MusicMeter logo menu
MusicMeter logo

Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.

The Cure - Three Imaginary Boys (1979)

poster
4,0
Boys Don't Cry was het oudste album van The Cure dat ik leerde kennen, dankzij de fonotheek in het dorp. Ik wist niet dat dat eigenlijk een heruitgave van dit Three Imaginary Boys was, de eigenlijke debuutplaat van The Cure.
De groep is hier nog in de beginfase, met een hoes die frontman Robert Smith nooit zou hebben uitgekozen. Sterker nog, naar aanleiding van deze lamp-met-koelkast-met-stofzuiger zorgde hij ervoor dat het artwork nooit meer uit handen zou worden gegeven.
Onlangs kwam ik deze bij toeval op cd tegen, met bovendien een tweede cd met 20 bonussen, de editie uit 2012. Wist niet eens dat deze bestond en aarzelde niet. Lang leve platenzaken!

De melancholie waar ik zo van houd klinkt op Another Day, Fire in Cairo en Three Imaginary Boys, voorlopers van de navolgende albums Seventeen Seconds en Faith. Maar vooral klinkt muziek die hoorbaar uit punk voortkwam zoals in het felle It's Not You, al is dat meestal zonder scheurend gitaartje. Ontegenzeglijk is het talent van Smith te horen, ook als de toen nog jongens Jimi Hendrix' Foxy Lady bijna onherkenbaar omvormen naar een passend Curejasje.

Cd2 heeft als titel Rarities 1977-1977. Soms is het grappig, soms interessant, soms sterk of dan weer niet. Een vermakelijk schijfje: thuis- en studiodemo's, nummers die afvielen voor het debuut en drie liveversies.
Pure punk klinkt op Heroin Face en I Just Need Myself; voor het eerst dat ik die ruwe geluiden bij de groep hoor. Verder onder meer een vermakelijke oerversie van 10:15 Saturday Night (later op de cd nog eens twee versies van het lied) en de nummers die op de elpee Boys Don't Cry nieuw waren.

In het cd-boekje een biografie rond dit debuut met enkele foto's, waarop de mannen (naast Smith Lol Tolhurst en Michael Dempsey) nog lange haren hebben in de stijl van de jaren '70, geheel anders dan het gothic imago met lippenstift waarmee de groep later in de jaren '80 naar buiten trad.

Een meer dan aardig debuut en de bonus-cd maakt het alleen maar leuker.

The Cure - Torn Down (2018)

Alternatieve titel: Mixed Up Extras

poster
3,5
Torn Down verscheen in april 2018 ter gelegenheid van Record Store Day. Later dat jaar verschenen als cd 3 van de nieuwe 3cd-versie van Mixed Up. Het is van die editie dat ik dit album ken.

Voor een album met remixen valt dit niet tegen: vijfmaal ben ik positief. Smith ging wederom zelf aan de slag en verbouwde in chronologische volgorde van ieder album één nummer.
Dat dit kan slagen, ondervind ik bij M (Attack Mix), het sfeervolle The Drowning Man (Bright Birds Mix) en A Strange Day (Drowning Waves Mix), gedrieën niet toevallig oorspronkelijk van de gouden drieslag Seventeen Seconds, Faith en Pornography.
Dan is het even doorbijten, maar genieten is het wederom bij From the Edge of the Deep Green Sea (Love in Vain Mix) dat langzaam naar een climax opbouwt met een fraaie gitaarsolo, en het in twee delen verdeelde Want (Time Mix), dat semi-klassiek en klaaglijk wordt. Geinig maar niet per se pakkend zijn de snelle triphopbeats in Lost (Found Mix).

Mijn verwachtingen waren niet heel hoog (remixalbums zijn vaak matig of nog erger) en dus valt het alleszins mee. Tegelijkertijd zijn opinies ten aanzien van remixen extra persoonlijk en divers. De nummers die mij weinig deden, kunnen door een ander juist wél worden gewaardeerd, afhankelijk van de beat en andere geluidjes. Of misschien vindt iemand mijn favorieten van dit album juist helemaal niks. Het is dus maar de vraag of een ander wat met mijn mening kan, maar vele meningen (zoals die hierboven) maken het plaatje wel compleet.

The Cure - Wild Mood Swings (1996)

poster
4,0
Niet bepaald de populairste Cure, zij het dat wie ‘m op vinyl wil hebben, véél moet neerleggen. Deze stamt dan ook uit de periode dat de cd het vinyl totaal uit de platenzaken had verdreven, wat ik een droevige constatering vond met die kleine doosjes met hun minihoesjes. Voordeel was de langere speelduur, maar in de loop der jaren zou ik ontdekken dat menig artiest die gebruikte om ook nummers van minder kaliber erop te zetten, waardoor menig album op het saaie af werd uitgerekt.

De popwereld is er één van continu veranderende mode en smaak. De bands die uit new wave voortkwamen hadden het in 1996 zwaar. Alanis Morrissette met Jagged Little Pill, dát was je van het, brengt de special van tijdschrift Uncut over The Cure (2018) fijntjes in herinnering. Groepen als New Order en The Cure? Naaaah…
Alhoewel Wild Mood Swings in muzikaal opzicht slechts een kleine stap verwijderd is van voorganger Wish (1992), waren de reacties negatief. Hier op MuMe aanvankelijk ook, al zie ik hierboven een kentering. In Nederland slechts #37 in de albumlijst, waar in andere landen de top 10 (soms bijna) werd gehaald. The Cure was in mijn kikkerlandje uit de mode.

De aanloop was rommelig geweest. Gitarist Porl Thompson was tourmoe en verliet de band om bij Robert Plant & Jimmy Page te gaan touren (!), waarop voormalig gitaarroadie en inmiddels toetsenist Perry Bamonte zijn vervanger werd.
Toetsenist Roger O’Donnell had ooit ruzie maar nu niet meer en werd wederom ingelijfd, op bas keerde oudgediende Simon Gallup op tijd terug van langer durend ziekteverlof, na mentaal in de knoop te hebben gezeten. Drummer Boris Williams vertrok en werd door maar liefst vier stokkenmannen vervangen, van wie Jason Cooper de drumkruk definitief veroverde. Niet vreemd in al dit tumult dat frontman Robert Smith overwoog een soloalbum te maken.
Een jarenlang slepend juridisch geschil met ex-drummer en -toetsenist en vooral voormalige vriend Lol Tolhurst over de groepsnaam en royalties werd in 1994 beslist in nadeel van de ex. Een complete knock-out, waarmee Smith definitief verder kon met zijn Cure, dat in 1993 de livealbums Show en Paris uitbracht.

The Cure was niet meer dat trio uit Crawley dat het aan de stok had met skinheads. Dit was een groep die de wereld rondreisde, op zonnige plaatsen als Mexico speelde en bovendien frequent was te zien bij de nieuwe trend in popland: zomerfestivals. Die veranderingen hoor je terug.
Waar op voorganger Wish violiste Kate Wilkinson een fraaie bijrol in To Wish Impossible Things vervulde, liet Smith op Wild Mood Swings meer hulptroepen aanrukken: diverse strijkers en blazers assisteerden, resulterend in een breed scala aan geluiden en sferen.

Op dit album bedient Smith zowel de liefhebbers van melancholie als psychedelische gitaren als popliedjes. Of beter: hij geeft die drie kanten van zichzelf ruimte.
Melancholie klinkt op heerlijke opener Want, in het rijke strijkarrangement van This Is a Lie, het ingetogen Jupiter Crash, Numb met sitar en strijkers en de twee afsluitende nummers Treasure en Bare, die het album kalmpjes naar zijn einde brengen.
Psychedelisch scheurende gitaren zijn te horen in Club America waar Smith lager dan ooit zingt (ik herkende hem amper) en in Trap dat een prachtige melodie kent.
Pop klinkt in The 13th dat met zijn blazers en swing niet goed werd ontvangen als eerste single, Strange Attraction, het vrolijke Mint Car (met de regel “The sun is up, I’m so happy I could scream" zou dit een logischer eerste singlekeuze zijn geweest), vrolijkheid en strijkers in Round & Round & Round, in Gone! zelfs swingjazz met blazers; Return is vrolijk met alweer blazers.

Eén hitsingle had wellicht veel slechte meningsvorming kunnen voorkomen, maar zelfs Mint Car werd niet de klapper. Smith toonde zich acht jaar later teleurgesteld in de slechte reacties van toen. Ik ga met hem mee, net als met zijn opinie dat hij de plaat wellicht iets korter had moeten houden, door ofwel minder nummers erop te zetten, ofwel ze korter te laten duren. Maar speel ze los van elkaar af en je zult geen zwakke compositie vinden.

The Cure - Wish (1992)

poster
4,5
Menigeen schijnt dit album te verguizen; ik verbaas mij juist omdat het lijkt alsof ik naar een sterke setlist luister, zij het slechts bestaand uit één dubbelalbum met liedjes van 1990 tot 1992 geschreven. Alleen met afsluiter End kan ik wat minder.

De plaat start met twee sterke uptempo nummers, waarna ik voor het eerst in de geschiedenis van The Cure Robert Smith in een lagere versnelling hoor zingen. Of deed hij dat al eerder? Hoe dan ook, ik vind zijn stem in het ingetogen Apart best wel... apart. En vooral mooi.
Ik draai 'm van cd, maar als ik de verdeling op vinyl erbij houd, valt iets op. Vanaf kant 2 (drie nummers per zijde, dus te beginnen met track 4) is de opbouw steeds hetzelfde: een heel uptempo nummer wordt gevolgd door een langzamer nummer wordt gevolgd door een vlotter nummer. Zo trapt From the Edge of the Deep Green Sea aantrekkelijk kant 2 af met zijn stijgende akkoordenlijn en doet de tijdloze single Friday I'm in Love hetzelfde op kant 3. Nog altijd weet ik hoe dit perfecte popliedje in de zomer van 2010 langskwam op de radio tijdens een snikhete autorit door de Eifel.
De tweede ballade met Smiths stem lager dan anders en bovendien tweestemmig ingezongen, is ook al zo mooi: het sfeervolle Trust.
Troef op Wish is bovendien het gitaarwerk van Porl Thompson, die de gitaren heerlijk newwaviaans laat waaieren. Qua teksten heb ik niet het idee dat Smith heel persoonlijk is: hij bezingt vooral de liefde in de verschillende seizoenen, of juist de afkeer van iemand. Als een willekeurige verzameling verhalen.

In de Curespecial van Uncut in 2018 staat een interview uit 1992 met de groep, waarin wordt verteld dat een dartbord van voormalig drummer/toetsenist Lol Tolhurst meereisde tijdens de tournee, omdat deze zich steeds rancuneuzer naar de groep gedroeg. Iets wat Tolhurst later in zijn autobio volledig zou erkennen en waarvan hij dan spijt betuigt. Smith in een NME-interview in '92: "Why was Lol in the band so long? (...) Because I have an angelic compassion."
Vóórdat men aan Wish begon, was ook de andere toetsenist uitgevallen: in het boekje bij de 3cd-editie van Mixed Up wijdt Smith dit aan vermoeidheid, Uncut berichtte echter dat Roger O'Donnell was vertrokken wegens onenigheid met de ritmesectie, te weten bassist Simon Gallup en drummer Boris Williams. De laatste is op dit album overigens zeer op dreef. Nieuwe toetsenist was tot dan gitaarroadie bij de groep: Perry Bamonte.
Eveneens in Uncut vertelt Smith weinig op te hebben met gothic, al noemt hij wel enkele namen die hem in 1992 goed bevielen: albums van Ride, My Bloody Valentine, Curve en Lush, naast een EP van Levitation, een single van Chapterhouse en Smashing Pumpkins. Zelfs over zijn kapsel heeft hij, dan zojuist gekortwiekt, nieuws: "I always use gel, not hairspray. It's called KMS and it comes with hexagons on."

Ik heb bij mijn waardering hier op MuMe eens drie onbekendere nummers als favoriet uitgekozen, de keuze is eigenlijk te groot. Heel donker is ie niet, in de rustiger nummers wel melancholisch. Met alle variatie beleef ik het tegelijkertijd als een sterk geheel, in plaats van een verzameling losse liedjes.
Wish werd in Groot-Brittannië #1, in de Verenigde Staten van die plek afgehouden door een andere Britse band, te weten Def Leppard met Adrenalize. Dan veel liever deze Wish.

The Damned - Damned Damned Damned (1977)

poster
3,5
"Made to be played loud at low volume", vermeldt de hoes.

New Rose was de eerste punksingle die het kersverse Stiff uitbracht, hun derde single in successie. Dit in oktober 1976, geproduceerd door Nick Lowe. De elpee Damned Damned Damned verscheen op 18 februari 1977 als eerste Britse punkelpee, nadat de maand ervoor de EP Spiral Scratch van The Buzzcocks uit de regio Manchester uitkwam.
Andere voortrekkers: uiteraard de New Yorkse Ramones met The Blizkrieg Bop!! zoals dat in februari 1976 op hun single stond afgedrukt, The Saints uit Brisbane, Australië met single (I'm) Stranded in september 1976 en Sex Pistols met Anarchy in the U.K. in november.
Die laatste groep gaf in Londen in juni 1976 een concert dat velen inspireerde ook een band te beginnen, zeker toen Ramones de maand erop in de stad optraden, net als The Damned dat live debuteerde als opener voor Sex Pistols.
The Damned behoort dus tot de absolute voortrekkers van punk. Sterker nog, drie van de leden speelden eerder in Masters of the Backside, een eerste poging van manager Malcolm McLaren om in Londen verder te gaan in het voetspoor van "zijn" New York Dolls. In die groep ook Chrissie Hynde, later bekend geworden als frontvrouw van The Pretenders.

Heel veel namen. Is Damned Damned Damned, eveneens voor Stiff met knoppenman Nick Lowe opgenomen, werkelijk een nieuw jaar 0 in de pophistorie, zoals de licht-hysterische Britse pers ons indertijd voorhield?
Nee, natuurlijk niet. In de kalmere momenten zoals Fan Club en Feel the Pain hoor je bijvoorbeeld echo's van The Who. Maar het furieuze drumwerk van Rat Scabies is voor dan ongekend en de nummers waarop hij dat etaleert zijn mijn favorieten.
New Rose hoorde ik indertijd zowaar op Hilversum 3 en rond dezelfde tijd ontdekte deze beginnende tiener Down Down (1974) van Status Quo; tot op de dag van vandaag vind ik ze qua slaggitaren sterk op elkaar lijken. Pure, harde rock 'n' roll in de voetsporen van Chuck Berry, waarbij de versterkers bij The Damned klinken alsof ze ieder moment kunnen worden opgeblazen.
Het is het heftigste nummer van de plaat, elders zijn versterkers meer beheerst afgesteld. Zoals op opener Neat Neat Neat, dat desalniettemin ferm uit de boxen knalt. Hier al de eerste gitaarsolo, bewijzend dat Brian James technisch onderlegd was, haaks op de punkfilosofie. Je hoort ze in bijna in ieder nummer met Fish als langste voorbeeld, terwijl het intro van See Her Tonite zelfs snelle gitaarloopjes bevat. Waar komt toch die rare stelling vandaan dat punk geen solo’s mag bevatten? I Feel Alright besluit opgewekt de plaat, waarbij de bekkens je weer om de oren vliegen.

In 2017, toen het album 40 kaarsjes uitblies, blikten twee van de leden terug in de British Library, hier te zien. In twee dagen opgenomen, in twee dagen gemixt, zo herinnert één van hen zich. Nick Lowe beperkte zich tot opnemen: geen overdubs.

Ik kwam hier vanaf de eerste single van Stiff, van de hand van diezelfde Nick Lowe. En nu naar de eerste stappen van The Saints: de reis door punk en new wave gaat verder.

The Damned - Darkadelic (2023)

poster
4,0
Dát is zeker waar! Ik kom terug bij dit album omdat You're Gonna Realise en From Your Lips op mijn lijstje met scheurende gitaren waren beland en ik het album eens goed ging beluisteren. Waar menig generatiegenoot in Nederland een minimaal redelijke bekendheid geniet, geldt dat niet voor The Damned, al hadden we in de jaren '80 de hits van en verhalen bij die "maffe" gitarist Captain Sensible.
Na de tumultueuze punkfase (eerste punksingle ooit, bovendien één van de eerste keren dat ik voor scheurende gitaren viel, New Rose uit 1976 is een persoonlijke favoriet gebleven) volgde slechts bescheiden aandacht in het land van sloten, kikkers en weilanden.

Dit terwijl de groep zich vernieuwde en in eigen land één van de koplopers in de nieuwe gothicbeweging werd. Hun platen kom je hier zelden tweedehands tegen, naar ik aanneem omdat ze weinig werden verkocht; de albumlijst van dutchcharts vermeldt inderdaad geen noteringen. Geheel anders is het overzicht bij de British charts: dit album haalde daar in mei #9.

Darkadelic bevat het ene na het andere lekkere nummer. Zoals The Stranglers terugkeerden naar het gekruide geluid van de eerste jaren, zo klinkt de groep hier gothic als in de jaren '80. Dat betekent niet de zware stemmen die je bij hedendaagse groepen in het genre hoort, daarvoor zingt Dave Vanian niet diep genoeg. Maar de weemoed druipt van de muziek, in sterke liedjes gegoten.
Wat het extra lekker maakt is het orgeltje van Monty Oxymoron dat, vergelijkbaar maar soberder dan bij The Stranglers, regelmatig opduikt en de liedjes van een extra laagje voorziet, ook wel herinnerend aan de eerste platen van Elvis Costello.

Slechte nummers hoor ik niet, het aantal favorietjes is teveel om te noemen. Misschien is dat een nadeel, dat er niet een enkel nummer helemaal uitspringt. Een poging tot meer: het snelle Bad Weather Girl, het uptempo-en-toch-slepende Western Promise en het pittige Wake the Dead. Ik ontdek dit album relatief laat, beter dat dan nooit...

The Damned - Machine Gun Etiquette (1979)

poster
3,5
De Britse punk van het eerste uur (1975-1977) was niet ongeschonden uit de strijd gekomen. Zo was de tweede van The Damned in 1977 geflopt. De groep die de eerste Britse punkelpee in de historie uitbracht, viel zelfs in februari 1978. Einde verhaal. Althans, voor even.

Wie niet van namennoemerij houdt, moet de komende alinea overslaan. Drummer Rat Scabies begon Les Punks, dat ook wel als The Doomed acteert. Hierin niet geheel toevallig andere ex-Damneders: zanger Dave Vanian en bassist-maar-nu-gitarist-en-toetsenist Rat Scabies. Als bassist fungeert ene Lemmy Kilmister en wie raadt met welke band hij in die dagen bekend werd, wint een elpee van Motörhead. Deze is al spoedig te druk met die andere groep en draagt het stokje over aan Henry Badowski, ex-Wreckless Eric.
In april 1979 gaat deze groep The Damned heten en op 1 december verschijnt hun derde album Machine Gun Etiquette bij het Chiswicklabel van Ted Carroll, voormalig manager van Thin Lizzy. Inmiddels is Algy Ward de nieuwe bassist is; je zou hem kunnen kennen als de Engelsman in het Australische The Saints.

Een carrousel aan namen, wat telt is de muziek. Wel, The Damned trapt de plaat op aangenaam Motörheadiaanse wijze af met twee nummers vol dubbele basdrum. Love Song en het titelnummer - indertijd door mij van de radio opgenomen, ik dacht dat het Second Time Around heette en dat dit The Damned was, ontging me eveneens... Vanian gebruikt namelijk zijn stem wat anders en ik had 'm niet herkend. Lemmy kreeg hiervoor geen credits, maar zijn muzikale invloed is niet te missen.

De plaat ramt vlot en geïnspireerd door. Enkele hoogtepunten. Het melodieuze en kalmere I Just Can't Be Happy Today heeft een fraaie toetsenpartij, Melody Lee begint verraderlijk lief met een mooie pianopartij, waarvan het thema al spoedig fel punkend wordt voortgezet. These Hands bevat een nadrukkelijke driekwartsmaat.
Kant 2 is minder pakkend, maar het in twee delen opgebouwde Smash It Up is heerlijk met een kalm eerste deel en een uptempo vervolg met oehoehoehoe-refrein. The Damned haalde voor het eerst de officiële Britse singlehitlijst. Love Song in mei '79 #20, Smash It Up in oktober #35 en I Just Can't Be Happy Today in december #46.
Al in 1989 verscheen een bonuseditie met o.a. twee covers. Eén van The Sweet: Ballroom Blitz met Lemmy op bas en van Jefferson Airplane White Rabbit, in april 1983 een singlehit met #83 als hoogste notering. Pubquizfeitje: van welke groep zijn twee leden op deze plaat te horen, omdat ze tegelijkertijd in dezelfde studio werkten? Antwoord: The Clash.

Al met al een aangenaam album. Een 7,5 van mij, in drie-komma-vijf sterren uitgedrukt.

Anders dan ik bij mijn vorige album op de queste door new wave schreef, verscheen Machine Gun Etiquette niet op 1 december maar op 9 november. Het wordt overmorgen dus 45 jaar. Dat vorige album was van The Boys en voor mijn volgende ga ik terug naar augustus 1979: Talking Heads met Fear of Music.

The Damned - Music for Pleasure (1977)

poster
2,5
Het tweede album van een groep is een gevaarlijke. Hierop belandden nogal eens de nummers die het debuut niet haalden, oftewel de tweede keus. Als er te weinig waren voor een ‘full-length album’ van 35 á 45 minuten, werd dat aangevuld met inderhaast nieuw geschreven werk.
Soms had een band mazzel: Tony Iommi en Geezer Butler van Black Sabbath schreven in 1970 voor hun tweede album een extra nummer en laat dat nou de klapper zijn geworden: Paranoid. Was dat niet het geval geweest, dan had die plaat wellicht hetzelfde lot gekregen als de tweede van The Damned, Music for Pleasure.

Ach ja, The Damned. Jonge ventjes die opeens op de top van de Britse punkgolf surften met de eerste Britse punkelpee in de geschiedenis en veel reuring veroorzaakten met hun luide muziek. Groot-Brittannië sprak er schande van, goed voor de publiciteit.
Veel optredens ook, touren met diverse andere punkpioniers. Te druk om eens goed voor nieuw werk te gaan zitten. En mogelijk ook niet helemaal nuchter wat betreft genotsmiddelen, maar dat is een aanname van mij. En dan laten de platenbazen van Stiff je nog in datzelfde 1977 een tweede elpee uitbrengen. In november, zodat het richting Kerst goed kan verkopen.
Critici sabelden hun tweede album neer. Of het daardoor kwam, weet ik niet. Zeker is in ieder geval dat Music for Pleasure niet eens de Britse albumlijst haalde, waarna de groep korte tijd uit elkaar viel.
Anno 2024 op MusicMeter: tot vandaag vier korte, weinigzeggende berichten sinds plaatsing in oktober 2005. Conclusie: Music for Pleasure is ook hier een verguisde en vergeten plaat.

Dát zullen we nog wel eens zien, denk ik dan. En dus diverse malen gedraaid. De groep was een kwintet geworden: met slaggitarist Lu Edmonds erbij zijn de gitaarmuren hoger dan op het debuut en dat is fijn.
Kant 1 begint veelbelovend met het uptempo scheurende Problem Child, wat bij herhaald draaien steeds beter wordt. Nee, niet hetzelfde nummer als dat van AC/DC. Cry Wolf bevat een Kinkachtige riff in het intro, waarna in de coupletten lange akkoorden en snelle drumpartijen volgen. Rat Scabies mept zich sowieso een óngeluk op dit album, wát een energie! En nee, dit is niet hetzelfde Cry Wolf dat later door a-ha werd uitgebracht…
Het even energieke One way Love bevat verrassenderwijs slidegitaar, bespeeld door bassist Captain Sensible. Lekker hoor, doet me aan die andere Australische rauwdouwers van Rose Tattoo denken, die het jaar erop debuteerden.
Met Politics déndert de groep door, maar voor het eerst overtuigt het me niet. Dat lukt dan weer wel met Stretcher Case, omdat de melodie sterker is. Kant 1 sluit af met Idiot Box, dat met bijna vijf minuten en rock ‘n’ roll gitaarlicks niet beklijft.

Over kant 2 ben ik minder positief. Net als bij de twee mindere nummers op de eerste helft lukt het The Damned niet om pakkende riffs of melodieën te schrijven. Dan kun je wel hard spelen, maar ik wil meer. You Take My Money gaat bijvoorbeeld over het liefje dat het geld van de man opmaakt. Gaap. Alone is wellicht leuk voor liefhebbers van MC5, de proto-hardrockers die in 1969 zo’n indruk maakten. Psychedelische hardrock verkleed als punk.
Your Eyes is een loflied op de ogen van een speciaal persoon. De twee-akkoordenriff van het refrein pakt niet. Creep is snel maar alweer niet pakkend, net als het langzamere You Know, dat alleen vanwege de gewaagde saxsolo van gastmuzikant Lol Coxhill aan een onvoldoende ontkomt.

In 2002 verscheen een cd-editie met daarop de opgerockte versie van Help van De Keavers uit Leverpoel, die ik wel geinig vind; Sick of Being Sick is eveneens niet onaardig en het nog geen minuut durende Singalong a Scabies is een instrumentaal grapje maar ook niet meer.
Even de schoolmeester spelen: een 7- voor de eerste plaatkant, een 3 voor de tweede maakt gemiddeld een 5. Met de bonussen wordt het een 5+, oftewel tweeëneenhalve ster. Het debuut was beter, jazeker, maar de slechte reputatie van Music for Pleasure is overdreven.

Ik kwam vanaf de derde Ramones tijdens mijn reis door de albums achter mijn new wave- en punkafspeellijsten. Omdat ik het volgende album uit november 1977, David Bowies "Heroes" al eerder beschreef, ga ik naar de derde elpee die in 1977 van Iggy Pop verscheen.

The Damned - The Black Album (1980)

poster
4,0
Het beste punk album ooit gemaakt en zeker beter gespeeld en geschreven dan Nevermind the Sexpistols.

Stel dat E-Clect-Eddy dit niet in 2006, maar in 1980 in Oor bij verschijnen had geschreven. En stel dat deze toen onzekere, puisterige puber dat had gelezen. Stel dat ik na het lezen The Black Album van The Damned vervolgens uit de dorpsfonotheek had geleend.
Dan was ik minimaal zwáár verrast en vermoedelijk enigszins teleurgesteld geweest. Bij 'punk' immers denk ik aan scheurende gitaren en snelle nummers. Op hun vierde album slaan de verdoemden echter nieuwe paden in. Verkrijgbaar als fraai verpakte dubbelaar maar ook als enkelaar, waarbij kant 3 en 4 zijn weggelaten en de hoes is versoberd.

Opener Wait for the Blackout en Lively Arts zijn weliswaar uptempo en energiek, maar punk? Dave Vanian zet zijn bariton in, niet de boosheid van voorheen. Met Silly Kid's Games klinkt een lekker Brits popliedje met hammondorgel en BeachBoyskoortje.
Drinking about My Baby begint met de piano van Captain Sensible; zoals Madness (!) dat deed en voor het eerst klinkt scheurende gitaar. Vooral grappig vanwege de titel, verder een standaard rockend liedje met rollend drumwerk van Rat Scabies plus handgeklap in het slot.
Twisted Nerve gaat met de dominante baslijnen van nieuweling Paul Gray (ex-Eddie & The Hot Rods) de kant van postpunk op, vergelijkbaar met de vroege The Cure en Joy Division. Tegelijkertijd melodieus en vrij ingetogen gezongen, trompetten komen erbij, met het rockende Hit or Miss gaat het weer de punkkant op - mét blazers.

Op kant 2 wordt het geluid verbreed. Akoestische gitaar en melancholie in het bariton-gezongen Dr. Jeckyll and Mr. Hyde, met een intro dat me aan - sorry punkpuristen! - Led Zeppelins Stairway to Heaven herinnert.
Het punkverleden keert terug met Sick of This and That dat een dikke 100 seconden doordendert, waarna The Damned zich onmiddellijk ver van die stijl verwijdert met The History of the World (Part 1). Als single werd het in het Verenigd Koninkrijk in oktober 1980 #51. Blijkens de hoes "overproduced by Hans Zimmer" : dansende piano en strakke synths, het heeft weg The Stranglers die na punk nieuwe wegen verkenden, op weg naar pop. 13th Floor Vendetta doet iets soortgelijks, inclusief akoestische gitaar en pianoassociaties met Madness. Grays basspel brengt tevens wat postpunk.
Bijna-hardrock in het intro van Therapy, waarna Gray zijn bas heerlijk laat grommen en het bijna op z'n Motörheads snel vervolgt, zij het dat Vanian weer diep zingt. Na drie minuten "loopt de boel vast" om een dikke twee minuten later met knarsende gitaar van Sensible bloedeloos te eindigen.

Kant 3 bevat slechts Curtain Call, waar op z'n psychedelisch' wordt geëxperimenteerd, inclusief sequencerende synthesizer en ruimteschipgeluiden. De verbreding van het geluid gaat "where no Damned has gone before", om de tv-serie Star Trek te parafraseren. Het wérkt.
Terug naar aarde met livekant 4. Was ik nog puber geweest dan had ik het gitaargeluid bedroevend gevonden. Veel te clean voor punk: zelfs het extra snel gespeelde New Rose redt het niet in vergelijking met de single uit '76. Van de voorganger komen we titellied Machine Gun Etiquette tegen, nu echter Second Time Around geheten. Mijn favoriet is het breed uitwaaierende gitaarslot Plan 9 Channel 7.

De dubbelaar haalde in het VK in november 1980 slechts #29 en stond daar een schamele drie weken in de albumlijst. De muziek waardeer ik echter met een 8.
In 2005 verscheen een Deluxe-editie met de nodige bonussen. Daarbij single White Rabbit, gecoverd van Jefferson Airplane, eind maart '83 #82 bij de Britten.

Mijn reis door new wave en aanverwanten vervolgt. Ik kwam van de Duitse groep The Stripes en reis terug naar mei 1980, als het debuut van het Engelse The Chords verschijnt.

The December People - Sounds Like Christmas (2001)

poster
4,0
Enkele ervaren Amerikanen namen in de zomer van 2001 voor het progrocklabel Magna Carta een kerstig album op, waarvan de opbrengst naar een goed doel ging. Ook op streaming te vinden.

Veel kerstmuziek is kitsch die mijn humeur verpest. Toch zijn er uitzonderingen: The Jethro Tull Christmas Album (2003) is mijn eerste keus en verrassenderwijs heeft III: Wintersongs (2009) van Rob Halford zijn momenten.
Vreemde eenden in mijn rockbijt zijn de Vlaamse Renaissancemuziek van Jan de Wilde & Currende op O Kerstnacht schooner dan de dagen (2013) en mijn recente ontdekking The Holly Bears the Crown (1969) van The Young Tradition.

Bij mijn reis door de discografie van Kansas kwam ik kort daarvoor dit Sounds Like Christmas (2001) tegen, waarop jarenlang hun laatste studioproduct klonk: track 11 The Light is een sterk aor-nummer in de stijl van het Kansas uit de jaren ’80, de periode met Steve Morse. Er bleek echter veel meer te genieten.

The December People is een gelegenheidsproject met eveneens sterke zang van hun eigen Robert Berry, goed passend bij de lichte progressieve rock.
Kansaszanger Steve Walsh is buiten zijn groep op meer nummers te horen. Andere gastzangers zijn John Wetton van King Crimson, Asia en diverse andere groepen; Mike Baker van Shadow Gallery; Trent Gardner van Magellan; en Jake Livgren, zanger op diverse soloplaten van ex-Kansasman Kerry Livgren.
De kracht van de muziek zit ‘m echter vooral in de muziek, waar progrock samengaat met traditionals, zonder dat het klef wordt. Wel is het soms humoristisch én herkenbaar: je zou een pubquizje van dit album kunnen maken.
Wiens gitaargeluid wordt geleend in Heard the Bells on Christmas Day (Brian May), welke rockklassiekers worden geciteerd in 'Twas the Night Before Christmas (Led Zeppelins Stairway to Heaven en Kashmir) welke in Up on the Housetop / Deck the Halls (Kansas’ Carry on Wayward Son), welke in The First Noel (King Crimsons In the Court of the Crimson King? Met als inkoppertje de vraag wie het origineel van het in ELO-jasje gestoken Happy X-Mas schreef.
Wat dat betreft valt er vast meer te herkennen. Het boekje bij de cd geeft alvast enkele hints. The December People maakte vervolgens nog eens vier kerstalbums, de laatste in 2017 verschenen.

Ik schreef dit verhaal begin november, maar heb gewacht met posten tot Sinterklaas het land uit was (de goedheiligman wordt trouwens in een tweetal nummers genoemd). Draaide ‘m een dikke maand regelmatig (ja, al in oktober was het hier regelmatig kerstig): blijkt een groeiplaatje te zijn. Ik heb er een derde kerstrockplaat bij, eentje die meer dan aardig is.
Aanbevolen voor hen die van aor á la Styx of toegankelijke progrock á la Marillion houden. Ik wens u goede weken op weg naar Kerstmis!

The Dictators - Bloodbrothers (1978)

poster
3,5
Dankzij hun debuut Go Girl Crazy! uit 1975 worden de New Yorkse The Dictators gezien als één van degenen die aan de wieg van punk stonden. In hun teksten zat een dikke knipoog, waarna het op Manifest Destiny (1977) iets serieuzer werd, zij het muzikaal nog steeds vrij divers met diverse stijlen. Met Bloodbrothers leverden ze in juli 1978 hun stevigste plaat van de drie.

Fans noemen hen dan The Dic's en zo gingen ze zichzelf ook noemen. De plaat wordt met one-two-three-four! afgeteld door, naar verluidt, Bruce Springsteen. Daarna doet het felle Faster & Louder precies wat ons wordt beloofd. De meeste nummers zijn (deels) van de hand van bassist Andy Shernoff.
De lichtelijk patserig rauwe voordracht van zanger Dick Manitoba was altijd al lichtelijk over de top en gaf zo een knipoog aan de muziek. Op de voorgangers was die tongue-in-cheek sterker dan op Bloodbrothers, dat consequent steviger en serieuzer is dan de twee voorgangers bij elkaar. Tegelijkertijd melodieus, waarbij ik soms aan de gitaarwave van Blondie moet denken zoals in No Tomorrow en Stay with Me, soms aan de protopunk van Iggy Pop en The Stooges zoals in Borneo Jimmy en de doomriff van The Minnesota Strip is overduidelijk geleend van de vroege Black Sabbath.

Waar de voorganger redelijk verkocht, lukte dat niet met Bloodbrothers. Waarschijnlijk een gevalletje te mainstream voor alternatief en te stevig voor mainstream. Want is dit punk of hardrock of new wave of een ruige Bruce Springsteen? De band gooit de handdoek in de ring.
Gitarist Ross 'The Boss' Friedman kwam ik in 1982 tegen als snarenracer bij machometalband Manowar, sinds 2008 maakte enkele knallende soloplaten. Minder glamour voor Manitoba die in eerste instantie taxichauffeur werd en pas in 1986 weer serieus werk maakte van zijn zangcarrière. Shernoff werd producer en liedschrijver. Slaggitarist Scott 'Top Ten' Kempner bleef actief in diverse groepen en bracht bovendien solowerk uit. Hij overleed in 2023.
Sinds 1995 herrees de groep regelmatig uit de as voor kortere en langere reünies, anno 2024 zijn Friedman en Shernoff nog altijd Dic's. In 2022 herverscheen Bloodbrothers in Nederland bij Music on CD en in '23 op elpee bij Music on Vinyl.

Ik kwam hier op mijn reis door new wave en aanverwanten. Het vorige station was het debuut van het Londense Alternative TV, voor de volgende terug naar de Britse hoofdstad voor de eveneens derde van Ultravox.

The Dictators - Go Girl Crazy! (1975)

poster
3,5
Niet te serieus nemen dit luide debuut van The Dictators. Scheurende gitaren worden gecombineerd met dikke knipogen. Wie dat na de hoesfoto, albumtitel Go Girl Crazy! en vals gezongen cover I Got You Babe nog niet doorheeft, moet de achterzijde van de hoes nog maar eens bekijken. Er mag gelachen worden!
Dat zet zich voort op het rockende heimweelied Back to Africa, waarna op Master Race Rock venijnig en fel wordt gespeeld. Want dat is een volgende kenmerk: hier en daar wordt snel gesoleerd en vaak wordt het distortionpedaal diep ingetrapt.
Kant 2 opent met cafégeluiden en hammondorgeltje in Teengenerate dat ow-hoo-wowkoortjes bevat, waarna het versnelt met California Sun, het tweede nummer vol fernweh. Meer stevige gitaren in Two Tub Man, Weekend en (I Live for) Girls and Cars, de laatste met surfkoortje á la The Beach Boys.

Qua sfeer en humor vergelijkbaar met het Europese debuut van AC/DC, met die achterzijde waar deze puber zo om moest lachen. Voer voor puberjongens en wie weet -meisjes. En iets van dat pubertje zit nog in mij. Pretpunk avant le lettre.
In opener The Next Big Thing wordt gezongen dat "But I won't be happy, till I'm known far and wide - With my face on the cover of the TV guide". Dat is vast nooit gelukt, maar vermakelijk is de plaat wel en bovendien in de boeken als invloed op de New Yorkse punkscene.
Wie de originele elpee wil hebben, moet redelijk in de buidel tasten: het goedkoopste exemplaar in Europa (vrij van importheffingen) is €33,- exclusief verzendkosten. Zegt iets over de cultstatus van het plaatje.

Gitarist Ross 'The Boss' Friedman dook begin jaren '80, nog altijd heftig solerend, op bij een groep met minder zelfspot maar nog altijd over de top: metalband Manowar.
Ik kwam hier tijdens mijn reis door protowave vanaf Kilburn & the High Roads en vervolg die met Patti Smith, opnieuw in 1975.

The Dictators - Manifest Destiny (1977)

poster
3,0
In mijn hoofd zijn punk en hardrock gescheiden werelden. Er zijn echter namen die deze grens overschreden. In Engeland was dat Bernie Tormé, in New York hadden we The Dictators die op Manifest Destiny beide genres spelen. Ik kom hier op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en punk. Dit vanaf de oersynths van Suicide.

In 1977 verscheen de tweede van The Dictators. Hun debuut uit '75 bevatte achteraf gezien protopunk, maar werd toen werd omschreven als heavy rock of een synoniem ervan. Na verschijning was de groep enige tijd uit elkaar gevallen, om in '76 een doorstart te maken met een nieuwe bassist en drummer. Bovendien voormalig zanger-bassist Andy Shernoff terug, nu om toetsen te spelen.
De spraakmakende frontman 'Handsome' Dick Manitoba vocht in de pers een fittie uit met shockrocker Wayne County, wat mede leidde tot een contract met platenlabel Asylum, dat Manifest Destiny uitbracht.

Objectief gezien heeft dit album echter bar weinig met punk te maken. Het gaat van meezingbare powerpop naar onvervalste spierballenhardrock. Geen herhaling van Go Girl Crazy!
"Gewoon pop" schrijft jorro hierboven, en "veel te tam". Het eerste klopt niet, het tweede vaak wel. Opener Exposed is flauw, Heartaches bevat met scheurende gitaartjes plus koortjes aangename powerpop, net als het weemoedige Sleepin' with the TV On en het verhalende Disease over een stervende zeeman bevat een zekere gekte.
Op kant 2 wordt het steviger, al start het alweer tam met powerballade Hey Boys. Maar dan krijgt de latere metalhead annex snarenracer Ross 'The Boss' Friedman meer ruimte. Steppin' Out begint midtempo maar versnelt en bevat dubbele gitaarlijnen á la Thin Lizzy, Science Has Gone Too Far heeft een pakkend refrein en toch nog iets van punk, in Young Fast Scientific is het genieten van de gitaarsolo en tenslotte de lekkere en luide cover van Iggy & The Stooges' Search and Destroy. Kant 2 zal indertijd fans van Blue Öyster Cult tot Ted Nugent hebben aangesproken.

De elpee haalde in augustus '77 #193 in de Billboard 200. The Dictators keerden het jaar erop terug met het luidere Bloodbrothers, zij het dat bassist Mark Mendoza dan alweer is vertrokken. Veelzeggend is zijn overstap naar glamhardrockers Twisted Sister, op dat moment slechts bekend in de regio New York, vanaf 1982 een groter publiek bereikend.

Op reis door new wave en punk is 1977 voltooid. Begin 1978 verschenen allerlei langspeelplaten en singles die ik al eerder besprak: Nick Lowe met het warme I Love the Sound of Breaking Glass van Jesus of Cool, Blondie met sixtiespop in Denis van Plastic Letters, punk-met-blazers van The Saints met Know Your Product van Eternally Yours en Elvis Costello met een betoverend ritme in (I Don't Want to Go to) Chelsea van This Year's Model.
Dan kom ik bij een buitenbeentje, dat desondanks prima past in mijn afspeellijsten over dat jaar. Een vergeten (?) hit uit '78: Uptown Top Ranking van het Jamaicaanse duo Althea and Donna, hintend op menig reggae-beïnvloede naam die in new wave zou opduiken.

The Durutti Column - The Return of The Durutti Column (1980)

poster
3,5
Er is doellijntechnologie nodig om te bepalen wanneer dit album verscheen, eind 1979 of begin 1980. Hierboven een discussie daarover, waarbij de aangehaalde bronnen elkaar lijken tegen te spreken. Wat ik eruit opmaak, is dat The Return Of The Durutti Column op diverse momenten in diverse uitvoeringen verscheen, dat de administratie van het piepjonge label Factory niet ordelijk was en dat zo archivarische verwarring ontstond.

Ach, wat doen die details ertoe? Op dit instrumentale album creëert gitarist Vini Reilly eigenzinnige muziekjes en helpt de naam van producer Martin Hannett om mij nieuwsgierig te maken. Met die laatste naam zou je denken dat we hier in het land van new wave zitten, zeker met de wetenschap dat Factory dit uitbracht. Een hokje dat hier niet werkt, zoals in het bericht hierboven genoemd; zo klinkt de producer op "on-Martin Hannett wijze". Het resultaat is een kalm album met de gitaar in veel echo en reverb gedrenkt.

Oorspronkelijk negen nummers plus twee op flexidisc-single, te weten een First en een Second Aspect van de hand van Hannett, die daar met zijn elektronica speelt; doet me enigszins denken aan deze Martin Hannett's Personal Mixes, onder de vlag van Joy Division uitgebracht.
Maar vooral is The Return Of The Durutti Column een gitaaralbum, waarbij Reilly bepaald níet het principe van 'twee akkoorden en dan rammen' huldigt. Virtuoos en sferisch, een zijpaadje dat je vanaf wave ver weg voert naar de wereld van gitaar en fusion - maar dan anders. In latere edities met meer tracks, waaronder vocalen in Sleep Will Come.

Mijn reis door het genre kwam van een overmelig kerstalbum van The Boys vermomd als The Yobs en vervolgt bij een Engelse groep die meteen met hun debuut grote indruk maakte in de VS - en ook in Nederland. In januari 1980 debuteerden de Pretenders.

The Explorer's Club - Raising the Mammoth (2002)

poster
3,0
De tracklist heeft het over vier tracks, op cd zijn het er vierenveertig. Oftewel, Raising the Mammoth is een progrocksymfonie, waarbij je het ook als een progmetal-conceptalbum kunt labelen.
Explorer's Club was een project van de gebroeders Trent and Wayne Gardner van Magellan en moet niet worden verward met poprockgroep The Explorers Club. Het was hun tweede en laatste album onder die vlag en opvolger van Age of Impact (1998). Beide broers zijn inmiddels overleden.

Gastrollen zijn er voor drummer Terry Bozzio; gitaristen Marty Friedman en Gary Wehrkamp; toetsenist Wehrkamp; bassist John Myung en zanger James LaBrie, beiden van Dream Theater; zanger Steve Walsh en gitarist Kerry Livgren, beiden van Kansas; op de tweede helft schuiven gitarist Jeff Curtis en bassist Hal Imbrie aan.
Wie Magellan kent zal weten dat de Gardners het graag gecompliceerd maken. Mathprog zou je kunnen zeggen. De eerste twee delen van Raising the Mammoth zijn vocaal, de laatste twee instrumentaal. Qua teksten ontspint zich ongetwijfeld een spannend psychologisch verhaal, iets met onderdrukking en bevrijding, maar de verhaallijn ontgaat me.
De muziek is niet alleen bombastisch, maar ook ingewikkeld en gevarieerd; het album zou beter te behappen zijn als ik iets van het verhaal snapte. Het cd-boekje geeft wat dat betreft slechts summiere informatie. Neemt niet weg dat er heel knap wordt gemusiceerd en vermoedelijk moesten de gastmusici er eens goed voor gaan zitten om dit te kunnen spelen. in het laatste deel is meer ruimte voor toetsen en wordt de progrock meer symfonisch in plaats van metal.

Een favoriet nummer uitkiezen is onmogelijk, ook al omdat geen sprake is van standaardliedjes met coupletten en refreinen. Aanbevolen voor de fanatieke progmetalfan.
Raar dat dit album nog geen beschrijving had gekregen. Wie weet zijn er meer mensen die hun bevindingen hier kunnen noteren!?

The Fall - Dragnet (1979)

poster
3,0
Het tweede album van The Fall in 1979. Het verscheen in oktober dat jaar, zeven maanden na debuut Live at the Witch Trials. Gitarist Mark Riley is met frontman Mark E. Stewart het enig overgebleven bandlid: het ging meteen snel qua bezettingswijzigingen.

Ik schiet in de lach bij de eerste geluiden van opener Psykick Dance Hall, als Stewart in vriendelijk, zangerig Engels vraagt: "Is there anybody theeeeere?", door diverse kelen met een enthousiast "Yeaaaah!" beantwoord. Het nummer klinkt demoachtig, lo-fi en wisselt langzame delen af met snellere. In de overgangen valt op dat nieuwe drummer Mike Leigh keer op keer een houterige break neerzet. Het zit 'm bij deze rauwe postpunk niet in het verfijnde muzikantschap, maar in de spontane uitvoeringen. Maatje JeKo wordt hier vast heel vrolijk van, ik haak echter regelmatig af. Zoals bij tweede nummer A Figure Walks, dat zes minuten als protobluespunk voortdendert.
Printhead is lekker uptempo en Leigh mept hier wél raak. In Dice Man meer punkblues, waarbij Stewart met zijn kenmerkende stem over het ta-ta-ta-tatata-ritme á la bluesreus Bo Diddley galmt. Before the Moon Falls beschrijft beklemmend de sfeer in Noord-Engeland,

Op de tweede helft akoestische blues met slidegitaar in Flat of Angles, waarmee The Fall weer heerlijk eigenwijs doet waar het zin in heeft. Spectre vs Rector is een moeilijk toegankelijk buitenbeentje in de stijl van Pere Ubu, waarna het vrolijke Put Away opvallend vrolijk met postbluesrock de plaat eindigt.
In 2004 verscheen via Castle een uitgebreide editie die op dezelfde wijze voortgaat, verrassenderwijs niet onderdoend voor het reguliere album. De diverse takes van Rowche Rumble bijvoorbeeld zijn plezant: niks instrument na instrument, je hoort hoe The Fall de nummers live in de studio opnam.

Garagerock, postpunk, lofi, bluespunk of toch punkblues; enkele van de labels die je erop zou kunnen plakken. Heerlijk eigenwijs, niet per se pakkend.
Voor de Britse hitlijst was dit nog niet geschikt, vanaf 1984 begon de groep voorzichtig daaraan te ruiken; de albumlijst zou pas in 1988 worden gehaald. Toch een interessante plaat, mede doordat spontaniteit hier zo belangrijk is. Wie dat heel belangrijk vindt, zal hiervan kunnen genieten.

Mijn reis door new wave van 1979 kwam van The Selecter en On My Radio en vervolgt bij het debuut van het Nieuw-Zeelandse (waarom zeggen we trouwens niet 'Nieuw-Zeeuwse'?) Mi-Sex.

The Fall - Grotesque (After the Gramme) (1980)

poster
3,0
Op reis door de new wave verschenen in november 1980, kom ik vanaf het debuut van Bauhaus bij de derde van The Fall, Grotesque: After the Gramme genaamd. Op Oudjaarsdag 2007 schreef itchy een gedetailleerd nummer-na-nummer-artikel, dat veel informatie biedt. Daarom het volgende.

Gelijk groepen als Wire en Joy Division kreeg The Fall het label postpunk opgeplakt en net als die namen neemt The Fall een geheel eigen plek in. In mijn oren klinkt dit alsof je de oefenruimte van een schoolband binnenloopt, maar dan wel eentje die het vertikt om covers te spelen. Rammelgitaren, rammelzang en rammeldrums met het enthousiasme van een stel jonge honden.
De bezetting bleef ten opzichte van voorganger Dragnet bijna dezelfde: Mark E. Smith met zijn kenmerkende roepzang en originele beschouwingen, gitarist Craig Scanlan (eigenlijk Scanlon, tevens toetsen) wordt heerlijk in de weg gezeten door andere gitarist Marc Riley, bassist en lijm in de muziek is Steve Hanley en ten slotte is er een nieuwe drummer. Paul Hanley is de dan slechts vijftienjarige broer van de bassist en weet hoe de potten en pannen te raken.
Met de vaak repetitieve riffs, gitaar- en baslijnen hoef je bij The Fall geen muzikale hoogstandjes te verwachten en eigenlijk is dat geheel conform de punkidealen van enkele jaren eerder. Beleving staat voorop. Toch knap want stronteigenwijs met een herkenbaar Fallgeluid. Mijn favorieten zijn English Scheme met charmante toetsen en In the Park, waar Steve Hanley laat horen waarom hij de lijm in de begeleiding vormt.

Grotesque was geen verkoopsucces: album noch singles haalden de verkooplijsten. De oorspronkelijke elpee met tien nummers, vijf op elke plaatkant, kreeg in 1998 een cd-editie waarop de eerste vier nummers bonus zijn. Het zijn de singles (A- en B-kanten) die destijds voorafgingen. Hier op MuMe staan ze vermeld als track 11 tot en met 14 en uiteraard waren ook die te afwijkend voor de Britse hitparade.

Mijn afspeellijsten met wave zijn zoveel mogelijk op chronologische volgorde geordend. Het volgende nummer uit november '80 is er eentje van het Amerikaanse Pylon, afkomstig van hun debuut Gyrate. Met leadzang van Vanessa Briscoe Hay.

The Fall - Live at the Witch Trials (1979)

poster
3,5
Op reis door new wave van 1979 kom ik van Pere Ubu's derde album, dat in september verscheen. Terug naar maart dat jaar, als van The Fall dit op 15 december 1978 in de studio opgenomen Live at the Witch Trials verschijnt. Dat de opnametijd zo kort was, is te horen aan het demogeluid, maar dan wel een goede demo. Wat dat betreft klopt de albumtitel, waarbij dus geen publiek aanwezig was. Dat door producer Bob Sargeant en de groep na afloop aan de mix is gesleuteld, doet niets af aan de directe, pure sfeer.
Net als album twee en drie van de Buzzcocks vormt dit debuut een combinatie van zowel punk als postpunk. De zang van Mark E. Smith heeft qua timing en zuigende zanglijnen weg van Johnny Rotten. Inclusief een enkele rollende rrrrr!
Anders is dat geen scheurende gitaren klinken; tegelijkertijd is het wél stevig. Soms tot plezierig-drammerig toe met denderende bas, zoals in No Xmas for John Quays. Hier doet het aan de stevige nummers van de eerste drie platen van The Stranglers denken; tegelijkertijd heeft The Fall met de vocalen van Smith een eigen geluid met bovendien de minimalistische, bijna knullige toetsenpartijen van Yvonne Pawlett, die parallel met de gitaar- en baslijnen lopen. Fraaiste voorbeeld hiervan is te horen in de heerlijke bonustrack It's the New Thing.

Waar het rustiger is, verricht de groep pionierswerk. Het zit 'm in de monotonie van het werk, die op het reguliere album meestal goed werkt in de elf nummers, in de meeste gevallen onder de drie minuten. Was The Fall van invloed op The Stranglers ten tijde van The Meninblack (1981) of hetgeen leden van die groep deden op Nosferatu (Hugh Cornwell) en Euroman Cometh (J.J. Burnel) die net als deze van The Fall in 1979 verschenen?
Of "hing" deze na-punk "in de lucht" als een logische voortzetting? In dit geval maakt de boze scheurende gitaar plaats voor een opener geluid en daarbij de nodige ruimte voor de basgitaar, in dit geval van Mark Riley? De pakkendste voorbeelden van deze nét-iets-kalmere stijl zijn Rebellious Jukebox en Two Steps Back.

Tegelijkertijd klinkt onvervalste punk in bijvoorbeeld Crap Rap 2 / Like to Blow en Futures and Pasts, waarbij gitarist Martin Bramah zonder de scheurgitaar in te zetten toch uiterst energiek en tegendraads speelt.
Ik kan het niet helpen, maar ook bij afsluiter Music Scene heb ik associaties met het vroege werk van de wurgers, al is het maar omdat The Fall zich op hun debuut eveneens aan lang nummer waagt: 8 minuten maar liefst.

In 2014 verscheen een uitgebreide 2cd-heruitgave, die voor liefhebbers van dit album de nodige plezante extra's bevat. Hier is het alsof de uitersten nog meer worden opgezocht. Voorbeelden? Het heerlijke Psycho Mafia met z'n punk, terwijl Repetition ingetogener is maar zoals de titel zegt monotoon repeterend, schier eindeloos een tweetal akkoorden herhalend gedurende bijna vijf minuten.
Live at the Witch Trials is een uiterst sympathiek plaatje, dat in de jaren erna bovendien zijn tijd vooruit bleek. Dat geldt voor zowel het oorspronkelijke album als de "restjes" die in 2014 alsnog uitkwamen.

Mijn reis door de wave van 1979 vervolgt bij de Britse groep After the Fire.

The Feelies - Crazy Rhythms (1980)

poster
4,0
... ben naar dat verhaal op zoek gegaan, maar kon weinig vinden. Op de site over wijlen BBC-dj John Peel vond ik info waaruit blijkt dat The Feelies op 3 oktober 1979 bij Rough Trade debuteerden met single Raised Eyebrows. Waarschijnlijk heeft Peel die gedraaid en zo zal de groep onder de aandacht van Stiff zijn gekomen.

Ik herinner me een artikeltje in Muziek Expres in (februari?) 1980 over de neurotische muziek en het nerdy imago van de groep, maar op de radio kwam ik ze destijds niet tegen. De naam bleef echter hangen, pas in het streamingtijdperk hoorde ik dit album in z'n geheel.
De vier heren (frontman Glenn Mercer, gitarist Bill Million, bassist Keith Nunzio en de nijvere drummer Anton Fier) worden elders terecht omschreven als een tweeakkoordengroep ("punk heeft drie akkoorden, The Feelies twee!") die juist zonder (scheurende) gitaareffecten werkte. De nerveuze muziek en bijpassende zang hebben iets weg van Talking Heads, die nabij het New Jersey van The Feelies werkten.

Anders dan tijd- en genregenoten durfden ze langere nummers te maken, waarbij de composities soms traag op gang te komen. 'Hypnotiserend' is nóg een term die vaak in beschrijvingen opduikt en wie het lange titelnummer hoort, zal begrijpen waarom de muziek zo wordt beschreven. Uptempo, gedreven, monotoon maar allesbehalve saai. Als het leven in New York. Moscow Nights is mijn andere grote favoriet, maar eigenlijk is alles minimaal lekker.
Toch was dit geen hit- of albumlijstenmateriaal. Daarvoor was het kennelijk té afwijkend, té vreemd. Wel invloedrijk en inspiratievol, zo zou later blijken bij onder meer Sonic Youth.

De reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave en aanverwanten kwam van het Noord-Ierse Stiff Little Fingers. In februari 1980 betrad de Nina Hagen Band met Unbehagen de Nederlandse albumlijst, maar omdat ik dat album al besprak vervolg ik bij de ska van The Beat en hun langspeler I Just Can't Stop It.

The Flyin' Spiderz - Let It Crawl (1978)

poster
3,5
Op hun tweede album verbreedden de punkpioniers van The Flyin' Spiderz hun muzikale spectrum én de onderwerpen in de teksten. Het sterke debuut The Flyin' Spiderz verscheen in 1977 als eerste punkplaat van Nederlandse bodem. In 1978 waaide deze revolte nog even door, maar de groep was niet van plan die plaat te kopiëren.

Let It Crawl is wederom een verzameling sterke liedjes, waarbij de liedjes na enkele draaibeurten blijken te groeien, vooral op kant 1. Die gaat fel van start met S.O.S. met pakkende coupletten en refreinen, waarin het viertal zich afzet tegen de commercie van de (muziek)wereld. Scherp geproduceerd door Pim Koopmans bovendien.
De teksten gaan soms wat verder dan de liefde. Iets kalmer is Room over het gebrek aan rust op je gehuurde kamer met een kleine gastrol voor saxofonist Ab 'Appie' Baars, later bekend geworden in de jazz. Hij speelde in de groep toen die nog vooral in een Eindhovens café speelde en zijn gastrol hier is bescheiden maar effectief.
Marionettes is weer snel én pakkend. In Truth melodieus gitaarwerk van Koos Cornelissen, bescheiden piano (van de producer?) en in het uittro zelfs een gitaartwin als frontman Guus Boers meedoet. In het boze en weer snellere Killin' the City gaat het over stadsvernieuwing voor het geld en alweer valt op hoe goed een liedje in elkaar zit. Paper Girl heeft een akoestische basis met wederom fijne gitaarlijnen van Cornelissen én het melodieuze werk van nieuwe bassist John Snep, die zo het strakke spel van Henri Hoeymans aanvult. Na één plaatkant weten we genoeg: de groep bleef niet bij punk hangen, maar verbreedt het spectrum.

Met Alive gaat kant 2 stevig en uptempo los, het geroepen "Alive!" in het slot is pakkend. Stoempende rock in I Go and Get My Rights, waarna in Terror iets soortgelijks gebeurt. Appie Baars keert terug in She Lives on Stars. Pittiger is I'm Made of Stone dat in de beste punktraditie 105 seconden voortknalt. In Be Ready Baby pubrock met de wortels in rauwe r&b. Omdat slotlied Car live is opgenomen krijg je een audiobeeld van het podium: luid en strak, springlevende rock met een gitaarsolo als van een sirene.

Een sterke kant 1 waarop kant 2 voortborduurt, net als het debuut op streaming te vinden. Het debuut kreeg in 2020 rond Record Store Day een rerelease met media-aandacht en zo'n heruitgave verdient Let It Crawl ook. De wortels van de groep waren veel breder en ouder dan drieakkoordenpunk, wat op deze opvolger nog duidelijker blijkt uit zowel muziek als teksten. De groep kortte hierop de groepsnaam in en vervolgde hun carrière als The Spiderz.

Mijn reis door new wave en aanverwanten blijft echter nog even in 1978. Ik kwam van Citizen Band en vervolg bij de tweede van het New Yorkse Television.

The Flyin' Spiderz - The Flyin' Spiderz (1977)

poster
4,0
Als kind van de jaren '70 herinner ik me kinderprogramma Stuif Es In. Ik stond op de overgang van kind naar puber, toen daar op zekere zaterdagmiddag in 1977 The Flyin' Spiderz waren te zien. Lekkere scheurende gitaren, maar wat ik me vooral herinner is dat de zanger op de grond lag te zingen. Ik leerde: punk uit Nederland.

In het artikel waarnaar de link in het vorige bericht verwijst, valt te lezen dat de onwaarschijnlijke keuze voor een punkband in een kinderprogramma was gemaakt als alternatief voor de aangevraagde Iggy Pop. Die was populair omdat hij bij TopPop met single Lust for Life de palmboom had gesloopt. Was ik dus niet het enige kind met sympathie voor punk…
Website bacteria.nl vertelt dat de groep al zo’n drie jaar bestond als Spiders en in een stroomversnelling kwam nadat ze in het voorprogramma van de Engelse The Vibrators spelen. Laat die groep nou mijn vorige station zijn geweest in mijn reis door new wave en aanverwanten. Een demo werd bij Pim Koopman gebracht. Het lid van Kayak, tevens producer, had een klik met de Eindhovenaren, de groepsnaam werd The Flyin’ Spiderz en na opnamen in Heemstede en Hilvarenbeek kwam Neerlands eerste punkelpee uit bij platenreus EMI.

Hoorbaar is dat dit geen beginnelingen zijn. Het cliché dat punks altijd zeer beperkte muzikanten zijn, blijkt ook hier quatsch. Bovendien konden de vier heren liedjes schrijven.
De muzikanten staan slechts met hun voornamen op de hoes vermeld, maar het label vertelt meer. Guus Buurs (zang, gitaar), Koos Cornelissen (gitaar), Aad van Vught (bas) en Henri Hoeymans (drums) leefden van een uitkering en hadden tijd om te oefenen. Vóór punk maakten ze al stevige muziek, geschikt voor kroegen en jongerencentra. Doe er een schepje bij en het resultaat kon zich prima meten met dat van de overzeese evenknieën.

Verwacht geen politieke statements, maar wel liedjes over vrijheid en relationele zaken. I Wanna Be with You is dus eigenlijk heel romantisch, het swingende You Gotta Help Me bevat een hulpvraag want ”I am bored” en het slepend rockende Stupid Photographs beschrijft plaatjes in tijdschriften. Toen al, een tekst die met alle sociale media weer hartstikke actueel is. Kant 1 sluit af met single City Boy dat fel rockt. Dit alles met de hees-rauwe stem van Boers, die per nummer een andere kant van de stembanden doet schuren.
Op kant 2 zijn mijn favorieten het springerige I Don’t Wanna Go, over droomlevens gaat Movies dat een leuk overzicht van de filmhelden van midden jaren ’70 bevat, plus het grimmiger Goodbye.

Dankzij EMI en in Frankrijk via Sonopresse kreeg The Flyin' Spiderz een goede distributie en de groep waarschijnlijk een volle agenda. In coronajaar 2020 verscheen de elpee via Music on Vinyl op roze vinyl, aanleiding voor het artikel in het vorige bericht.

Helaas noodgedwongen ontbrekend in mijn afspeellijst omdat het niet op streaming staat, is The Blitzz. In diezelfde tijd bracht deze groep single So Fee uit (wel op JijBuis te vinden), die ik op de radio hoorde en opsloeg in de jukebox in mijn hoofd. Ze brachten het nooit tot een album, maar mede het vermelden waard gezien de achterzijde van hun debuutsingle So Free met daarop reclame voor deze Spiderz.
Een tweede single volgde, na deze vier nummers was het voorbij voor de Amsterdammers. Wel waren ze in 1978 te vinden op deze verzamelaar en in 2016 op I Don't Care - Volume 2. Meer informatie bij bacteria.

De carrière van The Flyin' Spiderz zou langer duren, ik kom ze later tegen met volgende langspelers. Mijn volgende halte in de muzikale reis door new wave: Ultravox! met hun tweede album.

The Flying Lizards - The Flying Lizards (1979)

poster
3,5
Mijn reis door new wave van 1979 gaat via afwisselende stijlen. Zo kom ik vanaf de gitaartjes met sociaal-bewogen teksten van The Jam bij de kunstzinnige muziek van The Flying Lizards.

Single Money was een instant favoriet van deze puber, al haalde het liedje in november 1979 slechts #37. Pas jááááren later ontdekte ik dat het een cover uit de stal van Motown was en veel vaker is gecoverd, tot de Beatles toe. Mijn instapversie is echter dé favo gebleven, mede door de onderkoelde spraakzang van Deborah Evans-Stickland en dat geinige optreden bij TopPop. De videoclip mag er trouwens ook zijn. In mijn beleving leek het enigszins op wat synthwavepioniers als Gary Numan deden, maar dit was toch anders. Metaliger en rap. Nou ja, zoiets dan... Het duo legde het zelf uit in 1980 bij het Australische Countdown.

Een eendagvlieg qua hits, maar het Engelse duo maakte meer albums. Dit eigenwijze en titelloze debuut biedt onder meer invloeden uit andere Europese culturen en tijden. Ik werd verrast en niet alleen omdat de albumversie van Money een stuk langer is met andere geluiden.
Nee, de opener is het in het Duits met geknepen kopstem gezongen Mandelay Song en opeens ben ik blij met de literatuurlessen van de middelbare school. Is dit niet...? Jawel, dit IS werk van Kurt Weill en Bertolt Brecht: Der Song von Mandelay, muziek uit het creatieve paradijs dat Berlijn tussen de twee wereldoorlogen in was. Om precies te zijn: 1929.
Her Story is op z'n funks met de eigenwijsheid van 1979, in het swingende TV wordt ook Frans gezongen met een muzikale invulling als een parodie op jaren '50 rock 'n' roll. Vervolgens reggae in Russia en minimalistische synths in de slotlied van kant 1, cover van Summertime Blues van rocker Eddie Cochran uit 1958. Apart hoe The Flying Lizards oude muziek in nieuwe jasjes staken.

Kant 2 opent met Money, waarna een experimenteel drieluik volgt. Eerst The Flood als een voorloper van jaren '90 drum 'n' bass. Hier is het David Cunningham die de vocalen doet. Trouble is upbeat en instrumentaal, als een vervolg van de experimenten op kant 2 van David Bowies Low. Hetzelfde maar dan als een soundscape gebeurt in Events During the Flood.
Het melodieuze Window is dan opvallend licht en vrolijk, gezongen door Evans-Stickland, om met kakafonische noise te eindigen middels All Guitars.

Nadien is The Flying Lizards in verlengde editie verschenen, maar wat ik op streaming hoor kan ik niet op Discogs vinden. Daarbij de single- (#5 in het Verenigd Koninkrijk in september '79) én 12"-versie van Money. Als geheel: eigenwijs, kunstzinnig, experimenteel. Puttend uit historie en tegelijkertijd vooruitziend.

Ik vervolg met de albums achter de nummers op mijn streaming afspeellijst. De eerstvolgende drie besprak ik al en sla ik dus over. Ik bedoel Nosferatu van Robert Williams en Strangler Hugh Cornwell, alsmede Quiet Life van Japan en single Jumping Someone Else's Train van The Cure via 1980-album Boys Don't Cry. Zo kom ik bij Alchemy, het solodebuut van de voormalige gitarist van Television, Richard Lloyd.

The Front - The Front (1984)

poster
3,5
Disclaimer: dit is een totaal andere groep dan The Front met eveneens een titelloos album, verschenen in 1989.

Opener It's Hard to Take werd in 1984 frequent gedraaid bij de NCRV. Op zaterdagochtenden hoorde ik het nummer met ijzersterk refrein en de rauwe stem van Tommy Funderburk, waarna ik de elpee aanschafte toen dat ergens afgeprijsd stond. Een beetje in de stijl (vond ik toen) van The Babys en de stevige kant van Toto. Beter is wellicht de vergelijking met Balance, het album In for the Count.

Qua genre zou je de labeltjes adult oriented rock / L.A. rock of de gekke (Amerikaanse?) benaming pomp rock kunnen geven. Vol geproduceerd met elektronische drumpads die heerlijk rollen, toetsentapijtjes en beschaafd scheurende gitaren van Dan Huff (tevens bekend als gitarist bij White Heart, eind jaren '80 bij het door kenners bejubelde Giant en sessieman bij 1001 namen). En altijd, áltijd veel melodie. Alle nummers werden medegeschreven door drummer Bob Wilson, bij de uitvoerenden kom ik op achtergrondzang bekende namen uit de black gospel tegen als Andreá Crouch en Tata Vega.
In retrospect hoor je ook de invloed van new wave op het geluid, dankzij de versmelting van klassieke rock met de digitale (productie)mogelijkheden van 1984. Die combi klinkt het sterkst in The Promise, dat kant 2 opent.

Indertijd vond ik het album te mak, te braaf. Dat heb ik nog steeds, al is duidelijk dat dit in het genre van klasse is. Hetzelfde overkwam me afgelopen najaar bij het beluisteren van de soloplaat van Funderburk uit 2005. Het is niet zo mijn kopje thee en al helemaal niet bij de ballade Tonight. De teksten hebben een christelijke inslag en mogelijk dat het mede daarom soms overveilig klinkt, geschikt voor de Amerikaanse CCM-radiostations van die periode.

Ik heb de elpee dus weinig gedraaid, maar hij staat nog altijd in de kast en wegdoen is geen optie. Eens in de zoveel jaren speel ik 'm toch weer af en nimmer was ik zo positief als vandaag. Waar ik indertijd alleen de opener de moeite waard vond, is er nu eindelijk meer wat ik wel waardeer. Naast de genoemde nummers zijn dat Holy Light, King of Glory (hier moet ik aan Michael McDonald en de Doobie Brothers denken), Silent Night en afsluiter How Long. Via Discogs te koop op vinyl voor een prijs van rond de tien euro.

The Gary Moore Band - Grinding Stone (1973)

poster
4,0
Hoe kon een nog maar 21-jarige al zo jong een sterke solodebuutplaat maken als dit Grinding Stone? Voor het antwoord is het goed om iets te weten over de voorgeschiedenis van Gary Moore. Voor wie dat teveel is: onderaan de conclusie.

Momenteel lees ik Moores biografie (2022) van de hand van Harry Shapiro. Ik dacht al het nodige over de man te weten uit de boeken die ik over Thin Lizzy las, maar dit gaat toch een stuk verder. Shapiro heeft tientallen mensen geïnterviewd, van wie een deel inmiddels net als de gitaarlegende is overleden.
Zo ontvouwt zich het verhaal, beginnend met een mollig, protestants jongetje in Belfast. Hij werd gepest, om in de gitaar zijn uitlaatklep en uitzonderlijke talent te ontdekken. Nadien een gesloten karakter hebbend, af en toe iets persoonlijks meldend in zijn teksten. Ongelukkig in de liefde, waarin uitersten als passie en toewijding vochten met onzekerheid en wispelturigheid, zeker in zijn jonge jaren.

Na zijn eerste lokale bekendheid als stergitarist verruilt hij in de zomer van 1968 Belfast voor het katholieke Dublin, nog maar zestien jaar oud. Hij komt er zowel in een folk- als een rockcircuit terecht, waar hij spoedig bevriend raakt met latere managers, roadies en muzikanten van Thin Lizzy.
Ook daar wordt zijn talent spoedig herkend. Bandleider Brush Shiels haalt hem ogenblikkelijk bij zijn groep Skid Row, waar Moore een jaar later meemaakt dat zanger Phil Lynott wordt ontslagen wegens valszingen.
Moores eerste albumopnamen zijn echter voor het debuut (1969) van Granny's Intentions: als de gitarist tijdens de opnamen plotseling vertrekt neemt Moore zijn plek in. Hij is op zeven nummers te horen, verrassend genoeg juist die met country- en folkinvloeden, zoals in Fourthskin Blues.
Ook speelt hij op het debuut (1970) van Dr. Strangely Strange, waar folkrock zich vermengt met blues, zoals in het briljante Sign on my Mind.

In december 1969 opent Skid Row in Dublin voor Fleetwood Mac en ontmoet Moore zijn held Peter Green, de gitarist van die groep. Skid Row verhuist begin 1970 naar Londen.
In de biografie verhaalt Shapiro dat Moore en Green elkaar in de Britse hoofdstad regelmatig spreken. Ze komen daarbij overeen dat Moore de gitaar van Green mag overnemen, voor het bedrag waarvoor hij zijn eigen gitaar kan verkopen. De Noord-Ier aarzelt niet en stapt een instrumentenzaak tegen, waar zich net ene Bernie Marsden bevindt. Volgens het dagboek van deze latere gitarist van Whitesnake verkoopt Moore op 23 oktober 1970 zijn gitaar aan hem voor 140 pond. Voor hetzelfde bedrag komt Moore vervolgens in het bezit van de gitaar van Peter Green.

De verdiensten zijn laag en als datzelfde jaar Thin Lizzy eveneens in Londen landt, wordt nogal eens met hen, inclusief roadies en vriendinnen, woonruimte gedeeld. Geld is schaars, het sociale leven rijk, waarbij menig vriendinnetje de rekeningen van haar vriend mag betalen.
Skid Row zal het niet maken, dankzij een ratjetoe aan muziekstijlen en maatsoorten. Dat hun debuut Skid de Britse albumlijst haalt en twee Amerikaanse tournees worden gedaan, verhelpen dit niet. Wel is Moores naam als supertalent inmiddels gevestigd. December 1971 verlaat hij de groep. Zijn tijdelijke vervanger is een andere Noord-Ier, Eric Bell van Thin Lizzy kluste korte tijd bij.
Bandleider Brush Shiels blikt op p. 63 van het boek terug: “A simple country song, then something in 11/4 time? Nobody would do that, it's bad for business. I take responsibility for everything that went wrong. You couldn't tell me anything".

Voor zijn solodebuut besluit Moore om zich meer op één stijl te focussen. Hierbij is hij onder de indruk van de Allman Brothers Band, met wie vriendschap was gesloten tijdens Skid Rows tweede Amerikaanse tournee. Met hulp van onder meer Lynott vindt hij vier groepsleden.
Kort voor Kerstmis 1972 volgt een platencontract en wordt van het voorschot nieuwe apparatuur gekocht, inclusief een PA. Omdat technicus Martin Birch het tweede album van Skid Row 34 Hours toegankelijker had weten te maken dan het debuut, wordt deze gevraagd om Grinding Stone te produceren.

De muziek op Grinding Stone vormt dan ook wél een eenheid en is goed geproduceerd. Al is er veel variatie en virtuositeit, extreme uitsloverij ontbreekt. De instrumentale opener, tevens het titellied, is sterk opgebouwd met weliswaar tempowisselingen maar niet onnodig ingewikkeld. Time to Heal bevat Moores eerste leadzang en dat doet hij niet onverdienstelijk. In het gevoelige en ingetogen Sail Across the Mountain bezingt Moore volgens Shapiro waarschijnlijk de gestrande relatie met Sylvia, de moeder van zijn eerste kind, dochter Saoirse.
De B-kant opent met The Energy Dance, instrumentaal rond de toetsen van Jan Schelhaas. Niet alleen aangenaam voor degenen die houden van groepen als Deep Purple, Rainbow, Uriah Heep, Emerson, Lake & Palmer en het Nederlandse Tricklebolt, maar ook een onverwachte pauze van het bandgeluid.
Dat keert terug met het langzaam opkomende Spirit dat vol virtuositeit zit, waarna de bluesshuffle van Boogie My Way Back Home de plaat stevig afsluit.

Als Moore kort voor verschijnen in mei '73 de achterzijde van de hoes te zien krijgt, is hij minder blij: de manager reduceerde de bezetting eigenhandig tot een trio. Dag Schelhaas bijvoorbeeld! De piepjonge zanger/gitarist zou hier een volgende dure les leren.

Succes blijft wederom uit, mede omdat een Britse tournee als voorprogramma van Joe Walsh vervalt door de oliecrisis. Dezelfde die in Nederland tot autovrije zondagen leidde. Gevolg is dat de leden om zich heen zien.
Dat is niet moeilijk in de Ierse enclave in Londen, inmiddels grotendeels woonachtig in 11 Larch Road in Cricklewood. Drummer Pearse Kelly assisteert najaar '73 tijdelijk Brian Downey: de stokkenman van Thin Lizzy heeft een armblessure en werkt met één hand, terwijl Kelly de andere arm waarneemt.
Als Moore begin januari 1974 wordt gevraagd om de vertrokken Thin Lizzygitarist Eric Bell te vervangen, hapt hij toe. Maar zijn muzikale honger was groter, reden om in augustus 1974 met drummer Jon Hiseman een instrumentale jazzrockgroep te beginnen: Colosseum II.

Grinding Stone blijkt vijftig jaar later een heel lekker plaatje te zijn. Niet in een stijl die ik vroeger had gewaardeerd (ik hoorde Moore in de eerste helft van de jaren '80 liever hardrock spelen), maar die wilde haren zijn inmiddels wel uitgevallen…
Knap geconstrueerde en afwisselende muziek van vóór Moores hardrockperiode met natuurlijk likkebaardend goed spel van alle muzikanten. Soms heeft het al iets weg van de fusion die Moore hierna zou spelen, toch overheersen rock en blues. Vier sterren en petje af voor dit wonderkind van toen.

The Godz - The Godz (1978)

Alternatieve titel: Power Rock from USA

poster
2,5
Mij verging het als menig leeftijdsgenoot. Via Alfred Lagardes Betonuur maakte ik kennis met The Godz en hun schitterende Under the Table. Ik was een jonge fan van Status Quo, maar dit was weer een graadje heftiger. Het nummer nam ik op van de radio, inclusief de stem van de immer praatgrage dj.
Sterk intro, sterke riff en op twee derde die tempowisseling naar een midtempo slot met daarin prachtige lange gitaartonen, naar tweestemmige twingitaren uitgroeiend. Vanaf september 1978 stond het zelfs vier weken in Veronica’s Tipparade. Bij de NOS haalde het de Nationale Hitparade: in dezelfde week dat Boston op #22 binnenkwam met Don’t Look Back, haalde deze single #50, om de week daarna alweer verdwenen te zijn. Een culthitje.

Rond 2000 kocht ik tijdens een zomervakantie in Middelburg in nostalgische stemming deze bijbehorende elpee. Viel díe even tegen… De voorzijde van de hoes beloofde veel, Under the Table bleek onversleten prachtig… maar verder klinkt slappe hardrock. Misschien nog leuk voor op je bikersfeestje, maar ik ben zo'n saaie automobilist, in die dagen met een gezinnetje rondrijdend.
Al is de solo in Cross Country inderdaad erg fraai (dank Guitars & Wings voor je opmerking daarover, valt me nu pas op) en hoe geinig is de cover Candy’s Going Bad van onze eigen Golden Earring. Hierin bovendien een massief treinintro, dat met zijn primitieve synthesizergeluid de kamer indondert.

The Godz uit Columbus, Ohio bleken minder hemels dan ik 22 jaar had gedroomd. Sterker nog, een gewonemensenplaat met verder nauwelijks goede ideeën, solo's of riffs. Zo plat als een saaie polder in de winter.
Maar wél met die geweldige single. Jammer dat die zo kort duurt, daar had ik wel een 12" van willen horen. Die moet ik binnenkort zelf maar eens aan elkaar mixen... Gewoon het nummer er nóg eens achter zetten, de piepjes over de wegstervende gitaren heen. Mede dankzij dit verslavende intro waarop ik altijd móet meetikken, blijft de opener van de B-kant een klassieker.

The Halo Effect - Days of the Lost (2022)

poster
4,5
Hoe houd je je staande in een wereld vol valkuilen, zowel buiten rondom als binnenin je? En hoe sta je op, na te zijn gevallen?
Het lijkt de rode draad in de teksten van Mikael Stanne, al zijn ze poëtisch genoeg voor ieders eigen interpretatie.
Days of the Lost is een sterk album waarin machtige riffs en Stannes krachtige grunts een fraai contrast vormen met de melodieuze gitaarlijnen. Niclas Engelin en Jesper Strömblad laten hun snaren wervelen en beuken, al naar gelang wat nodig is.

Hierboven meldden MuMensen al in welke andere bands de vijf actief waren danwel zijn én dat het niet origineel is. Dat laatste klopt, maar de composities zijn zóóó lekker...
De titelsong bijvoorbeeld met zijn Thin Lizzyaanse folkachtige twingitaarlijnen of A Truth Worth Lying For met zijn heerlijke riffs en dat akoestische slot.
De enkele keer dat Stanne zingt in plaats van grunt is steevast pakkend. Op Last of our Kind wordt aan het einde even de zangstem van Matt Heafy van Trivium geleend, het enige op dit album dat me niet bevalt. Maar de strijkers in het intro zijn dan weer heerlijk.
Heel spaarzame keyboards brengen gedurende het album extra contrast tegenover de massieve muziek.

De voorbije weken is dit mijn meestgedraaide album, met menige gitaarlijn als aangename oorwurm in het hoofd.
"Let the now begin today, to the past a swift farewell", klinkt het grommend in opener Shadowminds. Ik vind het prachtig.

In Zweden belandde de schijf op #1 in de albumlijst. Afhankelijk van mijn stemming vind ik dit vier of vijf sterren waard en daarom ga ik halverwege zitten. Sterker nog, vond 'm zo verslavend dat ik het album bij de platenboer (waar hij niet in de bak stond) bestelde. Met de hoes erbij nóg fijner, dankzij de fraaie tekeningen, foto's en teksten.

The Halo Effect - March of the Unheard (2025)

poster
4,0
Zeer melodieuze melodeathmetal is het recept op March of the Unheard van The Halo Effect. Elders kwam ik de nodige vergelijkingen tegen met In Flames, het oude bandje van menig bandlid, maar die met het Dark Tranquility van voorheen is passender.

Soms is het zó melodieus dat het bijna powermetal wordt. Meestal geen probleem: in de dansende, wervelende twingitaarlijnen klinken echo's van wat (ooit) groepen als Wishbone Ash, Thin Lizzy, Judas Priest, Iron Maiden en Trouble doen of deden; verschil zijn uiteraard de massieve deathmetalriffs en de prachtige grunts van Mikael Stanne; heb een zwak daarvoor.
De teksten gaan vooral over de innerlijke kracht waarmee de avonturen en uitdagingen in het leven kunnen worden aangegaan. Soms wordt de muziek me te powerrrrmetal: zoals het korte semi-instrumentale The Curse of Silence met z'n oh-ho-ho-koortje. Of titelnummer/"single" March of the Unheard dat vooraf ging en enige twijfel zaaide of ik dit album wel wilde kopen. Debuut Days of the Lost van tweeëneenhalf jaar geleden is vinniger.
In de winkel viel ik echter onmiddelijk voor de verleiding, waar ik na vele draaibeurten absoluut geen spijt van heb. Dat dankzij felle beukers zoals Our Channel to the Darkness en Forever Astray met in de laatste ook cleane zang. Dat laatste nummer is op mijn cd-hoes (achterzijde) overigens het tweede nummer dat als nummertje VII wordt aangegeven, het moet toch echt VIII zijn.

Gezien de werklust van Stanne is het wellicht een wonder dat de kwaliteit weer zo hoog ligt. Hij werkt immers ook bij Dark Tranquility dat vorig jaar Endtime Signals uitbracht én Cemetery Skyline, vorig jaar debuterend met Nordic Gothic waar hij het bij zang houdt in plaats van grunts.
Toch hoor ik veel liever de nieuwe The Halo Effect, mede door het gitaarwerk van Jesper Strömblad en Niclas Engeling, het soms verrassende drumspel van Daniel Svensson (ik noem opnieuw Forever Astray) en de solide bassist Peter Iwers. De productie van March of the Unheard is vol en warm maar niet dichtgesmeerd.

Tegenwoordig begin ik het album met het afspelen van het laatste nummer Coda, dat door strijkers werd ingespeeld en voluit instrumentaal is. Het vormt een sterke ouverture op track 1. Meer strijkers zitten in het midtempo Between Directions, waar wederom naast gegrunt cleane zang zit. Het gaat fraai samen met de gitaarmuren.

Lekker, desondanks net wat minder spannend dan de voorganger.

The Hassles - The Hassles (1967)

poster
3,5
In 1967 heette dit psychedelische rock, waarbij ik moet denken aan The Spencer Davis Group of de eerste drie platen van Deep Purple. Je hoort bij The Hassles namelijk een mengsel van r&b en (westcoast) rock, waarbij expressiviteit voorop staat.
Dit is een coveralbum met werk uit de soul, eentje van Traffic (Coloured Rain) , eentje van Van McCoy (Giving Up) en één eigen compositie: I Can Tell werd geschreven door toetsenist William (Billy) Joel.

Muzikaal gezien een spannende tijd en dat geldt ook voor dit naamloze debuut van The Hassles. Het kan "alle" kanten opgaan met gitaar en elektronisch orgel als fundamenten. Zo is A Taste of Honey deels in driekwartsmaat en in Every Step I Take wordt maar liefst twee violen een bijrol gegund.
Opvallend is dat de nummers nogal eens vrij vlot worden weggedraaid, geheel naar de gewoonte van die dagen. Het doet vermoeden dat er live wel degelijk lange en geïmproviseerde versies werden gespeeld, want menigmaal is zo'n nummer nog niet af.

En nee, dit klinkt geheel niet als de Billy Joel die in het decennium erna solo doorbrak. Mede omdat ene John Dizek zingt, is het geluid van The Hassles geheel anders. Hij heeft een aangename stem met soms een rauw randje, passend bij de toegankelijke psychedelica die hier klinkt.
In 1992 kreeg The Hassles een cd-editie met bonussen, waar soul nadrukkelijker klinkt. Die versie staat op streaming. Aangenaam album, zeker voor hen die van sterk toetsenspel houden.

The Human League - Dare (1981)

Alternatieve titel: Dare!

poster
4,0
Sinds ik in de zomer van 1977 als pre-puber hitsingle Oxygène IV van Jean-Michel Jarre hoorde, heb ik een zwak voor wat ik “warme synthesizers” noem. De hits die Gary Numan twee jaar later scoorde (Are Friends Electric? en Cars) waren wat killer, maar opnieuw fascineerde de sound mij.

In diezelfde jaren debuteerden meer synthesizerpopbands, die vaak werden gecategoriseerd als een substroming binnen new wave. The Human League kwam voor deze jonge radioluisteraar bovendrijven in 1981 met de hits van het album Dare! (het exemplaar dat ik inmiddels heb, heeft een uitroepteken achter de titel).
Ik was onbekend met de twee platen die de toen nog zangeressenloze band hiervoor had uitgebracht, omdat deze de Nederlandse hitlijsten niet hadden gehaald. Voor mij was het dus een nieuwe band, al had ik mogelijk wel al eens over hen gelezen: informatie haalde ik behalve van radio uit de tijdschriften Oor en Muziek Expres.
Van Dare! haalden in Nederland (slechts?) twee singles de hitlijsten: in januari 1982 kwam Don’t You Want Me de hitlijsten binnen, in april gevolgd door Open your Heart. Vooral de eerste maakte grote indruk op me. Een tragisch duet over een gestrande liefde, maar dan met twee heel verschillende kanten van het verhaal, gezongen door de twee partijen in dit drama. Een soortgelijke tekst ken ik nog altijd niet. Origineel geschreven en meeslepend gezongen in een uiterst pakkende melodie, ondersteund door diepe synthgeluiden.

Een dikke veertig jaar later blijkt het album ontzettend fris te zijn gebleven. Je valt van de ene in de andere pakkende melodie, met als rode draad de stem van Philip Oakey, die een klank bezit waarvan de melancholie in dikke druppels druipt. Het contrast met de stemmen van Joanne Catherall en Susanne Solley maakt de muziek extra fraai.
Alleen met de eerste twee nummers van de B-kant (Get Carter en I Am the Law) kan ik niet zoveel, tegelijkertijd zijn ze lekker als rustpunten in een verder uptempo album.
In 1981 legde de band in tijdschrift NME uit dat ze singles met de hoesnotie code rood óf code blauw uitbrachten: rood voor “poseurs (…) en Spandau Ballet-fans” en blauw “voor de fans van Abba.” Groot verschil met die groepen vind ik de melancholie, zoals die door de stem van Philip Oakey klinkt. Zo ontstaat de sfeer van new wave. Overeenkomstig zijn inderdaad de popachtige melodietjes, die zich snel in je hoofd nestelen en tot meehummen aanzetten.
De strakke productie van Martin Rushent, die ik vooral van de eerste platen van The Stranglers ken, zorgt ervoor dat de plaat de boxen uitknalt. Nog altijd. Leuk is bovendien dat de hoes precies vermeldt welke synths zijn gebruikt.

Synthesizerpop met genen uit zowel new wave als hitradio. Een gevaarlijke combinatie wellicht, maar het werkt hier prima.

The Human League - Fascination! (1983)

poster
3,5
Er was in 1983 een probleempje voor fans van voor fans van The Human League en waarschijnlijk was er een platenbaas die in zijn dikke auto vreesde voor teruglopende inkomsten. Omdat tussen albums Dare! en opvolger Hysteria een interval van uiteindelijk tweeëneenhalf jaar kwam te liggen, verscheen deze EP om de kloof te overbruggen. Dit echter alleen in de Verenigde Staten en Canada, in Europa moesten we het met de singles doen of de EP als te dure import kopen; er verscheen hier zelfs geen compilatie.
Wel was in juli ’82 een remix-EP verschenen onder de naam The League Unlimited Orchestra, met vijf bijna-instrumentale bewerkingen voor de dansvloer, in elkaar geknutseld door hun producer Martin Rushent.

Fascination! staat op streaming. Hóé blij word ik van Fascination en Mirror Man! Bijna vergeten liedjes, die binnenwaaien als familie die ik te lang niet zag. De rest haalt dit niveau niet, al is de stem van Oakley steeds weer de truc om een liedje te redden, zeker in combinatie met de stemmen van Susan Ann Sulley en Joanne Catherall. De voor mij nieuwe nummers I Love You Too Much en You Remind Me of Gold mogen er overigens ook zijn.
Op de achterzijde van de hoes zien we, naast de drie met een microfoon, de mannen die de synths draaiende hielden, namen die me eigenlijk niets zeggen: Ian Burden, Jo Callis en Adrian Wright. Belangrijk voor dit geluid van The Human League zijn ze echter zeker geweest.

In 2012 verschenen op de speciale editie van Dare! , zij het zonder Hard Times, een track die ik minder vind. Het zestal leverde met deze EP vier aangename nummers. Zozeer dat ik weer helemaal enthousiast word. Geschikt als kickstarter van je dag!