Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Human League - Reproduction (1979)

3,5
0
geplaatst: 11 oktober 2022, 22:34 uur
Met de atoomdreiging die moneertje Poetin momenteel naar het westen uitspuwt, bekruipt mij een vreemd gevoel van herkenning, wat ergens nog goed aanvoelt ook. Het brengt me namelijk terug naar de jaren van eind jaren ’70, begin ’80, toen die sfeer alomtegenwoordig was. Samen met de grote werkloosheid bracht dit een weliswaar uitzichtloos sombere situatie, maar daarbij volgde tevens heel veel mooie muziek. Zoals deze.
Velen zullen bij dit debuut van Human League zijn terecht gekomen nadat ze de band leerden kennen met hun derde album en dan vooral de hit Don’t You Want Me. Dat geldt ook voor mij. Grappig, dat deze digitale muziek in die dagen op analoog vinyl terecht kwam. Toen vond ik dat normaal, in deze tijd van streaming bijna oubollig.
Tegelijkertijd zijn dit wel de eerste drieëndertigtoerenavonturen van de meneer met die melancholieke stem (want hij viel nu eenmaal het meest op) en die andere mannen met hun experimentele digitale geluiden, die we toen heul nieuw en fris vonden. Werkt zulke muziek dan nog als je vier decennia verder bent?
Nou, écht wel! Dit omdat de liedjes gewoon goed zijn. Hierboven wordt gediscussieerd over wat nou beter is, het Human League van de eerste twee platen of van de platen daarna, toen de dames erbij kwamen en de muziek hitparadegevoeliger werd.
Het Human League van Reproduction is zwaarmoediger dan in de hitparadejaren het geval zou worden, ook al lag ook toen een dikke laag weemoed op de muziek. Maar als op op dit debuut in Blind Youth de regel “No future they say” klinkt, voel ik weer exact de sfeer van somberheid die economie en wereldpolitiek uitstraalden. Hier wordt deze perfect vertaald in muziek.
Op Reproduction staan tien nummers, waarvan zes op de eerste. De nummers daar zijn vanzelf korter en vaker uptempo dan op de tweede. Kant 1 heeft daarmee mijn voorkeur, met mijn voorliefde voor kortere liedjes. Bovendien is de tweede helft wat ingetogener, naar mijn beleving té. Sommigen worden blij van hun cover You’ve Lost that Loving Feeling, oorspronkelijk een saai nummer van de Righteous Brothers. Hier is dit het tweede nummer op kant 2; mij duurt het te lang. Tegelijk wel gedurfd om dit in synthesizerjasje te stoppen, in combinatie met die pakkende stem van Philip Oakley.
Op YouTube kwam ik onder meer dit filmpje tegen, waar de band live bij de BBC speelt. In de eerste seconden ervan zie je een beeld uit de Britse sci-fi-serie Blake’s Seven, waar ik in diezelfde tijd ook zo verkikkerd op was. De muziek van Reproduction past er ontzettend goed bij.
Een treffend tijdsbeeld, in de meeste gevallen pakkend genoeg om leuk te blijven. Op streaming vind je bonustracks en ook daarover lees ik hierboven uiteenlopende meningen. Hiervan bevalt alleen single Being Boiled mij goed, een liedje dat indertijd aan Nederland voorbij ging, al zal het wellicht bij de VPRO van die dagen een enkele keer zijn gedraaid.
Voor mij is de elpee echter voldoende. Leuk om die afgelopen zomer bij platenzaak De Groeverij in Houten tegen te komen, één van de redenen waarom dit soort platenzaken zo leuk zijn: de onverwachte bijvangsten die je er altijd tegenkomt.
Velen zullen bij dit debuut van Human League zijn terecht gekomen nadat ze de band leerden kennen met hun derde album en dan vooral de hit Don’t You Want Me. Dat geldt ook voor mij. Grappig, dat deze digitale muziek in die dagen op analoog vinyl terecht kwam. Toen vond ik dat normaal, in deze tijd van streaming bijna oubollig.
Tegelijkertijd zijn dit wel de eerste drieëndertigtoerenavonturen van de meneer met die melancholieke stem (want hij viel nu eenmaal het meest op) en die andere mannen met hun experimentele digitale geluiden, die we toen heul nieuw en fris vonden. Werkt zulke muziek dan nog als je vier decennia verder bent?
Nou, écht wel! Dit omdat de liedjes gewoon goed zijn. Hierboven wordt gediscussieerd over wat nou beter is, het Human League van de eerste twee platen of van de platen daarna, toen de dames erbij kwamen en de muziek hitparadegevoeliger werd.
Het Human League van Reproduction is zwaarmoediger dan in de hitparadejaren het geval zou worden, ook al lag ook toen een dikke laag weemoed op de muziek. Maar als op op dit debuut in Blind Youth de regel “No future they say” klinkt, voel ik weer exact de sfeer van somberheid die economie en wereldpolitiek uitstraalden. Hier wordt deze perfect vertaald in muziek.
Op Reproduction staan tien nummers, waarvan zes op de eerste. De nummers daar zijn vanzelf korter en vaker uptempo dan op de tweede. Kant 1 heeft daarmee mijn voorkeur, met mijn voorliefde voor kortere liedjes. Bovendien is de tweede helft wat ingetogener, naar mijn beleving té. Sommigen worden blij van hun cover You’ve Lost that Loving Feeling, oorspronkelijk een saai nummer van de Righteous Brothers. Hier is dit het tweede nummer op kant 2; mij duurt het te lang. Tegelijk wel gedurfd om dit in synthesizerjasje te stoppen, in combinatie met die pakkende stem van Philip Oakley.
Op YouTube kwam ik onder meer dit filmpje tegen, waar de band live bij de BBC speelt. In de eerste seconden ervan zie je een beeld uit de Britse sci-fi-serie Blake’s Seven, waar ik in diezelfde tijd ook zo verkikkerd op was. De muziek van Reproduction past er ontzettend goed bij.
Een treffend tijdsbeeld, in de meeste gevallen pakkend genoeg om leuk te blijven. Op streaming vind je bonustracks en ook daarover lees ik hierboven uiteenlopende meningen. Hiervan bevalt alleen single Being Boiled mij goed, een liedje dat indertijd aan Nederland voorbij ging, al zal het wellicht bij de VPRO van die dagen een enkele keer zijn gedraaid.
Voor mij is de elpee echter voldoende. Leuk om die afgelopen zomer bij platenzaak De Groeverij in Houten tegen te komen, één van de redenen waarom dit soort platenzaken zo leuk zijn: de onverwachte bijvangsten die je er altijd tegenkomt.
The Human League - Travelogue (1980)

3,0
2
geplaatst: 5 april 2023, 20:44 uur
De tweede van The Human League kom ik zelden tegen in de platenbakken met tweedehands werk, in tegenstelling tot het debuut. Betekent dit dat ie in Nederland minder verkocht, of gaat Travelogue vooral via internet over de toonbank? In Oor was Jan Libbenga redelijk positief, (even scrollen) maar geenszins euforisch; ik gok dat dit album dat hitsingles ontbeerde in Nederland heel matige verkoopcijfers had en daarom relatief zeldzaam is.
Op mij komt de plaat over als eentje waarop de drie heren uit Sheffield hun digitale snoepgoed en alle technologische mogelijkheden ervan dieper ontdekten. Het hitparadegehalte was nog niet zo groot, maar de nieuwsgierigheid en het plezier stralen ervan af.
Na het spelen met geluiden in opener The Black Hit of Space en de geflopte single Only After Dark (met een synthriff die me aan Mercy (2007) van Duffy doet denken – huh?). Met Life Kills klinkt ook hitpotentie, maar met de eenvormigheid gaat het leuke idee toch snel vervelen. Tegendraadse klanken klinken in Dreams of Leaving, waar warme synths kort maar wreed wordt doorkruist door een digitale boor of zoiets. Verderop blijkt de opbouw vrij van het nummer experimenteel. Toyota City is vervolgens een instrumentale en vooral saaie soundscape.
De B-kant begint met Crow and a Baby, waarvan het einde klinkt alsof een band leegloopt: de toonsoort van de lage synths dalen en het lijkt vals te worden; alweer de eigenzinnigheid in deze fase van The Human League, waar zanger Philip Oakley met Ian Craig Marsh en Martyn Ware de mogelijkheden van dit kersverse genre exploreerde. The Touchables had in 1980 al een hitje in Nederland kunnen en moeten zijn.
Dan volgt een cover: van Jeff Wayne (die van de hitsingle Eve of the War en album The War of the Worlds van twee jaar eerder) covert men diens reclamemuziek voor Gordon’s Gin, gevolgd door Being Boiled, weer anders dan de drie andere versies die de groep ervan in de periode 1978 – 1982 uitbracht.
Afsluiter WXJL Tonight laat horen dat de band met deze typische Amerikaanse radiostationnaam toen al een publiek in de Verenigde Staten en Canada aansprak; alhoewel typisch Engels, sprak het kennelijk ook daar velen tot de verbeelding. In Canada verscheen Travelogue met een andere hoes, met daarop de videofoto van hun Holiday ’80 - EP. Op streaming vinden we enkele bonussen, oorspronkelijk van die EP, in 1988 op de cd-versie van het album beland.
Marsh en Ware verlieten de groep en begonnen Heaven 17, al wist ik dat toen niet; voor mij begon de kennismaking met The Human League met opvolger Dare en de singles daarbij, waarmee Oakley de Nederlandse hitparades haalde, mede dankzij de dames die hem inmiddels vergezelden. Alhoewel nauwelijks hitgevoelig is Travelogue desondanks een heel interessant plaatje.
Op mij komt de plaat over als eentje waarop de drie heren uit Sheffield hun digitale snoepgoed en alle technologische mogelijkheden ervan dieper ontdekten. Het hitparadegehalte was nog niet zo groot, maar de nieuwsgierigheid en het plezier stralen ervan af.
Na het spelen met geluiden in opener The Black Hit of Space en de geflopte single Only After Dark (met een synthriff die me aan Mercy (2007) van Duffy doet denken – huh?). Met Life Kills klinkt ook hitpotentie, maar met de eenvormigheid gaat het leuke idee toch snel vervelen. Tegendraadse klanken klinken in Dreams of Leaving, waar warme synths kort maar wreed wordt doorkruist door een digitale boor of zoiets. Verderop blijkt de opbouw vrij van het nummer experimenteel. Toyota City is vervolgens een instrumentale en vooral saaie soundscape.
De B-kant begint met Crow and a Baby, waarvan het einde klinkt alsof een band leegloopt: de toonsoort van de lage synths dalen en het lijkt vals te worden; alweer de eigenzinnigheid in deze fase van The Human League, waar zanger Philip Oakley met Ian Craig Marsh en Martyn Ware de mogelijkheden van dit kersverse genre exploreerde. The Touchables had in 1980 al een hitje in Nederland kunnen en moeten zijn.
Dan volgt een cover: van Jeff Wayne (die van de hitsingle Eve of the War en album The War of the Worlds van twee jaar eerder) covert men diens reclamemuziek voor Gordon’s Gin, gevolgd door Being Boiled, weer anders dan de drie andere versies die de groep ervan in de periode 1978 – 1982 uitbracht.
Afsluiter WXJL Tonight laat horen dat de band met deze typische Amerikaanse radiostationnaam toen al een publiek in de Verenigde Staten en Canada aansprak; alhoewel typisch Engels, sprak het kennelijk ook daar velen tot de verbeelding. In Canada verscheen Travelogue met een andere hoes, met daarop de videofoto van hun Holiday ’80 - EP. Op streaming vinden we enkele bonussen, oorspronkelijk van die EP, in 1988 op de cd-versie van het album beland.
Marsh en Ware verlieten de groep en begonnen Heaven 17, al wist ik dat toen niet; voor mij begon de kennismaking met The Human League met opvolger Dare en de singles daarbij, waarmee Oakley de Nederlandse hitparades haalde, mede dankzij de dames die hem inmiddels vergezelden. Alhoewel nauwelijks hitgevoelig is Travelogue desondanks een heel interessant plaatje.
The Jam - All Mod Cons (1978)

4,0
0
geplaatst: 25 juli 2024, 10:53 uur
Na in 1977 twee langspelers te hebben uitgebracht, duurde het een jaar voordat The Jam All Mod Cons uitbracht. Er was dus meer tijd voor het schrijven van nieuwe muziek.
Hierboven lyrische verhalen met een blik vanuit de Britpop van de jaren '90, in 1978 was dat onbekende en verre toekomstmuziek. Zeker in Nederland, waar The Jam in mijn herinnering een naam was weliswaar las, maar niet op de radio hoorde. Hoe anders was dat in hun eigen Verenigd Koninkrijk!
Als muziekstijl is The Jam nooit punk geweest, al hadden ze wel degelijk de energie daarvan. Echter geen scheurende gitaren en in de composities nogal eens nadrukkelijk naar de jaren '60 verwijzend. Dat terwijl de punkrevolte een 'jaar 0' in de popmuziek predikte, zie bijvoorbeeld eens wat Bob Stanley in zijn standaardwerk Yeah! Yeah! Yeah! (2013) hierover schrijft.
Qua uiterlijk afwijkend door het ontbreken van leren jassen, haarspelden of piekhaar. Blazertje, overhemdje: de drie van The Jam blijven dichter bij de gewone man. Met deze derde worden de composities iets bedachtzamer, wat de melodieën alleen maar ten goede komt. Toch blijft de energie, zoals de eerste drie nummers en Billy Hunt.
Jaren '60 klinken op deze elpee in David Watts, dat lijkt geleend van Let's Spend the Night Together van de Rolling Stones; echter uit 1967 van The Kinks. Het wordt gevolgd door het kalme, akoestische English Rose. Meer jaren '60 in In the Crowd met licht psychedelische gitaar- en zangeffecten en drumwerk á la Keith Moon, het laatste idem met de roffels van Rick Buckler in It's Too Bad.
Toch is de grootste verrassing wel het ingetogen akoestische werk, dat terugkeert in Fly, met bovendien delen op elektrische gitaar.
Hitsingles scoren was voor de groep wederom geen probleem: dubbele A-kant David Watts / 'A' Bomb in Wardour Street reikt in september 1978 tot #25 (het keert in 1980 en '83 nog eens terug in de Britse hitlijst), Down in the Tube Station at Midnight in oktober tot #15.
Als album wordt All Mod Cons hun eerste top 10: #6 in november, het gevolg van de kalmere, bredere en melodieuzere aanpak, die kennelijk een breder publiek aansprak. Een positie die een jaar later met de opvolger zou worden overtroffen.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van de punks van Sham 69 en vervolgt bij de tweede van Japan uit oktober 1978.
Hierboven lyrische verhalen met een blik vanuit de Britpop van de jaren '90, in 1978 was dat onbekende en verre toekomstmuziek. Zeker in Nederland, waar The Jam in mijn herinnering een naam was weliswaar las, maar niet op de radio hoorde. Hoe anders was dat in hun eigen Verenigd Koninkrijk!
Als muziekstijl is The Jam nooit punk geweest, al hadden ze wel degelijk de energie daarvan. Echter geen scheurende gitaren en in de composities nogal eens nadrukkelijk naar de jaren '60 verwijzend. Dat terwijl de punkrevolte een 'jaar 0' in de popmuziek predikte, zie bijvoorbeeld eens wat Bob Stanley in zijn standaardwerk Yeah! Yeah! Yeah! (2013) hierover schrijft.
Qua uiterlijk afwijkend door het ontbreken van leren jassen, haarspelden of piekhaar. Blazertje, overhemdje: de drie van The Jam blijven dichter bij de gewone man. Met deze derde worden de composities iets bedachtzamer, wat de melodieën alleen maar ten goede komt. Toch blijft de energie, zoals de eerste drie nummers en Billy Hunt.
Jaren '60 klinken op deze elpee in David Watts, dat lijkt geleend van Let's Spend the Night Together van de Rolling Stones; echter uit 1967 van The Kinks. Het wordt gevolgd door het kalme, akoestische English Rose. Meer jaren '60 in In the Crowd met licht psychedelische gitaar- en zangeffecten en drumwerk á la Keith Moon, het laatste idem met de roffels van Rick Buckler in It's Too Bad.
Toch is de grootste verrassing wel het ingetogen akoestische werk, dat terugkeert in Fly, met bovendien delen op elektrische gitaar.
Hitsingles scoren was voor de groep wederom geen probleem: dubbele A-kant David Watts / 'A' Bomb in Wardour Street reikt in september 1978 tot #25 (het keert in 1980 en '83 nog eens terug in de Britse hitlijst), Down in the Tube Station at Midnight in oktober tot #15.
Als album wordt All Mod Cons hun eerste top 10: #6 in november, het gevolg van de kalmere, bredere en melodieuzere aanpak, die kennelijk een breder publiek aansprak. Een positie die een jaar later met de opvolger zou worden overtroffen.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van de punks van Sham 69 en vervolgt bij de tweede van Japan uit oktober 1978.
The Jam - In the City (1977)

3,5
0
geplaatst: 10 april 2024, 19:41 uur
The Jam brak in Nederland pas door in 1982 met A Town Called Malice, toen al bekend was dat ze ermee zouden stoppen. In Oor en op de radio kwamen verhalen voorbij over hoe populair ze in Engeland waren, een sentiment dat hier niet werd gepakt. En als ik de verhalen hierboven lees, is dat in de Lage Landen (Vlaanderen incluis) nog steeds zo.
Anders dan veel andere groepen die opdoken in "punkjaar" 1977, is The Jam al opgericht in 1972. Dit in Woking in het graafschap Surrey, waar oerlid Paul Weller gefascineerd raakte door de jaren '60 mods met hun kenmerkende kleding en bovendien ontwikkelde hij een voorliefde voor soul. Als (kleding)stijl en muziek enigszins zijn uitgekristalliseerd verkast men naar Londen, waar onder invloed van punk een extra lading energie wordt geabsorbeerd. The Jam profiteerde van de tijdgeest die openstond voor stevige, energieke nummers die niet al te lang duurden.
Op doorreis door punk en new wave kwam ik uit Dublin, dankzij The Radiators from Space. Als album is In the City van The Jam wat lichter dan andere punk. Is dit überhaupt wel punk? Het leunt er dicht tegenaan, dat is zeker. Wellers voorliefde voor soul is wat dat betreft nog verborgen, zeker met de groepsnaam in graffiti in de rebelse sfeer die bij punk hoort.
Na de felle nummers Art School, I've Changed My Adress, Slow Down en I Got by in Time wordt iets geslowdownd met Away from the Numbers, om daarna met Batman Theme het gaspedaal diep in te drukken. Een voorloper van hetgeen groepen als Ramones in 1995 zouden doen met hun versie van het thema van Spider-Man.
Hoogtepunt voor mij is het eveneens knallende titelnummer dat de tweede plaatkant aftrapt, met zijn kenmerkende tweestemmige zang. Sounds from the Street is kalmer en heeft een melodie die echo's van de jaren '60 heeft zoals Ramones dat ook deden, waarna Non-Stop Dancing en Time for Truth het eveneens iets rustiger aandoen. Takin' My Love is met z'n rock 'n' roll een opvullertje, maar met slotlied Bricks and Mortar hoor ik grommende invloeden van The Who.
In mei '77 was er een volgende debutant die past in mijn reis door new wave, zij het een ander randgevalletje qua genre. Op naar The Rubinoos uit Californië, waar punk nog niet was geland.
Anders dan veel andere groepen die opdoken in "punkjaar" 1977, is The Jam al opgericht in 1972. Dit in Woking in het graafschap Surrey, waar oerlid Paul Weller gefascineerd raakte door de jaren '60 mods met hun kenmerkende kleding en bovendien ontwikkelde hij een voorliefde voor soul. Als (kleding)stijl en muziek enigszins zijn uitgekristalliseerd verkast men naar Londen, waar onder invloed van punk een extra lading energie wordt geabsorbeerd. The Jam profiteerde van de tijdgeest die openstond voor stevige, energieke nummers die niet al te lang duurden.
Op doorreis door punk en new wave kwam ik uit Dublin, dankzij The Radiators from Space. Als album is In the City van The Jam wat lichter dan andere punk. Is dit überhaupt wel punk? Het leunt er dicht tegenaan, dat is zeker. Wellers voorliefde voor soul is wat dat betreft nog verborgen, zeker met de groepsnaam in graffiti in de rebelse sfeer die bij punk hoort.
Na de felle nummers Art School, I've Changed My Adress, Slow Down en I Got by in Time wordt iets geslowdownd met Away from the Numbers, om daarna met Batman Theme het gaspedaal diep in te drukken. Een voorloper van hetgeen groepen als Ramones in 1995 zouden doen met hun versie van het thema van Spider-Man.
Hoogtepunt voor mij is het eveneens knallende titelnummer dat de tweede plaatkant aftrapt, met zijn kenmerkende tweestemmige zang. Sounds from the Street is kalmer en heeft een melodie die echo's van de jaren '60 heeft zoals Ramones dat ook deden, waarna Non-Stop Dancing en Time for Truth het eveneens iets rustiger aandoen. Takin' My Love is met z'n rock 'n' roll een opvullertje, maar met slotlied Bricks and Mortar hoor ik grommende invloeden van The Who.
In mei '77 was er een volgende debutant die past in mijn reis door new wave, zij het een ander randgevalletje qua genre. Op naar The Rubinoos uit Californië, waar punk nog niet was geland.
The Jam - Setting Sons (1979)

4,0
1
geplaatst: 30 oktober 2024, 07:38 uur
Vierde album van The Jam. In het pas door mij ontdekte magazine Oor, toen nog op groot formaat, las ik dat ze in het Verenigd Koninkrijk razend populair waren. Voor deze puber was het slechts een naam: najaar '79 was ik druk aan het sparen voor een platenspeler door een krantenwijk te fietsen, op de Nederlandse radio kwam ik The Jam niet tegen.
In het VK scoorde de groep hit na hit, meer dan de reguliere albums deden vermoeden. Zo haalden twee non-albumsingles na het vorige album All Mod Cons (1978) de hitparade, voordat de enige single van Setting Sons daar eveneens in slaagde.
April '79 reikte Strange Town tot #15, When You're Young in september tot #17. In november wordt The Eton Rifles de hoogst genoteerde hit van The Jam tot dan: #3.
Uptempo muziek met veel energie, optimistisch klinkend en tegelijkertijd vol sociaal commentaar op Brittannië. Het land geregeerd door de Conservatieven van Margaret Thatcher, worstelend met de gevolgen van een verouderde industrie en sociale ongelijkheid. Zo ging de laatste single over een vechtpartij in juni 1978, toen deelnemers aan een demonstratie van Right To Work slaags raakten met leerlingen van eliteschool Eton.
“We came out of it naturally the worst - Beaten and bloody and I was sick down my shirt. We were no match for their untamed wit - Though some of the lads said they'd be back next week.”
Setting Sons is tevens een semi-conceptalbum over drie vrienden die elkaar na een oorlog weer ontmoeten. Duidelijker wordt dit op de verzamelaar Direction Reaction Creation (1997), waar het verhaal met alle outtakes en het boekje meer context krijgt.
De vaak tweestemmige zang van Paul Weller en Bruce Foxton versterkt het herkenbare geluid van The Jam. Het intro van het felle Private Hell herinnert me aan een ander nummer… Denk, denk… Já, Holiday in Cambodia van de Dead Kennedys, maar dat moest toen nog geschreven worden. Diende The Jam ook voor hen tot inspiratie?
Andere opvallende nummers: in Wasteland zitten een blokfluit en een orgel; het werkt. In Smithers-Jones is de begeleiding geen gitaar-bas-drums maar een strijkkwartet, zonder de energie van een elektrische groep te verliezen. In het uitgelaten slotlied Heatwave een opgetogen saxofoon. Vreemd toch dat Nederland pas in de jaren '90 via Britpop The Jam ontdekte.
De reis langs de albums achter mijn streaming-afspeellijsten met new wave vervolgt. Vorige halte was in 1977, de powerpop van The Scruffs. Omdat ik single én album One Step Beyond... van Madness al besprak, vervolg ik in datzelfde november 1979 met een liedje over doekoe. Op naar The Flying Lizards.
In het VK scoorde de groep hit na hit, meer dan de reguliere albums deden vermoeden. Zo haalden twee non-albumsingles na het vorige album All Mod Cons (1978) de hitparade, voordat de enige single van Setting Sons daar eveneens in slaagde.
April '79 reikte Strange Town tot #15, When You're Young in september tot #17. In november wordt The Eton Rifles de hoogst genoteerde hit van The Jam tot dan: #3.
Uptempo muziek met veel energie, optimistisch klinkend en tegelijkertijd vol sociaal commentaar op Brittannië. Het land geregeerd door de Conservatieven van Margaret Thatcher, worstelend met de gevolgen van een verouderde industrie en sociale ongelijkheid. Zo ging de laatste single over een vechtpartij in juni 1978, toen deelnemers aan een demonstratie van Right To Work slaags raakten met leerlingen van eliteschool Eton.
“We came out of it naturally the worst - Beaten and bloody and I was sick down my shirt. We were no match for their untamed wit - Though some of the lads said they'd be back next week.”
Setting Sons is tevens een semi-conceptalbum over drie vrienden die elkaar na een oorlog weer ontmoeten. Duidelijker wordt dit op de verzamelaar Direction Reaction Creation (1997), waar het verhaal met alle outtakes en het boekje meer context krijgt.
De vaak tweestemmige zang van Paul Weller en Bruce Foxton versterkt het herkenbare geluid van The Jam. Het intro van het felle Private Hell herinnert me aan een ander nummer… Denk, denk… Já, Holiday in Cambodia van de Dead Kennedys, maar dat moest toen nog geschreven worden. Diende The Jam ook voor hen tot inspiratie?
Andere opvallende nummers: in Wasteland zitten een blokfluit en een orgel; het werkt. In Smithers-Jones is de begeleiding geen gitaar-bas-drums maar een strijkkwartet, zonder de energie van een elektrische groep te verliezen. In het uitgelaten slotlied Heatwave een opgetogen saxofoon. Vreemd toch dat Nederland pas in de jaren '90 via Britpop The Jam ontdekte.
De reis langs de albums achter mijn streaming-afspeellijsten met new wave vervolgt. Vorige halte was in 1977, de powerpop van The Scruffs. Omdat ik single én album One Step Beyond... van Madness al besprak, vervolg ik in datzelfde november 1979 met een liedje over doekoe. Op naar The Flying Lizards.
The Jam - Snap! (1983)
Alternatieve titel: Compact Snap

4,0
2
geplaatst: 17 februari 2025, 18:46 uur
Ben op newwavereis in maart 1980, als The Jam in het VK met hun tiende hitsingle voor het eerst #1 haalt: Going Underground. Sterker nog, de eerste drie weken dat het schijfje de hitlijst haalt, staat het op die plek. Een non-albumsingle, voor het eerst op 33 1/3 toeren verschenen in 1983. Dit via Snap!, dat met 28 tracks veel heeft te melden. Was in het Verenigd Koninkrijk bovendien in speciale editie met bonus-live-EP te verkrijgen.
Een heerlijke verzamelaar om hun ontwikkeling te volgen, zeker geschikt voor hen die frontman Paul Weller ontdekten als godfather van de generatie Oasis, Blur en noem maar op. Passionele zang en hartstocht zijn termen die van toepassing zijn, of is dat te klef? Denk het niet, gezien de sociaal-maatschappelijke onderwerpen die door The Jam worden aangesneden.
Muzikaal nét geen punk: de gitaren zijn fel maar scheuren niet en geen geschreeuw maar "gewone", zij het gedreven zang. En natuurlijk hadden de drie in de begintijd het jaren '60 het imago van mod met vrij keurige kleertjes, zich daarmee onderscheidend van de rattenkapsels, gescheurde t-shirts, leren jassen en veiligheidsspelden.
Misschien dat een ander het wél punk vindt: steevast uptempo met spetterend drumwerk in combinatie met de diverse sociale onderwerpen die worden aangesneden. Qua energie is er geen verschil! Al zijn er zijpaadjes in hun oeuvre, het muzikale spectrum werd geleidelijk iets breder.
De dubbelaar haalde in oktober 1983 meteen #2 en bleef daar een week staan. Een bestseller. Vanaf 2004 verscheen de volledige Snap! op 2- dan wel 3cd, maar al in 1984 was er een ingekorte versie onder de titel Compact Snap!
Vorige week maandag kwam het bericht van het overlijden van voormalig Hilversum 3-dj Vincent van Engelen. Tien jaar eerder was hij te gast in podcast Dit Was De Radio en laat daarin nou een fragment zitten uit 1980 waarin hij Goin' Underground op de draaitafel heeft! Luister hier vanaf 46'10" hoe het liedje werd gedraaid na een livereportage over een kraakactie. Het album staat op JijBuis.
Mijn muzikale reis kwam The Pop Group en vervolgt bij een andere non-albumsingle: The Stranglers met Bear Cage, dat twee jaar later belandde op verzamelaar The Collection 1977-1982.
Een heerlijke verzamelaar om hun ontwikkeling te volgen, zeker geschikt voor hen die frontman Paul Weller ontdekten als godfather van de generatie Oasis, Blur en noem maar op. Passionele zang en hartstocht zijn termen die van toepassing zijn, of is dat te klef? Denk het niet, gezien de sociaal-maatschappelijke onderwerpen die door The Jam worden aangesneden.
Muzikaal nét geen punk: de gitaren zijn fel maar scheuren niet en geen geschreeuw maar "gewone", zij het gedreven zang. En natuurlijk hadden de drie in de begintijd het jaren '60 het imago van mod met vrij keurige kleertjes, zich daarmee onderscheidend van de rattenkapsels, gescheurde t-shirts, leren jassen en veiligheidsspelden.
Misschien dat een ander het wél punk vindt: steevast uptempo met spetterend drumwerk in combinatie met de diverse sociale onderwerpen die worden aangesneden. Qua energie is er geen verschil! Al zijn er zijpaadjes in hun oeuvre, het muzikale spectrum werd geleidelijk iets breder.
De dubbelaar haalde in oktober 1983 meteen #2 en bleef daar een week staan. Een bestseller. Vanaf 2004 verscheen de volledige Snap! op 2- dan wel 3cd, maar al in 1984 was er een ingekorte versie onder de titel Compact Snap!
Vorige week maandag kwam het bericht van het overlijden van voormalig Hilversum 3-dj Vincent van Engelen. Tien jaar eerder was hij te gast in podcast Dit Was De Radio en laat daarin nou een fragment zitten uit 1980 waarin hij Goin' Underground op de draaitafel heeft! Luister hier vanaf 46'10" hoe het liedje werd gedraaid na een livereportage over een kraakactie. Het album staat op JijBuis.
Mijn muzikale reis kwam The Pop Group en vervolgt bij een andere non-albumsingle: The Stranglers met Bear Cage, dat twee jaar later belandde op verzamelaar The Collection 1977-1982.
The Jam - Sound Affects (1980)

3,5
0
geplaatst: 7 september 2025, 13:58 uur
Vroeger kon je platen met geluidseffecten kopen. In Nederland had je bijvoorbeeld deze en de Britse BBC had daarvoor zelfs een eigen sublabel. Die van de omroep hadden altijd kleine foto's die tezamen de hoes vormden en het is daarnaar dat het vijfde album van The Jam met de knipoogtitel Sound Affects verwijst. De afzonderlijke foto's verwijzen daarbij niet alleen naar liedtitels en geluiden, maar ook naar het leven van wieg tot graf.
Bij de MuMe-berichten uit 2006 bij deze plaat zijn er van opmerkelijke toon. Kennelijk de generatie die frontman Paul Weller via Britpop had ontdekt en even kwam snuffelen aan diens werk met The Jam. Ik fronste de wenkbrauwen bij de vergelijking met de Sex Pistols die gelukkig prompt werd weersproken; de omschrijving "pop rock" wekt minimaal verwarring.
Op de vorige vier albums maakte The Jam felle muziek met enerzijds de energie van punk en anderzijds vrij cleane gitaren in combinatie met harmonieuze zang, waarbij de kleding naar de Britse beat van de jaren '60 verwees met stropdas of coltrui. Ook in de muziek kon je invloeden van bijvoorbeeld Engelse gitaargroepen uit die periode herkennen, zoals The Who en The Kinks.
Op Sound Affects is het geluid veelal minder fel, zonder echter aan energie in te boeten. Met Pretty Green en Monday trapt The Jam iets kalmer af dan voorheen, waarna het ruiger wordt met But I'm Different Now en Set the House Ablaze.
Dan volgen de twee Britse hitsingles van dit album. Start haalde op 31 augustus 1980 #1; de ijle koortjes verwijzen naar beat én er klinken trompetten die de invloed van soul brengen. Plus het akoestische That's Entertainment, dat in februari 1981 tot #21 kwam en in het afscheidsjaar 1983 in februari nog eens bescheiden #60 aantikte. De groep staat die week met maar liefst zestien singles in de lijst van 100, wat aangeeft welke gekte hun afscheid losmaakte. Start keert dan overigens ook terug en komt tot #87.
Op kant 2 domineert wederom het typische geluid van The Jam, met in Man in the Cornershop een vleugje jaren '60, Music for the Last Couple komt langzaam op gang en blijkt instrumentaal te zijn, Boy About Town duurt nog geen twee minuten en heeft een vrolijke en meezingbare melodie; de solo halverwege is van een blazersgroep. Het dansbare Scrape Away heeft een aparte groove, knap gebast door Bruce Foxton en de eerder dit jaar overleden Rick Buckler. Zonder hun creatieve, swingende en gevarieerde basis was zelfs Weller vleugellam geweest. Aan het einde van het nummer klinken enkele woordjes Frans.
In de week van verschijnen haalde de elpee meteen zijn hoogste positie: op 30 november 1980 werd #2 genoteerd. In 2010 verscheen een uitgebreide en geremasterde editie van het album.
Die laat ik voor wat het is, want ik wil verder door de new wave van 1980. Mijn vorige halte was Mondo Bongo van The Boomtown Rats, de volgende wordt de tweede van zangeres Hazel O'Connor.
Bij de MuMe-berichten uit 2006 bij deze plaat zijn er van opmerkelijke toon. Kennelijk de generatie die frontman Paul Weller via Britpop had ontdekt en even kwam snuffelen aan diens werk met The Jam. Ik fronste de wenkbrauwen bij de vergelijking met de Sex Pistols die gelukkig prompt werd weersproken; de omschrijving "pop rock" wekt minimaal verwarring.
Op de vorige vier albums maakte The Jam felle muziek met enerzijds de energie van punk en anderzijds vrij cleane gitaren in combinatie met harmonieuze zang, waarbij de kleding naar de Britse beat van de jaren '60 verwees met stropdas of coltrui. Ook in de muziek kon je invloeden van bijvoorbeeld Engelse gitaargroepen uit die periode herkennen, zoals The Who en The Kinks.
Op Sound Affects is het geluid veelal minder fel, zonder echter aan energie in te boeten. Met Pretty Green en Monday trapt The Jam iets kalmer af dan voorheen, waarna het ruiger wordt met But I'm Different Now en Set the House Ablaze.
Dan volgen de twee Britse hitsingles van dit album. Start haalde op 31 augustus 1980 #1; de ijle koortjes verwijzen naar beat én er klinken trompetten die de invloed van soul brengen. Plus het akoestische That's Entertainment, dat in februari 1981 tot #21 kwam en in het afscheidsjaar 1983 in februari nog eens bescheiden #60 aantikte. De groep staat die week met maar liefst zestien singles in de lijst van 100, wat aangeeft welke gekte hun afscheid losmaakte. Start keert dan overigens ook terug en komt tot #87.
Op kant 2 domineert wederom het typische geluid van The Jam, met in Man in the Cornershop een vleugje jaren '60, Music for the Last Couple komt langzaam op gang en blijkt instrumentaal te zijn, Boy About Town duurt nog geen twee minuten en heeft een vrolijke en meezingbare melodie; de solo halverwege is van een blazersgroep. Het dansbare Scrape Away heeft een aparte groove, knap gebast door Bruce Foxton en de eerder dit jaar overleden Rick Buckler. Zonder hun creatieve, swingende en gevarieerde basis was zelfs Weller vleugellam geweest. Aan het einde van het nummer klinken enkele woordjes Frans.
In de week van verschijnen haalde de elpee meteen zijn hoogste positie: op 30 november 1980 werd #2 genoteerd. In 2010 verscheen een uitgebreide en geremasterde editie van het album.
Die laat ik voor wat het is, want ik wil verder door de new wave van 1980. Mijn vorige halte was Mondo Bongo van The Boomtown Rats, de volgende wordt de tweede van zangeres Hazel O'Connor.
The Jam - This Is the Modern World (1977)

3,5
0
geplaatst: 24 juli 2024, 09:09 uur
Overeenkomst met de Ramones: na hun debuut met zwart-withoes volgde de kleurenhoes van Leave Home, daarop tevens een iets toegankelijker geluid. Bij The Jam volgt het zwart-witte debuut In the City door dit kleuren This Is the Modern World. Om maar wat te noemen.
Muzikaal gezien wordt het muzikale spectrum van het debuut licht verbreed, net als bij hun New Yorkse collega's. Weliswaar klinkt de energie van punk, dankzij de puntige gitaarliedjes (de meeste van frontman Paul Weller, soms ook van bassist Bruce Foxton) en het energieke drumspel van Rick Buckler, maar het gitaargeluid is vrij clean en hetzelfde geldt voor Paul Wellers melodieuze zang, die niet schreeuwt als tijdgenoten deden.
De teksten richten zich vooral op het moderne Londen van 1977. Het verkeer zit er muurvast, blijkens het felle London Traffic, je hebt er mensenmassa's zoals benoemd in The Combine en je kunt er plezier hebben volgens Here Comes the Weekend.
The Jam onderscheidde zich ten opzichte van hun Londense tijdgenoten door hun fascinatie met de jaren '60, die er soms overduidelijk uitkomt. In dit geval vanaf halverwege kant 2. In I Need You (For Someone) klinkt de fascinatie door voor de vroege Who en in Tonight at Noon klinkt zowaar akoestische gitaar in de psychedelische sfeer van eind jaren '60, maar wél weer uptempo. Dat laatste geldt namelijk net als voor het debuut: wat is het energiek! Meer jaren '60 in het slot van de plaat, die eindigt met Wilson Pickets In the Midnight Hour, waarin ook Wellers mondharmonica meedoet.
The Jam was een typisch Brits fenomeen en het succes beperkt zich aanvankelijk tot Groot-Brittannië. Slechts één single wordt van het album getrokken: Modern World haalt in november '77 bescheiden #36, het album doet het beter en komt in het eerste weekend van december tot #22.
Ik reisde vanaf de tweede van het Haagse Gruppo Sportivo. Volgende halte in mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave: nog zo'n typisch Britse aangelegenheid, het debuut van punkgroep Sham 69 uit februari 1978.
Muzikaal gezien wordt het muzikale spectrum van het debuut licht verbreed, net als bij hun New Yorkse collega's. Weliswaar klinkt de energie van punk, dankzij de puntige gitaarliedjes (de meeste van frontman Paul Weller, soms ook van bassist Bruce Foxton) en het energieke drumspel van Rick Buckler, maar het gitaargeluid is vrij clean en hetzelfde geldt voor Paul Wellers melodieuze zang, die niet schreeuwt als tijdgenoten deden.
De teksten richten zich vooral op het moderne Londen van 1977. Het verkeer zit er muurvast, blijkens het felle London Traffic, je hebt er mensenmassa's zoals benoemd in The Combine en je kunt er plezier hebben volgens Here Comes the Weekend.
The Jam onderscheidde zich ten opzichte van hun Londense tijdgenoten door hun fascinatie met de jaren '60, die er soms overduidelijk uitkomt. In dit geval vanaf halverwege kant 2. In I Need You (For Someone) klinkt de fascinatie door voor de vroege Who en in Tonight at Noon klinkt zowaar akoestische gitaar in de psychedelische sfeer van eind jaren '60, maar wél weer uptempo. Dat laatste geldt namelijk net als voor het debuut: wat is het energiek! Meer jaren '60 in het slot van de plaat, die eindigt met Wilson Pickets In the Midnight Hour, waarin ook Wellers mondharmonica meedoet.
The Jam was een typisch Brits fenomeen en het succes beperkt zich aanvankelijk tot Groot-Brittannië. Slechts één single wordt van het album getrokken: Modern World haalt in november '77 bescheiden #36, het album doet het beter en komt in het eerste weekend van december tot #22.
Ik reisde vanaf de tweede van het Haagse Gruppo Sportivo. Volgende halte in mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave: nog zo'n typisch Britse aangelegenheid, het debuut van punkgroep Sham 69 uit februari 1978.
The Kids - Living in the 20th Century (1979)

3,5
1
geplaatst: 24 september 2024, 23:57 uur
Op reis door de wereld van new wave kom ik regelmatig punk tegen, het wildere broertje daarvan. Ik beluister de albums achter mijn afspeellijst op streaming met deze genres en aanverwanten, waarbij mijn vorige station dat succesalbum van de Ierse The Boomtown Rats uit 1979 was.
In het jaar ervoor bracht het Belgische The Kids maar liefst twee albums uit met rudimentaire, vooral boze punk. Op het debuut een trio met soms in de muziek invloeden uit klassieke r&b / jaren ’50 rock ‘n’ roll, op de tweede een kwartet met de liedjes beter geproduceerd.
Anno 1979 blijkt op hun derde genaamd Living in the 20th Century het nodige veranderd. De hoes is in kleur, waarbij de vier voor het Atomium poseren. Twee van de leden lachen vrolijk, als signaal van de toegankelijker en zonniger muziek. Deze is bovendien meestal minder rauw, echter zonder energie te verliezen. Een Duitse editie kreeg dat jaar overigens een witte hoes.
Al in opener Tonight valt een volgende verandering op: de bijdrage van een vrouwenkoortje in het refrein, wat vaker op de plaat het geval zal zijn. Het blijkt goed te werken, mede omdat de productie alweer beter is. Met dank aan nieuwe producer Sylvain Vanholme (op de hoes en het label als Van Holme vermeld).
De sfeer is dus opgeruimder, zoals op Something Better to Do waar ook een saxofoon klinkt. In contrast hiermee neigt Queen of Spades lichtelijk naar sombere, neurotische postpunk waarmee Joy Division datzelfde jaar debuteerde. Tegenpolen die twee nummers, tegelijkertijd helemaal herkenbaar The Kids.
Andere hoogtepunten: Leave Me Alone dankzij z’n swing, Do You Wanna Know omdat hier de punk terugkeert zij het met de mondhoeken omhoog, het riffende I’m Your Mirror met weer zo’n koortje en het snelle Dance the Night Away.
Met afsluiter Louie Louie is dan toch nog de voorliefde van frontman Ludo Mariman voor r&b te horen: oorspronkelijk van Richard Berry uit 1955, bekender in de versie van 1963 van The Kingsmen. Leuk om te vermelden is dat Raymond Van Het Groenewoud orgel speelt.
Letterlijk genomen is dit postpunk, The Kids waren immers grotendeels voorbij punk, waarbij ook boze teksten passé zijn. Maar hier geen sombere sferen; in plaats daarvan een open benadering met enkele lekkere popliedjes in bruisende jasjes. Een Amerikaanse variant daarvan kom ik tegen bij mijn volgende halte, aangezien ik de eersteling van The Specials al eerder besprak. Op naar het debuut van The Knack.
In het jaar ervoor bracht het Belgische The Kids maar liefst twee albums uit met rudimentaire, vooral boze punk. Op het debuut een trio met soms in de muziek invloeden uit klassieke r&b / jaren ’50 rock ‘n’ roll, op de tweede een kwartet met de liedjes beter geproduceerd.
Anno 1979 blijkt op hun derde genaamd Living in the 20th Century het nodige veranderd. De hoes is in kleur, waarbij de vier voor het Atomium poseren. Twee van de leden lachen vrolijk, als signaal van de toegankelijker en zonniger muziek. Deze is bovendien meestal minder rauw, echter zonder energie te verliezen. Een Duitse editie kreeg dat jaar overigens een witte hoes.
Al in opener Tonight valt een volgende verandering op: de bijdrage van een vrouwenkoortje in het refrein, wat vaker op de plaat het geval zal zijn. Het blijkt goed te werken, mede omdat de productie alweer beter is. Met dank aan nieuwe producer Sylvain Vanholme (op de hoes en het label als Van Holme vermeld).
De sfeer is dus opgeruimder, zoals op Something Better to Do waar ook een saxofoon klinkt. In contrast hiermee neigt Queen of Spades lichtelijk naar sombere, neurotische postpunk waarmee Joy Division datzelfde jaar debuteerde. Tegenpolen die twee nummers, tegelijkertijd helemaal herkenbaar The Kids.
Andere hoogtepunten: Leave Me Alone dankzij z’n swing, Do You Wanna Know omdat hier de punk terugkeert zij het met de mondhoeken omhoog, het riffende I’m Your Mirror met weer zo’n koortje en het snelle Dance the Night Away.
Met afsluiter Louie Louie is dan toch nog de voorliefde van frontman Ludo Mariman voor r&b te horen: oorspronkelijk van Richard Berry uit 1955, bekender in de versie van 1963 van The Kingsmen. Leuk om te vermelden is dat Raymond Van Het Groenewoud orgel speelt.
Letterlijk genomen is dit postpunk, The Kids waren immers grotendeels voorbij punk, waarbij ook boze teksten passé zijn. Maar hier geen sombere sferen; in plaats daarvan een open benadering met enkele lekkere popliedjes in bruisende jasjes. Een Amerikaanse variant daarvan kom ik tegen bij mijn volgende halte, aangezien ik de eersteling van The Specials al eerder besprak. Op naar het debuut van The Knack.
The Kids - Naughty Kids (1978)

3,5
1
geplaatst: 18 september 2024, 08:18 uur
PS - Onlangs las ik over Raymond Van Het Groenewoud, die verhaalde hoe moeilijk het in de jaren '70 was om de gitaren te laten scheuren in het bijzijn van Belgische studiotechnici, die gericht waren op een "beschaafder" geluid. Wat dat betreft heeft wellicht het succes van Plastic Bertrand geholpen, want bij The Kids lukte dat inmiddels wel. Alleen daarom al zijn The Kids belangrijk voor de ontwikkeling van Belpop geweest.
The Kids - The Kids (1978)

3,5
1
geplaatst: 13 september 2024, 16:39 uur
Op reis door new wave keer ik terug naar 1978. De exacte verschijningsmaand van dit debuut van The Kids kon ik niet vinden; wél dat de opvolger in hetzelfde 1978 verscheen, maar dan acht maanden later. Ik houd het er daarom op dat debuut The Kids medio maart verscheen.
Belangrijker is dat hier knallende punk klinkt in ongepolijste lo-fi productie. Korte nummers, in een dikke 28 minuten komen er twaalf voorbij. En dat gewoon uit Antwerpen, in niets onderdoend voor hun Britse collega's met in de gelederen de dan veertienjarige bassist Danny De Haes, drummer Eddy De Haes en frontman Ludo Mariman.
Fascist Cops groeide uit tot een cultklassieker, net even wat lekkerder vind ik Do You Love the Nazis. Fijn is ook Old D.J.'s met z'n vinnige schreeuwzang en eerlijk de tekst van slotlied Money Is All I Need. Regelmatig kan in Marimans riffs oerrock 'n' roll worden herkend, alsof Chuck Berry's gitaarpartijen liefdevol door de gehaktmolen zijn gehaald en opgevoerd.
Indertijd verscheen de plaat via Philips, maar ook in Italië was via Fonit Cetra een uitgave. In 2007 volgde een Noord-Amerikaanse vinyluitgave met bonussen en in 2021 verscheen een cd-editie met eveneens veertien nummers.
Enne... vergis ik me of is deze Danny De Haes dezelfde als de striptekenaar? Iemand die meer weet?
Mijn reis door new wave vervolgt. Het vorige station was Wave (1979) van de Patti Smith Group, ik vervolg bij de tweede van The Kids, die medio november 1978 verscheen.
Belangrijker is dat hier knallende punk klinkt in ongepolijste lo-fi productie. Korte nummers, in een dikke 28 minuten komen er twaalf voorbij. En dat gewoon uit Antwerpen, in niets onderdoend voor hun Britse collega's met in de gelederen de dan veertienjarige bassist Danny De Haes, drummer Eddy De Haes en frontman Ludo Mariman.
Fascist Cops groeide uit tot een cultklassieker, net even wat lekkerder vind ik Do You Love the Nazis. Fijn is ook Old D.J.'s met z'n vinnige schreeuwzang en eerlijk de tekst van slotlied Money Is All I Need. Regelmatig kan in Marimans riffs oerrock 'n' roll worden herkend, alsof Chuck Berry's gitaarpartijen liefdevol door de gehaktmolen zijn gehaald en opgevoerd.
Indertijd verscheen de plaat via Philips, maar ook in Italië was via Fonit Cetra een uitgave. In 2007 volgde een Noord-Amerikaanse vinyluitgave met bonussen en in 2021 verscheen een cd-editie met eveneens veertien nummers.
Enne... vergis ik me of is deze Danny De Haes dezelfde als de striptekenaar? Iemand die meer weet?
Mijn reis door new wave vervolgt. Het vorige station was Wave (1979) van de Patti Smith Group, ik vervolg bij de tweede van The Kids, die medio november 1978 verscheen.
The Knack - ...But the Little Girls Understand (1980)

3,0
1
geplaatst: 8 februari 2025, 12:08 uur
De opvolger van de grote voorganger Get the Knack met daarop instanthit My Sharona. Kun je een stukje over de groep tegenkomen zonder dat dat nummer wordt genoemd?
Ook ik ontkom er niet aan. Belangrijker is dat de groep er niet aan ontkwam: een nummer moeten schrijven met dezelfde urgentie als De Hit. En zo staan er op ...But the Little Girls Understand - alweer een verwijzing naar veel jongere meisjes, was dat hun gevoel voor humor? - twee nummers die erop lijken: Baby Talks Dirty haalde in de VS in maart #38 en Can't Put a Price on Love in april #62. Bij ons en de omringende landen geen succes. Wel herinner ik me dat Veronica in hun beperkte zendtijd aandacht besteedden door af en toe een single te draaien. Het paste bij hun imago: jong, wild én catchy.
Veel valt te genieten van het drumwerk van Bruce Gary. Net als op het debuut enorm energiek en gevarieerd. Dat geldt helaas niet voor overige composities, al hoor je dat ze het hard probeerden. Sterker nog, de tekst op de achterzijde van de hoes doet z'n best daar een grap van te maken.
Zo zitten in Mr. Handleman piano en castagnetten, pogingen om hun geluid te verbreden. Best aardig. Het snelle Hold on Tight and Don't Let Go hebben eveneens iets geforceerds, net als het tweestemmige It's You. Al zijn dit echt geen slechte nummers, ze pakken me niet. Andere aardige nummers: I Want Ya dat kant 2 aftrapt en The Hard Way, dat eveneens iets van My Sharona heeft.
In The Feeling I Get en vooral How Can Love Hurt So Much haalt producer Mike Chapman een jaren '60 wall of sound van stal, waarbij ook strijkers. Werkt niet, tenzij je smaak bij een zoete Gerry & The Pacemakers ligt. In maart 1980 piekte het in de VS op #15.
Net als de voorganger is het album als geheel toch nét iets beter dan ik verwachtte. Een krappe 6 als schoolcijfer. Ik ben op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave. Deze kwam van de Britse powerpop van The Vapors en omdat ik Get Happy!! van Elvis Costello & The Attractions eerder besprak, vervolg ik bij de tweede van de Noord-Ierse punkgroep Stiff Little Fingers.
Ook ik ontkom er niet aan. Belangrijker is dat de groep er niet aan ontkwam: een nummer moeten schrijven met dezelfde urgentie als De Hit. En zo staan er op ...But the Little Girls Understand - alweer een verwijzing naar veel jongere meisjes, was dat hun gevoel voor humor? - twee nummers die erop lijken: Baby Talks Dirty haalde in de VS in maart #38 en Can't Put a Price on Love in april #62. Bij ons en de omringende landen geen succes. Wel herinner ik me dat Veronica in hun beperkte zendtijd aandacht besteedden door af en toe een single te draaien. Het paste bij hun imago: jong, wild én catchy.
Veel valt te genieten van het drumwerk van Bruce Gary. Net als op het debuut enorm energiek en gevarieerd. Dat geldt helaas niet voor overige composities, al hoor je dat ze het hard probeerden. Sterker nog, de tekst op de achterzijde van de hoes doet z'n best daar een grap van te maken.
Zo zitten in Mr. Handleman piano en castagnetten, pogingen om hun geluid te verbreden. Best aardig. Het snelle Hold on Tight and Don't Let Go hebben eveneens iets geforceerds, net als het tweestemmige It's You. Al zijn dit echt geen slechte nummers, ze pakken me niet. Andere aardige nummers: I Want Ya dat kant 2 aftrapt en The Hard Way, dat eveneens iets van My Sharona heeft.
In The Feeling I Get en vooral How Can Love Hurt So Much haalt producer Mike Chapman een jaren '60 wall of sound van stal, waarbij ook strijkers. Werkt niet, tenzij je smaak bij een zoete Gerry & The Pacemakers ligt. In maart 1980 piekte het in de VS op #15.
Net als de voorganger is het album als geheel toch nét iets beter dan ik verwachtte. Een krappe 6 als schoolcijfer. Ik ben op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave. Deze kwam van de Britse powerpop van The Vapors en omdat ik Get Happy!! van Elvis Costello & The Attractions eerder besprak, vervolg ik bij de tweede van de Noord-Ierse punkgroep Stiff Little Fingers.
The Knack - Get The Knack (1979)

3,5
1
geplaatst: 25 september 2024, 21:23 uur
Het Californische The Knack is met hun powerpop de volgende naam in mijn reis door new wave. Vorige station was de sterke derde van The Kids, die punk verruilden voor toegankelijker maar pittige (power)pop.
Die toegankelijkheid stond centraal bij The Knack, dat destijds weerzin opriep door te claimen dat ze dezelfde sensatie wilden oproepen als indertijd The Beatles deden. Anno 2024 richt ik me vooral op de muziek.
Uiteraard leerde ook ik de groep destijds kennen via My Sharona. In de Nationale Hitparade reikte het in september 1979 tot #13, waarbij in de singleversie het solodeel ontbreekt, waardoor die bijna een minuut korter is. Duidelijk een nummer dat ontstond tijdens het jammen met z'n parallelle drum-, bas- en gitaarlick.
Hierboven gaat het bijna alleen maar over dat nummer, maar ik hoor meer hoogtepuntjes op Get the Knack. Dragende krachten zijn zanger/gitarist Doug Fieger en sologitarist Berton Averre, die samen de meeste liedjes schreven. Het resulteert meestal in vrolijke, energieke powerpop, waarbij de ritmesectie van bassist Prescott Niles en vooral drummer Bruce Gary de nodige extra opwinding in het spel legt.
Tweede single was Good Girls Don't met daarin een mondharmonica; in Nederland geflopt maar ik hoorde het op de radio en het nestelde zich in mijn brein.
Andere genietmomenten: opener Let Me Out met zijn koortjes; het heeft wel iets weg van de Britse Buzzcocks. Dat lukt ook bij Your Number or Your Name, in Heartbeat de invloeden van de jaren '60 waar de groep mee koketteerde. Het ernstiger Siamese Twins (The Monkey and Me) lijkt over een ongenode verslaving te gaan en lekkere gitaarpop met goede melodie en pakkende koortjes in That's What the Little Girls Do. Zeven van de twaalf nummers, niet slecht toch?
Een groep die baat heeft bij uptempo nummers, scherp vastgelegd door de Australische producer Mike Chapman, in de jaren '70 bekend geworden door zijn Britse glamrockproducties. Niet zo goed als ze claimden te zijn, maar desondanks smakelijk. Al zit er iets in de opmerkingen die hierboven werden gemaakt over de fascinatie met jongedames. Ik houd het er maar op dat de vier van The Knack niet bedoelden wat wij vrezen.
De reis door new wave uit 1979 gaat verder. Drums and Wires van XTC besprak ik al, net als The Raven van The Stranglers. En dus land ik bij de rauwe punk van Angelic Upstarts en hun debuut Teenage Warning.
Die toegankelijkheid stond centraal bij The Knack, dat destijds weerzin opriep door te claimen dat ze dezelfde sensatie wilden oproepen als indertijd The Beatles deden. Anno 2024 richt ik me vooral op de muziek.
Uiteraard leerde ook ik de groep destijds kennen via My Sharona. In de Nationale Hitparade reikte het in september 1979 tot #13, waarbij in de singleversie het solodeel ontbreekt, waardoor die bijna een minuut korter is. Duidelijk een nummer dat ontstond tijdens het jammen met z'n parallelle drum-, bas- en gitaarlick.
Hierboven gaat het bijna alleen maar over dat nummer, maar ik hoor meer hoogtepuntjes op Get the Knack. Dragende krachten zijn zanger/gitarist Doug Fieger en sologitarist Berton Averre, die samen de meeste liedjes schreven. Het resulteert meestal in vrolijke, energieke powerpop, waarbij de ritmesectie van bassist Prescott Niles en vooral drummer Bruce Gary de nodige extra opwinding in het spel legt.
Tweede single was Good Girls Don't met daarin een mondharmonica; in Nederland geflopt maar ik hoorde het op de radio en het nestelde zich in mijn brein.
Andere genietmomenten: opener Let Me Out met zijn koortjes; het heeft wel iets weg van de Britse Buzzcocks. Dat lukt ook bij Your Number or Your Name, in Heartbeat de invloeden van de jaren '60 waar de groep mee koketteerde. Het ernstiger Siamese Twins (The Monkey and Me) lijkt over een ongenode verslaving te gaan en lekkere gitaarpop met goede melodie en pakkende koortjes in That's What the Little Girls Do. Zeven van de twaalf nummers, niet slecht toch?
Een groep die baat heeft bij uptempo nummers, scherp vastgelegd door de Australische producer Mike Chapman, in de jaren '70 bekend geworden door zijn Britse glamrockproducties. Niet zo goed als ze claimden te zijn, maar desondanks smakelijk. Al zit er iets in de opmerkingen die hierboven werden gemaakt over de fascinatie met jongedames. Ik houd het er maar op dat de vier van The Knack niet bedoelden wat wij vrezen.
De reis door new wave uit 1979 gaat verder. Drums and Wires van XTC besprak ik al, net als The Raven van The Stranglers. En dus land ik bij de rauwe punk van Angelic Upstarts en hun debuut Teenage Warning.
The Last Dinner Party - From the Pyre (2025)

4,0
1
geplaatst: 2 november 2025, 21:42 uur
The Last Dinner Party en hun tweede album From the Pyre: het wennen is voorbij, het genieten zeker niet. Eerst de wiegende 6/8-maat van opener Agnus Dei: de ode aan countryzanger Lee Hazlewood die wordt gekoppeld aan het Lam Gods, bekend bij gelovigen, kunstliefhebbers en Gentenaren.
Bij het debuut klonken vergelijkingen over kruisbestuivingen van pakkumbeet Abba tot Queen. Pop en rock. Die vergelijkingen kun je hier opnieuw doen en al ligt de balans wat meer op rock, met zang en soms uitbundige arrangementen is dit herkenbaar The Last Dinner Party.
Hoe liefde omsloeg in haat vertelt het eveneens popachtige Count the Ways, Second Best heeft iets van Roxy Music en is met het daarop volgende Rifle mijn favoriet. Op kant 2 een rustpuntje met Sail Away, gevolgd door volle radiopop van The Skythe. Meer religieuze verwijzingen in het fladderende slot Inferno.
Ik waag me niet aan vergelijkingen met hetgeen Kate Bush en Siouxsie Sioux eind jaren '70 deden via hun eerste twee albums, die eveneens succesvol waren: Bush haalde de Britse #3 en 6, Siouxsie #12 en 13. Maar dat was een heel ander, analoog tijdsgewricht en alleen daarom is hen naast TLDP leggen als appels met peren vergelijken.
Of moet ik TLDP met het nu vergelijken? In dat geval zie ik dat ze zich qua verkoop- en streamingcijfers en fanschare (nog?) niet kunnen meten met popkoningin Taylor Swift. Of is een vergelijking met Billie Eilish passender? Opnieuw 'appels met peren', al is het maar de muziekstijlen.
Ik vergelijk maar niet. Laat de muziek het werk doen. From the Pyre blaast me weliswaar niet omver maar brengt wél een eigen geluid. Creatief en fris met meestal sterke liedjes. Een krappe vier sterren.
Bij het debuut klonken vergelijkingen over kruisbestuivingen van pakkumbeet Abba tot Queen. Pop en rock. Die vergelijkingen kun je hier opnieuw doen en al ligt de balans wat meer op rock, met zang en soms uitbundige arrangementen is dit herkenbaar The Last Dinner Party.
Hoe liefde omsloeg in haat vertelt het eveneens popachtige Count the Ways, Second Best heeft iets van Roxy Music en is met het daarop volgende Rifle mijn favoriet. Op kant 2 een rustpuntje met Sail Away, gevolgd door volle radiopop van The Skythe. Meer religieuze verwijzingen in het fladderende slot Inferno.
Ik waag me niet aan vergelijkingen met hetgeen Kate Bush en Siouxsie Sioux eind jaren '70 deden via hun eerste twee albums, die eveneens succesvol waren: Bush haalde de Britse #3 en 6, Siouxsie #12 en 13. Maar dat was een heel ander, analoog tijdsgewricht en alleen daarom is hen naast TLDP leggen als appels met peren vergelijken.
Of moet ik TLDP met het nu vergelijken? In dat geval zie ik dat ze zich qua verkoop- en streamingcijfers en fanschare (nog?) niet kunnen meten met popkoningin Taylor Swift. Of is een vergelijking met Billie Eilish passender? Opnieuw 'appels met peren', al is het maar de muziekstijlen.
Ik vergelijk maar niet. Laat de muziek het werk doen. From the Pyre blaast me weliswaar niet omver maar brengt wél een eigen geluid. Creatief en fris met meestal sterke liedjes. Een krappe vier sterren.
The Last Dinner Party - Prelude to Ecstasy (2024)

4,0
2
geplaatst: 5 februari 2024, 19:50 uur
Het Verenigd Koninkrijk is een land van tradities. Sinds ik als prille tiener naar popmuziek ging luisteren, najaar '76, is het hypen van 'the next big thing' er één. Dat geldt voor alle hypes in alle genres. Soms worden die beloftevolle namen inderdaad groot.
Ik herinner me dat vooral Britse bladen door de decennia heen graag hypeten, om het even welk genre: altijd goed voor de verkoopcijfers van deze magazines en zeg nou zelf: je wilt als hippe lezer toch wel kunnen meepraten?
Op basis van wat ik bij The Last Dinner Party hoor, zou dit inderdaad een hele grote naam kunnen worden. Op Prelude to Ecstasy overheersen aangename pop, afwisseling en pakkende composities. Wat ik ook fijn vind, is dat het niet allemaal digitaal is. Integendeel, hier klinkt een ouderwets bandje: gitaar, bas, drums en sterke zang. Natuurlijk klinken de diverse invloeden die door anderen werden genoemd en ik zou daar nog The Bangles aan kunnen toevoegen, maar wat dan nog?
Zo had ik indertijd bij Blondie allerlei vergelijkingen kunnen trekken met namen uit de jaren '60 en daarna, mits ik ouder was geweest. Maar ik was twaalf en vond het gewoon frisse liedjes van mensen die er ook nog eens goed uitzagen. Die categorie muziek-plus-imago klinkt ook hier. Mijn favootjes zijn Caesar on a TV Screen, The Feminine Urge, My Lady of Mercy, Nothing Matters - allemaal uptempo.
Kwaliteitspop, volgens mij uitermate geschikt voor de hitlijsten. Afgelopen vrijdag deden ze nog niets in de Nederlandse Top 40 en Dutch Charts en hetzelfde geldt voor de Vlaamse Ultratop. In het Verenigd Koninkrijk wel: tot dusver #22 voor single Nothing Matters en voor komende vrijdag wordt verwacht dat dit debuutalbum daar #1 haalt.
Lijkt me een uitermate geschikte groep voor NPO Radio 2, maar die zender heeft momenteel een jaren '80-week en moet dus even passen qua nieuwe muziek. Roodbeens Radar (iedere ochtend rond kwart voor 8 te horen op de zender) heeft het nog niet opgepakt, terwijl de muziek wel uiterst geschikt is voor het format en de sfeer van dat programma. Help, we missen een hype(je)!
Dat geldt niet voor 3FM, dat al in november over de groep berichtte en in januari dit Britse nieuws bracht.
Een 8 als schoolcijfer; gaucho, ben benieuwd naar je mening...
Ik herinner me dat vooral Britse bladen door de decennia heen graag hypeten, om het even welk genre: altijd goed voor de verkoopcijfers van deze magazines en zeg nou zelf: je wilt als hippe lezer toch wel kunnen meepraten?
Op basis van wat ik bij The Last Dinner Party hoor, zou dit inderdaad een hele grote naam kunnen worden. Op Prelude to Ecstasy overheersen aangename pop, afwisseling en pakkende composities. Wat ik ook fijn vind, is dat het niet allemaal digitaal is. Integendeel, hier klinkt een ouderwets bandje: gitaar, bas, drums en sterke zang. Natuurlijk klinken de diverse invloeden die door anderen werden genoemd en ik zou daar nog The Bangles aan kunnen toevoegen, maar wat dan nog?
Zo had ik indertijd bij Blondie allerlei vergelijkingen kunnen trekken met namen uit de jaren '60 en daarna, mits ik ouder was geweest. Maar ik was twaalf en vond het gewoon frisse liedjes van mensen die er ook nog eens goed uitzagen. Die categorie muziek-plus-imago klinkt ook hier. Mijn favootjes zijn Caesar on a TV Screen, The Feminine Urge, My Lady of Mercy, Nothing Matters - allemaal uptempo.
Kwaliteitspop, volgens mij uitermate geschikt voor de hitlijsten. Afgelopen vrijdag deden ze nog niets in de Nederlandse Top 40 en Dutch Charts en hetzelfde geldt voor de Vlaamse Ultratop. In het Verenigd Koninkrijk wel: tot dusver #22 voor single Nothing Matters en voor komende vrijdag wordt verwacht dat dit debuutalbum daar #1 haalt.
Lijkt me een uitermate geschikte groep voor NPO Radio 2, maar die zender heeft momenteel een jaren '80-week en moet dus even passen qua nieuwe muziek. Roodbeens Radar (iedere ochtend rond kwart voor 8 te horen op de zender) heeft het nog niet opgepakt, terwijl de muziek wel uiterst geschikt is voor het format en de sfeer van dat programma. Help, we missen een hype(je)!
Dat geldt niet voor 3FM, dat al in november over de groep berichtte en in januari dit Britse nieuws bracht.
Een 8 als schoolcijfer; gaucho, ben benieuwd naar je mening...
The Lou Gramm Band - The Lou Gramm Band (2009)

4,0
0
geplaatst: 21 december 2024, 15:30 uur
Het tot dusver enige album van The Lou Gramm Band is muzikaal vergelijkbaar met het beste jaren '80-werk van zijn voormalige groep Foreigner, met als verschil dat nu niet de (gebroken) liefde voor een vrouw wordt bezongen, maar hoe de zanger ondanks de nodige troebelen (drugs, gezondheid) als een gelovig mens in het leven staat.
Gitarist is Donald Mancuso, zijn maatje uit hun eerste professionele groep Black Sheep. Verschenen bij Frontiers krijgen we de bij dit label passende hoge kwaliteit, ook qua productie. Opener Baptized by Fire is ijzersterk met zo'n ouderwets pakkend refrein en hetzelfde lukt met Made to Broken en Willing to Forgive, eveneens uptempo, stevig én melodieus op een warme basis van toetsen.
Verrassend is dat een cover volgt: That's the Way God Planned It (1969) van Billy Preston. Heb het liedje waarschijnlijk voor het laatst in de jaren '80 gehoord, maar wat trekken Gramm en de rest van de groep het nummer naar zich toe! Soulvolle aor is het gevolg.
En zo gaat het door: een vrouwenkoortje in Testify, So Great is eveneens stevig en Redeemer is een midtempo nummer met de zoveelste sterke melodie.
Slechts één nummer valt negatief uit: Single Vision is me qua tekst te Amerikaans-nationalistisch, wat in de muziek van het intro doorklinkt: als een halfslachtig volkslied, qua muziek te pop. Dat komt echter weer goed met Rattle Yer Bones en het slotnummer, dat dan eindelijk de verwachte ballade is. You Saved Me is echter zo doorleefd en opgebouwd met een koor in de finale, dat ik er alsnog voor val. Bonusnummer is It's Not Too Late, een vlot nummer dat niet onderdoet voor de rest.
Gramm is goed bij stem, wat een wonder is gezien de nasleep van een hersentumor in 1997. Alsof ik Foreigner in hun gloriejaren '80 hoor met een sterke balans tussen gitaar en toetsen, pakkende melodieën met als kers op de taart knallende refreinen.
Gitarist is Donald Mancuso, zijn maatje uit hun eerste professionele groep Black Sheep. Verschenen bij Frontiers krijgen we de bij dit label passende hoge kwaliteit, ook qua productie. Opener Baptized by Fire is ijzersterk met zo'n ouderwets pakkend refrein en hetzelfde lukt met Made to Broken en Willing to Forgive, eveneens uptempo, stevig én melodieus op een warme basis van toetsen.
Verrassend is dat een cover volgt: That's the Way God Planned It (1969) van Billy Preston. Heb het liedje waarschijnlijk voor het laatst in de jaren '80 gehoord, maar wat trekken Gramm en de rest van de groep het nummer naar zich toe! Soulvolle aor is het gevolg.
En zo gaat het door: een vrouwenkoortje in Testify, So Great is eveneens stevig en Redeemer is een midtempo nummer met de zoveelste sterke melodie.
Slechts één nummer valt negatief uit: Single Vision is me qua tekst te Amerikaans-nationalistisch, wat in de muziek van het intro doorklinkt: als een halfslachtig volkslied, qua muziek te pop. Dat komt echter weer goed met Rattle Yer Bones en het slotnummer, dat dan eindelijk de verwachte ballade is. You Saved Me is echter zo doorleefd en opgebouwd met een koor in de finale, dat ik er alsnog voor val. Bonusnummer is It's Not Too Late, een vlot nummer dat niet onderdoet voor de rest.
Gramm is goed bij stem, wat een wonder is gezien de nasleep van een hersentumor in 1997. Alsof ik Foreigner in hun gloriejaren '80 hoor met een sterke balans tussen gitaar en toetsen, pakkende melodieën met als kers op de taart knallende refreinen.
The Lovemongers - Battle of Evermore (1993)

4,0
0
geplaatst: 1 juli 2025, 23:06 uur
In 1993 bracht Heart Desire Walks On uit, in hetzelfde jaar verscheen live EP Battle of Evermore van hun "zijproject" The Lovemongers. Nou vind ik de term EP te romantisch voor een cd-maxisingle, maar goed. Vier liedjes waarvan drie covers. Deels akoestisch, dit waren de hoogtijdagen van (MTV) unplugged.
Het titelnummer is één van de beste nummers van Led Zeppelin en ook bij Heart wordt het gedragen door mandoline. Daarna Love of the Common Man van Todd Rundgren, uit de soularchieven komt het met elektrische wahwahgitaar opgeluisterde Papa Was a Rollin' Stone van The Temptations en tot slot Crazy on You van hun eigen Heart, dat een nieuw intro kreeg.
Een beetje fanatieke fan van Heart zou dit schijfje moeten hebben.
Het titelnummer is één van de beste nummers van Led Zeppelin en ook bij Heart wordt het gedragen door mandoline. Daarna Love of the Common Man van Todd Rundgren, uit de soularchieven komt het met elektrische wahwahgitaar opgeluisterde Papa Was a Rollin' Stone van The Temptations en tot slot Crazy on You van hun eigen Heart, dat een nieuw intro kreeg.
Een beetje fanatieke fan van Heart zou dit schijfje moeten hebben.
The Members - 1980 - the Choice Is Yours (1980)

4,0
0
geplaatst: 20 februari 2025, 13:05 uur
Op reis door punk en new wave kom ik vanaf de powerpop van het debuut van The Romantics bij de tweede van The Members. Behorend tot de eerste golf punks in Londen, debuteerden ze pas in 1979 met At the Chelsea Nightclub om in maart 1980 terug te keren met 1980 - The Choice Is Yours. De groep behoort tot de categorie punks die hun muziek nadrukkelijk verbreedt: het album begint met ska via het instrumentale The Ayatollah Harmony, op Clean Man klinkt reggae met blazers, Romance is een stevig en swingend popliedje met koortjes, slotlied Gang War is in de stijl van Bruce Springsteen en The Boomtown Rats, compleet met saxofoon.
Tussendoor klinken vrolijke, melodieze scheurgitaarliedjes met teksten die blij stemmen. Zoals Goodbye to the Job met het nodige gemopper over de baas, die het mooi kan bekijken: doei! En zo volgt het ene na het andere lekkere nummer. Geen van allen wereldschokkend maar steeds plezant. Brian Was heeft een akoestisch intro en ontvouwt zich tot een klein pareltje, Police Car is een cover van Larry Wallis, pionier-producer bij Stiff en daarvoor de allereerste gitarist bij Motörhead.
Album en singles flopten. Ten onrechte, dit blijkt een aangename ontdekking: lieve punk met popsaus. Aanbevolen voor liefhebbers van The Undertones en The Clash en liefhebbers van ska kunnen ook genieten.
En nu naar naar de volgende halte: de debuutelpee van het eigenwijze The Monochrome Set
Tussendoor klinken vrolijke, melodieze scheurgitaarliedjes met teksten die blij stemmen. Zoals Goodbye to the Job met het nodige gemopper over de baas, die het mooi kan bekijken: doei! En zo volgt het ene na het andere lekkere nummer. Geen van allen wereldschokkend maar steeds plezant. Brian Was heeft een akoestisch intro en ontvouwt zich tot een klein pareltje, Police Car is een cover van Larry Wallis, pionier-producer bij Stiff en daarvoor de allereerste gitarist bij Motörhead.
Album en singles flopten. Ten onrechte, dit blijkt een aangename ontdekking: lieve punk met popsaus. Aanbevolen voor liefhebbers van The Undertones en The Clash en liefhebbers van ska kunnen ook genieten.
En nu naar naar de volgende halte: de debuutelpee van het eigenwijze The Monochrome Set
The Members - At the Chelsea Nightclub (1979)

3,5
0
geplaatst: 14 augustus 2024, 08:57 uur
The Members, punkband behorend tot de eerste Britse golf, zij het pas twee jaar na de eerste van The Damned debuterend. Dit met At the Chelsea Nightclub. De groep ontstond in Camberley in de periferie van Londen, een plaats die pas in de 19e eeuw ging groeien dankzij de komst van een tweetal kazernes / army institutes, leert Wikipedia.
Doet dat ertoe? Jazeker: de groep maakte met één nummer furore, te weten The Sound of the Suburbs dat perfect de sfeer van zo'n voorstadje beschrijft. Het haalde in maart 1979 #12 en kreeg een tweede leven in 1991 als titellied van deze verzamelaar met meer groepen uit voorsteden.
Ander leuk feitje: bassist is Andrew Lillywhite, broer van de bekende producer Steve. Die zat dan ook achter de knoppen bij dit helder geproduceerde plaatje.
Als album komt At the Chelsea Nightclub sloompjes op gang met het instrumentale Electricity. Gaandeweg het album wordt duidelijk dat dit niet de ruigste punk is én dat lichte ska en reggae zijn geïntegreerd, zoals de trend in 1979 (The Police, Blondie, Fischer-Z) begon te worden. Reggae klinkt in het refrein van het uptempo Sally, waarmee het album op stoom komt. Met bovendien een fraaie tekst uit het leven van iemand voor wie het leven open ligt: "Everybody's got a day dream, I bet you got one too!"
Energiek is het zeker, vriendelijk ook. Don't Push bijvoorbeeld met z'n skapunkrock. In het vlotte Solitary Confinement blaast een sax mee, in Frustrated Bagshot klinkt in het intro rockabilly.
Over het gehele album de nodige meebrulrefreintjes zoals Sham 69 ook zo goed kon, maar dan... wat keurig. In Stand up and Spit klinkt zelfs dub-reggae, zo sterk had die binnen de punk / wave tot dan toe nog niet geklonken (The Slits debuteerden in september dat jaar).
De hitsingle is dus heel sterk (hier de videoclip) en hetzelfde geldt voor live-afsluiter Chelsea Nightclub, waar meer energie uit de groef spat.
In april '79 werd non-albumsingle Offshore Banking Business #31, in mei klom het album naar #45. At the Chelsea Nightclub? Leuk en (te?) lief, ergens tussen The Jam en The Clash. De groep zou redelijk succesvol blijven, zeker in eigen land en Australië. Bovendien nog altijd actief, ondanks het overlijden van zanger Nicky Tesco in 2022.
Mijn reis door punk en wave kwam van de tweede van Magazine, volgende station is New Values van Iggy Pop.
Doet dat ertoe? Jazeker: de groep maakte met één nummer furore, te weten The Sound of the Suburbs dat perfect de sfeer van zo'n voorstadje beschrijft. Het haalde in maart 1979 #12 en kreeg een tweede leven in 1991 als titellied van deze verzamelaar met meer groepen uit voorsteden.
Ander leuk feitje: bassist is Andrew Lillywhite, broer van de bekende producer Steve. Die zat dan ook achter de knoppen bij dit helder geproduceerde plaatje.
Als album komt At the Chelsea Nightclub sloompjes op gang met het instrumentale Electricity. Gaandeweg het album wordt duidelijk dat dit niet de ruigste punk is én dat lichte ska en reggae zijn geïntegreerd, zoals de trend in 1979 (The Police, Blondie, Fischer-Z) begon te worden. Reggae klinkt in het refrein van het uptempo Sally, waarmee het album op stoom komt. Met bovendien een fraaie tekst uit het leven van iemand voor wie het leven open ligt: "Everybody's got a day dream, I bet you got one too!"
Energiek is het zeker, vriendelijk ook. Don't Push bijvoorbeeld met z'n skapunkrock. In het vlotte Solitary Confinement blaast een sax mee, in Frustrated Bagshot klinkt in het intro rockabilly.
Over het gehele album de nodige meebrulrefreintjes zoals Sham 69 ook zo goed kon, maar dan... wat keurig. In Stand up and Spit klinkt zelfs dub-reggae, zo sterk had die binnen de punk / wave tot dan toe nog niet geklonken (The Slits debuteerden in september dat jaar).
De hitsingle is dus heel sterk (hier de videoclip) en hetzelfde geldt voor live-afsluiter Chelsea Nightclub, waar meer energie uit de groef spat.
In april '79 werd non-albumsingle Offshore Banking Business #31, in mei klom het album naar #45. At the Chelsea Nightclub? Leuk en (te?) lief, ergens tussen The Jam en The Clash. De groep zou redelijk succesvol blijven, zeker in eigen land en Australië. Bovendien nog altijd actief, ondanks het overlijden van zanger Nicky Tesco in 2022.
Mijn reis door punk en wave kwam van de tweede van Magazine, volgende station is New Values van Iggy Pop.
The Michael Schenker Group - Assault Attack (1982)

4,5
5
geplaatst: 19 juni 2023, 22:14 uur
Indertijd weer zo'n middag dat ik bij mijn muziekmaat van school werd uitgenodigd om de nieuwe Michael Schenker Group te horen: Assault Attack was net uit. Ditmaal geproduceerd door onze favoriete producer Martin Birch van het beste album ooit, Black Sabbaths Heaven and Hell, zo vond ik toen. En misschien nog wel.
Nieuw waren zanger Graham Bonnett, die ik op Down to Earth van Rainbow had leren waarderen, met drummer Ted McKenna die ik van het legendarische Stage Struck van Rory Gallagher kende, terwijl toetsenist Tommy Eyre als gastmuzikant te horen was. Hij is eveneens te horen op het diezelfde oktobermaand van 1982 verschenen Corridors of Power van Gary Moore, waarvan ik al één en ander op de Franse (WRTL, Wango Tango) en Britse (BBC, Friday Rock Show) had gehoord.
Birch paste gewoontegetrouw zijn productie aan aan de groep met wie hij werkte, zo het beste uit hen halend. Dus niet dat elke groep in zijn handen hetzelfde klonk, maar juist variatie in aanpak. Heel knap. In dit geval géén gitaarmuren maar een verrassend open klinkend, met warme bastonen vooraan in de mix en een heerlijk rond drumgeluid. Tegelijkertijd scheurde die Schenker weer melodieus als een malle. Derde troef is de stem van Graham Bonnett die zich perfect leent voor de ietwat lome zanglijnen met langgerekte noten.
Bij studioalbum 3 klopte alles, want troef 4 zijn de sterke nummers. Hierboven wordt gediscussieerd over wat nou de beste zijn, maar ik vind gewoon alles goed op het wat tuttige refrein van Dancer na. Het paste bij een heel knap meisje in mijn klas met wie ik soms een eindje meefietste, dat helaas voor een balletopleiding naar het buitenland verhuisde...
Vooral Samurai en Desert Song zijn verrukkelijke oorwurmen, nu al meer dan 40 jaar lang regelmatig opduikend in mijn hoofd. De eerste met die prach-ti-ge melodie met dito tekst, de tweede met een heel spannend intro en opnieuw een prachtige zanglijn.
Chris Glen speelt melodieus en vult zo het open gitaargeluid op aangename wijze. Ted McKenna laat horen dat je niet de vertrokken Cozy Powell nodig hebt voor deze stijl; sterker nog, met deze composities vrees ik dat Powell diverse nummers had platgemept, waar McKenna juist ruimte laat.
De bijdragen van Tommy Eyre zijn spaarzaam maar vullen de muziek aangenaam. Hij is al meer dan twintig jaar geleden overleden, maar dankzij gigage ontdekte ik dat hij hierna Wham! van de broodnodige instrumentale invulling heeft voorzien.
Niet iedereen kan uit de voeten met het afsluitende instrumentale Ulcer, maar wat een sologitaarwerk klinkt hier met bovendien prachtige melodielijnen daaromheen. Schenker was én is een briljant melodieus gitarist. In Oor was Kees Baars eveneens onder de indruk van dit collectief.
Dankzij vielip draait ie hier nu op vinyl, deze hoes wilde ik in het gróót. Ook ik vind dit tot op de dag van vandaag MSG's beste album.
Jammer dat Bonnett zo bizar snel werd ontslagen. Iets met alcohol, ruzie en een gescheurde gulp bij het eerste optreden in deze bezetting. Mijn maat en ik lazen beduusd het nieuws... Ja mannenbroeders, draagt ten allen tijde een onderbokse!
Nieuw waren zanger Graham Bonnett, die ik op Down to Earth van Rainbow had leren waarderen, met drummer Ted McKenna die ik van het legendarische Stage Struck van Rory Gallagher kende, terwijl toetsenist Tommy Eyre als gastmuzikant te horen was. Hij is eveneens te horen op het diezelfde oktobermaand van 1982 verschenen Corridors of Power van Gary Moore, waarvan ik al één en ander op de Franse (WRTL, Wango Tango) en Britse (BBC, Friday Rock Show) had gehoord.
Birch paste gewoontegetrouw zijn productie aan aan de groep met wie hij werkte, zo het beste uit hen halend. Dus niet dat elke groep in zijn handen hetzelfde klonk, maar juist variatie in aanpak. Heel knap. In dit geval géén gitaarmuren maar een verrassend open klinkend, met warme bastonen vooraan in de mix en een heerlijk rond drumgeluid. Tegelijkertijd scheurde die Schenker weer melodieus als een malle. Derde troef is de stem van Graham Bonnett die zich perfect leent voor de ietwat lome zanglijnen met langgerekte noten.
Bij studioalbum 3 klopte alles, want troef 4 zijn de sterke nummers. Hierboven wordt gediscussieerd over wat nou de beste zijn, maar ik vind gewoon alles goed op het wat tuttige refrein van Dancer na. Het paste bij een heel knap meisje in mijn klas met wie ik soms een eindje meefietste, dat helaas voor een balletopleiding naar het buitenland verhuisde...
Vooral Samurai en Desert Song zijn verrukkelijke oorwurmen, nu al meer dan 40 jaar lang regelmatig opduikend in mijn hoofd. De eerste met die prach-ti-ge melodie met dito tekst, de tweede met een heel spannend intro en opnieuw een prachtige zanglijn.
Chris Glen speelt melodieus en vult zo het open gitaargeluid op aangename wijze. Ted McKenna laat horen dat je niet de vertrokken Cozy Powell nodig hebt voor deze stijl; sterker nog, met deze composities vrees ik dat Powell diverse nummers had platgemept, waar McKenna juist ruimte laat.
De bijdragen van Tommy Eyre zijn spaarzaam maar vullen de muziek aangenaam. Hij is al meer dan twintig jaar geleden overleden, maar dankzij gigage ontdekte ik dat hij hierna Wham! van de broodnodige instrumentale invulling heeft voorzien.
Niet iedereen kan uit de voeten met het afsluitende instrumentale Ulcer, maar wat een sologitaarwerk klinkt hier met bovendien prachtige melodielijnen daaromheen. Schenker was én is een briljant melodieus gitarist. In Oor was Kees Baars eveneens onder de indruk van dit collectief.
Dankzij vielip draait ie hier nu op vinyl, deze hoes wilde ik in het gróót. Ook ik vind dit tot op de dag van vandaag MSG's beste album.
Jammer dat Bonnett zo bizar snel werd ontslagen. Iets met alcohol, ruzie en een gescheurde gulp bij het eerste optreden in deze bezetting. Mijn maat en ik lazen beduusd het nieuws... Ja mannenbroeders, draagt ten allen tijde een onderbokse!
The Michael Schenker Group - Built to Destroy (1983)

4,0
0
geplaatst: 13 augustus 2023, 21:52 uur
Voor mij was Built to Destroy de vierde studioplaat van MSG die ik bewust meemaakte, na in 1980/81 te zijn ingestapt met UFO's Strangers in the Night en Schenkers eerste twee platen met MSG. De middelbare school was bij verschijnen in september 1983 net afgerond en met mijn muziekmaatje deelde ik de ervaringen op onze vervolgopleidingen. Uiteraard diende de nieuwe MSG als soundtrack bij ons gesprek; hij was enthousiast over Built to Destroy.
We vonden het “onwijs jammer” dat Graham Bonnet na dat fenomenale Assault Attack alweer was verdwenen, maar fijn dat Gary Barden terugkeerde in plaats dat weer een volgende naam bij de microfoon verscheen. In zijn prachtige recensie legde Lonesome Crow in 2011 uit hoe hij de plaat beleefde. Wij waren echter positiever, zeker de maat die als grote Schenkerfan de plaat had gekocht.
Vijf nummers zette ik in die periode op cassette: Rock My Nights Away vond ik een heerlijk pakkend nummer, beetje popachtig misschien maar een aangenaam liedje in de jukebox van mijn hoofd; The Dogs of War had voor de verandering een politieke boodschap en bovendien is het een sterke compositie; Systems Failing vond ik lekkere melodie hebben, een lekkere toetsenlijn en Bardens stem vind ik hier juist aangenaam; toen ik rond 2008 met mijn kinderen naar museum Nemo in Amsterdam ging, dook in mijn hoofd Captain Nemo op. Hoe klonk dat ook alweer? Het bleek nog altijd een heerlijk instrumentaal nummer dat te kort duurt. Bij afsluiter Rock Will Never Die leek het alsof Schenker weer bij Scorpions zat, een rockballade zoals die groep dat zo goed kan, waarna het op UFO-achtige wijze naar een climax gaat.
Dat de onbekende toetsenist Andy Nye bij de bezetting was gekomen, was een aanwinst; al moest ik met het intro van Time Waits consequent denken aan Net als in de film van Toontje Lager
met dat toetsenlijntje. Maar goed, dat konden ze in Londen ook niet weten.
De afgelopen week voegde ik een favorietje toe: Red Sky is ook een aangenaam stampend met lekkere solo. Overigens is ook op de mindere composities het gitaarwerk voortreffelijk, met het typische geluid van Der Michael. Mooie melodieën met steevast snelle details.
De productie was inderdaad minder dan die van de voorganger, denk niet dat je het werk van Martin Birch kunt evenaren, laat staan overtreffen. Van Lonesome Crow begrijp ik dat het budget op was. Ons stoorde de productie indertijd niet, in tegenstelling tot het afgeknepen geluid van de eerste twee MSG's. Gewoon extra hard zetten, zoals mijn maatje deed. Hij droeg niet voor niets een kapotte weerstand om zijn nek, gevolg van het opblazen van zijn versterker, enige tijd daarvoor.
Pas eergisteren ontdekte ik dat er ook van dit album een Amerikaanse mix is verschenen, net als Whitesnake zou doen met Slide it In. Gedaan door ene Jack Douglas en al in datzelfde '83 verschenen. Ook bij MSG is de trackvolgorde veranderd en vooral de toetsen liggen er wat dikker op. Al sinds 2009 op 2cd verkrijgbaar, compleet gemist door mij.
Grootste verschil hoor ik bij mijn überfavoriet van dit album, Rock My Nights Away dat een ander intro heeft en een elektrische piano in het thema; en het matige Still Love that Little Devil wordt hier gezongen door Derek St. Holmes, waarbij het een filler blijft.
MuMe geeft aan dat St. Holmes op alle tracks zingt, maar volgens Discogs klopt dat niet, zie de credits. Iemand die de US-versie fysiek in huis heeft en meer weet?
Wat betreft de hoes en albumtitel weet ik meer: het idee daarvoor ontstond toen Schenker bij een ruzie met zijn gitaar op een auto had staan meppen, wat gezien werd door de politie. Hoe je van iets kwaads iets moois kunt maken.
Als mijn geheugen me niet bedriegt, was ons onbekend dat Schenker eind '83 de stekker uit MSG trok. Daarom vonden we het vreemd dat er al in 1984 een tweede livealbum van de groep verscheen. Op naar dat Rock Will Never Die, het voorlopige afscheid van MSG.
We vonden het “onwijs jammer” dat Graham Bonnet na dat fenomenale Assault Attack alweer was verdwenen, maar fijn dat Gary Barden terugkeerde in plaats dat weer een volgende naam bij de microfoon verscheen. In zijn prachtige recensie legde Lonesome Crow in 2011 uit hoe hij de plaat beleefde. Wij waren echter positiever, zeker de maat die als grote Schenkerfan de plaat had gekocht.
Vijf nummers zette ik in die periode op cassette: Rock My Nights Away vond ik een heerlijk pakkend nummer, beetje popachtig misschien maar een aangenaam liedje in de jukebox van mijn hoofd; The Dogs of War had voor de verandering een politieke boodschap en bovendien is het een sterke compositie; Systems Failing vond ik lekkere melodie hebben, een lekkere toetsenlijn en Bardens stem vind ik hier juist aangenaam; toen ik rond 2008 met mijn kinderen naar museum Nemo in Amsterdam ging, dook in mijn hoofd Captain Nemo op. Hoe klonk dat ook alweer? Het bleek nog altijd een heerlijk instrumentaal nummer dat te kort duurt. Bij afsluiter Rock Will Never Die leek het alsof Schenker weer bij Scorpions zat, een rockballade zoals die groep dat zo goed kan, waarna het op UFO-achtige wijze naar een climax gaat.
Dat de onbekende toetsenist Andy Nye bij de bezetting was gekomen, was een aanwinst; al moest ik met het intro van Time Waits consequent denken aan Net als in de film van Toontje Lager
met dat toetsenlijntje. Maar goed, dat konden ze in Londen ook niet weten.De afgelopen week voegde ik een favorietje toe: Red Sky is ook een aangenaam stampend met lekkere solo. Overigens is ook op de mindere composities het gitaarwerk voortreffelijk, met het typische geluid van Der Michael. Mooie melodieën met steevast snelle details.
De productie was inderdaad minder dan die van de voorganger, denk niet dat je het werk van Martin Birch kunt evenaren, laat staan overtreffen. Van Lonesome Crow begrijp ik dat het budget op was. Ons stoorde de productie indertijd niet, in tegenstelling tot het afgeknepen geluid van de eerste twee MSG's. Gewoon extra hard zetten, zoals mijn maatje deed. Hij droeg niet voor niets een kapotte weerstand om zijn nek, gevolg van het opblazen van zijn versterker, enige tijd daarvoor.
Pas eergisteren ontdekte ik dat er ook van dit album een Amerikaanse mix is verschenen, net als Whitesnake zou doen met Slide it In. Gedaan door ene Jack Douglas en al in datzelfde '83 verschenen. Ook bij MSG is de trackvolgorde veranderd en vooral de toetsen liggen er wat dikker op. Al sinds 2009 op 2cd verkrijgbaar, compleet gemist door mij.
Grootste verschil hoor ik bij mijn überfavoriet van dit album, Rock My Nights Away dat een ander intro heeft en een elektrische piano in het thema; en het matige Still Love that Little Devil wordt hier gezongen door Derek St. Holmes, waarbij het een filler blijft.
MuMe geeft aan dat St. Holmes op alle tracks zingt, maar volgens Discogs klopt dat niet, zie de credits. Iemand die de US-versie fysiek in huis heeft en meer weet?
Wat betreft de hoes en albumtitel weet ik meer: het idee daarvoor ontstond toen Schenker bij een ruzie met zijn gitaar op een auto had staan meppen, wat gezien werd door de politie. Hoe je van iets kwaads iets moois kunt maken.
Als mijn geheugen me niet bedriegt, was ons onbekend dat Schenker eind '83 de stekker uit MSG trok. Daarom vonden we het vreemd dat er al in 1984 een tweede livealbum van de groep verscheen. Op naar dat Rock Will Never Die, het voorlopige afscheid van MSG.
The Michael Schenker Group - MSG (1981)

3,5
1
geplaatst: 29 oktober 2022, 15:17 uur
In het boek 'High Stakes & Dangerous Men: The UFO Story (2013) van Neil Daniels volgt de auteur ook zijdelings de avonturen van UFO's voormalige gitarist, nadat deze de band in 1978 had verlaten.
Zo lees ik het volgende. Tijdens de opnamen van zijn solodebuut was Michael Schenker zwaar aan de alcohol, maar ten tijde van de opvolger had hij zichzelf bij de haren gegrepen. Reden dat Paul Raymond, toetsenist en gitarist in UFO, nu wél de overstap maakte, na een jaar eerder te hebben geweigerd. Extra verlokkelijk was dat drummer Cozy Powell deel uitmaakte van de bezetting: Raymond schatte in dat UFO het beste had gehad en dat de toekomst bij MSG lag.
De productie werd gedaan door de toen al vermaarde Ron Nevison, die van ’77 tot ’79 twee studio- en één liveplaat produceerde voor UFO, toen nog met Schenker in de bezetting. Toch vind ik net als op het debuut de drumpartijen niet de speakers uitknallen. Bovendien vlamt Powell nergens als voorheen bij Rainbow; zijn spel is soberder.
Mijn muziekmaatje van school was echter wederom enthousiast. Daarentegen had ik Kees Baars in Oor aan mijn zijde, lees ik hier (even doorscrollen) terug.
Briljant vond ik On and On, door het übersterke refrein en de klavecimbelklanken die uit het keyboard van Raymond komen. In datzelfde 1982 scoorden The Stranglers met Golden Brown, waar diezelfde toetsengeluiden te horen zijn. Hier bij MSG is dit een oorwurm die tot op de dag van vandaag zó lekker is gebleven, mede door de twee gitaarsolo’s van Schenker!
Opener Ready to Rock is precies de uptempo rocker die de tekst aangeeft, zeer geschikt om een concert mee te beginnen. Indertijd hield deze puistenkop daarvan. Voor nu vind ik het bij een concert met een glas bier uit plastic beker meer dan prima, maar eigenlijk was het toen al vrij uitgekauwd wat betreft riff en tekst.
Indertijd werden Attack of the Mad Axeman en Let Sleeping Dogs Lie hoogtepunten in de liveset, maar mij deden ze niet zoveel. Zeker niet in deze studioversies, waar Barden in de hogere zangregionen (Attack) bepaald niet overtuigt. Favorieten van de bandleider door diens gitaarwerk vermoed ik, wat ik helemaal begrijp.
Op de B-zijde opent But I Want More, waarvan je met z’n zeven minuten meer zou verwachten. Geen epische gitaarsolo bijvoorbeeld. De songtitel slaat de spijker op den kop.
Destijds deed ook Never Trust a Stranger me niet zoveel, tegenwoordig valt me op dat dit door Paul Raymond geschreven nummer eigenlijk een popsong is met een hele fraaie melodie. Uiterst melodieus maar lekker ontspannen na alle muziek in de sfeer van “we wanna make you rock”. Én een fijne gitaarsolo, meld ik met terugwerkende kracht naar meneer Baars.
Op Looking for Love krijg ik het gevoel naar een liedje van Schenkers oude bandje Scorpions te luisteren. Het uptempo nummer heeft een pakkende melodie met een sluw “aaah-haa” koortje en is tegelijkertijd stevig. Het klinkt ook wel als het vocale vervolg van Into the Arena van de debuutplaat, een prima nummer dus.
Secondary Motion sluit af. Het is midtempo en wederom is te horen dat Gary Barden in de hoge regionen gaat knijpen. Oei. Te matig om een album mee af te sluiten, ook qua gitaarwerk.
Sindsdien verscheen het album in een cd-bonusversie met als aftrap de ‘rough monitor mix’ van Never Trust a Stranger. Duidelijk is wederom dat Barden, alhoewel zijn bereik regelmatig te beperkt was voor de gevraagde zanglijnen, aangenaam klinkt als hij daarbinnen blijft zoals hier.
Vervolgens klinkt een liveset uit 1980 met onder meer de drie nummers die sinds 1978 eveneens standaard UFO’s liveset UFO afsluiten: Shoot Shoot, Doctor Doctor en Lights Out. De bonussen zijn ook op streaming te vinden.
Ik zou zó graag eens met mijn maatje van toen dit album willen herbeluisteren, discussiëren over wat er wel en niet goed was, of Schenker wel genoeg vlamt in zijn gitaarsolo’s (had meer gekund) en of de MSG-liveversies in het bonusdeel beter zijn dan die van UFO. Kortom, genieten van de vriendschap. Helaas helaas helaas, dat kan niet meer.
Schenkers tweede klinkt qua productie iets sterker dan het debuut, maar een epische kraker als Lost Horizons op dat debuut ontbreekt, waarbij het noodzakelijke vuurwerk te schaars is. Het is 'm wederom net niet.
Zo lees ik het volgende. Tijdens de opnamen van zijn solodebuut was Michael Schenker zwaar aan de alcohol, maar ten tijde van de opvolger had hij zichzelf bij de haren gegrepen. Reden dat Paul Raymond, toetsenist en gitarist in UFO, nu wél de overstap maakte, na een jaar eerder te hebben geweigerd. Extra verlokkelijk was dat drummer Cozy Powell deel uitmaakte van de bezetting: Raymond schatte in dat UFO het beste had gehad en dat de toekomst bij MSG lag.
De productie werd gedaan door de toen al vermaarde Ron Nevison, die van ’77 tot ’79 twee studio- en één liveplaat produceerde voor UFO, toen nog met Schenker in de bezetting. Toch vind ik net als op het debuut de drumpartijen niet de speakers uitknallen. Bovendien vlamt Powell nergens als voorheen bij Rainbow; zijn spel is soberder.
Mijn muziekmaatje van school was echter wederom enthousiast. Daarentegen had ik Kees Baars in Oor aan mijn zijde, lees ik hier (even doorscrollen) terug.
Briljant vond ik On and On, door het übersterke refrein en de klavecimbelklanken die uit het keyboard van Raymond komen. In datzelfde 1982 scoorden The Stranglers met Golden Brown, waar diezelfde toetsengeluiden te horen zijn. Hier bij MSG is dit een oorwurm die tot op de dag van vandaag zó lekker is gebleven, mede door de twee gitaarsolo’s van Schenker!
Opener Ready to Rock is precies de uptempo rocker die de tekst aangeeft, zeer geschikt om een concert mee te beginnen. Indertijd hield deze puistenkop daarvan. Voor nu vind ik het bij een concert met een glas bier uit plastic beker meer dan prima, maar eigenlijk was het toen al vrij uitgekauwd wat betreft riff en tekst.
Indertijd werden Attack of the Mad Axeman en Let Sleeping Dogs Lie hoogtepunten in de liveset, maar mij deden ze niet zoveel. Zeker niet in deze studioversies, waar Barden in de hogere zangregionen (Attack) bepaald niet overtuigt. Favorieten van de bandleider door diens gitaarwerk vermoed ik, wat ik helemaal begrijp.
Op de B-zijde opent But I Want More, waarvan je met z’n zeven minuten meer zou verwachten. Geen epische gitaarsolo bijvoorbeeld. De songtitel slaat de spijker op den kop.
Destijds deed ook Never Trust a Stranger me niet zoveel, tegenwoordig valt me op dat dit door Paul Raymond geschreven nummer eigenlijk een popsong is met een hele fraaie melodie. Uiterst melodieus maar lekker ontspannen na alle muziek in de sfeer van “we wanna make you rock”. Én een fijne gitaarsolo, meld ik met terugwerkende kracht naar meneer Baars.
Op Looking for Love krijg ik het gevoel naar een liedje van Schenkers oude bandje Scorpions te luisteren. Het uptempo nummer heeft een pakkende melodie met een sluw “aaah-haa” koortje en is tegelijkertijd stevig. Het klinkt ook wel als het vocale vervolg van Into the Arena van de debuutplaat, een prima nummer dus.
Secondary Motion sluit af. Het is midtempo en wederom is te horen dat Gary Barden in de hoge regionen gaat knijpen. Oei. Te matig om een album mee af te sluiten, ook qua gitaarwerk.
Sindsdien verscheen het album in een cd-bonusversie met als aftrap de ‘rough monitor mix’ van Never Trust a Stranger. Duidelijk is wederom dat Barden, alhoewel zijn bereik regelmatig te beperkt was voor de gevraagde zanglijnen, aangenaam klinkt als hij daarbinnen blijft zoals hier.
Vervolgens klinkt een liveset uit 1980 met onder meer de drie nummers die sinds 1978 eveneens standaard UFO’s liveset UFO afsluiten: Shoot Shoot, Doctor Doctor en Lights Out. De bonussen zijn ook op streaming te vinden.
Ik zou zó graag eens met mijn maatje van toen dit album willen herbeluisteren, discussiëren over wat er wel en niet goed was, of Schenker wel genoeg vlamt in zijn gitaarsolo’s (had meer gekund) en of de MSG-liveversies in het bonusdeel beter zijn dan die van UFO. Kortom, genieten van de vriendschap. Helaas helaas helaas, dat kan niet meer.
Schenkers tweede klinkt qua productie iets sterker dan het debuut, maar een epische kraker als Lost Horizons op dat debuut ontbreekt, waarbij het noodzakelijke vuurwerk te schaars is. Het is 'm wederom net niet.
The Michael Schenker Group - Rock Will Never Die (1984)

4,0
1
geplaatst: 14 augustus 2023, 14:54 uur
Volgens mij wisten mijn muziekmaatje en ik in 1984 niet dat MSG ter ziele was. Daarom vonden wij het vreemd toen kort voor de zomervakantie '84 Rock Will Never Die - Live! verscheen, slechts drie jaar na de vorige livedubbelaar. De bezetting was dezelfde als op Built met als zesde bandlid (niet op de foto) Derek St. Holmes voor extra gitaar en zang.
Het bevat opnamen van de tour voor Built to Destroy met helaas slechts twee nummers van de sterke voorganger Assault Attack, te weten Rock You To the Ground (alleen op latere bonuseditie te vinden, waar ik naast Barden ook St. Holmes hoor zingen) en Desert Song.
Ik zie ons weer in de kamer van het maatje zitten. We waren gedeeltelijk enthousiast. De eerste tien minuten wennen aan het geluid van de snaredrum. Dat Gary Barden live niet de beste zanger was, bewijst hij in Attack of the Mad Axeman: man man, wat loopt hij daar onnodig te knijpen…
De nummers die ook op One Night at Budokan stonden waren eigenlijk overbodige luxe, waar echter de versie van UFO’s Doctor Doctor met Scorpions’ eigen Rudolf Schenker en Klaus Meine tegenover stond, leuke surprise.Plus de twee nummers van Assault en natuurlijk die van Built. Absolute hoogtepunt vind ik inmiddels het titelnummer: met een iets betere productie had hier de sfeer van UFO's livedubbelaar Strangers in the Night uit de speakers geknald.
Onverwacht verschenen en verre van perfect, is Rock Will Never Die nog altijd een plaatje dat me glimlachend aan zomerse dagen doet denken, passend bij mooie augustusdagen als gisteren en vandaag. Al weet ik nog altijd niet waarom MSG eind '83 zo plotseling stopte. Had vast te maken met Schenkers verslavingen.
Heb eens opgezocht wat de groepsleden in 1984 zijn gaan doen. Barden ging door met het mij onbekende Statetrooper, bassist Chris Glen begon GMT met in de bezetting al Robin McAuley, plus Brian Robertson (ex-Thin Lizzy) en Phil Taylor (ex-Motörhead). Toen dat op niks uitliep heb je hem als buschauffeur in Londen kunnen tegenkomen, totdat hij in 1990 toetrad tot de groep van Ian Gillan.
Drummer Ted McKenna werd sessiedrummer en trad eveneens in '90 toe tot Gillans soloband. Andy Nye tenslotte werd benaderd door Whitesnake als opvolger van Jon Lord, maar bedankte toen bleek dat hij naast het podium moest spelen. Wel werkte hij met John Entwistle van The Who, begon The Kick met UFO-producer Leo Lyons en deed daarbij en daarna allerlei andere projecten.
Het bleef drie jaar stil rond Schenker tot de komst van de McAuley-Schenker Group, waar ik als oude fan niet veel mee kon: ik hoor veel liever Barden dan McAuley zingen. In ieder geval in de studio…
Een vriend van me is tien jaar jonger en denkt juist heel positief over de platen met McAuley. Heeft dus vast te maken met op welk moment je bij Schenker instapte. Wie weet herzie ik mijn mening over dat volgende album, ga ik nog eens uitzoeken!
En wat zou ik graag bij het maatje willen checken of wij indertijd wisten of MSG was opgeheven, maar dat kan helaas niet meer. Zes jaar later kreeg ik bericht dat hij plotseling was overleden. Het maakt dat dit album extra nostalgische waarde voor mij heeft en mede daarom vier sterren, waar ik in een realistischer stemming voor 3,5 zou gaan.
Het bevat opnamen van de tour voor Built to Destroy met helaas slechts twee nummers van de sterke voorganger Assault Attack, te weten Rock You To the Ground (alleen op latere bonuseditie te vinden, waar ik naast Barden ook St. Holmes hoor zingen) en Desert Song.
Ik zie ons weer in de kamer van het maatje zitten. We waren gedeeltelijk enthousiast. De eerste tien minuten wennen aan het geluid van de snaredrum. Dat Gary Barden live niet de beste zanger was, bewijst hij in Attack of the Mad Axeman: man man, wat loopt hij daar onnodig te knijpen…
De nummers die ook op One Night at Budokan stonden waren eigenlijk overbodige luxe, waar echter de versie van UFO’s Doctor Doctor met Scorpions’ eigen Rudolf Schenker en Klaus Meine tegenover stond, leuke surprise.Plus de twee nummers van Assault en natuurlijk die van Built. Absolute hoogtepunt vind ik inmiddels het titelnummer: met een iets betere productie had hier de sfeer van UFO's livedubbelaar Strangers in the Night uit de speakers geknald.
Onverwacht verschenen en verre van perfect, is Rock Will Never Die nog altijd een plaatje dat me glimlachend aan zomerse dagen doet denken, passend bij mooie augustusdagen als gisteren en vandaag. Al weet ik nog altijd niet waarom MSG eind '83 zo plotseling stopte. Had vast te maken met Schenkers verslavingen.
Heb eens opgezocht wat de groepsleden in 1984 zijn gaan doen. Barden ging door met het mij onbekende Statetrooper, bassist Chris Glen begon GMT met in de bezetting al Robin McAuley, plus Brian Robertson (ex-Thin Lizzy) en Phil Taylor (ex-Motörhead). Toen dat op niks uitliep heb je hem als buschauffeur in Londen kunnen tegenkomen, totdat hij in 1990 toetrad tot de groep van Ian Gillan.
Drummer Ted McKenna werd sessiedrummer en trad eveneens in '90 toe tot Gillans soloband. Andy Nye tenslotte werd benaderd door Whitesnake als opvolger van Jon Lord, maar bedankte toen bleek dat hij naast het podium moest spelen. Wel werkte hij met John Entwistle van The Who, begon The Kick met UFO-producer Leo Lyons en deed daarbij en daarna allerlei andere projecten.
Het bleef drie jaar stil rond Schenker tot de komst van de McAuley-Schenker Group, waar ik als oude fan niet veel mee kon: ik hoor veel liever Barden dan McAuley zingen. In ieder geval in de studio…
Een vriend van me is tien jaar jonger en denkt juist heel positief over de platen met McAuley. Heeft dus vast te maken met op welk moment je bij Schenker instapte. Wie weet herzie ik mijn mening over dat volgende album, ga ik nog eens uitzoeken!
En wat zou ik graag bij het maatje willen checken of wij indertijd wisten of MSG was opgeheven, maar dat kan helaas niet meer. Zes jaar later kreeg ik bericht dat hij plotseling was overleden. Het maakt dat dit album extra nostalgische waarde voor mij heeft en mede daarom vier sterren, waar ik in een realistischer stemming voor 3,5 zou gaan.
The Michael Schenker Group - The Michael Schenker Group (1980)

3,5
2
geplaatst: 25 oktober 2022, 09:48 uur
Mijn muziekmaatje en ik mochten ongeveer tegelijk lid worden van de fonotheek in het dorp. Nadat onze pickupnaalden waren goedgekeurd door een meneer met baard, bril en bruine ruitjesblouse, zwaaide in oktober 1980 de deur naar de platenbakken open.
Eén van onze ontdekkingen was UFO's liveklassieker Strangers in the Night en het maatje werd een instant-megafan van Michael Schenker.Gelukkig voor ons stond daar ook Schenkers solodebuut.
Om slechts één reden, hierboven al talloze malen door MuMensen genoemd, werd ik niet dolenthousiast. De drumsound. Alhoewel de songs minimaal prima zijn en het gitaarspel zowel melodieus als snel en spectaculair, werd ik niet meegezogen in de muziek. En dat alleen maar door het blikkerige demogeluid van het slagwerk.
Vreemd dat dit zo mager klinkt, want: Roger Glover op de producersstoel, ex-Purple en inmiddels in Rainbow met Martin Birch als diens leermeester; Schenker met een grote platenmaatschappij (Chrysalis) achter zich en de status van gitaarreus, met naar ik aanneem minimaal een fatsoenlijk budget om het debuut op te nemen. Hoe kon dit zo misgaan?
Laat ik niet overdrijven. Afgezien van het drumgeluid is dit een sterk debuut, waarop Schenker de sterren van de hemel speelt. De composities van Schenker, geschreven met de dan onbekende Gary Barden, zijn minimaal degelijk. Anders dan veel anderen vind ik hem op dit album een prima zanger; niet spectaculair, maar probeer maar eens mee te zingen: dat valt niet mee.
Toch kopieerde ik slechts drie nummers naar een cassettebandje: Armed and Ready, het meeslepende Lost Horizons en het stuwende en gevarieerde Into the Arena, een instrumentale favoriet van Hanneke Kappen die het regelmatig draaide in haar wekelijkse radioprogramma bij de KRO.
Tegenwoordig vallen me bovendien de beide ingetogen nummers op. Ze staan als één na laatste op iedere plaatkant. Bijou Pleasurette is een instrumentaal pareltje, klein en breekbaar. In Tales of Mystery, waarin Schenker ook akoestisch speelt, denk ik aan dat andere bandje waarin hij excelleerde, te weten Scorpions. Barden zingt er aangenaam hees, wat mij dan weer aan de stem van Phil Mogg van UFO doet denken. Als een kruisbestuiving tussen die twee groepen.
De hoes was weer van het kunstzinnige Hypgnosis, qua stijl herkenbaar. Op Discogs ontdekte ik bij enkele heruitgaven dat voor de backcover andere foto's uit diezelfde fotosessie zijn gebruikt, erg leuk. Alleen al qua fotomateriaal is dit debuut een bescheiden kunstwerkje. Ja, dit album vraagt - nee: roept! - om een grote special deluxe uitgave.
Dear mr. Glover, sehr geehrter herr Schenker, is it vielleicht possible that you do a remixing of the drumtracks? From scratch on? You may ask Steven Wilson how to pimp such things. Thanks in advance from a humble admirer for over forty years.
Eén van onze ontdekkingen was UFO's liveklassieker Strangers in the Night en het maatje werd een instant-megafan van Michael Schenker.Gelukkig voor ons stond daar ook Schenkers solodebuut.
Om slechts één reden, hierboven al talloze malen door MuMensen genoemd, werd ik niet dolenthousiast. De drumsound. Alhoewel de songs minimaal prima zijn en het gitaarspel zowel melodieus als snel en spectaculair, werd ik niet meegezogen in de muziek. En dat alleen maar door het blikkerige demogeluid van het slagwerk.
Vreemd dat dit zo mager klinkt, want: Roger Glover op de producersstoel, ex-Purple en inmiddels in Rainbow met Martin Birch als diens leermeester; Schenker met een grote platenmaatschappij (Chrysalis) achter zich en de status van gitaarreus, met naar ik aanneem minimaal een fatsoenlijk budget om het debuut op te nemen. Hoe kon dit zo misgaan?
Laat ik niet overdrijven. Afgezien van het drumgeluid is dit een sterk debuut, waarop Schenker de sterren van de hemel speelt. De composities van Schenker, geschreven met de dan onbekende Gary Barden, zijn minimaal degelijk. Anders dan veel anderen vind ik hem op dit album een prima zanger; niet spectaculair, maar probeer maar eens mee te zingen: dat valt niet mee.
Toch kopieerde ik slechts drie nummers naar een cassettebandje: Armed and Ready, het meeslepende Lost Horizons en het stuwende en gevarieerde Into the Arena, een instrumentale favoriet van Hanneke Kappen die het regelmatig draaide in haar wekelijkse radioprogramma bij de KRO.
Tegenwoordig vallen me bovendien de beide ingetogen nummers op. Ze staan als één na laatste op iedere plaatkant. Bijou Pleasurette is een instrumentaal pareltje, klein en breekbaar. In Tales of Mystery, waarin Schenker ook akoestisch speelt, denk ik aan dat andere bandje waarin hij excelleerde, te weten Scorpions. Barden zingt er aangenaam hees, wat mij dan weer aan de stem van Phil Mogg van UFO doet denken. Als een kruisbestuiving tussen die twee groepen.
De hoes was weer van het kunstzinnige Hypgnosis, qua stijl herkenbaar. Op Discogs ontdekte ik bij enkele heruitgaven dat voor de backcover andere foto's uit diezelfde fotosessie zijn gebruikt, erg leuk. Alleen al qua fotomateriaal is dit debuut een bescheiden kunstwerkje. Ja, dit album vraagt - nee: roept! - om een grote special deluxe uitgave.
Dear mr. Glover, sehr geehrter herr Schenker, is it vielleicht possible that you do a remixing of the drumtracks? From scratch on? You may ask Steven Wilson how to pimp such things. Thanks in advance from a humble admirer for over forty years.
The Modern Lovers - Rock 'N' Roll with the Modern Lovers (1977)

3,5
1
geplaatst: 23 april 2024, 16:38 uur
Op reis door de albums achter mijn afspeellijstje met allerlei muziek uit de new wave, zit ik in de tweede helft van 1977. Vanaf Wreckless Eric bij dit album. Vreemd toch dat dit in 1977 als new wave werd benoemd, maar dat gebeurde meer in die dagen met nieuwe muziek. Als de artiesten korte kapsels hadden, kreeg het schijnbaar snel dat stickertje.
Als prille tiener nam ik Egyptian Reggae op van de radio, een onweerstaanbaar instrumentaaltje. Ondanks (of juist dankzij?) de zomerse klanken betrad het kort voor Kerstmis 1977 de Nationale Hitparade, om half januari één week op #2 te (kerstboom)pieken. In Vlaanderen gebeurde hetzelfde in de BRT Top 30, waar het vanaf eind januari twee weken op de tweede plek stond. Ze playbackten het bij TopPop. Hier zelfs een 'special', daar opgenomen.
De oorspronkelijke Modern Lovers verbleven in Boston, voor deze nieuwe versie die inmiddels Jonathan Richman & The Modern Lovers heet, was de groepsleider na een verblijf op Bermuda naar Californië verkast en koos daar voor een akoestische benadering, allereerst te horen op Jonathan Richman and The Modern Lovers (1976). Hij komt er in een scene waarin ook The Rubinoos actief zijn.
Hierboven noteerden andere MuMensen diverse leuke anekdotes en feitjes bij die hit, dus over naar de rest van dit album. Rock 'n' Roll with the Modern Lovers uit augustus 1977 is akoestisch, vrolijk-vriendelijk en licht verteerbaar. Niet hetgeen ik met rock 'n' roll associeer. Het staat te boek als een studioalbum, maar is hoorbaar live opgenomen, inclusief de wat holle klank van de zang die bovendien wat lager in de mix zit. Tegenwoordig noemen we dit lo-fi. Alsof de groep op een zonovergoten terras naast het zwembad speelt.
Een enkele keer herken ik de invloed van vroege rock 'n' roll, met een vleugje country of doo-wop. Steeds van het bráááve soort. Dat het sterkst in Rockin' Rockin' Leprechauns, Roller Coaster by The Sea en het navolgende Dodge Veg-O-Matic - door MuMe abusievelijk 'O' genoemd, ik zal een correctie indienen.
De plaat bevat meer dan Amerikaanse roots-rock. In Afternoon en South American Folk Songs denk ik terug aan het Hoog Catharijne van de jaren '70 en '80, toen daar frequent een Chileense groep speelde tussen het winkelcentrum en de stationshal; echo's van black gospel klinken in Angels Watching over Me.
Dit album is niet helemaal mijn cocktail-met-ananas-en-ijsklontjes, maar dat zegt meer over mijn smaak dan over de kwaliteit. Sympathiek en eigenwijs is het zeker, daarom noteer ik een veilige 3,5 ster.
Mijn reis gaat verder: van het zonnige Californië naar Dublin en het debuut van The Boomtown Rats.
Als prille tiener nam ik Egyptian Reggae op van de radio, een onweerstaanbaar instrumentaaltje. Ondanks (of juist dankzij?) de zomerse klanken betrad het kort voor Kerstmis 1977 de Nationale Hitparade, om half januari één week op #2 te (kerstboom)pieken. In Vlaanderen gebeurde hetzelfde in de BRT Top 30, waar het vanaf eind januari twee weken op de tweede plek stond. Ze playbackten het bij TopPop. Hier zelfs een 'special', daar opgenomen.
De oorspronkelijke Modern Lovers verbleven in Boston, voor deze nieuwe versie die inmiddels Jonathan Richman & The Modern Lovers heet, was de groepsleider na een verblijf op Bermuda naar Californië verkast en koos daar voor een akoestische benadering, allereerst te horen op Jonathan Richman and The Modern Lovers (1976). Hij komt er in een scene waarin ook The Rubinoos actief zijn.
Hierboven noteerden andere MuMensen diverse leuke anekdotes en feitjes bij die hit, dus over naar de rest van dit album. Rock 'n' Roll with the Modern Lovers uit augustus 1977 is akoestisch, vrolijk-vriendelijk en licht verteerbaar. Niet hetgeen ik met rock 'n' roll associeer. Het staat te boek als een studioalbum, maar is hoorbaar live opgenomen, inclusief de wat holle klank van de zang die bovendien wat lager in de mix zit. Tegenwoordig noemen we dit lo-fi. Alsof de groep op een zonovergoten terras naast het zwembad speelt.
Een enkele keer herken ik de invloed van vroege rock 'n' roll, met een vleugje country of doo-wop. Steeds van het bráááve soort. Dat het sterkst in Rockin' Rockin' Leprechauns, Roller Coaster by The Sea en het navolgende Dodge Veg-O-Matic - door MuMe abusievelijk 'O' genoemd, ik zal een correctie indienen.
De plaat bevat meer dan Amerikaanse roots-rock. In Afternoon en South American Folk Songs denk ik terug aan het Hoog Catharijne van de jaren '70 en '80, toen daar frequent een Chileense groep speelde tussen het winkelcentrum en de stationshal; echo's van black gospel klinken in Angels Watching over Me.
Dit album is niet helemaal mijn cocktail-met-ananas-en-ijsklontjes, maar dat zegt meer over mijn smaak dan over de kwaliteit. Sympathiek en eigenwijs is het zeker, daarom noteer ik een veilige 3,5 ster.
Mijn reis gaat verder: van het zonnige Californië naar Dublin en het debuut van The Boomtown Rats.
The Modern Lovers - The Modern Lovers (1976)

4,0
4
geplaatst: 21 februari 2024, 00:41 uur
Ben begonnen om de albums achter mijn afspeellijsten getiteld New Wave & co te ontdekken, voor zover ik die niet ken. En dat is váák het geval. Daarbij ben ik begonnen met de directe invloeden op het genre, dat in het najaar van 1976 bovengronds kwam. Van Iggy & The Stooges' Raw Power reis ik naar Boston, het in augustus 1976 verschenen The Modern Lovers.
Ik maakte eind 1977 kennis met Jonathan Richman and the Modern Lovers, toen hun Egyptian Reggae een aangenaam noveltyhitje werd. Werd toen al omschreven als new wave, al klonk het eigenlijk als een klapkauwgompopplaatje.
In 1976 verscheen dit titelloze plaatje van The Modern Lovers in de sobere zwarte hoes, heel anders dan het zonnige hitje. Opnamen van vier jaar oud, geproduceerd door John Cale, soms met invloeden van diens Velvet Underground. Maar ook The Doors hoor ik terug, getuige Astral Plane en Hospital.
Toch is deze verzameling demo's uit '72 (zoals Discogs vermeldt, daarmee afwijkend van de hoestekst met uitleg van het waarom) niet een herhaling van zetten van de Grote Voorbeelden.
Vaak is het alsof ik naar new wave uit 1976-1980 luister. Opener Roadrunner is levendig met een heerlijk rammelgitaartje, Old World hetzelfde met zijn orgeltje en She Cracked heeft iets van het nerveuze dat later bij The Feelies zou klinken.
Meer gedreven protowave in Someone I Care About, het breekbare Girlfriend is langzaam, terwijl het tempo met Modern World weer hoger ligt. Heerlijke liedjes, eveneens met de "zeurzang" die lijkt geïnspireerd door Bob Dylan en Velvet Underground. Geen pogingen tot mooi zingen in ieder geval, wél pakkend.
Goed geproduceerd (hoezo demo's?), waarbij ik me steeds weer verbaas dat dit al in 1972 zo klonk. Zijn tijd vooruit en anno 2024 nog net zo fris. Later verschenen bovendien enkele bonustracks, waarvan Government Center en Dignified and Old eveneens heerlijk smaken.
Drie maanden vóór dit The Modern Lovers verscheen Jonathan Richman and The Modern Lovers. Dit is echter de volgende versie van zijn groep, inmiddels vanuit Californië opererend. Hierop staan eigenzinnige interpretaties van de Amerikaanse pop- en filmhistorie en klinkt een heel andere stijl dan op de demo's uit 1972. Van de oorspronkelijke Modern Lovers uit Boston verscheen een volgende set demo's uit 1973 in 1981, getiteld The Orginal Modern Lovers.
Mijn reis door de invloeden op new wave gaat echter naar de Londense pubrock van Ducks Deluxe, de volgende groep op mijn afspeellijst.
Ik maakte eind 1977 kennis met Jonathan Richman and the Modern Lovers, toen hun Egyptian Reggae een aangenaam noveltyhitje werd. Werd toen al omschreven als new wave, al klonk het eigenlijk als een klapkauwgompopplaatje.
In 1976 verscheen dit titelloze plaatje van The Modern Lovers in de sobere zwarte hoes, heel anders dan het zonnige hitje. Opnamen van vier jaar oud, geproduceerd door John Cale, soms met invloeden van diens Velvet Underground. Maar ook The Doors hoor ik terug, getuige Astral Plane en Hospital.
Toch is deze verzameling demo's uit '72 (zoals Discogs vermeldt, daarmee afwijkend van de hoestekst met uitleg van het waarom) niet een herhaling van zetten van de Grote Voorbeelden.
Vaak is het alsof ik naar new wave uit 1976-1980 luister. Opener Roadrunner is levendig met een heerlijk rammelgitaartje, Old World hetzelfde met zijn orgeltje en She Cracked heeft iets van het nerveuze dat later bij The Feelies zou klinken.
Meer gedreven protowave in Someone I Care About, het breekbare Girlfriend is langzaam, terwijl het tempo met Modern World weer hoger ligt. Heerlijke liedjes, eveneens met de "zeurzang" die lijkt geïnspireerd door Bob Dylan en Velvet Underground. Geen pogingen tot mooi zingen in ieder geval, wél pakkend.
Goed geproduceerd (hoezo demo's?), waarbij ik me steeds weer verbaas dat dit al in 1972 zo klonk. Zijn tijd vooruit en anno 2024 nog net zo fris. Later verschenen bovendien enkele bonustracks, waarvan Government Center en Dignified and Old eveneens heerlijk smaken.
Drie maanden vóór dit The Modern Lovers verscheen Jonathan Richman and The Modern Lovers. Dit is echter de volgende versie van zijn groep, inmiddels vanuit Californië opererend. Hierop staan eigenzinnige interpretaties van de Amerikaanse pop- en filmhistorie en klinkt een heel andere stijl dan op de demo's uit 1972. Van de oorspronkelijke Modern Lovers uit Boston verscheen een volgende set demo's uit 1973 in 1981, getiteld The Orginal Modern Lovers.
Mijn reis door de invloeden op new wave gaat echter naar de Londense pubrock van Ducks Deluxe, de volgende groep op mijn afspeellijst.
The Monochrome Set - "Strange Boutique" (1980)

3,5
2
geplaatst: 24 februari 2025, 16:47 uur
In mijn reis door de new wave van 1980 belandde ik met het vorige station in april van dat jaar, dankzij toegankelijke punk van de tweede van The Members. Het debuut van Londenaren The Monochrome Set is mijn tweede kennismaking met die groep, nadat ik vanwege postpunksingle Eine Symphonie Des Grauens, dat ik op dit album met verzameld werk van de groep beluisterde.
Het lijkt wel of we met het debuut Strange Boutique met een heel andere groep hebben te maken. De "doomwave" zoals mijn vrienden en ik de muziek op z'n Joy Divisions destijds noemden, heeft bijna helemaal plaatsgemaakt voor zonniger muziek.
De opener heeft met z'n burundidrums raakvlakken met Adam & The Ants (in 2007 legde Jan Wessels uit hoe dat kwam); een lang intro, pas halverwege wordt er gezongen. De zang van Bid, alias van Ganesh Seshadri, is in keurig geaffecteerd Engels. Met nummers als The Lighter Side of Dating en Espresso (door Spotify abusievelijk Expresso genoemd) wordt de sfeer extra luchtig met dansende gitaarlijntjes, waarna het instrumentale The Puerto Rican Fence Climber voor meer daarvan zorgt. Martians Go Home dat kant 1 afsluit is mijn favoriet met enkele aparte tempowisselingen en een tekst prettig-absurde tekst over sterrenbeelden.
Kant 2 behoudt die sfeer met Love Goes Down the Drain, waarna lichte melodie volgt in Ici Les Enfants en zich met The Etcetera Stroll het tweede instrumentale nummer aandient. Goodbye Joe is slechts voor zang en elektrische gitaar, waarna de plaat op z'n Strangleriaans afsluit met The Strange Boutique, vooral omdat producer Bob Sargeant zijn orgeltje dominant laat meedoen. Voor mij het sterkste nummer van de plaat, omdat deze het vinnigst is.
Toch doet de muziek vooral denken aan zowel The Smiths van enkele jaren later als daarna The Housemartins: heel Engels, vrolijk met een ondertoontje van gekweldheid: de befaamde 'stiff upper lip'. Al met al een aangenaam, licht verteerbaar plaatje in dikke Engelse sfeer. Geen hitsingles, maar in mei 1980 klom het in de Britse albumlijst tot #62.
Nieuwsgierig vraagje aan Tonio n.a.v. diens bovenstaande bericht: welke albums uit deze periode vallen voor jou zovele jaren later door de mand?
Even Engels maar van heftiger kaliber is mijn volgende halte, de tweede van Angelic Upstarts.
Het lijkt wel of we met het debuut Strange Boutique met een heel andere groep hebben te maken. De "doomwave" zoals mijn vrienden en ik de muziek op z'n Joy Divisions destijds noemden, heeft bijna helemaal plaatsgemaakt voor zonniger muziek.
De opener heeft met z'n burundidrums raakvlakken met Adam & The Ants (in 2007 legde Jan Wessels uit hoe dat kwam); een lang intro, pas halverwege wordt er gezongen. De zang van Bid, alias van Ganesh Seshadri, is in keurig geaffecteerd Engels. Met nummers als The Lighter Side of Dating en Espresso (door Spotify abusievelijk Expresso genoemd) wordt de sfeer extra luchtig met dansende gitaarlijntjes, waarna het instrumentale The Puerto Rican Fence Climber voor meer daarvan zorgt. Martians Go Home dat kant 1 afsluit is mijn favoriet met enkele aparte tempowisselingen en een tekst prettig-absurde tekst over sterrenbeelden.
Kant 2 behoudt die sfeer met Love Goes Down the Drain, waarna lichte melodie volgt in Ici Les Enfants en zich met The Etcetera Stroll het tweede instrumentale nummer aandient. Goodbye Joe is slechts voor zang en elektrische gitaar, waarna de plaat op z'n Strangleriaans afsluit met The Strange Boutique, vooral omdat producer Bob Sargeant zijn orgeltje dominant laat meedoen. Voor mij het sterkste nummer van de plaat, omdat deze het vinnigst is.
Toch doet de muziek vooral denken aan zowel The Smiths van enkele jaren later als daarna The Housemartins: heel Engels, vrolijk met een ondertoontje van gekweldheid: de befaamde 'stiff upper lip'. Al met al een aangenaam, licht verteerbaar plaatje in dikke Engelse sfeer. Geen hitsingles, maar in mei 1980 klom het in de Britse albumlijst tot #62.
Nieuwsgierig vraagje aan Tonio n.a.v. diens bovenstaande bericht: welke albums uit deze periode vallen voor jou zovele jaren later door de mand?
Even Engels maar van heftiger kaliber is mijn volgende halte, de tweede van Angelic Upstarts.
The Monochrome Set - Compendium: A History 1979-1995 (1999)
Alternatieve titel: The Best of the Monochrome Set

3,0
0
geplaatst: 31 augustus 2024, 07:56 uur
De reden dat ik bij deze verzamelaar van een vrij onbekende Britse groep uit de new wave kom? In het vorige bericht ligt de sleutel: "De leukste nummertjes zijn de oude..." en één daarvan is Eine Symphonie des Grauens dat in 1979 als non-albumsingle verscheen en later dus op deze verzamelaar belandde.
Met die single was de groep uit Londen op 1 juni '79 tevens één van de eersten die sombere postpunk omarmden, veertien dagen vóórdat Joy Division hun debuut Unknown Pleasures uitbracht. De site secondhandsongs.com noemt zelfs april als verschijningsmaand van de single, met een mooie hoes met dansende derwisjen, de liedtitel verwijzend naar een Duitse horrorfilm uit 1922.
Het nummer is niet zo zwaar of somber als hetgeen die andere groep op dat befaamde debuut zette, desalniettemin heeft het zich met zijn zwarte humor als een bijzondere oorwurm in mijn brein genesteld: "I'm dead and dank and rotten - My arms are wrapped in cotton - My corpse loves you, let's marry." Met de zwart-wit beelden van de film erbij is het nostalgisch griezelen... Dat de groep voor hun optredens samenwerkte met filmmaker Tony Potts, zal de reden zijn geweest voor de keus voor deze film en sfeer.
Overigens was later in datzelfde jaar meer interesse in die film: Hugh Cornwell van The Stranglers bracht met Robert Williams in november het album Nosferatu uit.
In 1980 verscheen het eerste album van The Monochrome Set, waar de single dus op ontbreekt. Eine Symphonie des Grauens belandde in 2007 bovendien op deze verzamelaar van label Cherry Red.
Over de latere nummers op dit verzamelalbum: de toon van The Monochrome Set werd spoedig lichter en bleef humoristisch. Doei doomwave. In Groot-Brittannië is er een vaste schare liefhebbers voor en de groep is nog altijd actief.
Op Spotify kwam ik overigens iets vreemds tegen: track 3 The Monochrome Set is niet dát nummer, maar Chez Maxines van de Britse glamrockgroep Hollywood Brats. Raar foutje.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van het Franse Stinky Toys. Volgende halte: Wave van de Patti Smith Group.
Met die single was de groep uit Londen op 1 juni '79 tevens één van de eersten die sombere postpunk omarmden, veertien dagen vóórdat Joy Division hun debuut Unknown Pleasures uitbracht. De site secondhandsongs.com noemt zelfs april als verschijningsmaand van de single, met een mooie hoes met dansende derwisjen, de liedtitel verwijzend naar een Duitse horrorfilm uit 1922.
Het nummer is niet zo zwaar of somber als hetgeen die andere groep op dat befaamde debuut zette, desalniettemin heeft het zich met zijn zwarte humor als een bijzondere oorwurm in mijn brein genesteld: "I'm dead and dank and rotten - My arms are wrapped in cotton - My corpse loves you, let's marry." Met de zwart-wit beelden van de film erbij is het nostalgisch griezelen... Dat de groep voor hun optredens samenwerkte met filmmaker Tony Potts, zal de reden zijn geweest voor de keus voor deze film en sfeer.
Overigens was later in datzelfde jaar meer interesse in die film: Hugh Cornwell van The Stranglers bracht met Robert Williams in november het album Nosferatu uit.
In 1980 verscheen het eerste album van The Monochrome Set, waar de single dus op ontbreekt. Eine Symphonie des Grauens belandde in 2007 bovendien op deze verzamelaar van label Cherry Red.
Over de latere nummers op dit verzamelalbum: de toon van The Monochrome Set werd spoedig lichter en bleef humoristisch. Doei doomwave. In Groot-Brittannië is er een vaste schare liefhebbers voor en de groep is nog altijd actief.
Op Spotify kwam ik overigens iets vreemds tegen: track 3 The Monochrome Set is niet dát nummer, maar Chez Maxines van de Britse glamrockgroep Hollywood Brats. Raar foutje.
Mijn reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam van het Franse Stinky Toys. Volgende halte: Wave van de Patti Smith Group.
The Monochrome Set - Love Zombies (1980)

3,5
2
geplaatst: 14 juni 2025, 16:30 uur
Verwijzend naar de namen van Klein Orkest, The Specials, Madness, The Adicts, Toy Dolls, The Kinks en The Doors, noteerde Titmeister in 2020: "Ik heb al behoorlijk wat referenties voorbij zien komen," waarna hij de vergelijking met Caravan maakte, daarmee de reeks vergelijkingen nog kakelbonter makend. Want wat moet je nu verwachten, dacht ik bij het lezen van die en andere bijdragen? Maar verrek, de MuMensen hebben gelijk!
Vorig jaar zomer leerde ik de groep kennen via de gothic van single Eine Symphonie des Grauens uit 1979, te vinden op Compendium: A History 1979-1995. In februari beluisterde ik albumdebuut Strange Boutique uit 1980.
Nog in datzelfde jaar verscheen dit Love Zombies, waar de sferen gaan van neurotische postpunk (opener Love Zombies) via vrolijke pop (het instrumentale 405 Lines) naar jaren '60 Westcoastrock (klavecimbel in B-I-D Spells Bid) tot gekruide gitaarrock met Franse knipoog in R.S.V.P, met een wat vervreemdend slot.
Rode draden zijn de keurig-Engels-geaffecteerde zang van Bid (aha, dáárom de associatie met de progressieve rock van Caravan!), alias van Ganesh Seshadri, plus de creatieve klaviervondsten van Alvin Clark.
Genoeg variatie beleefd? Nou, kant 2 gaat ermee door, al biedt die in mijn oren minder verrassingen: Apocalypso bezingt vrolijk en ironisch hoe je in in moeilijke tijden luxe kunt leven, waarna gitaarliedjes volgen. Bij The Man with the Black Moustache voeg ik nóg een associatie toe: doet denken aan hetgeen The Housemartins later dat decennium deden en met de akoestische gitaarsolo in The Weird and Wonderful World of Tony Potts lijkt het wel folkrock op de wijze van Al Stewart. Melancholie sluit het album af middels het instrumentale "In Love, Cancer?"
'Very English' en juist daarom zeer aangenaam. Inderdaad, je moet het zelf horen om te constateren dat alle vergelijkingen niet uit de lucht komen vallen en tegelijkertijd klinkt dit onmiskenbaar als The Monochrome Set. Licht verteerbaar en toch meer dan dat.
Mijn reis door new wave kwam van de "spartaanse grootstadfunk" van Killing Joke en blijft in oktober 1980, dankzij de "Yellow-EP" van Gang of Four.
Vorig jaar zomer leerde ik de groep kennen via de gothic van single Eine Symphonie des Grauens uit 1979, te vinden op Compendium: A History 1979-1995. In februari beluisterde ik albumdebuut Strange Boutique uit 1980.
Nog in datzelfde jaar verscheen dit Love Zombies, waar de sferen gaan van neurotische postpunk (opener Love Zombies) via vrolijke pop (het instrumentale 405 Lines) naar jaren '60 Westcoastrock (klavecimbel in B-I-D Spells Bid) tot gekruide gitaarrock met Franse knipoog in R.S.V.P, met een wat vervreemdend slot.
Rode draden zijn de keurig-Engels-geaffecteerde zang van Bid (aha, dáárom de associatie met de progressieve rock van Caravan!), alias van Ganesh Seshadri, plus de creatieve klaviervondsten van Alvin Clark.
Genoeg variatie beleefd? Nou, kant 2 gaat ermee door, al biedt die in mijn oren minder verrassingen: Apocalypso bezingt vrolijk en ironisch hoe je in in moeilijke tijden luxe kunt leven, waarna gitaarliedjes volgen. Bij The Man with the Black Moustache voeg ik nóg een associatie toe: doet denken aan hetgeen The Housemartins later dat decennium deden en met de akoestische gitaarsolo in The Weird and Wonderful World of Tony Potts lijkt het wel folkrock op de wijze van Al Stewart. Melancholie sluit het album af middels het instrumentale "In Love, Cancer?"
'Very English' en juist daarom zeer aangenaam. Inderdaad, je moet het zelf horen om te constateren dat alle vergelijkingen niet uit de lucht komen vallen en tegelijkertijd klinkt dit onmiskenbaar als The Monochrome Set. Licht verteerbaar en toch meer dan dat.
Mijn reis door new wave kwam van de "spartaanse grootstadfunk" van Killing Joke en blijft in oktober 1980, dankzij de "Yellow-EP" van Gang of Four.
The Moody Marsden Band - Never Turn Our Back on the Blues (1992)

3,5
0
geplaatst: 8 januari 2024, 15:36 uur
Liveopname van de groep met twee oud-gitaristen van Whitesnake, aangevuld met drummer Zak Starkey, de zoon van Ringo Starr. Marsden en Starkey leerden elkaar kenden bij de opnamen van Whitesnakes Come an' Get It, opgenomen in het huis van Starr. Bovendien speelt bassist Jaz Lochrie een sterke partij.
In de jaren hiervoor had Marsden gewerkt aan de muziek voor de film Runaway Dreams, hier in zijn geheel met Nederlandse ondertiteling te zien. Verder werkte hij enkele dagen bij Cliff Richard om diens muziek een pittiger karakter te geven, een plan dat de zanger na enkele dagen toch maar afschoot. En hij werkte enkele jaren met een groep proftennissers zoals Pat Cash, één van degenen die een voorwoord schreef voor Marsdens autobiografie Where's My Guitar?
Maar toen was daar de hernieuwde samenwerking met Micky Moody. Never Turn Our Back on the Blues bevat een mix van blues en bluesrock, waar de stem van Marsden zich goed voor leent. Het meest genieten is het echter van het dubbele gitaarspel, waar het publiek heerlijk op reageert. In het titelnummer slagen de twee er wat dat betreft in om Thin Lizzyaanse hoogten te bereiken.
Verder worden enkele klassiekertjes uit de jaren Whitesnake opgedist: Ain't No Love in the Heart of the City, Fool for Your Loving en Here I Go Again. Hierbij past Marsdens stem goed, ook als je David Coverdale bent gewend. Van hetzelfde niveau en in dezelfde stijl is The Stealer.
Bij vlagen ouderwets lekker plaatje!
In de jaren hiervoor had Marsden gewerkt aan de muziek voor de film Runaway Dreams, hier in zijn geheel met Nederlandse ondertiteling te zien. Verder werkte hij enkele dagen bij Cliff Richard om diens muziek een pittiger karakter te geven, een plan dat de zanger na enkele dagen toch maar afschoot. En hij werkte enkele jaren met een groep proftennissers zoals Pat Cash, één van degenen die een voorwoord schreef voor Marsdens autobiografie Where's My Guitar?
Maar toen was daar de hernieuwde samenwerking met Micky Moody. Never Turn Our Back on the Blues bevat een mix van blues en bluesrock, waar de stem van Marsden zich goed voor leent. Het meest genieten is het echter van het dubbele gitaarspel, waar het publiek heerlijk op reageert. In het titelnummer slagen de twee er wat dat betreft in om Thin Lizzyaanse hoogten te bereiken.
Verder worden enkele klassiekertjes uit de jaren Whitesnake opgedist: Ain't No Love in the Heart of the City, Fool for Your Loving en Here I Go Again. Hierbij past Marsdens stem goed, ook als je David Coverdale bent gewend. Van hetzelfde niveau en in dezelfde stijl is The Stealer.
Bij vlagen ouderwets lekker plaatje!
