Vini Reilly eigenzinnige muziekjes en helpt de naam van producer Martin Hannett om mij nieuwsgierig te maken. Met die laatste naam zou je denken dat we hier in het land van new wave zitten, zeker met de wetenschap dat Factory dit uitbracht. Een hokje dat hier niet werkt, zoals in het bericht hierboven genoemd; zo klinkt de producer op "on-Martin Hannett wijze". Het resultaat is een kalm album met de gitaar in veel echo en reverb gedrenkt.
Oorspronkelijk negen nummers plus twee op flexidisc-single, te weten een First en een Second Aspect van de hand van Hannett, die daar met zijn elektronica speelt; doet me enigszins denken aan deze Martin Hannett's Personal Mixes, onder de vlag van Joy Division uitgebracht.
Maar vooral is The Return Of The Durutti Column een gitaaralbum, waarbij Reilly bepaald níet het principe van 'twee akkoorden en dan rammen' huldigt. Virtuoos en sferisch, een zijpaadje dat je vanaf wave ver weg voert naar de wereld van gitaar en fusion - maar dan anders. In latere edities met meer tracks, waaronder vocalen in Sleep Will Come.
Mijn reis door het genre kwam van een overmelig kerstalbum van The Boys vermomd als The Yobs en vervolgt bij een Engelse groep die meteen met hun debuut grote indruk maakte in de VS - en ook in Nederland. In januari 1980 debuteerden de Pretenders.
The Exploited - Punks Not Dead (1981)

3,5
1
geplaatst: 15 februari, 15:10 uur
Het gaat hierboven drie kanten op. Ofwel over Punks Not Dead van The Exploited, ofwel of die stelling klopt, ofwel we krijgen een showbizzachtig gesprek over welke punk het met de vriendin van welke andere punk deed. Gaap.
Misschien vindt u zo'n gesprek wél relevant, over de tweede stelling is een goede update te geven. De huidige politieke en economische situatie heeft tot een golf nieuwe punkbandjes geleid. Maatje JeKo is druk met het gaan bekijken van een deel van hen en van wat ik begrijp, zijn die lekker oprecht bóós. Zo blijkt maar weer eens: punk is nooit dood, punk gaat hoogstens een tijdje ondergronds om daarna in alle furie weer de kop op te steken.
Die discussie liep al eind jaren '70 toen de de eerste generatie punkgroepen uit elkaar was gevallen of zich op andere stijlen richtte. Zo kwam The Damned terug na te zijn gestopt en zou een kant opgaan die 'gothic' ging heten. Maar werkloosheid en andere zaken om je boos te maken waren onverminderd gebleven en dan krijg je onder meer een groep als The Exploited uit Edinburgh, Schotland. Hun muziek is harder en sneller dan die van de eerste generatie Britse, veelal Londense punks.
Eerder, 1980, waren daar eigen-beheer-EP's Army Life en Barmy Army met op ieder drie nummers. In april '81 halen ze met non-albumsingle Dogs of War bescheiden #63 in de Britse hitlijst.
Punks Not Dead (zonder apostrof) bevat zestien nummers in een kleine 38 minuten. Zoals c-moon in 2008 terecht noteerde, puttend uit zijn geheugen over wat Oor schreef: "Beton punk". Inderdaad, Motörhead en punk lagen niet ver van elkaar. Anders is de thematiek van The Exploited, die zich aan de liedtitels laat aflezen. Zoals mijn favorieten Cop Cars en Dole Q.
De eerste klanken zijn live, maar het titelnummer dat meteen volgt is "gewoon studio", een trucje dat wordt herhaald op Exploited Barmy Army en slotlied I Believe in Arnarchy. In het intro van Cop Cars klinkt een sirene om de sfeer te verhogen, in dat van Army Life horen we marcherende soldaten, in Ripper zit de klassieke Dodenmars van Chopin.
Bassist Gary (McCormack) volgt eenvoudigweg de gitaarlijnen van Big John (Duncan) - of is het omgekeerd - beiden opgejaagd door drummer Dru Stix (Glenn Campbell), zodat de charmante brulboei Wattie (Walter Buchan) alle dekking krijgt voor zijn mitrailleurteksten. Oprechte boosheid over het leven in het Groot-Brittannië van Margaret Thatcher. Alleen in Sex and Violence werkt het niet: die 5'10" hadden ook in zestig seconden hun punt gemaakt. Voor de rest knalt het als een malle. Geen wonder dat de groep in 1999 een eerbetoon kreeg via Punk's Not Dead - A Tribute to The Exploited.
Geen hitsingles van dit album, toch komt het in mei 1981 tot #20. Eind oktober haalt EP Dead Cities met opnieuw drie nummers #31 en al in november volgt de elpee On Stage.
Daarmee is mijn kleine inhaalslag tijdens de reis door new wave afgerond, die begon met The Passions en als vorige halte Tenpole Tudor had.
Ik vervolg met juni 1981 als Odyshape verschijnt, de tweede van vrouwengroep The Raincoats.
Misschien vindt u zo'n gesprek wél relevant, over de tweede stelling is een goede update te geven. De huidige politieke en economische situatie heeft tot een golf nieuwe punkbandjes geleid. Maatje JeKo is druk met het gaan bekijken van een deel van hen en van wat ik begrijp, zijn die lekker oprecht bóós. Zo blijkt maar weer eens: punk is nooit dood, punk gaat hoogstens een tijdje ondergronds om daarna in alle furie weer de kop op te steken.
Die discussie liep al eind jaren '70 toen de de eerste generatie punkgroepen uit elkaar was gevallen of zich op andere stijlen richtte. Zo kwam The Damned terug na te zijn gestopt en zou een kant opgaan die 'gothic' ging heten. Maar werkloosheid en andere zaken om je boos te maken waren onverminderd gebleven en dan krijg je onder meer een groep als The Exploited uit Edinburgh, Schotland. Hun muziek is harder en sneller dan die van de eerste generatie Britse, veelal Londense punks.
Eerder, 1980, waren daar eigen-beheer-EP's Army Life en Barmy Army met op ieder drie nummers. In april '81 halen ze met non-albumsingle Dogs of War bescheiden #63 in de Britse hitlijst.
Punks Not Dead (zonder apostrof) bevat zestien nummers in een kleine 38 minuten. Zoals c-moon in 2008 terecht noteerde, puttend uit zijn geheugen over wat Oor schreef: "Beton punk". Inderdaad, Motörhead en punk lagen niet ver van elkaar. Anders is de thematiek van The Exploited, die zich aan de liedtitels laat aflezen. Zoals mijn favorieten Cop Cars en Dole Q.
De eerste klanken zijn live, maar het titelnummer dat meteen volgt is "gewoon studio", een trucje dat wordt herhaald op Exploited Barmy Army en slotlied I Believe in Arnarchy. In het intro van Cop Cars klinkt een sirene om de sfeer te verhogen, in dat van Army Life horen we marcherende soldaten, in Ripper zit de klassieke Dodenmars van Chopin.
Bassist Gary (McCormack) volgt eenvoudigweg de gitaarlijnen van Big John (Duncan) - of is het omgekeerd - beiden opgejaagd door drummer Dru Stix (Glenn Campbell), zodat de charmante brulboei Wattie (Walter Buchan) alle dekking krijgt voor zijn mitrailleurteksten. Oprechte boosheid over het leven in het Groot-Brittannië van Margaret Thatcher. Alleen in Sex and Violence werkt het niet: die 5'10" hadden ook in zestig seconden hun punt gemaakt. Voor de rest knalt het als een malle. Geen wonder dat de groep in 1999 een eerbetoon kreeg via Punk's Not Dead - A Tribute to The Exploited.
Geen hitsingles van dit album, toch komt het in mei 1981 tot #20. Eind oktober haalt EP Dead Cities met opnieuw drie nummers #31 en al in november volgt de elpee On Stage.
Daarmee is mijn kleine inhaalslag tijdens de reis door new wave afgerond, die begon met The Passions en als vorige halte Tenpole Tudor had.
Ik vervolg met juni 1981 als Odyshape verschijnt, de tweede van vrouwengroep The Raincoats.
The Explorer's Club - Raising the Mammoth (2002)

3,0
0
geplaatst: 18 oktober 2023, 16:06 uur
De tracklist heeft het over vier tracks, op cd zijn het er vierenveertig. Oftewel, Raising the Mammoth is een progrocksymfonie, waarbij je het ook als een progmetal-conceptalbum kunt labelen.
Explorer's Club was een project van de gebroeders Trent and Wayne Gardner van Magellan en moet niet worden verward met poprockgroep The Explorers Club. Het was hun tweede en laatste album onder die vlag en opvolger van Age of Impact (1998). Beide broers zijn inmiddels overleden.
Gastrollen zijn er voor drummer Terry Bozzio; gitaristen Marty Friedman en Gary Wehrkamp; toetsenist Wehrkamp; bassist John Myung en zanger James LaBrie, beiden van Dream Theater; zanger Steve Walsh en gitarist Kerry Livgren, beiden van Kansas; op de tweede helft schuiven gitarist Jeff Curtis en bassist Hal Imbrie aan.
Wie Magellan kent zal weten dat de Gardners het graag gecompliceerd maken. Mathprog zou je kunnen zeggen. De eerste twee delen van Raising the Mammoth zijn vocaal, de laatste twee instrumentaal. Qua teksten ontspint zich ongetwijfeld een spannend psychologisch verhaal, iets met onderdrukking en bevrijding, maar de verhaallijn ontgaat me.
De muziek is niet alleen bombastisch, maar ook ingewikkeld en gevarieerd; het album zou beter te behappen zijn als ik iets van het verhaal snapte. Het cd-boekje geeft wat dat betreft slechts summiere informatie. Neemt niet weg dat er heel knap wordt gemusiceerd en vermoedelijk moesten de gastmusici er eens goed voor gaan zitten om dit te kunnen spelen. in het laatste deel is meer ruimte voor toetsen en wordt de progrock meer symfonisch in plaats van metal.
Een favoriet nummer uitkiezen is onmogelijk, ook al omdat geen sprake is van standaardliedjes met coupletten en refreinen. Aanbevolen voor de fanatieke progmetalfan.
Raar dat dit album nog geen beschrijving had gekregen. Wie weet zijn er meer mensen die hun bevindingen hier kunnen noteren!?
Explorer's Club was een project van de gebroeders Trent and Wayne Gardner van Magellan en moet niet worden verward met poprockgroep The Explorers Club. Het was hun tweede en laatste album onder die vlag en opvolger van Age of Impact (1998). Beide broers zijn inmiddels overleden.
Gastrollen zijn er voor drummer Terry Bozzio; gitaristen Marty Friedman en Gary Wehrkamp; toetsenist Wehrkamp; bassist John Myung en zanger James LaBrie, beiden van Dream Theater; zanger Steve Walsh en gitarist Kerry Livgren, beiden van Kansas; op de tweede helft schuiven gitarist Jeff Curtis en bassist Hal Imbrie aan.
Wie Magellan kent zal weten dat de Gardners het graag gecompliceerd maken. Mathprog zou je kunnen zeggen. De eerste twee delen van Raising the Mammoth zijn vocaal, de laatste twee instrumentaal. Qua teksten ontspint zich ongetwijfeld een spannend psychologisch verhaal, iets met onderdrukking en bevrijding, maar de verhaallijn ontgaat me.
De muziek is niet alleen bombastisch, maar ook ingewikkeld en gevarieerd; het album zou beter te behappen zijn als ik iets van het verhaal snapte. Het cd-boekje geeft wat dat betreft slechts summiere informatie. Neemt niet weg dat er heel knap wordt gemusiceerd en vermoedelijk moesten de gastmusici er eens goed voor gaan zitten om dit te kunnen spelen. in het laatste deel is meer ruimte voor toetsen en wordt de progrock meer symfonisch in plaats van metal.
Een favoriet nummer uitkiezen is onmogelijk, ook al omdat geen sprake is van standaardliedjes met coupletten en refreinen. Aanbevolen voor de fanatieke progmetalfan.
Raar dat dit album nog geen beschrijving had gekregen. Wie weet zijn er meer mensen die hun bevindingen hier kunnen noteren!?
The Fall - Dragnet (1979)

3,0
1
geplaatst: 23 oktober 2024, 10:57 uur
Het tweede album van The Fall in 1979. Het verscheen in oktober dat jaar, zeven maanden na debuut Live at the Witch Trials. Gitarist Mark Riley is met frontman Mark E. Stewart het enig overgebleven bandlid: het ging meteen snel qua bezettingswijzigingen.
Ik schiet in de lach bij de eerste geluiden van opener Psykick Dance Hall, als Stewart in vriendelijk, zangerig Engels vraagt: "Is there anybody theeeeere?", door diverse kelen met een enthousiast "Yeaaaah!" beantwoord. Het nummer klinkt demoachtig, lo-fi en wisselt langzame delen af met snellere. In de overgangen valt op dat nieuwe drummer Mike Leigh keer op keer een houterige break neerzet. Het zit 'm bij deze rauwe postpunk niet in het verfijnde muzikantschap, maar in de spontane uitvoeringen. Maatje JeKo wordt hier vast heel vrolijk van, ik haak echter regelmatig af. Zoals bij tweede nummer A Figure Walks, dat zes minuten als protobluespunk voortdendert.
Printhead is lekker uptempo en Leigh mept hier wél raak. In Dice Man meer punkblues, waarbij Stewart met zijn kenmerkende stem over het ta-ta-ta-tatata-ritme á la bluesreus Bo Diddley galmt. Before the Moon Falls beschrijft beklemmend de sfeer in Noord-Engeland,
Op de tweede helft akoestische blues met slidegitaar in Flat of Angles, waarmee The Fall weer heerlijk eigenwijs doet waar het zin in heeft. Spectre vs Rector is een moeilijk toegankelijk buitenbeentje in de stijl van Pere Ubu, waarna het vrolijke Put Away opvallend vrolijk met postbluesrock de plaat eindigt.
In 2004 verscheen via Castle een uitgebreide editie die op dezelfde wijze voortgaat, verrassenderwijs niet onderdoend voor het reguliere album. De diverse takes van Rowche Rumble bijvoorbeeld zijn plezant: niks instrument na instrument, je hoort hoe The Fall de nummers live in de studio opnam.
Garagerock, postpunk, lofi, bluespunk of toch punkblues; enkele van de labels die je erop zou kunnen plakken. Heerlijk eigenwijs, niet per se pakkend.
Voor de Britse hitlijst was dit nog niet geschikt, vanaf 1984 begon de groep voorzichtig daaraan te ruiken; de albumlijst zou pas in 1988 worden gehaald. Toch een interessante plaat, mede doordat spontaniteit hier zo belangrijk is. Wie dat heel belangrijk vindt, zal hiervan kunnen genieten.
Mijn reis door new wave van 1979 kwam van The Selecter en On My Radio en vervolgt bij het debuut van het Nieuw-Zeelandse (waarom zeggen we trouwens niet 'Nieuw-Zeeuwse'?) Mi-Sex.
Ik schiet in de lach bij de eerste geluiden van opener Psykick Dance Hall, als Stewart in vriendelijk, zangerig Engels vraagt: "Is there anybody theeeeere?", door diverse kelen met een enthousiast "Yeaaaah!" beantwoord. Het nummer klinkt demoachtig, lo-fi en wisselt langzame delen af met snellere. In de overgangen valt op dat nieuwe drummer Mike Leigh keer op keer een houterige break neerzet. Het zit 'm bij deze rauwe postpunk niet in het verfijnde muzikantschap, maar in de spontane uitvoeringen. Maatje JeKo wordt hier vast heel vrolijk van, ik haak echter regelmatig af. Zoals bij tweede nummer A Figure Walks, dat zes minuten als protobluespunk voortdendert.
Printhead is lekker uptempo en Leigh mept hier wél raak. In Dice Man meer punkblues, waarbij Stewart met zijn kenmerkende stem over het ta-ta-ta-tatata-ritme á la bluesreus Bo Diddley galmt. Before the Moon Falls beschrijft beklemmend de sfeer in Noord-Engeland,
Op de tweede helft akoestische blues met slidegitaar in Flat of Angles, waarmee The Fall weer heerlijk eigenwijs doet waar het zin in heeft. Spectre vs Rector is een moeilijk toegankelijk buitenbeentje in de stijl van Pere Ubu, waarna het vrolijke Put Away opvallend vrolijk met postbluesrock de plaat eindigt.
In 2004 verscheen via Castle een uitgebreide editie die op dezelfde wijze voortgaat, verrassenderwijs niet onderdoend voor het reguliere album. De diverse takes van Rowche Rumble bijvoorbeeld zijn plezant: niks instrument na instrument, je hoort hoe The Fall de nummers live in de studio opnam.
Garagerock, postpunk, lofi, bluespunk of toch punkblues; enkele van de labels die je erop zou kunnen plakken. Heerlijk eigenwijs, niet per se pakkend.
Voor de Britse hitlijst was dit nog niet geschikt, vanaf 1984 begon de groep voorzichtig daaraan te ruiken; de albumlijst zou pas in 1988 worden gehaald. Toch een interessante plaat, mede doordat spontaniteit hier zo belangrijk is. Wie dat heel belangrijk vindt, zal hiervan kunnen genieten.
Mijn reis door new wave van 1979 kwam van The Selecter en On My Radio en vervolgt bij het debuut van het Nieuw-Zeelandse (waarom zeggen we trouwens niet 'Nieuw-Zeeuwse'?) Mi-Sex.
The Fall - Grotesque (After the Gramme) (1980)

3,0
0
geplaatst: 2 september 2025, 07:38 uur
Op reis door de new wave verschenen in november 1980, kom ik vanaf het debuut van Bauhaus bij de derde van The Fall, Grotesque: After the Gramme genaamd. Op Oudjaarsdag 2007 schreef itchy een gedetailleerd nummer-na-nummer-artikel, dat veel informatie biedt. Daarom het volgende.
Gelijk groepen als Wire en Joy Division kreeg The Fall het label postpunk opgeplakt en net als die namen neemt The Fall een geheel eigen plek in. In mijn oren klinkt dit alsof je de oefenruimte van een schoolband binnenloopt, maar dan wel eentje die het vertikt om covers te spelen. Rammelgitaren, rammelzang en rammeldrums met het enthousiasme van een stel jonge honden.
De bezetting bleef ten opzichte van voorganger Dragnet bijna dezelfde: Mark E. Smith met zijn kenmerkende roepzang en originele beschouwingen, gitarist Craig Scanlan (eigenlijk Scanlon, tevens toetsen) wordt heerlijk in de weg gezeten door andere gitarist Marc Riley, bassist en lijm in de muziek is Steve Hanley en ten slotte is er een nieuwe drummer. Paul Hanley is de dan slechts vijftienjarige broer van de bassist en weet hoe de potten en pannen te raken.
Met de vaak repetitieve riffs, gitaar- en baslijnen hoef je bij The Fall geen muzikale hoogstandjes te verwachten en eigenlijk is dat geheel conform de punkidealen van enkele jaren eerder. Beleving staat voorop. Toch knap want stronteigenwijs met een herkenbaar Fallgeluid. Mijn favorieten zijn English Scheme met charmante toetsen en In the Park, waar Steve Hanley laat horen waarom hij de lijm in de begeleiding vormt.
Grotesque was geen verkoopsucces: album noch singles haalden de verkooplijsten. De oorspronkelijke elpee met tien nummers, vijf op elke plaatkant, kreeg in 1998 een cd-editie waarop de eerste vier nummers bonus zijn. Het zijn de singles (A- en B-kanten) die destijds voorafgingen. Hier op MuMe staan ze vermeld als track 11 tot en met 14 en uiteraard waren ook die te afwijkend voor de Britse hitparade.
Mijn afspeellijsten met wave zijn zoveel mogelijk op chronologische volgorde geordend. Het volgende nummer uit november '80 is er eentje van het Amerikaanse Pylon, afkomstig van hun debuut Gyrate. Met leadzang van Vanessa Briscoe Hay.
Gelijk groepen als Wire en Joy Division kreeg The Fall het label postpunk opgeplakt en net als die namen neemt The Fall een geheel eigen plek in. In mijn oren klinkt dit alsof je de oefenruimte van een schoolband binnenloopt, maar dan wel eentje die het vertikt om covers te spelen. Rammelgitaren, rammelzang en rammeldrums met het enthousiasme van een stel jonge honden.
De bezetting bleef ten opzichte van voorganger Dragnet bijna dezelfde: Mark E. Smith met zijn kenmerkende roepzang en originele beschouwingen, gitarist Craig Scanlan (eigenlijk Scanlon, tevens toetsen) wordt heerlijk in de weg gezeten door andere gitarist Marc Riley, bassist en lijm in de muziek is Steve Hanley en ten slotte is er een nieuwe drummer. Paul Hanley is de dan slechts vijftienjarige broer van de bassist en weet hoe de potten en pannen te raken.
Met de vaak repetitieve riffs, gitaar- en baslijnen hoef je bij The Fall geen muzikale hoogstandjes te verwachten en eigenlijk is dat geheel conform de punkidealen van enkele jaren eerder. Beleving staat voorop. Toch knap want stronteigenwijs met een herkenbaar Fallgeluid. Mijn favorieten zijn English Scheme met charmante toetsen en In the Park, waar Steve Hanley laat horen waarom hij de lijm in de begeleiding vormt.
Grotesque was geen verkoopsucces: album noch singles haalden de verkooplijsten. De oorspronkelijke elpee met tien nummers, vijf op elke plaatkant, kreeg in 1998 een cd-editie waarop de eerste vier nummers bonus zijn. Het zijn de singles (A- en B-kanten) die destijds voorafgingen. Hier op MuMe staan ze vermeld als track 11 tot en met 14 en uiteraard waren ook die te afwijkend voor de Britse hitparade.
Mijn afspeellijsten met wave zijn zoveel mogelijk op chronologische volgorde geordend. Het volgende nummer uit november '80 is er eentje van het Amerikaanse Pylon, afkomstig van hun debuut Gyrate. Met leadzang van Vanessa Briscoe Hay.
The Fall - Live at the Witch Trials (1979)

3,5
0
geplaatst: 8 oktober 2024, 16:25 uur
Op reis door new wave van 1979 kom ik van Pere Ubu's derde album, dat in september verscheen. Terug naar maart dat jaar, als van The Fall dit op 15 december 1978 in de studio opgenomen Live at the Witch Trials verschijnt. Dat de opnametijd zo kort was, is te horen aan het demogeluid, maar dan wel een goede demo. Wat dat betreft klopt de albumtitel, waarbij dus geen publiek aanwezig was. Dat door producer Bob Sargeant en de groep na afloop aan de mix is gesleuteld, doet niets af aan de directe, pure sfeer.
Net als album twee en drie van de Buzzcocks vormt dit debuut een combinatie van zowel punk als postpunk. De zang van Mark E. Smith heeft qua timing en zuigende zanglijnen weg van Johnny Rotten. Inclusief een enkele rollende rrrrr!
Anders is dat geen scheurende gitaren klinken; tegelijkertijd is het wél stevig. Soms tot plezierig-drammerig toe met denderende bas, zoals in No Xmas for John Quays. Hier doet het aan de stevige nummers van de eerste drie platen van The Stranglers denken; tegelijkertijd heeft The Fall met de vocalen van Smith een eigen geluid met bovendien de minimalistische, bijna knullige toetsenpartijen van Yvonne Pawlett, die parallel met de gitaar- en baslijnen lopen. Fraaiste voorbeeld hiervan is te horen in de heerlijke bonustrack It's the New Thing.
Waar het rustiger is, verricht de groep pionierswerk. Het zit 'm in de monotonie van het werk, die op het reguliere album meestal goed werkt in de elf nummers, in de meeste gevallen onder de drie minuten. Was The Fall van invloed op The Stranglers ten tijde van The Meninblack (1981) of hetgeen leden van die groep deden op Nosferatu (Hugh Cornwell) en Euroman Cometh (J.J. Burnel) die net als deze van The Fall in 1979 verschenen?
Of "hing" deze na-punk "in de lucht" als een logische voortzetting? In dit geval maakt de boze scheurende gitaar plaats voor een opener geluid en daarbij de nodige ruimte voor de basgitaar, in dit geval van Mark Riley? De pakkendste voorbeelden van deze nét-iets-kalmere stijl zijn Rebellious Jukebox en Two Steps Back.
Tegelijkertijd klinkt onvervalste punk in bijvoorbeeld Crap Rap 2 / Like to Blow en Futures and Pasts, waarbij gitarist Martin Bramah zonder de scheurgitaar in te zetten toch uiterst energiek en tegendraads speelt.
Ik kan het niet helpen, maar ook bij afsluiter Music Scene heb ik associaties met het vroege werk van de wurgers, al is het maar omdat The Fall zich op hun debuut eveneens aan lang nummer waagt: 8 minuten maar liefst.
In 2014 verscheen een uitgebreide 2cd-heruitgave, die voor liefhebbers van dit album de nodige plezante extra's bevat. Hier is het alsof de uitersten nog meer worden opgezocht. Voorbeelden? Het heerlijke Psycho Mafia met z'n punk, terwijl Repetition ingetogener is maar zoals de titel zegt monotoon repeterend, schier eindeloos een tweetal akkoorden herhalend gedurende bijna vijf minuten.
Live at the Witch Trials is een uiterst sympathiek plaatje, dat in de jaren erna bovendien zijn tijd vooruit bleek. Dat geldt voor zowel het oorspronkelijke album als de "restjes" die in 2014 alsnog uitkwamen.
Mijn reis door de wave van 1979 vervolgt bij de Britse groep After the Fire.
Net als album twee en drie van de Buzzcocks vormt dit debuut een combinatie van zowel punk als postpunk. De zang van Mark E. Smith heeft qua timing en zuigende zanglijnen weg van Johnny Rotten. Inclusief een enkele rollende rrrrr!
Anders is dat geen scheurende gitaren klinken; tegelijkertijd is het wél stevig. Soms tot plezierig-drammerig toe met denderende bas, zoals in No Xmas for John Quays. Hier doet het aan de stevige nummers van de eerste drie platen van The Stranglers denken; tegelijkertijd heeft The Fall met de vocalen van Smith een eigen geluid met bovendien de minimalistische, bijna knullige toetsenpartijen van Yvonne Pawlett, die parallel met de gitaar- en baslijnen lopen. Fraaiste voorbeeld hiervan is te horen in de heerlijke bonustrack It's the New Thing.
Waar het rustiger is, verricht de groep pionierswerk. Het zit 'm in de monotonie van het werk, die op het reguliere album meestal goed werkt in de elf nummers, in de meeste gevallen onder de drie minuten. Was The Fall van invloed op The Stranglers ten tijde van The Meninblack (1981) of hetgeen leden van die groep deden op Nosferatu (Hugh Cornwell) en Euroman Cometh (J.J. Burnel) die net als deze van The Fall in 1979 verschenen?
Of "hing" deze na-punk "in de lucht" als een logische voortzetting? In dit geval maakt de boze scheurende gitaar plaats voor een opener geluid en daarbij de nodige ruimte voor de basgitaar, in dit geval van Mark Riley? De pakkendste voorbeelden van deze nét-iets-kalmere stijl zijn Rebellious Jukebox en Two Steps Back.
Tegelijkertijd klinkt onvervalste punk in bijvoorbeeld Crap Rap 2 / Like to Blow en Futures and Pasts, waarbij gitarist Martin Bramah zonder de scheurgitaar in te zetten toch uiterst energiek en tegendraads speelt.
Ik kan het niet helpen, maar ook bij afsluiter Music Scene heb ik associaties met het vroege werk van de wurgers, al is het maar omdat The Fall zich op hun debuut eveneens aan lang nummer waagt: 8 minuten maar liefst.
In 2014 verscheen een uitgebreide 2cd-heruitgave, die voor liefhebbers van dit album de nodige plezante extra's bevat. Hier is het alsof de uitersten nog meer worden opgezocht. Voorbeelden? Het heerlijke Psycho Mafia met z'n punk, terwijl Repetition ingetogener is maar zoals de titel zegt monotoon repeterend, schier eindeloos een tweetal akkoorden herhalend gedurende bijna vijf minuten.
Live at the Witch Trials is een uiterst sympathiek plaatje, dat in de jaren erna bovendien zijn tijd vooruit bleek. Dat geldt voor zowel het oorspronkelijke album als de "restjes" die in 2014 alsnog uitkwamen.
Mijn reis door de wave van 1979 vervolgt bij de Britse groep After the Fire.
The Feelies - Crazy Rhythms (1980)

4,0
3
geplaatst: 10 februari 2025, 08:08 uur
... ben naar dat verhaal op zoek gegaan, maar kon weinig vinden. Op de site over wijlen BBC-dj John Peel vond ik info waaruit blijkt dat The Feelies op 3 oktober 1979 bij Rough Trade debuteerden met single Raised Eyebrows. Waarschijnlijk heeft Peel die gedraaid en zo zal de groep onder de aandacht van Stiff zijn gekomen.
Ik herinner me een artikeltje in Muziek Expres in (februari?) 1980 over de neurotische muziek en het nerdy imago van de groep, maar op de radio kwam ik ze destijds niet tegen. De naam bleef echter hangen, pas in het streamingtijdperk hoorde ik dit album in z'n geheel.
De vier heren (frontman Glenn Mercer, gitarist Bill Million, bassist Keith Nunzio en de nijvere drummer Anton Fier) worden elders terecht omschreven als een tweeakkoordengroep ("punk heeft drie akkoorden, The Feelies twee!") die juist zonder (scheurende) gitaareffecten werkte. De nerveuze muziek en bijpassende zang hebben iets weg van Talking Heads, die nabij het New Jersey van The Feelies werkten.
Anders dan tijd- en genregenoten durfden ze langere nummers te maken, waarbij de composities soms traag op gang te komen. 'Hypnotiserend' is nóg een term die vaak in beschrijvingen opduikt en wie het lange titelnummer hoort, zal begrijpen waarom de muziek zo wordt beschreven. Uptempo, gedreven, monotoon maar allesbehalve saai. Als het leven in New York. Moscow Nights is mijn andere grote favoriet, maar eigenlijk is alles minimaal lekker.
Toch was dit geen hit- of albumlijstenmateriaal. Daarvoor was het kennelijk té afwijkend, té vreemd. Wel invloedrijk en inspiratievol, zo zou later blijken bij onder meer Sonic Youth.
De reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en aanverwanten kwam van het Noord-Ierse Stiff Little Fingers. In februari 1980 betrad de Nina Hagen Band met Unbehagen de Nederlandse albumlijst, maar omdat ik dat album al besprak vervolg ik bij de ska van The Beat en hun langspeler I Just Can't Stop It.
Ik herinner me een artikeltje in Muziek Expres in (februari?) 1980 over de neurotische muziek en het nerdy imago van de groep, maar op de radio kwam ik ze destijds niet tegen. De naam bleef echter hangen, pas in het streamingtijdperk hoorde ik dit album in z'n geheel.
De vier heren (frontman Glenn Mercer, gitarist Bill Million, bassist Keith Nunzio en de nijvere drummer Anton Fier) worden elders terecht omschreven als een tweeakkoordengroep ("punk heeft drie akkoorden, The Feelies twee!") die juist zonder (scheurende) gitaareffecten werkte. De nerveuze muziek en bijpassende zang hebben iets weg van Talking Heads, die nabij het New Jersey van The Feelies werkten.
Anders dan tijd- en genregenoten durfden ze langere nummers te maken, waarbij de composities soms traag op gang te komen. 'Hypnotiserend' is nóg een term die vaak in beschrijvingen opduikt en wie het lange titelnummer hoort, zal begrijpen waarom de muziek zo wordt beschreven. Uptempo, gedreven, monotoon maar allesbehalve saai. Als het leven in New York. Moscow Nights is mijn andere grote favoriet, maar eigenlijk is alles minimaal lekker.
Toch was dit geen hit- of albumlijstenmateriaal. Daarvoor was het kennelijk té afwijkend, té vreemd. Wel invloedrijk en inspiratievol, zo zou later blijken bij onder meer Sonic Youth.
De reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en aanverwanten kwam van het Noord-Ierse Stiff Little Fingers. In februari 1980 betrad de Nina Hagen Band met Unbehagen de Nederlandse albumlijst, maar omdat ik dat album al besprak vervolg ik bij de ska van The Beat en hun langspeler I Just Can't Stop It.
The Flyin' Spiderz - Let It Crawl (1978)

3,5
0
geplaatst: 24 juni 2024, 08:15 uur
Op hun tweede album verbreedden de punkpioniers van The Flyin' Spiderz hun muzikale spectrum én de onderwerpen in de teksten. Het sterke debuut The Flyin' Spiderz verscheen in 1977 als eerste punkplaat van Nederlandse bodem. In 1978 waaide deze revolte nog even door, maar de groep was niet van plan die plaat te kopiëren.
Let It Crawl is wederom een verzameling sterke liedjes, waarbij de liedjes na enkele draaibeurten blijken te groeien, vooral op kant 1. Die gaat fel van start met S.O.S. met pakkende coupletten en refreinen, waarin het viertal zich afzet tegen de commercie van de (muziek)wereld. Scherp geproduceerd door Pim Koopmans bovendien.
De teksten gaan soms wat verder dan de liefde. Iets kalmer is Room over het gebrek aan rust op je gehuurde kamer met een kleine gastrol voor saxofonist Ab 'Appie' Baars, later bekend geworden in de jazz. Hij speelde in de groep toen die nog vooral in een Eindhovens café speelde en zijn gastrol hier is bescheiden maar effectief.
Marionettes is weer snel én pakkend. In Truth melodieus gitaarwerk van Koos Cornelissen, bescheiden piano (van de producer?) en in het uittro zelfs een gitaartwin als frontman Guus Boers meedoet. In het boze en weer snellere Killin' the City gaat het over stadsvernieuwing voor het geld en alweer valt op hoe goed een liedje in elkaar zit. Paper Girl heeft een akoestische basis met wederom fijne gitaarlijnen van Cornelissen én het melodieuze werk van nieuwe bassist John Snep, die zo het strakke spel van Henri Hoeymans aanvult. Na één plaatkant weten we genoeg: de groep bleef niet bij punk hangen, maar verbreedt het spectrum.
Met Alive gaat kant 2 stevig en uptempo los, het geroepen "Alive!" in het slot is pakkend. Stoempende rock in I Go and Get My Rights, waarna in Terror iets soortgelijks gebeurt. Appie Baars keert terug in She Lives on Stars. Pittiger is I'm Made of Stone dat in de beste punktraditie 105 seconden voortknalt. In Be Ready Baby pubrock met de wortels in rauwe r&b. Omdat slotlied Car live is opgenomen krijg je een audiobeeld van het podium: luid en strak, springlevende rock met een gitaarsolo als van een sirene.
Een sterke kant 1 waarop kant 2 voortborduurt, net als het debuut op streaming te vinden. Het debuut kreeg in 2020 rond Record Store Day een rerelease met media-aandacht en zo'n heruitgave verdient Let It Crawl ook. De wortels van de groep waren veel breder en ouder dan drieakkoordenpunk, wat op deze opvolger nog duidelijker blijkt uit zowel muziek als teksten. De groep kortte hierop de groepsnaam in en vervolgde hun carrière als The Spiderz.
Mijn reis door new wave en aanverwanten blijft echter nog even in 1978. Ik kwam van Citizen Band en vervolg bij de tweede van het New Yorkse Television.
Let It Crawl is wederom een verzameling sterke liedjes, waarbij de liedjes na enkele draaibeurten blijken te groeien, vooral op kant 1. Die gaat fel van start met S.O.S. met pakkende coupletten en refreinen, waarin het viertal zich afzet tegen de commercie van de (muziek)wereld. Scherp geproduceerd door Pim Koopmans bovendien.
De teksten gaan soms wat verder dan de liefde. Iets kalmer is Room over het gebrek aan rust op je gehuurde kamer met een kleine gastrol voor saxofonist Ab 'Appie' Baars, later bekend geworden in de jazz. Hij speelde in de groep toen die nog vooral in een Eindhovens café speelde en zijn gastrol hier is bescheiden maar effectief.
Marionettes is weer snel én pakkend. In Truth melodieus gitaarwerk van Koos Cornelissen, bescheiden piano (van de producer?) en in het uittro zelfs een gitaartwin als frontman Guus Boers meedoet. In het boze en weer snellere Killin' the City gaat het over stadsvernieuwing voor het geld en alweer valt op hoe goed een liedje in elkaar zit. Paper Girl heeft een akoestische basis met wederom fijne gitaarlijnen van Cornelissen én het melodieuze werk van nieuwe bassist John Snep, die zo het strakke spel van Henri Hoeymans aanvult. Na één plaatkant weten we genoeg: de groep bleef niet bij punk hangen, maar verbreedt het spectrum.
Met Alive gaat kant 2 stevig en uptempo los, het geroepen "Alive!" in het slot is pakkend. Stoempende rock in I Go and Get My Rights, waarna in Terror iets soortgelijks gebeurt. Appie Baars keert terug in She Lives on Stars. Pittiger is I'm Made of Stone dat in de beste punktraditie 105 seconden voortknalt. In Be Ready Baby pubrock met de wortels in rauwe r&b. Omdat slotlied Car live is opgenomen krijg je een audiobeeld van het podium: luid en strak, springlevende rock met een gitaarsolo als van een sirene.
Een sterke kant 1 waarop kant 2 voortborduurt, net als het debuut op streaming te vinden. Het debuut kreeg in 2020 rond Record Store Day een rerelease met media-aandacht en zo'n heruitgave verdient Let It Crawl ook. De wortels van de groep waren veel breder en ouder dan drieakkoordenpunk, wat op deze opvolger nog duidelijker blijkt uit zowel muziek als teksten. De groep kortte hierop de groepsnaam in en vervolgde hun carrière als The Spiderz.
Mijn reis door new wave en aanverwanten blijft echter nog even in 1978. Ik kwam van Citizen Band en vervolg bij de tweede van het New Yorkse Television.
The Flyin' Spiderz - The Flyin' Spiderz (1977)

4,0
0
geplaatst: 31 mei 2024, 09:29 uur
Als kind van de jaren '70 herinner ik me kinderprogramma Stuif Es In. Ik stond op de overgang van kind naar puber, toen daar op zekere zaterdagmiddag in 1977 The Flyin' Spiderz waren te zien. Lekkere scheurende gitaren, maar wat ik me vooral herinner is dat de zanger op de grond lag te zingen. Ik leerde: punk uit Nederland.
In het artikel waarnaar de link in het vorige bericht verwijst, valt te lezen dat de onwaarschijnlijke keuze voor een punkband in een kinderprogramma was gemaakt als alternatief voor de aangevraagde Iggy Pop. Die was populair omdat hij bij TopPop met single Lust for Life de palmboom had gesloopt. Was ik dus niet het enige kind met sympathie voor punk…
Website bacteria.nl vertelt dat de groep al zo’n drie jaar bestond als Spiders en in een stroomversnelling kwam nadat ze in het voorprogramma van de Engelse The Vibrators spelen. Laat die groep nou mijn vorige station zijn geweest in mijn reis door new wave en aanverwanten. Een demo werd bij Pim Koopman gebracht. Het lid van Kayak, tevens producer, had een klik met de Eindhovenaren, de groepsnaam werd The Flyin’ Spiderz en na opnamen in Heemstede en Hilvarenbeek kwam Neerlands eerste punkelpee uit bij platenreus EMI.
Hoorbaar is dat dit geen beginnelingen zijn. Het cliché dat punks altijd zeer beperkte muzikanten zijn, blijkt ook hier quatsch. Bovendien konden de vier heren liedjes schrijven.
De muzikanten staan slechts met hun voornamen op de hoes vermeld, maar het label vertelt meer. Guus Buurs (zang, gitaar), Koos Cornelissen (gitaar), Aad van Vught (bas) en Henri Hoeymans (drums) leefden van een uitkering en hadden tijd om te oefenen. Vóór punk maakten ze al stevige muziek, geschikt voor kroegen en jongerencentra. Doe er een schepje bij en het resultaat kon zich prima meten met dat van de overzeese evenknieën.
Verwacht geen politieke statements, maar wel liedjes over vrijheid en relationele zaken. I Wanna Be with You is dus eigenlijk heel romantisch, het swingende You Gotta Help Me bevat een hulpvraag want ”I am bored” en het slepend rockende Stupid Photographs beschrijft plaatjes in tijdschriften. Toen al, een tekst die met alle sociale media weer hartstikke actueel is. Kant 1 sluit af met single City Boy dat fel rockt. Dit alles met de hees-rauwe stem van Boers, die per nummer een andere kant van de stembanden doet schuren.
Op kant 2 zijn mijn favorieten het springerige I Don’t Wanna Go, over droomlevens gaat Movies dat een leuk overzicht van de filmhelden van midden jaren ’70 bevat, plus het grimmiger Goodbye.
Dankzij EMI en in Frankrijk via Sonopresse kreeg The Flyin' Spiderz een goede distributie en de groep waarschijnlijk een volle agenda. In coronajaar 2020 verscheen de elpee via Music on Vinyl op roze vinyl, aanleiding voor het artikel in het vorige bericht.
Helaas noodgedwongen ontbrekend in mijn afspeellijst omdat het niet op streaming staat, is The Blitzz. In diezelfde tijd bracht deze groep single So Fee uit (wel op JijBuis te vinden), die ik op de radio hoorde en opsloeg in de jukebox in mijn hoofd. Ze brachten het nooit tot een album, maar mede het vermelden waard gezien de achterzijde van hun debuutsingle So Free met daarop reclame voor deze Spiderz.
Een tweede single volgde, na deze vier nummers was het voorbij voor de Amsterdammers. Wel waren ze in 1978 te vinden op deze verzamelaar en in 2016 op I Don't Care - Volume 2. Meer informatie bij bacteria.
De carrière van The Flyin' Spiderz zou langer duren, ik kom ze later tegen met volgende langspelers. Mijn volgende halte in de muzikale reis door new wave: Ultravox! met hun tweede album.
In het artikel waarnaar de link in het vorige bericht verwijst, valt te lezen dat de onwaarschijnlijke keuze voor een punkband in een kinderprogramma was gemaakt als alternatief voor de aangevraagde Iggy Pop. Die was populair omdat hij bij TopPop met single Lust for Life de palmboom had gesloopt. Was ik dus niet het enige kind met sympathie voor punk…
Website bacteria.nl vertelt dat de groep al zo’n drie jaar bestond als Spiders en in een stroomversnelling kwam nadat ze in het voorprogramma van de Engelse The Vibrators spelen. Laat die groep nou mijn vorige station zijn geweest in mijn reis door new wave en aanverwanten. Een demo werd bij Pim Koopman gebracht. Het lid van Kayak, tevens producer, had een klik met de Eindhovenaren, de groepsnaam werd The Flyin’ Spiderz en na opnamen in Heemstede en Hilvarenbeek kwam Neerlands eerste punkelpee uit bij platenreus EMI.
Hoorbaar is dat dit geen beginnelingen zijn. Het cliché dat punks altijd zeer beperkte muzikanten zijn, blijkt ook hier quatsch. Bovendien konden de vier heren liedjes schrijven.
De muzikanten staan slechts met hun voornamen op de hoes vermeld, maar het label vertelt meer. Guus Buurs (zang, gitaar), Koos Cornelissen (gitaar), Aad van Vught (bas) en Henri Hoeymans (drums) leefden van een uitkering en hadden tijd om te oefenen. Vóór punk maakten ze al stevige muziek, geschikt voor kroegen en jongerencentra. Doe er een schepje bij en het resultaat kon zich prima meten met dat van de overzeese evenknieën.
Verwacht geen politieke statements, maar wel liedjes over vrijheid en relationele zaken. I Wanna Be with You is dus eigenlijk heel romantisch, het swingende You Gotta Help Me bevat een hulpvraag want ”I am bored” en het slepend rockende Stupid Photographs beschrijft plaatjes in tijdschriften. Toen al, een tekst die met alle sociale media weer hartstikke actueel is. Kant 1 sluit af met single City Boy dat fel rockt. Dit alles met de hees-rauwe stem van Boers, die per nummer een andere kant van de stembanden doet schuren.
Op kant 2 zijn mijn favorieten het springerige I Don’t Wanna Go, over droomlevens gaat Movies dat een leuk overzicht van de filmhelden van midden jaren ’70 bevat, plus het grimmiger Goodbye.
Dankzij EMI en in Frankrijk via Sonopresse kreeg The Flyin' Spiderz een goede distributie en de groep waarschijnlijk een volle agenda. In coronajaar 2020 verscheen de elpee via Music on Vinyl op roze vinyl, aanleiding voor het artikel in het vorige bericht.
Helaas noodgedwongen ontbrekend in mijn afspeellijst omdat het niet op streaming staat, is The Blitzz. In diezelfde tijd bracht deze groep single So Fee uit (wel op JijBuis te vinden), die ik op de radio hoorde en opsloeg in de jukebox in mijn hoofd. Ze brachten het nooit tot een album, maar mede het vermelden waard gezien de achterzijde van hun debuutsingle So Free met daarop reclame voor deze Spiderz.
Een tweede single volgde, na deze vier nummers was het voorbij voor de Amsterdammers. Wel waren ze in 1978 te vinden op deze verzamelaar en in 2016 op I Don't Care - Volume 2. Meer informatie bij bacteria.
De carrière van The Flyin' Spiderz zou langer duren, ik kom ze later tegen met volgende langspelers. Mijn volgende halte in de muzikale reis door new wave: Ultravox! met hun tweede album.
The Flying Lizards - The Flying Lizards (1979)

3,5
0
geplaatst: 31 oktober 2024, 14:04 uur
Mijn reis door new wave van 1979 gaat via afwisselende stijlen. Zo kom ik vanaf de gitaartjes met sociaal-bewogen teksten van The Jam bij de kunstzinnige muziek van The Flying Lizards.
Single Money was een instant favoriet van deze puber, al haalde het liedje in november 1979 slechts #37. Pas jááááren later ontdekte ik dat het een cover uit de stal van Motown was en veel vaker is gecoverd, tot de Beatles toe. Mijn instapversie is echter dé favo gebleven, mede door de onderkoelde spraakzang van Deborah Evans-Stickland en dat geinige optreden bij TopPop. De videoclip mag er trouwens ook zijn. In mijn beleving leek het enigszins op wat synthwavepioniers als Gary Numan deden, maar dit was toch anders. Metaliger en rap. Nou ja, zoiets dan... Het duo legde het zelf uit in 1980 bij het Australische Countdown.
Een eendagvlieg qua hits, maar het Engelse duo maakte meer albums. Dit eigenwijze en titelloze debuut biedt onder meer invloeden uit andere Europese culturen en tijden. Ik werd verrast en niet alleen omdat de albumversie van Money een stuk langer is met andere geluiden.
Nee, de opener is het in het Duits met geknepen kopstem gezongen Mandelay Song en opeens ben ik blij met de literatuurlessen van de middelbare school. Is dit niet...? Jawel, dit IS werk van Kurt Weill en Bertolt Brecht: Der Song von Mandelay, muziek uit het creatieve paradijs dat Berlijn tussen de twee wereldoorlogen in was. Om precies te zijn: 1929.
Her Story is op z'n funks met de eigenwijsheid van 1979, in het swingende TV wordt ook Frans gezongen met een muzikale invulling als een parodie op jaren '50 rock 'n' roll. Vervolgens reggae in Russia en minimalistische synths in de slotlied van kant 1, cover van Summertime Blues van rocker Eddie Cochran uit 1958. Apart hoe The Flying Lizards oude muziek in nieuwe jasjes staken.
Kant 2 opent met Money, waarna een experimenteel drieluik volgt. Eerst The Flood als een voorloper van jaren '90 drum 'n' bass. Hier is het David Cunningham die de vocalen doet. Trouble is upbeat en instrumentaal, als een vervolg van de experimenten op kant 2 van David Bowies Low. Hetzelfde maar dan als een soundscape gebeurt in Events During the Flood.
Het melodieuze Window is dan opvallend licht en vrolijk, gezongen door Evans-Stickland, om met kakafonische noise te eindigen middels All Guitars.
Nadien is The Flying Lizards in verlengde editie verschenen, maar wat ik op streaming hoor kan ik niet op Discogs vinden. Daarbij de single- (#5 in het Verenigd Koninkrijk in september '79) én 12"-versie van Money. Als geheel: eigenwijs, kunstzinnig, experimenteel. Puttend uit historie en tegelijkertijd vooruitziend.
Ik vervolg met de albums achter de nummers op mijn streaming afspeellijst. De eerstvolgende drie besprak ik al en sla ik dus over. Ik bedoel Nosferatu van Robert Williams en Strangler Hugh Cornwell, alsmede Quiet Life van Japan en single Jumping Someone Else's Train van The Cure via 1980-album Boys Don't Cry. Zo kom ik bij Alchemy, het solodebuut van de voormalige gitarist van Television, Richard Lloyd.
Single Money was een instant favoriet van deze puber, al haalde het liedje in november 1979 slechts #37. Pas jááááren later ontdekte ik dat het een cover uit de stal van Motown was en veel vaker is gecoverd, tot de Beatles toe. Mijn instapversie is echter dé favo gebleven, mede door de onderkoelde spraakzang van Deborah Evans-Stickland en dat geinige optreden bij TopPop. De videoclip mag er trouwens ook zijn. In mijn beleving leek het enigszins op wat synthwavepioniers als Gary Numan deden, maar dit was toch anders. Metaliger en rap. Nou ja, zoiets dan... Het duo legde het zelf uit in 1980 bij het Australische Countdown.
Een eendagvlieg qua hits, maar het Engelse duo maakte meer albums. Dit eigenwijze en titelloze debuut biedt onder meer invloeden uit andere Europese culturen en tijden. Ik werd verrast en niet alleen omdat de albumversie van Money een stuk langer is met andere geluiden.
Nee, de opener is het in het Duits met geknepen kopstem gezongen Mandelay Song en opeens ben ik blij met de literatuurlessen van de middelbare school. Is dit niet...? Jawel, dit IS werk van Kurt Weill en Bertolt Brecht: Der Song von Mandelay, muziek uit het creatieve paradijs dat Berlijn tussen de twee wereldoorlogen in was. Om precies te zijn: 1929.
Her Story is op z'n funks met de eigenwijsheid van 1979, in het swingende TV wordt ook Frans gezongen met een muzikale invulling als een parodie op jaren '50 rock 'n' roll. Vervolgens reggae in Russia en minimalistische synths in de slotlied van kant 1, cover van Summertime Blues van rocker Eddie Cochran uit 1958. Apart hoe The Flying Lizards oude muziek in nieuwe jasjes staken.
Kant 2 opent met Money, waarna een experimenteel drieluik volgt. Eerst The Flood als een voorloper van jaren '90 drum 'n' bass. Hier is het David Cunningham die de vocalen doet. Trouble is upbeat en instrumentaal, als een vervolg van de experimenten op kant 2 van David Bowies Low. Hetzelfde maar dan als een soundscape gebeurt in Events During the Flood.
Het melodieuze Window is dan opvallend licht en vrolijk, gezongen door Evans-Stickland, om met kakafonische noise te eindigen middels All Guitars.
Nadien is The Flying Lizards in verlengde editie verschenen, maar wat ik op streaming hoor kan ik niet op Discogs vinden. Daarbij de single- (#5 in het Verenigd Koninkrijk in september '79) én 12"-versie van Money. Als geheel: eigenwijs, kunstzinnig, experimenteel. Puttend uit historie en tegelijkertijd vooruitziend.
Ik vervolg met de albums achter de nummers op mijn streaming afspeellijst. De eerstvolgende drie besprak ik al en sla ik dus over. Ik bedoel Nosferatu van Robert Williams en Strangler Hugh Cornwell, alsmede Quiet Life van Japan en single Jumping Someone Else's Train van The Cure via 1980-album Boys Don't Cry. Zo kom ik bij Alchemy, het solodebuut van de voormalige gitarist van Television, Richard Lloyd.
