Hier kun je zien welke berichten RonaldjK als persoonlijke mening of recensie heeft gemarkeerd.
The Motels - Careful (1980)

2,5
0
geplaatst: 2 april 2025, 15:53 uur
Op reis door de new wave van juni 1980 kom ik van de Engelse Toyah bij de Californiërs van The Motels. Naast de maand van verschijning van de platen zijn er nog eens drie overeenkomsten: beide groepen werkten met een zangeres (in dit geval Martha Davis), deden dit in de bezetting gitaar-toetsen-bas-drums en het was hun tweede langspeler.
Waar bij Toyah vocale expressiviteit centraal staat, gedragen door een hechte band, is het geluid bij The Motels juist kalm en onderkoeld. In mijn beleving op het vlakke af. Wanneer gaat het nou eens spetteren met een pakkend gitaar- of toetsen- of zanglijntje? En waarom dit album zo passend is bij een relatiebreuk, zoals het vorige bericht beschrijft, ontgaat mij ook. Misschien was het toeval: juiste sfeer op het juiste moment?
Fijn is de kristalheldere productie. Toch ontstijgen slechts het popachtige Bonjour Baby en het fellere People, Places and Things de saaiheid. De eerste dankzij een toetsenlijn en het refrein, de tweede mede dankzij een scheurende gitaarsolo, die op een eentonig album als dit plotseling opvalt. Slotnummer Slow Town groeide geleidelijk uit tot een goede derde met zijn traagheid en melancholie.
De vlakheid wordt eveneens onderbroken door Envy, maar dan in negatieve zin vanwege de onnozele tekst.
Jammer dat er hier zo weinig berichten staan, ik zou graag willen spiegelen: ligt dit aan mij en beleven anderen dit juist helemaal níet als saai, maar bijvoorbeeld als 'lekker onderkoeld'? Oftewel, is het een smaakkwestie, zoals ik The Motels' debuut ook al zo lang vond duren?
In eigen land haalde men met Careful in augustus 1980 #45. Daarnaast bescheiden succes in Australië en Nieuw Zeeland. Geen hitsingles, waarmee je The Motels een typische albumband zou kunnen noemen.
Ondertussen vervolg ik mijn reis door wave: terug naar Engeland en het debuut Where Are All the Nice Girls? van Any Trouble.
Waar bij Toyah vocale expressiviteit centraal staat, gedragen door een hechte band, is het geluid bij The Motels juist kalm en onderkoeld. In mijn beleving op het vlakke af. Wanneer gaat het nou eens spetteren met een pakkend gitaar- of toetsen- of zanglijntje? En waarom dit album zo passend is bij een relatiebreuk, zoals het vorige bericht beschrijft, ontgaat mij ook. Misschien was het toeval: juiste sfeer op het juiste moment?
Fijn is de kristalheldere productie. Toch ontstijgen slechts het popachtige Bonjour Baby en het fellere People, Places and Things de saaiheid. De eerste dankzij een toetsenlijn en het refrein, de tweede mede dankzij een scheurende gitaarsolo, die op een eentonig album als dit plotseling opvalt. Slotnummer Slow Town groeide geleidelijk uit tot een goede derde met zijn traagheid en melancholie.
De vlakheid wordt eveneens onderbroken door Envy, maar dan in negatieve zin vanwege de onnozele tekst.
Jammer dat er hier zo weinig berichten staan, ik zou graag willen spiegelen: ligt dit aan mij en beleven anderen dit juist helemaal níet als saai, maar bijvoorbeeld als 'lekker onderkoeld'? Oftewel, is het een smaakkwestie, zoals ik The Motels' debuut ook al zo lang vond duren?
In eigen land haalde men met Careful in augustus 1980 #45. Daarnaast bescheiden succes in Australië en Nieuw Zeeland. Geen hitsingles, waarmee je The Motels een typische albumband zou kunnen noemen.
Ondertussen vervolg ik mijn reis door wave: terug naar Engeland en het debuut Where Are All the Nice Girls? van Any Trouble.
The Motels - The Motels (1979)

2,5
0
geplaatst: 11 oktober 2024, 13:34 uur
Positieve verhalen hierboven, bij mij echter wil dit debuut van The Motels niet landen. Ja, het is onderkoeld gespeeld en zangeres Martha Davis heeft best een fijne stem, maar het is allemaal zo keurig ingehouden dat ik afhaak.
De vlotte opener Anticipating opent best lekker en Kix doet wat het zegt, daarna echter... Total Control duurt bijna zes minuten, kabbelt en kabbelt met flauwe toetsen en sax in het solodeel. Alsof ik Vriendschap van Het Goede Doel hoor, maar dan zónder climaxen. Pas met Closets & Bullets komt er weer enige pit in de muziek, van het gitaarspel van Jeff Jourard word ik evenmin warm.
Kant 2 biedt meer hiervan, waarvan ik alleen bij Porn Reggae de oren spits omdat er iets interessants gebeurt met afwisselend reggae en uptempo (jaren '70-klassieke) rock, in licht verteerbare popsaus gedrenkt. Een licht-Brits geluid bij deze Californiërs. Maar melodietjes die beklijven? Niet bij mij.
Mijn reis door de new wave van 1979 kwam van het Londense After the Fire en ik keer terug naar die stad, dankzij The Slits.
De vlotte opener Anticipating opent best lekker en Kix doet wat het zegt, daarna echter... Total Control duurt bijna zes minuten, kabbelt en kabbelt met flauwe toetsen en sax in het solodeel. Alsof ik Vriendschap van Het Goede Doel hoor, maar dan zónder climaxen. Pas met Closets & Bullets komt er weer enige pit in de muziek, van het gitaarspel van Jeff Jourard word ik evenmin warm.
Kant 2 biedt meer hiervan, waarvan ik alleen bij Porn Reggae de oren spits omdat er iets interessants gebeurt met afwisselend reggae en uptempo (jaren '70-klassieke) rock, in licht verteerbare popsaus gedrenkt. Een licht-Brits geluid bij deze Californiërs. Maar melodietjes die beklijven? Niet bij mij.
Mijn reis door de new wave van 1979 kwam van het Londense After the Fire en ik keer terug naar die stad, dankzij The Slits.
The Motors - Approved by The Motors (1978)

1
geplaatst: 22 mei 2024, 18:32 uur
Geworteld in de pubrock is Approved by de tweede van de Britse groep The Motors. Ik kom hier op mijn reis door new wave en aanverwanten, vooral omdat in de zomer van '78 de Nederlandse hit van ze overeenkomsten had met die van Graham Parker, mijn vorige halte. Althans, in mijn beleving: een groep de pubrock voorbij, maar één ander genrestickertje plakken is onmogelijk.
Approved by verscheen ook met deze hoes en op Discogs is te zien dat de versie met groepsfoto soms werd gespiegeld.
De verrukkelijke oorwurm Airport trapt de plaat af. Hij klonk in '78 heel eigentijds. Achteraf gezien met zijn toetsenlijntjes en koortjes zelfs als een voorloper van de hitjaren '80 van Ultravox en Duran Duran. Het werd een internationale hit, onder meer in juli 1978 #26 in Nederland en in augustus #24 in Vlaanderen.
Wat volgt is meestal conventioneler, waarbij koortjes een rode draad vormen: robuuste rock in Mama Rock 'n' Roller en stuwende rock in Breathless, vrolijke poprock in Forget About You en Soul Redeemer, weemoedige poprock in Dreaming Your Life Away en jaren '50 rock 'n roll / Britse glamrock in You Beat the Hell outta Me.
Dankzij opnieuw toetsen en nu ook een snelle gitaarlijn heeft de hele boze tekst van Do You Mind opnieuw trekjes van wave, net als het tweestemmig gezongen pareltje Sensation. Daar staat afsluiter Today tegenover, als een vergeten pareltje van ELO.
In mijn hokjesgeest valt dit album dus moeilijk te categoriseren. Alsof The Motors de kwaliteitspop en -rock van de jaren '70 samenbalden plus een enkele keer op de jaren '80 hintten. Met twee leuke bonussen een album dat wel enige draaibeurten behoeft, maar dan wordt ook duidelijk dat de mannen uitgekiende liedjes maakten.
In eigen land bereikte Approved by in juni #60; meer succes was er voor de singles Airport (in juli #4) en Forget about You (in september #13).
De reis vervolgt met muziek waar wél duidelijk een genresticker op past: new wave van het eveneens Britse The Only Ones.
Approved by verscheen ook met deze hoes en op Discogs is te zien dat de versie met groepsfoto soms werd gespiegeld.
De verrukkelijke oorwurm Airport trapt de plaat af. Hij klonk in '78 heel eigentijds. Achteraf gezien met zijn toetsenlijntjes en koortjes zelfs als een voorloper van de hitjaren '80 van Ultravox en Duran Duran. Het werd een internationale hit, onder meer in juli 1978 #26 in Nederland en in augustus #24 in Vlaanderen.
Wat volgt is meestal conventioneler, waarbij koortjes een rode draad vormen: robuuste rock in Mama Rock 'n' Roller en stuwende rock in Breathless, vrolijke poprock in Forget About You en Soul Redeemer, weemoedige poprock in Dreaming Your Life Away en jaren '50 rock 'n roll / Britse glamrock in You Beat the Hell outta Me.
Dankzij opnieuw toetsen en nu ook een snelle gitaarlijn heeft de hele boze tekst van Do You Mind opnieuw trekjes van wave, net als het tweestemmig gezongen pareltje Sensation. Daar staat afsluiter Today tegenover, als een vergeten pareltje van ELO.
In mijn hokjesgeest valt dit album dus moeilijk te categoriseren. Alsof The Motors de kwaliteitspop en -rock van de jaren '70 samenbalden plus een enkele keer op de jaren '80 hintten. Met twee leuke bonussen een album dat wel enige draaibeurten behoeft, maar dan wordt ook duidelijk dat de mannen uitgekiende liedjes maakten.
In eigen land bereikte Approved by in juni #60; meer succes was er voor de singles Airport (in juli #4) en Forget about You (in september #13).
De reis vervolgt met muziek waar wél duidelijk een genresticker op past: new wave van het eveneens Britse The Only Ones.
The Nerves - The Nerves (1976)

3,0
0
geplaatst: 24 maart 2024, 12:44 uur
Slechts korte tijd bestaan en één EP uitgebracht, maar toch invloedrijk. Peetvader van de independant scene in de regio San Francisco/Los Angeles, tot die tijd kwam dit soort alternatieve bandjes uit de regio New York. In het trio drie gelijkwaardige leden die vervolgens uitwaaierden naar andere groepen en/of solocarrières.
Terwijl in Londen punk bovengronds kwam, brachten The Nerves in november 1976 hun titelloze debuut uit. Op de EP (7", 45-toeren) staan vier korte liedjes in de beste traditie van jaren '60 beat, vol energie en vrolijk rammelende gitaar: powerpop. Hanging On The Telephone werd door Blondie op hun derde album (1978) gecoverd én een hitsingle.
Gitarist-zanger Jack Lee ging vervolgens solo. Het telefoonliedje is van zijn pen en later scoort hij nóg een hit middels Come Back and Stay, dat hij in 1981 opneemt waarna het in 1983 in de versie van de Brit Paul Young een hit wordt. Hij overleed in mei 2023.
Bassist-zanger Peter Case begint The Plimsouls, dat in 1982 scoort met het nummer A Million Miles Away. Vanaf 1986 begint hij een singer-songwritercarrière.
Drummer-zanger Paul Collins begint The Beat, in Europa werkend als Paul Collins' Beat (Engeland had al een The Beat) en in 1979 in Nederland een meer dan aangenaam radiohitje scorend met Don't Wait Up For Me - oftewel geflopt qua hitlijsten maar in dit geval succesvol bij KRO en VARA.
Geleidelijk groeit de status van The Nerves, vanaf 1986 resulterend in enkele verzamelaars, waarop de EP wordt aangevuld met liveopnamen. Jammer genoeg is Hanging on the Telephone als enige nummer daarvan grijs bij mijn streamingdienst, oftewel niet-afspeelbaar. Het is het beste nummer namelijk, al is When You Find Out voor mij een goede tweede...
Ik verken de albums qua punk, wave en aanverwanten. Komend uit Londen/Amsterdam bij Sean Tyla en diens Ducks Deluxe belandde ik hier, nu reis ik naar het Engelse graafschap Essex. Tienerpijn bij Eddie & The Hot Rods.
Terwijl in Londen punk bovengronds kwam, brachten The Nerves in november 1976 hun titelloze debuut uit. Op de EP (7", 45-toeren) staan vier korte liedjes in de beste traditie van jaren '60 beat, vol energie en vrolijk rammelende gitaar: powerpop. Hanging On The Telephone werd door Blondie op hun derde album (1978) gecoverd én een hitsingle.
Gitarist-zanger Jack Lee ging vervolgens solo. Het telefoonliedje is van zijn pen en later scoort hij nóg een hit middels Come Back and Stay, dat hij in 1981 opneemt waarna het in 1983 in de versie van de Brit Paul Young een hit wordt. Hij overleed in mei 2023.
Bassist-zanger Peter Case begint The Plimsouls, dat in 1982 scoort met het nummer A Million Miles Away. Vanaf 1986 begint hij een singer-songwritercarrière.
Drummer-zanger Paul Collins begint The Beat, in Europa werkend als Paul Collins' Beat (Engeland had al een The Beat) en in 1979 in Nederland een meer dan aangenaam radiohitje scorend met Don't Wait Up For Me - oftewel geflopt qua hitlijsten maar in dit geval succesvol bij KRO en VARA.
Geleidelijk groeit de status van The Nerves, vanaf 1986 resulterend in enkele verzamelaars, waarop de EP wordt aangevuld met liveopnamen. Jammer genoeg is Hanging on the Telephone als enige nummer daarvan grijs bij mijn streamingdienst, oftewel niet-afspeelbaar. Het is het beste nummer namelijk, al is When You Find Out voor mij een goede tweede...
Ik verken de albums qua punk, wave en aanverwanten. Komend uit Londen/Amsterdam bij Sean Tyla en diens Ducks Deluxe belandde ik hier, nu reis ik naar het Engelse graafschap Essex. Tienerpijn bij Eddie & The Hot Rods.
The Noel Redding Band - Clonakilty Cowboys (1975)

4,0
1
geplaatst: 6 augustus 2024, 12:24 uur
Struinend door platenbakken met tweedehands vinyl lachte mij opeens het gezicht van Eric Bell toe vanaf deze hoes. Hij is de voormalige gitarist van Thin Lizzy, die ons op de eerste drie platen van de groep op juweeltjes van details trakteerde.
In 1975 maakt hij een nieuwe start bij bassist Noel Redding, bekend van Jimi Hendrix, van wie Bell een groot liefhebber is. Redding speelt hier ook akoestische gitaar plus slaggitaar en deelt de leadzang met toetsenist David Clarke. Drummer is ene L.T. Sampson. Met de titel Clonakilty Cowboys, de Ierse klaver op de hoes én op Reddings hoed is duidelijk dat de Ierse ziel hier centraal staat.
Lekker feelgoodplaatje, waarvan enkele hoogtepunten. Al op opener There's a Light laat Bell zijn klasse horen. De tekst werd mede geschreven door Pete Kircher, in de jaren '80 drummer van Status Quo. Wat klinkt is swingende, vriendelijke rock in de stijl van The Faces. Dat Redding en Clarke goede liedschrijvers zijn blijkt hier al. Throw Me a Buoy is rockend en op After All klinkt voor de tweede maal buitencategorie gitaarwerk van Bell.
Kant 2 opent met het titelnummer. Daarin swingend gitaarspel, stevige rock met sterke zang van Clarke vol heimwee naar Dublin tijdens het leven op de weg. Snowstorm is een schietgebed nadat het qua joints en cocaïne misging: "No more shit and no more drying - crying". in het intro van Born to His Name meteen weer Bell in een glansrol met zijn gevoelige blueslicks en met een slot waarin ik me terug waan bij het vroege werk van Lizzy. Swingende rock met fraai zingende gitaarsolo in If I Had.
Clonakilty Cowboys staat ook op mijn streaming platform, maar met het nog gave vinyl en de ongeschonden binnenhoes komt de muziek van het Iers/Engelse viertal net wat beter binnen.
Een jaar later volgde de elpee Blowin', in 1995 "postuum" gevolgd door het The Missing Album. Redding overleed in 2003 in Clonakilty, Ierland.
In 1975 maakt hij een nieuwe start bij bassist Noel Redding, bekend van Jimi Hendrix, van wie Bell een groot liefhebber is. Redding speelt hier ook akoestische gitaar plus slaggitaar en deelt de leadzang met toetsenist David Clarke. Drummer is ene L.T. Sampson. Met de titel Clonakilty Cowboys, de Ierse klaver op de hoes én op Reddings hoed is duidelijk dat de Ierse ziel hier centraal staat.
Lekker feelgoodplaatje, waarvan enkele hoogtepunten. Al op opener There's a Light laat Bell zijn klasse horen. De tekst werd mede geschreven door Pete Kircher, in de jaren '80 drummer van Status Quo. Wat klinkt is swingende, vriendelijke rock in de stijl van The Faces. Dat Redding en Clarke goede liedschrijvers zijn blijkt hier al. Throw Me a Buoy is rockend en op After All klinkt voor de tweede maal buitencategorie gitaarwerk van Bell.
Kant 2 opent met het titelnummer. Daarin swingend gitaarspel, stevige rock met sterke zang van Clarke vol heimwee naar Dublin tijdens het leven op de weg. Snowstorm is een schietgebed nadat het qua joints en cocaïne misging: "No more shit and no more drying - crying". in het intro van Born to His Name meteen weer Bell in een glansrol met zijn gevoelige blueslicks en met een slot waarin ik me terug waan bij het vroege werk van Lizzy. Swingende rock met fraai zingende gitaarsolo in If I Had.
Clonakilty Cowboys staat ook op mijn streaming platform, maar met het nog gave vinyl en de ongeschonden binnenhoes komt de muziek van het Iers/Engelse viertal net wat beter binnen.
Een jaar later volgde de elpee Blowin', in 1995 "postuum" gevolgd door het The Missing Album. Redding overleed in 2003 in Clonakilty, Ierland.
The Only Ones - Baby's Got a Gun (1980)

3,0
3
geplaatst: 5 april 2025, 09:38 uur
Op reis door de new wave van juli 1980 kom ik van de gitaarliedjes van Any Trouble bij iets dergelijks, maar dan van The Only Ones.
Ook de derde van dit kwartet bevat de herkenbare en aangename zeurzang van Peter Perrett. Pas op hun derde album valt me op dat het soms iets wegheeft van wat Steve Harley voordien bij Cockney Rebel deed.
Zoals hierboven genoemd krijgt Perret op Baby's Got a Gun vocale assistentie van Pauline Murray en Koulla Kakoulli, wier stemmen aangename variatie brengen. Want als de liedjes niet goed willen flonkeren, kan Perretts stem namelijk ongewenst monotoon worden.
Ik luister via streaming en daar valt op dat de volgorde van de tracklist afwijkt van hetgeen MusicMeter aangeeft. Laat Discogs de scheidsrechter zijn en dan is die op streaming juist en die op MuMe niet, te zien aan de 1980-uitgave. Zo begint het album met The Happy Pilgrim en niet met Oh Lucinda.
Aha, ik zie het al: MuMe baseert zich op de cd-editie van 1996. Eens zien of een correctie wordt geaccepteerd, maar zo nee: we hebben het over dezelfde verzameling liedjes, het blijft dus overzichtelijk.
De lekkerste daarvan zijn vaak uptempo: The Happy Pilgrim, Strange Mouth dat plotseling overgaat in het verraderlijk lekker-langzame The Big Sleep, het in de geest van Steve Harley klinkende Trouble in the World en het duet met Kakoulli Fools, oorspronkelijk van countryzanger Johnny Duncan. Ik moet dan opeens aan Joe Jackson denken en diens duet met Elaine Caswell Happy Ending, maar die is toch echt van vier jaar later en bovendien zitten de liedjes anders in elkaar. En toch, iets met de sfeer van de twee composities.
Dit is misschien niet hun beste album, desondanks is het dankzij deze muziek in de prille ochtend met een goede bak koffie aangenaam op gang komen. Een eigenwijze eend in de bijt van new wave, met z'n vleugjes artrock.
In 1982 vallen The Only Ones uit elkaar. Perrett worstelde vervolgens buiten de schijnwerpers met zijn verslaving om in 1996 terug te keren met Peter Perrett in The One en album Woke Up Sticky, dat in 1998 nog een live-cd kreeg met daarop uiteraard ook werk van The Only Ones.
In 2007 komen The Only Ones weer bij elkaar, nadat het van het debuut afkomstige Another Girl, Another Planet zich mag verheugen in nieuwe belangstelling. Sindsdien staan ze af en toe weer op de planken, ook nadat drummer Mike Kellie in 2017 overleed.
In datzelfde jaar brengt Perrett solo How the West Was Won uit, in '19 gevolgd door Humanworld en in '24 door The Cleansing.
Voor de volgende halte moet ik een maand terug naar juni '80: non-albumsingle Love Will Tear Us Apart van Joy Division, onder meer te vinden op verzamelaar Permanent : Joy Division 1995.
Ook de derde van dit kwartet bevat de herkenbare en aangename zeurzang van Peter Perrett. Pas op hun derde album valt me op dat het soms iets wegheeft van wat Steve Harley voordien bij Cockney Rebel deed.
Zoals hierboven genoemd krijgt Perret op Baby's Got a Gun vocale assistentie van Pauline Murray en Koulla Kakoulli, wier stemmen aangename variatie brengen. Want als de liedjes niet goed willen flonkeren, kan Perretts stem namelijk ongewenst monotoon worden.
Ik luister via streaming en daar valt op dat de volgorde van de tracklist afwijkt van hetgeen MusicMeter aangeeft. Laat Discogs de scheidsrechter zijn en dan is die op streaming juist en die op MuMe niet, te zien aan de 1980-uitgave. Zo begint het album met The Happy Pilgrim en niet met Oh Lucinda.
Aha, ik zie het al: MuMe baseert zich op de cd-editie van 1996. Eens zien of een correctie wordt geaccepteerd, maar zo nee: we hebben het over dezelfde verzameling liedjes, het blijft dus overzichtelijk.
De lekkerste daarvan zijn vaak uptempo: The Happy Pilgrim, Strange Mouth dat plotseling overgaat in het verraderlijk lekker-langzame The Big Sleep, het in de geest van Steve Harley klinkende Trouble in the World en het duet met Kakoulli Fools, oorspronkelijk van countryzanger Johnny Duncan. Ik moet dan opeens aan Joe Jackson denken en diens duet met Elaine Caswell Happy Ending, maar die is toch echt van vier jaar later en bovendien zitten de liedjes anders in elkaar. En toch, iets met de sfeer van de twee composities.
Dit is misschien niet hun beste album, desondanks is het dankzij deze muziek in de prille ochtend met een goede bak koffie aangenaam op gang komen. Een eigenwijze eend in de bijt van new wave, met z'n vleugjes artrock.
In 1982 vallen The Only Ones uit elkaar. Perrett worstelde vervolgens buiten de schijnwerpers met zijn verslaving om in 1996 terug te keren met Peter Perrett in The One en album Woke Up Sticky, dat in 1998 nog een live-cd kreeg met daarop uiteraard ook werk van The Only Ones.
In 2007 komen The Only Ones weer bij elkaar, nadat het van het debuut afkomstige Another Girl, Another Planet zich mag verheugen in nieuwe belangstelling. Sindsdien staan ze af en toe weer op de planken, ook nadat drummer Mike Kellie in 2017 overleed.
In datzelfde jaar brengt Perrett solo How the West Was Won uit, in '19 gevolgd door Humanworld en in '24 door The Cleansing.
Voor de volgende halte moet ik een maand terug naar juni '80: non-albumsingle Love Will Tear Us Apart van Joy Division, onder meer te vinden op verzamelaar Permanent : Joy Division 1995.
The Only Ones - Even Serpents Shine (1979)

3,5
2
geplaatst: 9 augustus 2024, 03:57 uur
De tweede van The Only Ones, na een prima debuut. De stem van Peter Perrett zeurt aangenaam in de lagere regionen en als hij hoger zingt, wordt het melancholisch. Je moet er dus wél wat mee hebben. Héb ik!
Hij schreef alle nummers, hartstikke handig want de muziek past logischerwijs bij de wijze van zingen. Dankzij het melodieuze gitaarspel van Perrett met John Perry liggen vergelijkingen met Television voor de hand: vriendelijke gitaarliedjes met soms (luister maar eens naar Programme) een verrassend én fraai solootje, alsof we naar classic rock luisteren.
Andere favorietjes: Flaming Torch met een subtiel orgeltje, No Solution met daarin de constatering "Love is just destruction under another name" én een fraaie bijrol voor de sax; mijn grootste favo is het vrolijk (?) stampende Miles from Nowhere. Bovendien een oorkonde voor Instrumental, dat op heerlijk ironische wijze verzuimt te doen wat de titel belooft.
Van mij een 7,5 als schoolcijfer met een bijsluiter: ik heb een voorkeur voor uptempo muziek, die me hier nét te weinig klinkt. Wie langzamere muziekjes als Curtains for You met zijn eigenwijze riff meer apprecieert dan ik, kan dat cijfer zomaar met een punt of meer ophogen.
De reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam vanaf het debuut van Stiff Little Fingers en vervolgt bij de derde van Eddie & The Hot Rods.
Hij schreef alle nummers, hartstikke handig want de muziek past logischerwijs bij de wijze van zingen. Dankzij het melodieuze gitaarspel van Perrett met John Perry liggen vergelijkingen met Television voor de hand: vriendelijke gitaarliedjes met soms (luister maar eens naar Programme) een verrassend én fraai solootje, alsof we naar classic rock luisteren.
Andere favorietjes: Flaming Torch met een subtiel orgeltje, No Solution met daarin de constatering "Love is just destruction under another name" én een fraaie bijrol voor de sax; mijn grootste favo is het vrolijk (?) stampende Miles from Nowhere. Bovendien een oorkonde voor Instrumental, dat op heerlijk ironische wijze verzuimt te doen wat de titel belooft.
Van mij een 7,5 als schoolcijfer met een bijsluiter: ik heb een voorkeur voor uptempo muziek, die me hier nét te weinig klinkt. Wie langzamere muziekjes als Curtains for You met zijn eigenwijze riff meer apprecieert dan ik, kan dat cijfer zomaar met een punt of meer ophogen.
De reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave kwam vanaf het debuut van Stiff Little Fingers en vervolgt bij de derde van Eddie & The Hot Rods.
The Only Ones - The Only Ones (1978)

3,5
2
geplaatst: 23 mei 2024, 16:03 uur
Enkele jaren geleden maakte ik een reeks afspeellijsten met mijn favoriete new wave per jaar. Daarbij ook randgevallen zoals pubrock en mijn vorige station The Motors is zelfs daarvoor te mainstream. Maar in mei 1978 verscheen ook pure new wave, zoals het debuut van Londenaren The Only Ones.
Nou ja, pure wave? In het eerste bericht op MuMe (2005) wordt dit "psychedelische Punk-Rock" genoemd. Van zowel psychedelisch als punk herken ik hier weinig, al is het soms stevig en klinkt in de solo van Breaking Down een echo van The Doors. Maar dit is geen one-two-three-four-raggen-op-je-gitaar-muziek en evenmin zweverig-jammende zweefkezerij.
Wat klinkt is melodieuze muziek met de "zeurstem" van Peter Perrett als verbindende factor. De plaat begint langzaam met The Whole of the Law waarin een tenorsax klinkt én de invloed van Lou Reed. Soms is het heel energiek zoals in het bekende Another Girl, Another Planet en het knallende City of Fun. In The Beast en No Peace for the Wicked is daar de sfeer van onderkoelde New Yorkse wave.
Pas op kant 2 hoor je in It's the Truth dat Perretts stem ook een laag bereik had, waarna hij hoog en energiek vervolgt met Language Problem. Daarin speelt hij met John Perry leuke dialogen op gitaar. De plaat sluit af met een gitarenclimax in The Immortal Story, inclusief huilende tremolo. Dit waren geen groentjes op hun instrumenten...
Bekende namen achter de knoppen: Ed Hollis (tevens broer van Mark van Talk Talk) en Steve Lillywhite, opgenomen voor majorlabel CBS. In 2009 verschenen op cd met drie bonussen. Die voegen niet altijd wat toe, maar hier wel dankzij een single uit 1977: op de A-kant het schone Lovers of Today met op de B-kant Peter and the Pets, plus de B-kant van single Another Girl, Another Planet, het uptempo My Wife Says.
Soms onderkoeld, dan weer stevig. Een heel gevarieerd debuut met op cd drie fijne desserts. De titelloze elpee haalde in het Verenigd Koninkrijk in juni 1978 #56, in februari 1992 (!) haalde Another Girl, Another Planet in het Verenigd Koninkrijk #57. Dat laatste doordat het via verzamelaar The Sound of the Suburbs (1991) alsnog opviel. En wie rondkoekelt, ontdekt dat vele muzikanten The Only Ones als inspiratiebron noemen.
Mijn reis door new wave zou eigenlijk opnieuw bij Plastic Letters van Blondie moeten verdergaan. Omdat ik die al behandelde, ga ik naar juni 1978: Easter van de Patti Smith Group.
Nou ja, pure wave? In het eerste bericht op MuMe (2005) wordt dit "psychedelische Punk-Rock" genoemd. Van zowel psychedelisch als punk herken ik hier weinig, al is het soms stevig en klinkt in de solo van Breaking Down een echo van The Doors. Maar dit is geen one-two-three-four-raggen-op-je-gitaar-muziek en evenmin zweverig-jammende zweefkezerij.
Wat klinkt is melodieuze muziek met de "zeurstem" van Peter Perrett als verbindende factor. De plaat begint langzaam met The Whole of the Law waarin een tenorsax klinkt én de invloed van Lou Reed. Soms is het heel energiek zoals in het bekende Another Girl, Another Planet en het knallende City of Fun. In The Beast en No Peace for the Wicked is daar de sfeer van onderkoelde New Yorkse wave.
Pas op kant 2 hoor je in It's the Truth dat Perretts stem ook een laag bereik had, waarna hij hoog en energiek vervolgt met Language Problem. Daarin speelt hij met John Perry leuke dialogen op gitaar. De plaat sluit af met een gitarenclimax in The Immortal Story, inclusief huilende tremolo. Dit waren geen groentjes op hun instrumenten...
Bekende namen achter de knoppen: Ed Hollis (tevens broer van Mark van Talk Talk) en Steve Lillywhite, opgenomen voor majorlabel CBS. In 2009 verschenen op cd met drie bonussen. Die voegen niet altijd wat toe, maar hier wel dankzij een single uit 1977: op de A-kant het schone Lovers of Today met op de B-kant Peter and the Pets, plus de B-kant van single Another Girl, Another Planet, het uptempo My Wife Says.
Soms onderkoeld, dan weer stevig. Een heel gevarieerd debuut met op cd drie fijne desserts. De titelloze elpee haalde in het Verenigd Koninkrijk in juni 1978 #56, in februari 1992 (!) haalde Another Girl, Another Planet in het Verenigd Koninkrijk #57. Dat laatste doordat het via verzamelaar The Sound of the Suburbs (1991) alsnog opviel. En wie rondkoekelt, ontdekt dat vele muzikanten The Only Ones als inspiratiebron noemen.
Mijn reis door new wave zou eigenlijk opnieuw bij Plastic Letters van Blondie moeten verdergaan. Omdat ik die al behandelde, ga ik naar juni 1978: Easter van de Patti Smith Group.
The Passage - Pindrop (1980)

3,0
1
geplaatst: 2 november 2025, 22:30 uur
Donkere, soms wat rudimentaire synthesizerpop uit Manchester. The Passage is het geesteskind van Richard Witts, die vanaf midden jaren '70 als journalist over klassieke muziek schrijft en in 1978 een ander pad inslaat. In datzelfde jaar wordt gedebuteerd met de EP New Love Songs, het jaar erop gevolgd door het eveneens vier nummers tellende About Time. Bassist is Tony Friel, die eveneens in The Fall speelt.
Als debuutelpee Pindrop in 1980 verschijnt is de groep van een kwartet via een trio naar een éénmansgroep geëvolueerd: Witts is inmiddels driftig aan het experimenteren met synths, zingt en spreekt en maakt het de luisteraar niet per se gemakkelijk. Al zijn de eerste twee nummers Fear en Troops Out nog licht verteerbaar, maar vanaf het op piano rollende Carnal is het qua tekst pittiger en vanaf Watching Your Dance is sombere doomwave daar. In Locust meer donkere vleermuis..., eh sprinkhaanpop. Nee, het Manchester van 1980 was niet zo'n vrolijke stad, is de indruk die je krijgt op Pindrop dat in november dat jaar verscheen.
In 2003 kwam een heruitgave op cd, waarbij de twee EP's als bonussen werden toegevoegd. Te horen is dat The Passage in dezelfde scene actief was als Warsaw/Joy Division, met wie ook werd opgetreden. De groep maakte hierna nog eens drie albums, die ik bij de bijbehorende jaren hoop te behandelen.
Witts legde zich daarna wederom toe op zijn journalistieke werk, doceerde aan enkele Britse universiteiten en schreef biografieën over The Velvet Underground, Kraftwerk en Mark E. Smith/The Fall.
komende vanaf het West-Duitse Spliff wilde ik eigenlijk door naar de new wave van 1981, maar eerst is daar nog non-albumsingle Bankrobber van The Clash, later verschenen op onder andere verzamelaar Hits Back.
Als debuutelpee Pindrop in 1980 verschijnt is de groep van een kwartet via een trio naar een éénmansgroep geëvolueerd: Witts is inmiddels driftig aan het experimenteren met synths, zingt en spreekt en maakt het de luisteraar niet per se gemakkelijk. Al zijn de eerste twee nummers Fear en Troops Out nog licht verteerbaar, maar vanaf het op piano rollende Carnal is het qua tekst pittiger en vanaf Watching Your Dance is sombere doomwave daar. In Locust meer donkere vleermuis..., eh sprinkhaanpop. Nee, het Manchester van 1980 was niet zo'n vrolijke stad, is de indruk die je krijgt op Pindrop dat in november dat jaar verscheen.
In 2003 kwam een heruitgave op cd, waarbij de twee EP's als bonussen werden toegevoegd. Te horen is dat The Passage in dezelfde scene actief was als Warsaw/Joy Division, met wie ook werd opgetreden. De groep maakte hierna nog eens drie albums, die ik bij de bijbehorende jaren hoop te behandelen.
Witts legde zich daarna wederom toe op zijn journalistieke werk, doceerde aan enkele Britse universiteiten en schreef biografieën over The Velvet Underground, Kraftwerk en Mark E. Smith/The Fall.
komende vanaf het West-Duitse Spliff wilde ik eigenlijk door naar de new wave van 1981, maar eerst is daar nog non-albumsingle Bankrobber van The Clash, later verschenen op onder andere verzamelaar Hits Back.
The Plot - The Plot (2003)

2,5
0
geplaatst: 11 oktober 2024, 14:54 uur
Met zijn stem had UFO-bassist Pete Way een prima punkzanger kunnen zijn. Rauw en ongetemd, zij het met weinig variatie en een minder bereik. Samen met stergitarist Michael Schenker vormden ze project The Plot, dat min of meer gelijktijdig ontstond met de volgende UFO.
Waar de twee binnen die groep heftig konden botsen - soms letterlijk op het podium zoals in 2000, toen Way opzettelijk tegen Schenker aan botste tijdens een optreden in New Castle, tot afgrijzen van de Duitser. Een bron van ruzie, zeker omdat de gemoederen dankzij enige alcoholconsumptie sneller oplaaiden.
Toch vonden de twee elkaar binnen The Plot en namen - de op dat moment UFO-drummer - Jeff Martin mee. Het resultaat is robuuste en stoempende hardrock, waarin afgezien van Schenkers solo's geen echo's van UFO klinken.
Aardig is het grommende Born Again. Semiballades wordt niet geschuwd, blijkens Miss You Tonight en Señorita (die laatste het hoogtepunt van het album), die bewijzen dat de beperkte stem van Way het beter bij rauwe rock 'n' roll kon houden, passend bij zijn levensstijl. Afsluiter Might As Well Go Drinking is daarvan het beste bewijs, met zang als die van een lichte versie van Lemmy Kilmister.
In 2006 verscheen het album nogmaals, dan als 2cd met daarop liveopnames, waarbij UFO-klassieker Too Hot to Handle.
Net als dat andere zijproject $ign of 4 van UFO-zanger Phil Mogg hoor ik liever de groep waarin ze samenspeelden. Dat Schenker bij The Plot speelt is gezien de simplistische benadering bijna verwonderlijk; geheel anders dan zijn melodieuze aanpak bij onder meer MSG.
Deze zijstapjes bevallen me maar matig. Met de groepsbiografie 'High Stakes & Dangerous Men' (2014) van Neil Daniels erbij keer ik daarom graag terug naar het moederschip, oftewel UFO's Sharks.
Waar de twee binnen die groep heftig konden botsen - soms letterlijk op het podium zoals in 2000, toen Way opzettelijk tegen Schenker aan botste tijdens een optreden in New Castle, tot afgrijzen van de Duitser. Een bron van ruzie, zeker omdat de gemoederen dankzij enige alcoholconsumptie sneller oplaaiden.
Toch vonden de twee elkaar binnen The Plot en namen - de op dat moment UFO-drummer - Jeff Martin mee. Het resultaat is robuuste en stoempende hardrock, waarin afgezien van Schenkers solo's geen echo's van UFO klinken.
Aardig is het grommende Born Again. Semiballades wordt niet geschuwd, blijkens Miss You Tonight en Señorita (die laatste het hoogtepunt van het album), die bewijzen dat de beperkte stem van Way het beter bij rauwe rock 'n' roll kon houden, passend bij zijn levensstijl. Afsluiter Might As Well Go Drinking is daarvan het beste bewijs, met zang als die van een lichte versie van Lemmy Kilmister.
In 2006 verscheen het album nogmaals, dan als 2cd met daarop liveopnames, waarbij UFO-klassieker Too Hot to Handle.
Net als dat andere zijproject $ign of 4 van UFO-zanger Phil Mogg hoor ik liever de groep waarin ze samenspeelden. Dat Schenker bij The Plot speelt is gezien de simplistische benadering bijna verwonderlijk; geheel anders dan zijn melodieuze aanpak bij onder meer MSG.
Deze zijstapjes bevallen me maar matig. Met de groepsbiografie 'High Stakes & Dangerous Men' (2014) van Neil Daniels erbij keer ik daarom graag terug naar het moederschip, oftewel UFO's Sharks.
The Police - Ghost in the Machine (1981)

4,0
4
geplaatst: 2 augustus 2022, 18:26 uur
De hitmachine die The Police was, ging in 1981 succesvol door. Wat ik achteraf bijzonder vind, is dat de band een brede groep tieners aansprak: zowel de gewone hitparadevolgers, als de kakkers (type poloshirtje, op mijn middelbare school was het de heersende trend) als de liefhebber van alternatieve muziek, in die dagen vooral new wave.
Waar voorganger Zenyatta Mondatta op de B-kant hoorbaar aan tijdsgebrek leed, blijft het niveau op Ghost in the Machine hoog. De heren kregen dan ook veel meer tijd én de mogelijkheid om de muziek ver weg (het Caraïbische eiland Montserrat) op te nemen. De luisteraar werd beloond.
Every Little Thing She Does stond in Nederland één week #1 in de Nationale Hitparade van de NOS en in de Top 40 van concurrent Veronica zelfs drie weken op die plek. Heerlijk uptempo liedje.
Opvolger Spirits in the Material World haalde in december #8 en in januari 1982 in de Top 40 #6.
Derde single Invisible Sun haalde met zijn geheimzinnige titel en sfeer in april #27 en bij Veronica slechts de Tipparade. Ik vond ze daarop klinken in de lijn van een band als Joy Division: melancholie overheerst. Wij noemden dat toen doomwave.
Die sfeer staat in contrast met wat ik op tv zag. Daar werden ons drie frisse blondharigen getoond, grappen makend met elkaar. Dat het achter de schermen minder gezellig was, wist ik toen nog niet. Voor mij stonden ze voor onbezorgdheid met af en toe een kritische noot in de teksten, zoals in Too Much Information en One World (Not Three).
Eerder noemden MuMensen de toevoeging van keyboards en blazers aan de plaat. Je kunt beweren dat de band, opgericht door drummer Stewart Copeland, op dit album vooral het vehikel van bassist/zanger Sting was geworden. Gitarist Andy Summers schijnt er niet blij mee te zijn geweest lees ik op diverse websites, want de sound ging inmiddels verder dan gitaar-bas-drums.
Desondanks behield de band op Ghost in the Machine de invloeden van ska en reggae, zo belangrijk voor hun stijl. Je zou daar door de blazers soul aan kunnen toevoegen, getuige bijvoorbeeld Demolition Man.
Het werd een energiek en uptempo album, dat veel van mijn leeftijdsgenoten aansprak. Nu ik de plaat een dikke veertig jaar later hoor, is opvallend hoe fris het nog altijd klinkt. Onmiskenbaar The Police, met als kanttekening dat ik wel iets snap van het gemopper van Andy Summers: de blazers nemen een behoorlijk deel van zijn gitaarruimte in. Dat Sting verantwoordelijk is voor het leeuwendeel van de composities zal daar debet aan zijn geweest. Tegelijkertijd zijn blazers wel heel relevant voor een band die met ska stoeit.
Op Ωmegaman echter klinkt vooral het triogeluid van vorige albums, lekker lied. Gedurende de hele plaat is te horen dat Stewart Copeland zelfs op hoog tempo niet alleen gepassioneerd maar ook gevarieerd kan drummen.
De enige song waar ik mijn tanden nog steeds niet kan zetten is afsluiter Darkness; het laat de plaat als een nachtkaarsje uitgaan.
Voor de fan die meer wil: op onder andere streaming zijn bovendien twee B-kantjes van singles bij dit album te vinden. In november 2018 verscheen Flexible Strategies met restmateriaal. Van de Ghost-singles hoor je daarop Shambelle en Flexible Strategies. De eerste klinkt als een instrumentaaltje van hun vorige elpee, de tweede is heel funky mét blazers.
Hartstikke leuk, maar Ghost in the Machine is op zichzelf al overtuigend genoeg, zeker met de constatering dat ie nog altijd fris klinkt.
Waar voorganger Zenyatta Mondatta op de B-kant hoorbaar aan tijdsgebrek leed, blijft het niveau op Ghost in the Machine hoog. De heren kregen dan ook veel meer tijd én de mogelijkheid om de muziek ver weg (het Caraïbische eiland Montserrat) op te nemen. De luisteraar werd beloond.
Every Little Thing She Does stond in Nederland één week #1 in de Nationale Hitparade van de NOS en in de Top 40 van concurrent Veronica zelfs drie weken op die plek. Heerlijk uptempo liedje.
Opvolger Spirits in the Material World haalde in december #8 en in januari 1982 in de Top 40 #6.
Derde single Invisible Sun haalde met zijn geheimzinnige titel en sfeer in april #27 en bij Veronica slechts de Tipparade. Ik vond ze daarop klinken in de lijn van een band als Joy Division: melancholie overheerst. Wij noemden dat toen doomwave.
Die sfeer staat in contrast met wat ik op tv zag. Daar werden ons drie frisse blondharigen getoond, grappen makend met elkaar. Dat het achter de schermen minder gezellig was, wist ik toen nog niet. Voor mij stonden ze voor onbezorgdheid met af en toe een kritische noot in de teksten, zoals in Too Much Information en One World (Not Three).
Eerder noemden MuMensen de toevoeging van keyboards en blazers aan de plaat. Je kunt beweren dat de band, opgericht door drummer Stewart Copeland, op dit album vooral het vehikel van bassist/zanger Sting was geworden. Gitarist Andy Summers schijnt er niet blij mee te zijn geweest lees ik op diverse websites, want de sound ging inmiddels verder dan gitaar-bas-drums.
Desondanks behield de band op Ghost in the Machine de invloeden van ska en reggae, zo belangrijk voor hun stijl. Je zou daar door de blazers soul aan kunnen toevoegen, getuige bijvoorbeeld Demolition Man.
Het werd een energiek en uptempo album, dat veel van mijn leeftijdsgenoten aansprak. Nu ik de plaat een dikke veertig jaar later hoor, is opvallend hoe fris het nog altijd klinkt. Onmiskenbaar The Police, met als kanttekening dat ik wel iets snap van het gemopper van Andy Summers: de blazers nemen een behoorlijk deel van zijn gitaarruimte in. Dat Sting verantwoordelijk is voor het leeuwendeel van de composities zal daar debet aan zijn geweest. Tegelijkertijd zijn blazers wel heel relevant voor een band die met ska stoeit.
Op Ωmegaman echter klinkt vooral het triogeluid van vorige albums, lekker lied. Gedurende de hele plaat is te horen dat Stewart Copeland zelfs op hoog tempo niet alleen gepassioneerd maar ook gevarieerd kan drummen.
De enige song waar ik mijn tanden nog steeds niet kan zetten is afsluiter Darkness; het laat de plaat als een nachtkaarsje uitgaan.
Voor de fan die meer wil: op onder andere streaming zijn bovendien twee B-kantjes van singles bij dit album te vinden. In november 2018 verscheen Flexible Strategies met restmateriaal. Van de Ghost-singles hoor je daarop Shambelle en Flexible Strategies. De eerste klinkt als een instrumentaaltje van hun vorige elpee, de tweede is heel funky mét blazers.
Hartstikke leuk, maar Ghost in the Machine is op zichzelf al overtuigend genoeg, zeker met de constatering dat ie nog altijd fris klinkt.
The Police - Outlandos d'Amour (1978)

4,0
4
geplaatst: 19 januari 2022, 19:38 uur
Vanaf het einde van 1978 was Roxanne op Hilversum 3 te horen bij de alternatieve omroepen VARA (op dinsdagen) en KRO (op woensdagen). Van een nieuw bandje, The Police. Dát was een leuk liedje, vond ik! Uiteraard nam ik het op met mijn radiocassetterecorder. Een hit werd het niet, maar de tekst en de reggaeinvloeden in dit redelijke uptempo lied vond ik erg fijn.
April '79 werd opvolger So Lonely wél een hit, in mei op #26 piekend in de Nationale Hitparade. Die vond ik nog beter, want daar zaten snelle stukken in, plus opnieuw die reggae-, of eigenlijk vooral ska-invloeden. Wat was dit een bijzonder bandje, wat een heerlijke nummers!
Toen ging het snel: met drie hitparades (TROS, NOS en Veronica) klonk de band vaker op Hilversum 3, waardoor ook conservatievere omroepen The Police gingen draaien. Dankzij een naderend optreden op Pinkpop, plus de promotie door de KRO op Hilversum 3, werd de band dé new waveband door Nederland omarmd, zoals Blondie het jaar ervoor.
Het opnieuw uitgebrachte Roxanne werd kort na Pinkpop alsnog een hit. Geen wonder na dit verpletterende optreden. Can't Stand Losing You en de van het volgende album afkomstige Message in a Bottle klommen datzelfde jaar nog hoger in de Nederlandse hitparades.
De singles geven een goed beeld van debuutelpee Outlandos d'Amour, waar bovendien enkele liedjes op staan die bijna als melodieuze punk klinken: opener Next To You, Peanuts, met behalve een vreemd toetertje een heerlijke rammelgitaarsolo; op de B-kant het punky Truth Hits Everybody met daarin een klok. Maar altijd staat de melodie centraal, zoals tijdgenoten Buzzcocks ook zo goed konden.
Mensen die de reggaekant appreciëerden konden behalve de singles ook terecht bij Hole in My Life (bijzondere tekst, over dit onderwerp hoor je zelden liedjes!) en afsluiter Masoko Tongo.
Minder vond ik twee tracks op de B-kant: Born in the 50's pakte me niet zo en het hoorspel in Be my Girl / Sally was leuk voor twee keer, maar dat was het dan ook. Wel goed om je uitspraak van het Engels te verbeteren.
Bijna 25 jaar later blijkt het album verrassend fris gebleven, ook bij herhaaldelijk draaien. Zelfs het "hoorspel" kan ik nu beter hebben. Sterke melodieën, soms heel meezingbaar. Gewoon een heel sterk debuut.
April '79 werd opvolger So Lonely wél een hit, in mei op #26 piekend in de Nationale Hitparade. Die vond ik nog beter, want daar zaten snelle stukken in, plus opnieuw die reggae-, of eigenlijk vooral ska-invloeden. Wat was dit een bijzonder bandje, wat een heerlijke nummers!
Toen ging het snel: met drie hitparades (TROS, NOS en Veronica) klonk de band vaker op Hilversum 3, waardoor ook conservatievere omroepen The Police gingen draaien. Dankzij een naderend optreden op Pinkpop, plus de promotie door de KRO op Hilversum 3, werd de band dé new waveband door Nederland omarmd, zoals Blondie het jaar ervoor.
Het opnieuw uitgebrachte Roxanne werd kort na Pinkpop alsnog een hit. Geen wonder na dit verpletterende optreden. Can't Stand Losing You en de van het volgende album afkomstige Message in a Bottle klommen datzelfde jaar nog hoger in de Nederlandse hitparades.
De singles geven een goed beeld van debuutelpee Outlandos d'Amour, waar bovendien enkele liedjes op staan die bijna als melodieuze punk klinken: opener Next To You, Peanuts, met behalve een vreemd toetertje een heerlijke rammelgitaarsolo; op de B-kant het punky Truth Hits Everybody met daarin een klok. Maar altijd staat de melodie centraal, zoals tijdgenoten Buzzcocks ook zo goed konden.
Mensen die de reggaekant appreciëerden konden behalve de singles ook terecht bij Hole in My Life (bijzondere tekst, over dit onderwerp hoor je zelden liedjes!) en afsluiter Masoko Tongo.
Minder vond ik twee tracks op de B-kant: Born in the 50's pakte me niet zo en het hoorspel in Be my Girl / Sally was leuk voor twee keer, maar dat was het dan ook. Wel goed om je uitspraak van het Engels te verbeteren.
Bijna 25 jaar later blijkt het album verrassend fris gebleven, ook bij herhaaldelijk draaien. Zelfs het "hoorspel" kan ik nu beter hebben. Sterke melodieën, soms heel meezingbaar. Gewoon een heel sterk debuut.
The Police - Reggatta de Blanc (1979)

4,0
0
geplaatst: 9 februari 2022, 20:24 uur
Na drie hits van de debuutelpee, van april tot en begin november 1979 in de Nationale Hitparade, kwam al eind oktober dat jaar de eerste single van het tweede album de hitlijst binnen. Dat was Message in a Bottle, wat ik nog altijd de perfecte popsong vind: fel gedrumd, sterk gitaarspel, heerlijke melodie en een bijzondere tekst. Herkenbaar voor de puber die ik toen was, al had ik dat toen niet in de gaten.
Pas jaren later begreep ik waardoor dit kwam: de greep van "je moeten voorbereiden op je toekomst, het verlies van de kinderlijke vrijheid", dat waren dingetjes die mij toen best wel somber konden maken. Een puber in crisis met dit liedje als soundtrack.
Opvallend was het tweede nummer, de titelsong, een bijna-instrumentaal nummer; de vocalen op deze witte reggae bestaan uit de kreet “weeeyoyoooo”, typisch voor de band. It’s Alright for You is dan weer sneller, kenmerkend voor de periode kort na de punkhausse.
Bring on the Night deed me weinig, terwijl Deathwish daar best op lijkt maar mij wél boeide. Waarom dat verschil, snap ik nog steeds niet.
Kant B opent met de single die kort voor Kerstmis 1979 de Nationale Hitparade betrad: omdat Walking on the Moon vrij langzaam is, vond ik die saai. Menig leeftijdsgenoot dacht daar anders over: in januari kwam het tot nummer 8.
Nee, dan On Any Other Day, die was lekker vlot én grappig: een mopperende saaie vader over alles wat er misgaat in zijn vastgeroeste leven. De muziek van The Bed’s Too Big Without You klinkt vrolijk maar het verhaal is droevig, heerlijk nummer. Contact deed me niets, met piano en een oude operastem was Does Everyone Stare een fijn maar apart lied, dat naar een heerlijke climax opbouwt. Met slotlied No Time This Time eindigt de plaat heerlijk snel en fel.
Al met al een ijzersterke plaat met alle energie, spelplezier, originaliteit en creativiteit die je erop aantreft, plus natuurlijk met één van de beste drummers ter wereld. The Police was de crème de la crème van een nieuwe lichting. Sterke opvolger van dat sterke debuut, al bleven de songs van Outlandos d'Amour door de jaren heen beter hangen.
Pas jaren later begreep ik waardoor dit kwam: de greep van "je moeten voorbereiden op je toekomst, het verlies van de kinderlijke vrijheid", dat waren dingetjes die mij toen best wel somber konden maken. Een puber in crisis met dit liedje als soundtrack.
Opvallend was het tweede nummer, de titelsong, een bijna-instrumentaal nummer; de vocalen op deze witte reggae bestaan uit de kreet “weeeyoyoooo”, typisch voor de band. It’s Alright for You is dan weer sneller, kenmerkend voor de periode kort na de punkhausse.
Bring on the Night deed me weinig, terwijl Deathwish daar best op lijkt maar mij wél boeide. Waarom dat verschil, snap ik nog steeds niet.
Kant B opent met de single die kort voor Kerstmis 1979 de Nationale Hitparade betrad: omdat Walking on the Moon vrij langzaam is, vond ik die saai. Menig leeftijdsgenoot dacht daar anders over: in januari kwam het tot nummer 8.
Nee, dan On Any Other Day, die was lekker vlot én grappig: een mopperende saaie vader over alles wat er misgaat in zijn vastgeroeste leven. De muziek van The Bed’s Too Big Without You klinkt vrolijk maar het verhaal is droevig, heerlijk nummer. Contact deed me niets, met piano en een oude operastem was Does Everyone Stare een fijn maar apart lied, dat naar een heerlijke climax opbouwt. Met slotlied No Time This Time eindigt de plaat heerlijk snel en fel.
Al met al een ijzersterke plaat met alle energie, spelplezier, originaliteit en creativiteit die je erop aantreft, plus natuurlijk met één van de beste drummers ter wereld. The Police was de crème de la crème van een nieuwe lichting. Sterke opvolger van dat sterke debuut, al bleven de songs van Outlandos d'Amour door de jaren heen beter hangen.
The Police - Synchronicity (1983)

3,5
1
geplaatst: 25 oktober 2022, 12:27 uur
Het allereerste waar ik aan denk bij dit album is dat Sting op tv bij Countdown de vraag kreeg wie hij in Every Breath You Take bezingt. Hij wenste geen antwoord te geven. Een bijna angstaanjagende tekst, wellicht over een stelende manager maar waarschijnlijker over een ex-lief. Met het verhaal van Snakeskin hierboven vermoed ik dat de frustratie die van de tekst afdruipt, door menig fan met gebroken hart vroeg of laat zal zijn herkend.
Vooraf vallen drie zaken op. De buitenhoes bestaat in maar liefst 36 kleurenvariaties, vertelt Discogs.
De binnenhoes vermeldt “All noises on this album played by The Police”. Heb zitten koeklen wie dan de beperkte blazers en de frequente keyboards voor rekening namen, maar vond het antwoord niet.
Hugh Padgham produceerde, een naam die ik inmiddels bij zoveel (in genre uiteenlopende) artiesten ben tegengekomen, dat ik vermoed dat hij een vuistdikke bio vol smakelijke ervaringen zou kunnen schrijven.
De naald daalt in de groef. Meer indrukken. Nieuw is de belangrijke rol van toetsen. Bovendien blijken de pepers van reggae en ska grotendeels ingeruild voor (kwaliteits)pop. Gebleven zijn de frisheid, experimenteerdrang én het feit dat de meeste liedjes vlot doortikken.
De zwanenzang van The Police start sterk met deel I van titelsong Synchronicity, een heerlijk nummer. Geleidelijk wordt duidelijk dat de prominente blazers van voorganger Ghost in the Machine nagenoeg zijn verdwenen. In plaats hiervan kreeg Andy Summers ruimte terug voor zijn gitaar. Hoera!
Op Walking in your Footsteps klinkt een Afrikaans ritme, waarschijnlijk afkomstig van drummer Stewart Copeland die in de jaren ná The Police uitgebreider op zoek ging naar muziek van andere continenten. Best geinig, maar zelfs slechts 3’36” is mij te lang; de melodie pakt me niet.
Ook het navolgende Oh My God is qua melodie niet sterk. De dwaze monoloog Mother vond ik geschikt om eens in de tien jaar op te zetten, ondanks de fijne gitaarjazz die in 7/4-maat klinkt. Miss Gradenko bevat wederom Afrikaanse percussie-invloeden, precies goed voor de twee minuten die het liedje duurt.
Synchronicity II sluit de A-zijde af en daarmee begint tevens een zegereeks. Ik ben verbaasd te ontdekken dat dit geen single is geweest, mijn geheugen bedriegt me. Daarmee is het de beste 7” die The Police nooit heeft uitgebracht.
De B-zijde start even sterk met de single waar ik in de inleiding over schreef, #3 in juni 1983 in de Nationale Hitparade; deze wordt gevolgd door King of Pain dat hetzelfde erepredikaat krijgt als Synchronity II. Hierna het rustiger Wrapped around your Finger (#24 in september).
Met het reggae-achtige (toch nog!) Tea in the Sahara en het jazzgitaartje in Murder by Numbers klinken de laatste nummers op de laatste studioplaat van de groep. Ik kan er niet zoveel mee.
Alle intensieve jaren van repeteren, opnemen en touren deden de bom barsten. Sting ging solo, waarbij ik zijn muziek vanaf zijn derde soloalbum vooral sáái vind; Copeland werd een drummer voor drummers en mensen die van niet-westerse muziek houden, hartstikke knap maar eveneens niet mijn kopje thee; hetzelfde geldt voor de vaak filmische muziek van Andy Summers.
Voor Stings actieve betrokkenheid bij milieu en politiek heb ik juist bewondering. Hier herken ik iemand die uit de punk/wavescene komt en oprecht bezorgd is, wat hij al sinds de jaren '80 deelt. Nog in augustus 2022 deed hij in Polen zijn mond open.
De albums van The Police hadden véél pit en schuwden het muzikale experiment niet, passend bij deze tiener in die jaren. In 2007 had ik ze kunnen gaan zien op de reünietournee, maar de hoge prijs en het feit dat ze in een voetbalstadion stonden (de akoestiek is daar doorgaans rúk) weerhielden me daarvan.
Samen met Blondie bezette The Police vanaf 1978 de bergtop van de eerste lichting new wave, een belangrijk deel van mijn pubersoundtrack vormend. Gekluisterd aan de radio, leuke liedjes op cassette opnemen. Vele andere namen volgden, maar beide bands zijn mij zeer dierbaar, nog altijd.
Vooraf vallen drie zaken op. De buitenhoes bestaat in maar liefst 36 kleurenvariaties, vertelt Discogs.
De binnenhoes vermeldt “All noises on this album played by The Police”. Heb zitten koeklen wie dan de beperkte blazers en de frequente keyboards voor rekening namen, maar vond het antwoord niet.
Hugh Padgham produceerde, een naam die ik inmiddels bij zoveel (in genre uiteenlopende) artiesten ben tegengekomen, dat ik vermoed dat hij een vuistdikke bio vol smakelijke ervaringen zou kunnen schrijven.
De naald daalt in de groef. Meer indrukken. Nieuw is de belangrijke rol van toetsen. Bovendien blijken de pepers van reggae en ska grotendeels ingeruild voor (kwaliteits)pop. Gebleven zijn de frisheid, experimenteerdrang én het feit dat de meeste liedjes vlot doortikken.
De zwanenzang van The Police start sterk met deel I van titelsong Synchronicity, een heerlijk nummer. Geleidelijk wordt duidelijk dat de prominente blazers van voorganger Ghost in the Machine nagenoeg zijn verdwenen. In plaats hiervan kreeg Andy Summers ruimte terug voor zijn gitaar. Hoera!
Op Walking in your Footsteps klinkt een Afrikaans ritme, waarschijnlijk afkomstig van drummer Stewart Copeland die in de jaren ná The Police uitgebreider op zoek ging naar muziek van andere continenten. Best geinig, maar zelfs slechts 3’36” is mij te lang; de melodie pakt me niet.
Ook het navolgende Oh My God is qua melodie niet sterk. De dwaze monoloog Mother vond ik geschikt om eens in de tien jaar op te zetten, ondanks de fijne gitaarjazz die in 7/4-maat klinkt. Miss Gradenko bevat wederom Afrikaanse percussie-invloeden, precies goed voor de twee minuten die het liedje duurt.
Synchronicity II sluit de A-zijde af en daarmee begint tevens een zegereeks. Ik ben verbaasd te ontdekken dat dit geen single is geweest, mijn geheugen bedriegt me. Daarmee is het de beste 7” die The Police nooit heeft uitgebracht.
De B-zijde start even sterk met de single waar ik in de inleiding over schreef, #3 in juni 1983 in de Nationale Hitparade; deze wordt gevolgd door King of Pain dat hetzelfde erepredikaat krijgt als Synchronity II. Hierna het rustiger Wrapped around your Finger (#24 in september).
Met het reggae-achtige (toch nog!) Tea in the Sahara en het jazzgitaartje in Murder by Numbers klinken de laatste nummers op de laatste studioplaat van de groep. Ik kan er niet zoveel mee.
Alle intensieve jaren van repeteren, opnemen en touren deden de bom barsten. Sting ging solo, waarbij ik zijn muziek vanaf zijn derde soloalbum vooral sáái vind; Copeland werd een drummer voor drummers en mensen die van niet-westerse muziek houden, hartstikke knap maar eveneens niet mijn kopje thee; hetzelfde geldt voor de vaak filmische muziek van Andy Summers.
Voor Stings actieve betrokkenheid bij milieu en politiek heb ik juist bewondering. Hier herken ik iemand die uit de punk/wavescene komt en oprecht bezorgd is, wat hij al sinds de jaren '80 deelt. Nog in augustus 2022 deed hij in Polen zijn mond open.
De albums van The Police hadden véél pit en schuwden het muzikale experiment niet, passend bij deze tiener in die jaren. In 2007 had ik ze kunnen gaan zien op de reünietournee, maar de hoge prijs en het feit dat ze in een voetbalstadion stonden (de akoestiek is daar doorgaans rúk) weerhielden me daarvan.
Samen met Blondie bezette The Police vanaf 1978 de bergtop van de eerste lichting new wave, een belangrijk deel van mijn pubersoundtrack vormend. Gekluisterd aan de radio, leuke liedjes op cassette opnemen. Vele andere namen volgden, maar beide bands zijn mij zeer dierbaar, nog altijd.
The Police - Zenyatta Mondatta (1980)

3,0
1
geplaatst: 12 juni 2022, 15:22 uur
The Police overkwam wat de generatiegenoten van Blondie ook gebeurde: grote populariteit bij zowel het hitsinglepubliek als de “serieuze" muziekfan. Dat leidde ertoe dat zij van concert naar tv-optreden naar interview naar promotie-activiteit werden gestuurd. “No rest for the wicked,” zegt een spreekwoord, slachtoffer worden van het eigen succes.
Als hitsinglejongetje, verknocht aan de radio, had ik dat niet door. Don’t Stand So Close to Me werd vanaf oktober 1980 hun vijfde hit in Nederland, zij het niet mijn favoriete van deze band. Elpee Zenyatta Mondatta verscheen vrijwel tegelijkertijd en haalde de tweede positie in de nationale albumlijst. In december volgde single De Do Do Do De Da Da Da, dat qua muziek aangenaam pittig was; maar ja, die onbenullige tekst van het refrein… Ik vond het (muzikale) venijn er meer en meer af gaan.
De elpee leerde ik pas veel later kennen. Hij telt met Voices in my Head, Behind My Camel, Shadows in the Rain en The Other Way of Stopping maar liefst vier (semi)instrumentale nummers, waarvan drie op de B-kant. Het kwam op mij over als een voetbalploeg die, na een sterke eerste helft, na rust door conditiegebrek in elkaar zakt.
Ik telde drie hoogtepunten, allen op kant A te vinden: Driven to Tears (die gitaarsolo alleen al!), When the World is Running Down en Bombs Away, waarvan ik op Wikipedia lees dat dit is gebaseerd op een afgedankt nummer van Siouxsie and the Banshees.
Voor drummers valt er desondanks genoeg te genieten, ook in de instrumentaaltjes: wat is Stewart Copeland op dreef! Het thema in Behind My Camel bracht mij terug naar de buitenaardse signalen op Jeff Wayne's The War of the Worlds en toen ik het recent beluisterde moest ik denken aan Geboren voor het Geluk van Het Goede Doel, alsof deze indertijd het kamelenlied als basis hebben gebruikt.
Tegenwoordig valt me pas goed op dat de teksten hier en daar heel pittig zijn: in Don't Stand... over een foute leraar en de politieke ladingen in Bombs Away en Driven to Tears.
Wat ik toen niet wist – en ik denk buiten de naaste kringen van de band niemand – was dat de band ontzettend in tijdnood was gekomen, al eerder door andere MuMe-schrijvers benoemd. Dat dit album een haastklus was, laat zich horen. Een aardig plaatje dat veel meer had kunnen en moeten zijn. Het drietal had dit echter in alle tumult veel slechter kunnen doen. Een plaat als deze neerzetten is dan weer knap.
Als hitsinglejongetje, verknocht aan de radio, had ik dat niet door. Don’t Stand So Close to Me werd vanaf oktober 1980 hun vijfde hit in Nederland, zij het niet mijn favoriete van deze band. Elpee Zenyatta Mondatta verscheen vrijwel tegelijkertijd en haalde de tweede positie in de nationale albumlijst. In december volgde single De Do Do Do De Da Da Da, dat qua muziek aangenaam pittig was; maar ja, die onbenullige tekst van het refrein… Ik vond het (muzikale) venijn er meer en meer af gaan.
De elpee leerde ik pas veel later kennen. Hij telt met Voices in my Head, Behind My Camel, Shadows in the Rain en The Other Way of Stopping maar liefst vier (semi)instrumentale nummers, waarvan drie op de B-kant. Het kwam op mij over als een voetbalploeg die, na een sterke eerste helft, na rust door conditiegebrek in elkaar zakt.
Ik telde drie hoogtepunten, allen op kant A te vinden: Driven to Tears (die gitaarsolo alleen al!), When the World is Running Down en Bombs Away, waarvan ik op Wikipedia lees dat dit is gebaseerd op een afgedankt nummer van Siouxsie and the Banshees.
Voor drummers valt er desondanks genoeg te genieten, ook in de instrumentaaltjes: wat is Stewart Copeland op dreef! Het thema in Behind My Camel bracht mij terug naar de buitenaardse signalen op Jeff Wayne's The War of the Worlds en toen ik het recent beluisterde moest ik denken aan Geboren voor het Geluk van Het Goede Doel, alsof deze indertijd het kamelenlied als basis hebben gebruikt.
Tegenwoordig valt me pas goed op dat de teksten hier en daar heel pittig zijn: in Don't Stand... over een foute leraar en de politieke ladingen in Bombs Away en Driven to Tears.
Wat ik toen niet wist – en ik denk buiten de naaste kringen van de band niemand – was dat de band ontzettend in tijdnood was gekomen, al eerder door andere MuMe-schrijvers benoemd. Dat dit album een haastklus was, laat zich horen. Een aardig plaatje dat veel meer had kunnen en moeten zijn. Het drietal had dit echter in alle tumult veel slechter kunnen doen. Een plaat als deze neerzetten is dan weer knap.
The Pop Group - For How Much Longer Do We Tolerate Mass Murder? (1980)

3,0
0
geplaatst: 16 februari 2025, 19:14 uur
Opvolger van het kortgetitelde Y van het jaar ervoor, bracht The Pop Group uit Bristol in maart 1980 For How Much Longer Do We Tolerate Mass Murder? uit. De hoes is uiterst ongemakkelijk: waar kijk ik naar? Is dit echt? Wat gebeurt hier? In welke omgeving staat deze twee elkaar kussende kinderen? De muziek is dat eveneens. Een basis van soms "gestoorde" funk met dominant de basgitaar van Dan Catsis en de grom-, schreeuw- en kreunzang van Mark Stewart die gruwelijk boos is op het diverse onrecht in de wereld.
Al luisterend herinner ik me het wereldnieuws van die periode met de bijbehorende journaalbeelden. Mark Stewart draait er als docent wereldcrisissen geen doekjes om en bovendien schuurt de muziek nogal eens langs hetgeen de oren als aangenaam ervaren, dankzij zijn zang én het tegendraadse, scheurende gitaarspel van Gareth Sader en John Waddington. Bovendien zitten er in het saxofoonspel van Sager invloeden van atonale free jazz. Aan het eind van dat decennium leerde ik van een collega de Nederlandse bijnaam hiervoor: piep-piep-knor, wat exact uitdrukt hoe het klinkt.
Ondertussen klinkt in Feed the Hungry een groove die aan werk van Talking Heads doet denken. Het vijftal doet dus aan meer dan alleen ongemakkelijkheid.
Als Bob Dylan als een protestzanger gold, hoe moeten we dan Stewart kwalificeren? Hij is veel directer dan de illustere grootheid, getuige bijvoorbeeld de boodschap over twee grootheden van de Amerikaanse politiek in aanklacht How Much Longer: "Nixon and Kissinger should be tried for war crimes, for the secret bombing of Cambodja", waarna net zo makkelijk het verwijt "P.L.O. spells plutonium" volgt.
In de James Brownachtige funk van Justice komen andere geografische oorden langs: het gaat van Zimbabwe naar Ierland en vooral klassenjustitie in zijn eigen Verenigd Koninkrijk.
Hierna wordt in There Are No Spectators muzikaal uit dub geput, nooit een poging doende om het de luisteraar makkelijk te maken. Rob a Bank is de plezante uitsmijter.
De hoes bevat de nodige krantenknipsels, een document op zichzelf in de stijl van punk-/kraak-/anarchistische publicaties uit diezelfde tijd - zoals in Engeland het blad Sniffin' Glue en in Nederland de Koecrandt.
In 2016 verscheen het album op cd met als nieuwe track non-albumsingle We Are All Prostitutes, waarvoor vreemd genoeg het aangename buitenbeentje We Are One out of Many sneuvelde, dat echter op YouTube is te vinden. Het is de 2016-editie die ik op streaming aantrof.
The Pop Group stopte in 1981, nadat nog in juni van datzelfde 1980 verzamelaar We Are Time was verschenen. Leden doken op in groepen New Age Steppers en Rip Rig + Panic, waarna The Pop Group in 2010 weer bij elkaar kwam. Opmerkelijk is dat in 2016 single We Are All Prostitutes nog eens #3 haalde in de Britse hitlijst. Stewart overleed in 2023.
Mijn reis door new wave en aanverwanten bevindt zich in maart 1980 en kwam van de eerste elpee van Tuxedomoon. Volgende nummer op mijn afspeellijst is Geno van Dexy's Midnight Runners, maar omdat ik het bijbehorende album Searching for the Young Soul Rebels al besprak, is het volgende station single Going Underground van The Jam, voor het eerst op een album van de groep te vinden op de verzamelaar Snap!
Al luisterend herinner ik me het wereldnieuws van die periode met de bijbehorende journaalbeelden. Mark Stewart draait er als docent wereldcrisissen geen doekjes om en bovendien schuurt de muziek nogal eens langs hetgeen de oren als aangenaam ervaren, dankzij zijn zang én het tegendraadse, scheurende gitaarspel van Gareth Sader en John Waddington. Bovendien zitten er in het saxofoonspel van Sager invloeden van atonale free jazz. Aan het eind van dat decennium leerde ik van een collega de Nederlandse bijnaam hiervoor: piep-piep-knor, wat exact uitdrukt hoe het klinkt.
Ondertussen klinkt in Feed the Hungry een groove die aan werk van Talking Heads doet denken. Het vijftal doet dus aan meer dan alleen ongemakkelijkheid.
Als Bob Dylan als een protestzanger gold, hoe moeten we dan Stewart kwalificeren? Hij is veel directer dan de illustere grootheid, getuige bijvoorbeeld de boodschap over twee grootheden van de Amerikaanse politiek in aanklacht How Much Longer: "Nixon and Kissinger should be tried for war crimes, for the secret bombing of Cambodja", waarna net zo makkelijk het verwijt "P.L.O. spells plutonium" volgt.
In de James Brownachtige funk van Justice komen andere geografische oorden langs: het gaat van Zimbabwe naar Ierland en vooral klassenjustitie in zijn eigen Verenigd Koninkrijk.
Hierna wordt in There Are No Spectators muzikaal uit dub geput, nooit een poging doende om het de luisteraar makkelijk te maken. Rob a Bank is de plezante uitsmijter.
De hoes bevat de nodige krantenknipsels, een document op zichzelf in de stijl van punk-/kraak-/anarchistische publicaties uit diezelfde tijd - zoals in Engeland het blad Sniffin' Glue en in Nederland de Koecrandt.
In 2016 verscheen het album op cd met als nieuwe track non-albumsingle We Are All Prostitutes, waarvoor vreemd genoeg het aangename buitenbeentje We Are One out of Many sneuvelde, dat echter op YouTube is te vinden. Het is de 2016-editie die ik op streaming aantrof.
The Pop Group stopte in 1981, nadat nog in juni van datzelfde 1980 verzamelaar We Are Time was verschenen. Leden doken op in groepen New Age Steppers en Rip Rig + Panic, waarna The Pop Group in 2010 weer bij elkaar kwam. Opmerkelijk is dat in 2016 single We Are All Prostitutes nog eens #3 haalde in de Britse hitlijst. Stewart overleed in 2023.
Mijn reis door new wave en aanverwanten bevindt zich in maart 1980 en kwam van de eerste elpee van Tuxedomoon. Volgende nummer op mijn afspeellijst is Geno van Dexy's Midnight Runners, maar omdat ik het bijbehorende album Searching for the Young Soul Rebels al besprak, is het volgende station single Going Underground van The Jam, voor het eerst op een album van de groep te vinden op de verzamelaar Snap!
The Pop Group - Y (1979)

3,0
0
geplaatst: 16 augustus 2024, 08:40 uur
Op reis door de new wave van april 1979, was mijn vorige station New Values van Iggy Pop. Bijna gelijktijdig verscheen Y, het debuut van een groep uit Bristol met de bedrieglijke naam The Pop Group.
Ik zit eens te kijken: hoe ontdekte ik deze groep ook alweer? Mijn WhatsApp brengt uitkomst. Een artikel in de Volkskrant, naar aanleiding van het overlijden van zanger Mark Stewart in april 2023.
Met dank aan hoi123 voor zijn verklarende én vermakelijke recensie uit 2015, sluit ik mij bij zijn oordeel aan. Net als hij moet ik hierbij aan het experiment bij Pere Ubu denken en eveneens deel ik de vaststelling dat het muzikale verschil ‘m in de funk zit. The Pop Group doet zijn best vooral géén populaire muziek te maken, al is opener She Is Beyond Good and Evil redelijk toegankelijk, net als We Are Time, Words Disobey Me en Don’t Call Me Pain.
Nou werd ik eerder deze week uitgedaagd door maatje JeKo om eens naar deze (1990) van Royal Flux te luisteren. In vergelijking daarmee beleef ik dit Y als een stuk toegankelijker. Soms is het zelfs genieten, zoals het pianospel in Savage Sea. Tegelijkertijd knutselt de groep daaromheen veel avant-garde.
Een bij vlagen lange zit, die desondanks regelmatig aangenaam verrast. Bovendien liepen ze voor de rest uit: spoedig zouden funk, disco, soul en andere dansbare muziek grote invloed krijgen op new wave. Blondie had al vanaf februari ’79 hitsucces met de disco van Heart of Glass, maar denk aan de jaren ’80 met Duran Duran, Spandau Ballet en The Style Council.
Funk hoorde ik tijdens mijn chronologische reis door wave nog niet eerder zo sterk als hier bij The Pop Group. Eclectisch volgens het woordenboek: punkachtige schreeuw-/fluister-/gilzang gecombineerd met funk, plus avant-gardistische geluiden in de lijn van freejazz (vooral de delen met sax) en John Cage.
Niet vreemd dat de groep in het VK-artikel door Gijsbert Kamer wordt genoemd als invloed op Nick Cave “toen deze in 1980 van Melbourne naar Londen verhuisde.” Met de soms opduikende saxofoon moet ik tevens denken aan Pigbag, van wie de muziek verscheen op een label genaamd… ‘Y’.
Als cijfer een (laffe ?) 6: niet makkelijk om naar te luisteren, maar met hun eigenwijsheid en invloed minimaal onmisbaar in mijn afspeellijstjes met wave.
Die lijst vervolgt met Sarah Smiles van Bram Tchaikovsky van album Strange Man, Changed Man en Jimmy Jimmy van The Undertones, maar omdat ik die albums eerder beschreef, reis ik naar 1 mei 1979. Dan brengt het Australische The Boys Next Door hun debuut uit, waarmee we de zojuist genoemde Nick Cave tegenkomen.
Ik zit eens te kijken: hoe ontdekte ik deze groep ook alweer? Mijn WhatsApp brengt uitkomst. Een artikel in de Volkskrant, naar aanleiding van het overlijden van zanger Mark Stewart in april 2023.
Met dank aan hoi123 voor zijn verklarende én vermakelijke recensie uit 2015, sluit ik mij bij zijn oordeel aan. Net als hij moet ik hierbij aan het experiment bij Pere Ubu denken en eveneens deel ik de vaststelling dat het muzikale verschil ‘m in de funk zit. The Pop Group doet zijn best vooral géén populaire muziek te maken, al is opener She Is Beyond Good and Evil redelijk toegankelijk, net als We Are Time, Words Disobey Me en Don’t Call Me Pain.
Nou werd ik eerder deze week uitgedaagd door maatje JeKo om eens naar deze (1990) van Royal Flux te luisteren. In vergelijking daarmee beleef ik dit Y als een stuk toegankelijker. Soms is het zelfs genieten, zoals het pianospel in Savage Sea. Tegelijkertijd knutselt de groep daaromheen veel avant-garde.
Een bij vlagen lange zit, die desondanks regelmatig aangenaam verrast. Bovendien liepen ze voor de rest uit: spoedig zouden funk, disco, soul en andere dansbare muziek grote invloed krijgen op new wave. Blondie had al vanaf februari ’79 hitsucces met de disco van Heart of Glass, maar denk aan de jaren ’80 met Duran Duran, Spandau Ballet en The Style Council.
Funk hoorde ik tijdens mijn chronologische reis door wave nog niet eerder zo sterk als hier bij The Pop Group. Eclectisch volgens het woordenboek: punkachtige schreeuw-/fluister-/gilzang gecombineerd met funk, plus avant-gardistische geluiden in de lijn van freejazz (vooral de delen met sax) en John Cage.
Niet vreemd dat de groep in het VK-artikel door Gijsbert Kamer wordt genoemd als invloed op Nick Cave “toen deze in 1980 van Melbourne naar Londen verhuisde.” Met de soms opduikende saxofoon moet ik tevens denken aan Pigbag, van wie de muziek verscheen op een label genaamd… ‘Y’.
Als cijfer een (laffe ?) 6: niet makkelijk om naar te luisteren, maar met hun eigenwijsheid en invloed minimaal onmisbaar in mijn afspeellijstjes met wave.
Die lijst vervolgt met Sarah Smiles van Bram Tchaikovsky van album Strange Man, Changed Man en Jimmy Jimmy van The Undertones, maar omdat ik die albums eerder beschreef, reis ik naar 1 mei 1979. Dan brengt het Australische The Boys Next Door hun debuut uit, waarmee we de zojuist genoemde Nick Cave tegenkomen.
The Press - Press Here (1981)

4,0
0
geplaatst: 2 mei 2025, 13:36 uur
Driemaal verbazing. Destijds in 1980 toen ik ontdekte dat dit Nederlands was. Plus recent toen ik hierboven las dat dit een vervolg was van de groep The Walkers uit Maastricht, waarvan ik slechts hun zomerse hit uit 1977 Ramona te Quiero ken, hier op tv.
Derde verbazing is van afgelopen week, onderweg in de auto - ben door familie-omstandigheden (te) veel op het asfalt - dat dit niet een skagroep was, maar dat meer genres klinken.
Ben bovendien op reis door de new wave van 1980. Binnen dat begrip kwam ik meer niet-wavers tegen die tóch die muziek maakten: het Australische Flash and the Pan, een project van producersduo Vanda & Young (Vanda van Nederlandse komaf) of de Britse Buggles, het duo met Trevor Horn en Geoff Downes, die spoedig daarna bij progrockgroep Yes terecht kwamen. In de ogen van punk en wave een muzikale tegenpool.
The Press slaagde er eveneens in om eigentijds te klinken. Op het pas in 1981 uitgebrachte Press Here klinkt eerst de ska van I'm Gonna Shoot the Deejay, een hit van begin augustus tot en met begin oktober 1980, in september op #15 piekend in de Nationale Hitparade. Ik plaatste het onmiddellijk in het rijtje The Specials, The Selecter, Madness... Knap gedaan. Toen Morrissey in 1986 bij The Smiths in Panic "Hang the dj" zong, verdacht ik hem bijna van jatwerk van The Press...
Lang niet alles is ska; ongeveer de helft valt onder die paraplu, het overige biedt kwaliteitspop. Doet soms denken aan 10CC of Buggles met kekke melodietjes en fijne arrangementen met afwisselend toetsen en blazers, ingebed in pop en reggae.
Crossing the Line is een stuwend nummer op een bedje van een Hammondorgel, dat meteen pakt. Soulblazers in het rockende Rescue Me, ska bij In the Quiet of the Night.
No Message (Wreath or Rose) bevat in de coupletten dat vleugje reggae in de sfeer van 10CC's Dreadlock Holiday en in het pompende refrein hoor ik Buggles terug, waarbij een saxofoon de boel verfraait. Op It Takes a Sherrif to Cry klinkt vrolijke reggae, kennelijk geïnspireerd door het sheriffliedje van Eric Clapton.
Kant 2: op streaming is de oorspronkelijke opener van de tweede helft als laatste geplaatst. Cantara Pepe heeft meer weg van de single van The Walkers die ik in de inleiding noemde dan van The Press: zomerse, vrolijke pop, in augustus '81 #8. Liever hoor ik de reggaepop van Gipsy Love en de melodie in poplied Alaskan Nights.
En zo gaat het maar door met kwaliteitsliedjes waarin slim wordt "gejat". Want probeer maar eens zoveel goede liedjes te schrijven! Write-off bevat uptempo ska, Boys Check Your Toys rockende pop met een vlammende Hammondsolo plus in één gitaarlijn een vleugje country (!) en Hit the Headline bevat ska/reggae.
Smakelijke kwaliteitspop in de mode van die tijd. Andere singles flopten, net als non-albumsingle Rub-a-Dub. Overigens wil Discogs de hoes van Press Here niet tonen, fijn dat MuMe daar niet moeilijk over doet. Al kun je je afvragen hoe grappig hij is...
In 1983 keerde The Press terug met album Don't Loose the Beat, (nog?) niet op MuMe te vinden en evenmin op streaming.
Op reis door new wave, ben ik in augustus 1980. Ik kwam van de Engelse Pauline Murray & The Invisible Girls en vervolg bij de Amerikanen van The Cars en hun Panorama.
Derde verbazing is van afgelopen week, onderweg in de auto - ben door familie-omstandigheden (te) veel op het asfalt - dat dit niet een skagroep was, maar dat meer genres klinken.
Ben bovendien op reis door de new wave van 1980. Binnen dat begrip kwam ik meer niet-wavers tegen die tóch die muziek maakten: het Australische Flash and the Pan, een project van producersduo Vanda & Young (Vanda van Nederlandse komaf) of de Britse Buggles, het duo met Trevor Horn en Geoff Downes, die spoedig daarna bij progrockgroep Yes terecht kwamen. In de ogen van punk en wave een muzikale tegenpool.
The Press slaagde er eveneens in om eigentijds te klinken. Op het pas in 1981 uitgebrachte Press Here klinkt eerst de ska van I'm Gonna Shoot the Deejay, een hit van begin augustus tot en met begin oktober 1980, in september op #15 piekend in de Nationale Hitparade. Ik plaatste het onmiddellijk in het rijtje The Specials, The Selecter, Madness... Knap gedaan. Toen Morrissey in 1986 bij The Smiths in Panic "Hang the dj" zong, verdacht ik hem bijna van jatwerk van The Press...
Lang niet alles is ska; ongeveer de helft valt onder die paraplu, het overige biedt kwaliteitspop. Doet soms denken aan 10CC of Buggles met kekke melodietjes en fijne arrangementen met afwisselend toetsen en blazers, ingebed in pop en reggae.
Crossing the Line is een stuwend nummer op een bedje van een Hammondorgel, dat meteen pakt. Soulblazers in het rockende Rescue Me, ska bij In the Quiet of the Night.
No Message (Wreath or Rose) bevat in de coupletten dat vleugje reggae in de sfeer van 10CC's Dreadlock Holiday en in het pompende refrein hoor ik Buggles terug, waarbij een saxofoon de boel verfraait. Op It Takes a Sherrif to Cry klinkt vrolijke reggae, kennelijk geïnspireerd door het sheriffliedje van Eric Clapton.
Kant 2: op streaming is de oorspronkelijke opener van de tweede helft als laatste geplaatst. Cantara Pepe heeft meer weg van de single van The Walkers die ik in de inleiding noemde dan van The Press: zomerse, vrolijke pop, in augustus '81 #8. Liever hoor ik de reggaepop van Gipsy Love en de melodie in poplied Alaskan Nights.
En zo gaat het maar door met kwaliteitsliedjes waarin slim wordt "gejat". Want probeer maar eens zoveel goede liedjes te schrijven! Write-off bevat uptempo ska, Boys Check Your Toys rockende pop met een vlammende Hammondsolo plus in één gitaarlijn een vleugje country (!) en Hit the Headline bevat ska/reggae.
Smakelijke kwaliteitspop in de mode van die tijd. Andere singles flopten, net als non-albumsingle Rub-a-Dub. Overigens wil Discogs de hoes van Press Here niet tonen, fijn dat MuMe daar niet moeilijk over doet. Al kun je je afvragen hoe grappig hij is...
In 1983 keerde The Press terug met album Don't Loose the Beat, (nog?) niet op MuMe te vinden en evenmin op streaming.
Op reis door new wave, ben ik in augustus 1980. Ik kwam van de Engelse Pauline Murray & The Invisible Girls en vervolg bij de Amerikanen van The Cars en hun Panorama.
The Producers - The Producers (1981)

3,5
1
geplaatst: 12 november 2025, 16:28 uur
Op reis door de wereld van new wave (vorige halte was The Selecter en album Celebrate the Bullet), ben ik inmiddels in maart 1981. The Producers uit Atlanta, Georgia, staan te boek als één van de powerpopgroepen in deze stroming. Wat mij betreft een randgeval.
'What's in a name'? Een naam zegt vaak niet alles, bij The Producers echter wél. Je verwacht immers van een Amerikaanse groep met die naam dat de sound wat gelikt is. Klopt.
Geldt tevens voor de sterrenwaarderingen, die er tot nu toe stonden. Die zijn van postpunker (2 sterren) en Lying Mouth (3 sterren). Met zulke namen vermoed ik dat deze muziek hen veel te licht is, maar wellicht sla ik de plank mis.
Maatje JeKo kijkt bij een album vaak éérst naar de gemiddelde waardering en dan naar de eventuele berichten erbij. Mij zeggen die waarderingen minder, immers: wat is de smaak van degene die de sterren gaf? Dat weet ik niet van de genoemde MuMensen, al bevestigen hun favoriete albums mijn vermoedens.
The Producers stamt uit maart 1981 en staat vol gladgestreken powerpop, onberispelijk geproduceerd door de ervaren Tom Werman. Gelijk The Buggles (Video Killed the Radio Star) of een popversie van The Romantics of een waveversie van Yes ten tijde van Owner of a Lonely Heart. In de steviger momenten gaat het richting Cheap Trick en het Status Quo van 1986 - 2000.
Bovendien denk ik soms aan Steely Dan, Split Enz en Crowded House: nadruk op melodieën en koortjes, alle vier de groepleden doen eraan mee en soms zet zanger Van Timple een rauw randje in zijn stem. Niet verrassend als je weet dat ze begonnen met coverliedjes van The Beatles.
Geinig feitje is dat toetsenist Wayne Famous (echte naam McNatt) de eerste was die zijn toetsenbord om de nek hing alsof het een gitaar was. Viel destijds op.
Ze beheersen het ambacht van liedjes schrijven. Dat levert vooral in de eerste helft sterke liedjes op zoals I Love Lucy (vast vernoemd naar de vermaarde tv-serie), vanaf Body Language op kant 2 is het minder pakkend. Who Do You Think You Are? rockt vriendelijk, net als The End, dat de elpee alsnog aangenaam afsluit. En er was hitsucces: What She Does to Me (The Diana Song) piekte in november '81 op #61 in de Billboard Hot 100.
Volgende nummers op mijn afspeellijst zijn van Lene Lovich (single New Toy van Flex) en Visage (single Mind of a Toy van Visage), maar omdat ik die albums eerder besprak, is daar de tweede van The Vapors: Magnets.
'What's in a name'? Een naam zegt vaak niet alles, bij The Producers echter wél. Je verwacht immers van een Amerikaanse groep met die naam dat de sound wat gelikt is. Klopt.
Geldt tevens voor de sterrenwaarderingen, die er tot nu toe stonden. Die zijn van postpunker (2 sterren) en Lying Mouth (3 sterren). Met zulke namen vermoed ik dat deze muziek hen veel te licht is, maar wellicht sla ik de plank mis.
Maatje JeKo kijkt bij een album vaak éérst naar de gemiddelde waardering en dan naar de eventuele berichten erbij. Mij zeggen die waarderingen minder, immers: wat is de smaak van degene die de sterren gaf? Dat weet ik niet van de genoemde MuMensen, al bevestigen hun favoriete albums mijn vermoedens.
The Producers stamt uit maart 1981 en staat vol gladgestreken powerpop, onberispelijk geproduceerd door de ervaren Tom Werman. Gelijk The Buggles (Video Killed the Radio Star) of een popversie van The Romantics of een waveversie van Yes ten tijde van Owner of a Lonely Heart. In de steviger momenten gaat het richting Cheap Trick en het Status Quo van 1986 - 2000.
Bovendien denk ik soms aan Steely Dan, Split Enz en Crowded House: nadruk op melodieën en koortjes, alle vier de groepleden doen eraan mee en soms zet zanger Van Timple een rauw randje in zijn stem. Niet verrassend als je weet dat ze begonnen met coverliedjes van The Beatles.
Geinig feitje is dat toetsenist Wayne Famous (echte naam McNatt) de eerste was die zijn toetsenbord om de nek hing alsof het een gitaar was. Viel destijds op.
Ze beheersen het ambacht van liedjes schrijven. Dat levert vooral in de eerste helft sterke liedjes op zoals I Love Lucy (vast vernoemd naar de vermaarde tv-serie), vanaf Body Language op kant 2 is het minder pakkend. Who Do You Think You Are? rockt vriendelijk, net als The End, dat de elpee alsnog aangenaam afsluit. En er was hitsucces: What She Does to Me (The Diana Song) piekte in november '81 op #61 in de Billboard Hot 100.
Volgende nummers op mijn afspeellijst zijn van Lene Lovich (single New Toy van Flex) en Visage (single Mind of a Toy van Visage), maar omdat ik die albums eerder besprak, is daar de tweede van The Vapors: Magnets.
The Psychedelic Furs - Talk Talk Talk (1981)

4,0
1
geplaatst: 19 januari, 19:59 uur
Op reis door de new wave ben ik bezig aan mei 1980, als onder meer deze tweede van The Psychedelic Furs verschijnt. Moest lachen om de anekdote van deric raven:
Richard Butler zingt weer alsof hij op de wc zit en enige obstipatie heeft. Een ietwat persende zangstijl, uit duizenden herkenbaar. En aangenaam. Talk Talk Talk is simpelweg het sterke vervolg van het toch al aangename debuut. Ergens halverwege Joy Division en Echo & The Bunnymen, maar toch vooral zichzelf.
Soms zijn de zanglijnen monotoon (opener Dumb Waiters, It Goes On), dan weer is het melodieuzer (Pretty in Pink, Mr. Jones, slotlied She Is Mine), soms is het gejaagd (I Wanna Sleep with You, Into You Like a Train, ), soms stevig (Mr. Jones, So Run Down), dan weer ontspannen (No Tears, It Goes On, All of This and Nothing). De saxofoon van Duncan Kilburn brengt bij dit alles regelmatig extra sfeer plus melodie.
Veel variatie dus. Het leverde hen hun eerste hitjes op in het Verenigd Koninkrijk: Dumb Waiters kwam in mei '81 tot #59, Pretty in Pink tikte in juli #43 aan. Het laatste nummer krijgt in 1986 als heropname een tweede leven dankzij de gelijknamige film, Talk Talk Talk haalt in de week van binnenkomst, eveneens in mei '81, meteen zijn hoogste notering op #30.
Er klonk zóveel fraais in mei '81. Red Skies over Paradise van Fischer-Z is één daarvan, maar die favoriet, in mei '81 in de Nederlandse album top 10, besprak ik al eerder. En dan kom ik chronologisch gezien bij de Simple Minds. Logischerwijs zijn hun Sons and Fascination en het tegelijkertijd verschenen Sisters Feelings Call uit die meimaand aan de beurt, maar omdat ik de voorganger daarvan abusievelijk oversloeg, keer ik eerst terug naar september 1980 en Empires and Dance.
Deze ooit voor 2,50 gulden zien liggen, maar toen niet gekocht omdat ik dacht dat het een album was die voor de helft uit nummers van The Psychedelic Furs bestond, en de andere helft was gevuld met werk van Talk Talk. Stom!
Ach ja, ik snap het misverstand.Richard Butler zingt weer alsof hij op de wc zit en enige obstipatie heeft. Een ietwat persende zangstijl, uit duizenden herkenbaar. En aangenaam. Talk Talk Talk is simpelweg het sterke vervolg van het toch al aangename debuut. Ergens halverwege Joy Division en Echo & The Bunnymen, maar toch vooral zichzelf.
Soms zijn de zanglijnen monotoon (opener Dumb Waiters, It Goes On), dan weer is het melodieuzer (Pretty in Pink, Mr. Jones, slotlied She Is Mine), soms is het gejaagd (I Wanna Sleep with You, Into You Like a Train, ), soms stevig (Mr. Jones, So Run Down), dan weer ontspannen (No Tears, It Goes On, All of This and Nothing). De saxofoon van Duncan Kilburn brengt bij dit alles regelmatig extra sfeer plus melodie.
Veel variatie dus. Het leverde hen hun eerste hitjes op in het Verenigd Koninkrijk: Dumb Waiters kwam in mei '81 tot #59, Pretty in Pink tikte in juli #43 aan. Het laatste nummer krijgt in 1986 als heropname een tweede leven dankzij de gelijknamige film, Talk Talk Talk haalt in de week van binnenkomst, eveneens in mei '81, meteen zijn hoogste notering op #30.
Er klonk zóveel fraais in mei '81. Red Skies over Paradise van Fischer-Z is één daarvan, maar die favoriet, in mei '81 in de Nederlandse album top 10, besprak ik al eerder. En dan kom ik chronologisch gezien bij de Simple Minds. Logischerwijs zijn hun Sons and Fascination en het tegelijkertijd verschenen Sisters Feelings Call uit die meimaand aan de beurt, maar omdat ik de voorganger daarvan abusievelijk oversloeg, keer ik eerst terug naar september 1980 en Empires and Dance.
The Psychedelic Furs - The Psychedelic Furs (1980)

3,5
1
geplaatst: 28 juni 2025, 09:00 uur
Op reis door new wave vergeet ik weleens een album. Ik bevond me in november 1980, maar de vorige halte, het vinnige debuut van Maanam, bleek niet uit die maand te stammen. Plus dat ik door het boek Surrender van U2's Bono erachter dat ik het titelloze debuut van The Psychedelic Furs heb overgeslagen.
Bono vertelt bij hun debuut Boy dat de vorige klus van producer Steve Lillywhite dit The Psychedelic Furs was, verschenen in maart 1980. En ja, dat is te horen: India begint met een fade-in en versnelt na het verstilde intro tot groovende wavegalm met volop ruimte voor de toms van drummer Vince Ely. Zanger Richard Butler gaat met zijn stem in de richting van Bruce Springsteen, alsof die new wave doet. Apart én prachtig!
Invloeden van David Bowie en Roxy Music (Roxy6, ken je deze van de Furs?) domineren in het midtempo Sister Europe, ook in Butlers zang. Niet voor niets de favoriet van menigeen, zo begrijp ik met de bijdragen hierboven. Ook voor mij, mede dankzij de bijna mystieke sfeer in deze liefdesverklaring aan Europa, 'sister of mine'. In het huidige tijdsgewricht bijna een politieke uitspraak. Én er is de tenorsaxofoon van Duncan Kilburn.
Dan melancholie en kritiek op de politieke macht van de kerk, poëtisch verpakt in Imitation of Christ, waar de sax terugkeert. De liedtitel verwijst naar het boek De imitatio Christi (1424) van Thomas a Kempis.
Met Fall wordt het verrassenderwijs vrolijker, inclusief blazers die de boel richting Dexys Midnight Runners blazen, Butler doet weer wat schuurpapier in zijn stem. Pulse heeft een aangename, felle groove met dominante baspartij van Tim Butler, echter niet geproduceerd door Lillywhite maar door de groep met twee anderen.
Met We Love You wordt alles waarvan wordt gehouden toegezongen in de stijl van 1973 van Bowie en Roxy Music, een bijna melig begin van kant 2 met weer eens aangenaam saxspel. Donkerder is Wedding Song, sferisch en indringend.
In de daaropvolgende nummers blijft het in deze sferen, zij het dat de nummers me minder pakken. Een sterke kant 1 en een iets mindere kant 2. Bij binnenkomst in de Britse albumlijst piekte het debuut meteen op #18.
De bonustracks die in 2002 op cd verschenen, versterken het nachtkaarseffect. Dat producer Martin Hannet ook nog eens aanschoof, kan dat niet verhelpen.
De reis door new wave vervolgt. Terug naar november 1980 en Tom Robinson, die solo Sector 27 uitbracht.
Bono vertelt bij hun debuut Boy dat de vorige klus van producer Steve Lillywhite dit The Psychedelic Furs was, verschenen in maart 1980. En ja, dat is te horen: India begint met een fade-in en versnelt na het verstilde intro tot groovende wavegalm met volop ruimte voor de toms van drummer Vince Ely. Zanger Richard Butler gaat met zijn stem in de richting van Bruce Springsteen, alsof die new wave doet. Apart én prachtig!
Invloeden van David Bowie en Roxy Music (Roxy6, ken je deze van de Furs?) domineren in het midtempo Sister Europe, ook in Butlers zang. Niet voor niets de favoriet van menigeen, zo begrijp ik met de bijdragen hierboven. Ook voor mij, mede dankzij de bijna mystieke sfeer in deze liefdesverklaring aan Europa, 'sister of mine'. In het huidige tijdsgewricht bijna een politieke uitspraak. Én er is de tenorsaxofoon van Duncan Kilburn.
Dan melancholie en kritiek op de politieke macht van de kerk, poëtisch verpakt in Imitation of Christ, waar de sax terugkeert. De liedtitel verwijst naar het boek De imitatio Christi (1424) van Thomas a Kempis.
Met Fall wordt het verrassenderwijs vrolijker, inclusief blazers die de boel richting Dexys Midnight Runners blazen, Butler doet weer wat schuurpapier in zijn stem. Pulse heeft een aangename, felle groove met dominante baspartij van Tim Butler, echter niet geproduceerd door Lillywhite maar door de groep met twee anderen.
Met We Love You wordt alles waarvan wordt gehouden toegezongen in de stijl van 1973 van Bowie en Roxy Music, een bijna melig begin van kant 2 met weer eens aangenaam saxspel. Donkerder is Wedding Song, sferisch en indringend.
In de daaropvolgende nummers blijft het in deze sferen, zij het dat de nummers me minder pakken. Een sterke kant 1 en een iets mindere kant 2. Bij binnenkomst in de Britse albumlijst piekte het debuut meteen op #18.
De bonustracks die in 2002 op cd verschenen, versterken het nachtkaarseffect. Dat producer Martin Hannet ook nog eens aanschoof, kan dat niet verhelpen.
De reis door new wave vervolgt. Terug naar november 1980 en Tom Robinson, die solo Sector 27 uitbracht.
The Radiators from Space - TV Tube Heart (1977)

3,5
1
geplaatst: 10 april 2024, 18:46 uur
Een album dat opent met het minste nummer? Dat is volgens mij het geval met TV Tube Heart.
De eerste Ierse band die voor een internationale carrière niet verkaste naar Londen. Althans, niet meteen. Dat was voordien bij bijvoorbeeld Skid Row (met daarin Gary Moore) en Thin Lizzy anders geweest. Toen was emigratie een voorwaarde om een platencontract te kunnen tekenen.
In 1977 was daar echter in Londen een jong label, opgezet door Ted Carroll. Deze ex-manager van Thin Lizzy en eigenaar van een drietal platenzaken genaamd Rock On, begon in 1975 Chiswick Records. Aanvankelijk richtte hij zich op pubrock, maar als punk de kop opsteekt is hij alert. Daarbij ontgaat hem niet dat ook in zijn Dublin in september 1976 een punkband het licht zag: The Radiators from Space. Hij tekent hen en met single Television Screen wordt in Ierland #17 gehaald. Het vijftal mag er van hem blijven wonen.
Wat klinkt is - met de oren van nu - vriendelijke punk op een afwisselend album. TV Tube Heart opent met de lange versie van de single, eigenlijk niet meer dan stevige rock op een klassiek blues-/rock 'n'rollakkoordenschema. Tegelijkertijd zal juist dat herkenbaar hebben geklonken, resulterend in de hitnotering.
Daarna wordt het avontuurlijker. Eerst wat voorzichtig met Prison Bars, daarna heftiger met Great Expectations en weer wat sneller met Roxy Girl. Tegelijkertijd is het melodieus en herkenbaar. Gitaristen Phil Chevron (later bij The Pogues) en Pete Holidai doen om beurten de leadzang, waardoor het extra afwisselend is. Kant 1 wordt afgesloten met het tweestemmig gezongen (of is het roepen?) Sunday World, over hoe het leven er op die dag in Ierland uitziet. Charmant, al werd het als single geen hit in het Roomse Ierland.
Kant 2 opent met het achtste nummer van de plaat. In Electric Shares valt schuttingtaal, hartstikke punk en schoppend tegen de moraal. Enemies (geflopt als single) blijkt extra melodieus en stevig tegelijk, Ripped and Torn doet hetzelfde met rauwe leadzang in combinatie met een melodieus koortje, Not Too Late heeft een grommend riffje, met Party Line sluiten The Radiators from Space relatief grimmig af met een opvallende gitaarlick in de coupletten.
Zeker geen wereldschokkend plaatje, al doen de dubbele gitaren en uptempo muziek je beseffen dat deze "oerrock 'n' roll" in 1977 als schokkend werd beleefd. Meer informatie over de Radiators op Irishrock.org, inclusief het verhaal over de slechte publiciteit die losbarstte na een dodelijke steekpartij. Dit in de zomer van 1977 op een festival door de groep georganiseerd met zichzelf als headliner. Punk was gevaarlijk, zoveel was duidelijk...
Mijn reis door new wave en aanverwanten kwam van het debuut van The Clash dat in diezelfde aprilmaand verscheen en vervolgt bij een volgend debuut, dat van The Jam, ook al uit april. In 1977 was die maand een prachtige tijd voor debutanten!
De eerste Ierse band die voor een internationale carrière niet verkaste naar Londen. Althans, niet meteen. Dat was voordien bij bijvoorbeeld Skid Row (met daarin Gary Moore) en Thin Lizzy anders geweest. Toen was emigratie een voorwaarde om een platencontract te kunnen tekenen.
In 1977 was daar echter in Londen een jong label, opgezet door Ted Carroll. Deze ex-manager van Thin Lizzy en eigenaar van een drietal platenzaken genaamd Rock On, begon in 1975 Chiswick Records. Aanvankelijk richtte hij zich op pubrock, maar als punk de kop opsteekt is hij alert. Daarbij ontgaat hem niet dat ook in zijn Dublin in september 1976 een punkband het licht zag: The Radiators from Space. Hij tekent hen en met single Television Screen wordt in Ierland #17 gehaald. Het vijftal mag er van hem blijven wonen.
Wat klinkt is - met de oren van nu - vriendelijke punk op een afwisselend album. TV Tube Heart opent met de lange versie van de single, eigenlijk niet meer dan stevige rock op een klassiek blues-/rock 'n'rollakkoordenschema. Tegelijkertijd zal juist dat herkenbaar hebben geklonken, resulterend in de hitnotering.
Daarna wordt het avontuurlijker. Eerst wat voorzichtig met Prison Bars, daarna heftiger met Great Expectations en weer wat sneller met Roxy Girl. Tegelijkertijd is het melodieus en herkenbaar. Gitaristen Phil Chevron (later bij The Pogues) en Pete Holidai doen om beurten de leadzang, waardoor het extra afwisselend is. Kant 1 wordt afgesloten met het tweestemmig gezongen (of is het roepen?) Sunday World, over hoe het leven er op die dag in Ierland uitziet. Charmant, al werd het als single geen hit in het Roomse Ierland.
Kant 2 opent met het achtste nummer van de plaat. In Electric Shares valt schuttingtaal, hartstikke punk en schoppend tegen de moraal. Enemies (geflopt als single) blijkt extra melodieus en stevig tegelijk, Ripped and Torn doet hetzelfde met rauwe leadzang in combinatie met een melodieus koortje, Not Too Late heeft een grommend riffje, met Party Line sluiten The Radiators from Space relatief grimmig af met een opvallende gitaarlick in de coupletten.
Zeker geen wereldschokkend plaatje, al doen de dubbele gitaren en uptempo muziek je beseffen dat deze "oerrock 'n' roll" in 1977 als schokkend werd beleefd. Meer informatie over de Radiators op Irishrock.org, inclusief het verhaal over de slechte publiciteit die losbarstte na een dodelijke steekpartij. Dit in de zomer van 1977 op een festival door de groep georganiseerd met zichzelf als headliner. Punk was gevaarlijk, zoveel was duidelijk...
Mijn reis door new wave en aanverwanten kwam van het debuut van The Clash dat in diezelfde aprilmaand verscheen en vervolgt bij een volgend debuut, dat van The Jam, ook al uit april. In 1977 was die maand een prachtige tijd voor debutanten!
The Raincoats - The Raincoats (1979)

3,0
0
geplaatst: 25 oktober 2024, 14:00 uur
De Britse punkrevolte was in '79 over zijn hoogtepunt. Muzikanten in dit genre kozen voor andere, vaak meer diverse muziek.
Het vrouwenkwartet The Raincoats komt voort uit de kraakscene en combineert energie (drumster Palmolive!) met wat er maar leuk is op muzikaal gebied. Dat is bijvoorbeeld een vleugje folk, dankzij de viool van tevens gitariste Vicky Aspinall. Met de meerstemmige zang is het soms harmonieus, dan weer onstuimig.
Palmolive mept fel om zich heen en heeft daarmee fikse invloed op het geluid. Hiervoor zat ze bij The Slits, op wier twee maanden eerder verschenen debuut nadrukkelijk haar invloed klinkt. Omdat haar spel bij The Raincoats hoog in de mix zit, hebben de groepen wel van elkaar weg. Maar hier geen reggae, wél een eigenwijs do-it-yourselfplaatje.
Hoogtepunten op kant 1 zijn voor mij het a capellaslot in No Side to Fall in waar vocale capaciteiten floreren, in Black and White uitgelaten saxofoon, Kinkscover Lola is geinig.
Kant 2 begint sterk met The Void met een dominante rol voor de viool, alsof Nick Cave hier inspiratie uit putte voor zijn contemplatievere werk. Meer viool maar dan uptempo in Life on the Line.
Non-albumsingle Fairytale in the Supermarket ging in april 1979 vooraf, waarna in november de elpee volgde. De single haalde in 2017 alsnog de Britse hitlijst; het kan verkeren... In 1993 alsnog op de cd-versie verschenen, als opener zelfs.
Charmant debuut dat klinkt alsof je er live bij staat in de studio, al willen de meeste liedjes ook na herhaald draaien niet goed beklijven. Mijn reis door new wave kwam van het Nieuw-Zeelandse Mi-Sex en vervolgt bij een naam met een compleet andere aanpak dan die van The Raincoats. Een randgevalletje, want vinden we daar wel new wave? Op naar Buggles.
Het vrouwenkwartet The Raincoats komt voort uit de kraakscene en combineert energie (drumster Palmolive!) met wat er maar leuk is op muzikaal gebied. Dat is bijvoorbeeld een vleugje folk, dankzij de viool van tevens gitariste Vicky Aspinall. Met de meerstemmige zang is het soms harmonieus, dan weer onstuimig.
Palmolive mept fel om zich heen en heeft daarmee fikse invloed op het geluid. Hiervoor zat ze bij The Slits, op wier twee maanden eerder verschenen debuut nadrukkelijk haar invloed klinkt. Omdat haar spel bij The Raincoats hoog in de mix zit, hebben de groepen wel van elkaar weg. Maar hier geen reggae, wél een eigenwijs do-it-yourselfplaatje.
Hoogtepunten op kant 1 zijn voor mij het a capellaslot in No Side to Fall in waar vocale capaciteiten floreren, in Black and White uitgelaten saxofoon, Kinkscover Lola is geinig.
Kant 2 begint sterk met The Void met een dominante rol voor de viool, alsof Nick Cave hier inspiratie uit putte voor zijn contemplatievere werk. Meer viool maar dan uptempo in Life on the Line.
Non-albumsingle Fairytale in the Supermarket ging in april 1979 vooraf, waarna in november de elpee volgde. De single haalde in 2017 alsnog de Britse hitlijst; het kan verkeren... In 1993 alsnog op de cd-versie verschenen, als opener zelfs.
Charmant debuut dat klinkt alsof je er live bij staat in de studio, al willen de meeste liedjes ook na herhaald draaien niet goed beklijven. Mijn reis door new wave kwam van het Nieuw-Zeelandse Mi-Sex en vervolgt bij een naam met een compleet andere aanpak dan die van The Raincoats. Een randgevalletje, want vinden we daar wel new wave? Op naar Buggles.
The Reds - The Reds (1979)

3,5
2
geplaatst: 22 september 2025, 21:40 uur
Geproduceerd door David Kershenbaum is het titelloze debuut van The Reds desondanks nogal dof klinkend op streaming. Een band uit Philadelpha in de Verenigde Staten die in juli 1979 The Reds uitbracht.
Wat is dit? In het kort: stevige new wave. Ferme, luide gitaren van Rick Shaffer die tevens robuust zingt, met de vaak ijle toetsen van Bruce Cohen als tegenhanger; bassist Jim Peters en drummer Tom Geddes vormen de solide ritmesectie.
Tot op de dag van vandaag verscheen dit album nooit op cd. Liefhebbers die het willen hebben, zullen dus het (eventueel groene) vinyl op de kop moeten tikken. Op de hoes zien we een bekende foto uit ca. 1952 met publiek in een bioscoop, kijkend naar een 3D-film.
De plaat opent sterk met Victims dankzij passionele zang en gitaren. Daarna wordt het kalmer en wat mij betreft wat minder dan die opener, al is duidelijk dat de vier kunnen spelen en dat Shaffer jankende gitaarsolo's neerzet. In het bijna 7 minuten durende Lookout zingt hij over een traag ritme soms zó gepassioneerd, dat het vals wordt.
Dan toch liever het snelle, punkachtige Whatcha' Doin' to Me dat kant 2 aftrapt. Not You is langzamer maar net zo stevig, Talking is melodieuzer als een liedje van Joe Jackson in de typische stijl van The Reds. Over & Over komt hortend en stotend op gang en wordt dan vlot, met de dikke 5 minuten van Self Reduction wordt een fraai slot gebracht, inclusief kekke klaviergeluiden en een fraaie gitaarsolo.
Na dit debuut bij grote platenbaas A&M kwam de opvolger twee jaar later bij het kleine Stony Plain. The Reds bleven een onbekend bandje, dankzij potjandosie in mijn vizier gekomen.
Mijn reis door new wave kwam vanaf de Amerikaanse Shoes en ik reis door naar de opvolger daarvan, eveneens in de zomer van '79 verschenen.
Wat is dit? In het kort: stevige new wave. Ferme, luide gitaren van Rick Shaffer die tevens robuust zingt, met de vaak ijle toetsen van Bruce Cohen als tegenhanger; bassist Jim Peters en drummer Tom Geddes vormen de solide ritmesectie.
Tot op de dag van vandaag verscheen dit album nooit op cd. Liefhebbers die het willen hebben, zullen dus het (eventueel groene) vinyl op de kop moeten tikken. Op de hoes zien we een bekende foto uit ca. 1952 met publiek in een bioscoop, kijkend naar een 3D-film.
De plaat opent sterk met Victims dankzij passionele zang en gitaren. Daarna wordt het kalmer en wat mij betreft wat minder dan die opener, al is duidelijk dat de vier kunnen spelen en dat Shaffer jankende gitaarsolo's neerzet. In het bijna 7 minuten durende Lookout zingt hij over een traag ritme soms zó gepassioneerd, dat het vals wordt.
Dan toch liever het snelle, punkachtige Whatcha' Doin' to Me dat kant 2 aftrapt. Not You is langzamer maar net zo stevig, Talking is melodieuzer als een liedje van Joe Jackson in de typische stijl van The Reds. Over & Over komt hortend en stotend op gang en wordt dan vlot, met de dikke 5 minuten van Self Reduction wordt een fraai slot gebracht, inclusief kekke klaviergeluiden en een fraaie gitaarsolo.
Na dit debuut bij grote platenbaas A&M kwam de opvolger twee jaar later bij het kleine Stony Plain. The Reds bleven een onbekend bandje, dankzij potjandosie in mijn vizier gekomen.
Mijn reis door new wave kwam vanaf de Amerikaanse Shoes en ik reis door naar de opvolger daarvan, eveneens in de zomer van '79 verschenen.
The Rezillos - Can't Stand the Rezillos (1978)
Alternatieve titel: The (Almost) Complete Rezillos

3,5
0
geplaatst: 25 februari 2025, 22:48 uur
Bij mijn afspeellijsten met 'New wave & co' maakte ik enkele jaren geleden voor mezelf een overzicht van de liedjes die ik me uit de periode 1976 - 1990 met muziek die - ruwweg - tot die stroming kan worden gerekend. Een arbitraire genreduiding wellicht, maar dankzij '& co' kan ik van alles onder die paraplu vatten. Ik was gebleven in april 1980 bij de elpee Hypnotised toen Spotify het nummer Top of the Pops van The Rezillos aanbeval.
Dat nummer is er inderdaad bij gekomen en warempel: er zijn overeenkomsten met The Undertones. Schotse pretpunk uit Edinburgh die met dat vrolijke nummer hun enige hit scoorde: het stond van half augustus tot begin oktober in de Britse hitlijst, in september twee weken op #17 piekend.
Haalt langspeler Can't Stand the Rezillos dat niveau? Gebouwd op de fundamenten van jaren '50 en '60 rock 'n' roll wordt vrolijke scheurpop gemaakt. De leadzang wordt gedeeld door zangeres Fay Fife en zanger Eugene Reynolds; dankzij citaten uit oudere populaire muziekstijlen kun je eveneens overeenkomsten met de B52's horen.
Opener The Flying Saucer Attack is gebouwd op een stuwende baslijn en de zang van Fife, No bevat zang van Reynolds en in de gitaarpartijen onvervalste punk. Dan hebben we meteen de twee ijkpunten van de elpee, met als persoonlijke favorieten het vinnige I Can't Stand My Baby en Cold Wars met dezelfde sfeer.
Op kant 2 staan twee covers: Glad All Over, oorspronkelijk van de Dave Clark Five en I Like It van het Stax-soulduo Clarence & Calvin. Ze benadrukken de invloeden uit de jaren '60.
Reeds in datzelfde 1978 viel de groep uit elkaar, om in 1980 een doorstart te maken als The Revillos, waarbij new wave / punk plaatsmaakte voor ouderwetsche rock 'n' roll met dikke knipoog. Zij maakten twee albums.
In 2023 verscheen een uitgebreide heruitgave onder de titel Can't Stand The Rezillos: The (Almost) Complete Rezillos. Dit nadat de groep sinds 2001 weer actief was. Eerlijke pretpunk, geen maatschappijkritiek of iets dergelijks, maar wél over de lol in het leven en de kleinemensentroebelen die we daarin tegenkomen.
Ik keer terug naar april 1980, als Nederland kennismaakt met Sue Saad and the Next.
Dat nummer is er inderdaad bij gekomen en warempel: er zijn overeenkomsten met The Undertones. Schotse pretpunk uit Edinburgh die met dat vrolijke nummer hun enige hit scoorde: het stond van half augustus tot begin oktober in de Britse hitlijst, in september twee weken op #17 piekend.
Haalt langspeler Can't Stand the Rezillos dat niveau? Gebouwd op de fundamenten van jaren '50 en '60 rock 'n' roll wordt vrolijke scheurpop gemaakt. De leadzang wordt gedeeld door zangeres Fay Fife en zanger Eugene Reynolds; dankzij citaten uit oudere populaire muziekstijlen kun je eveneens overeenkomsten met de B52's horen.
Opener The Flying Saucer Attack is gebouwd op een stuwende baslijn en de zang van Fife, No bevat zang van Reynolds en in de gitaarpartijen onvervalste punk. Dan hebben we meteen de twee ijkpunten van de elpee, met als persoonlijke favorieten het vinnige I Can't Stand My Baby en Cold Wars met dezelfde sfeer.
Op kant 2 staan twee covers: Glad All Over, oorspronkelijk van de Dave Clark Five en I Like It van het Stax-soulduo Clarence & Calvin. Ze benadrukken de invloeden uit de jaren '60.
Reeds in datzelfde 1978 viel de groep uit elkaar, om in 1980 een doorstart te maken als The Revillos, waarbij new wave / punk plaatsmaakte voor ouderwetsche rock 'n' roll met dikke knipoog. Zij maakten twee albums.
In 2023 verscheen een uitgebreide heruitgave onder de titel Can't Stand The Rezillos: The (Almost) Complete Rezillos. Dit nadat de groep sinds 2001 weer actief was. Eerlijke pretpunk, geen maatschappijkritiek of iets dergelijks, maar wél over de lol in het leven en de kleinemensentroebelen die we daarin tegenkomen.
Ik keer terug naar april 1980, als Nederland kennismaakt met Sue Saad and the Next.
The Rods - Wild Dogs (1982)

4,5
1
geplaatst: 29 december 2022, 00:14 uur
In de vroege zomer van 1982 was daar een opvallend album van The Rods uit New York. Wild Dogs trok tussen alle getalenteerde Britse metalbands mijn aandacht op de radio dankzij de titelsong én het feit dat David Feinstein hierin speelde, een heuse neef van mijn favozanger Ronnie James Dio.
Sterker nog, ik leerde dat de twee samen in de groep Elf speelden op het banddebuut, hun eerste langspeler ooit. Hierna scheidden de wegen. Dio ging via Rainbow en Black Sabbath naar een illustere solocarrière.
Feinstein begon The Rods, buiten mijn waarneming, tot… Die titelsong! Feinstein is met zijn licht-grommende stijl geen Dio, maar wel degelijk pakkend. Voeg daarbij het eerlijke, pure, rauwe gitaarwerk dat brutaal via een transistortje mijn kamer binnenkwam. Dat werd nog meer bizar toen ik pas zo’n vier jaar later de elpee van een vriend kon lenen en het nummer hoorde zoals bedoeld: in de tweede solo laat Feinstein de gitaar afwisselend uit de linker- en rechterspeaker knallen. Het volume stond op een denderend maximum en ik lag plát.
Helaas stonden de andere nummers van de A-kant enigszins in de schaduw van deze onverbiddelijke kneiter, al moet ik niet klagen: ze bevatten steevast lekker gitaarwerk, een kunst die Feinstein vaardig tentoonspreidde. Tegelijkertijd is het wat makker, al klinkt in Waiting got Tomorrow een hakkende slaggitaar op een manier die kort daarop bij speed- en thrashmetal gemeengoed zouden worden. De leadzang bij dit alles wordt gedeeld door Feinstein en drummer Carl Canedy. Of is het bassist Garry Bordonaro?
De B-kant is sterker, omdat ie sneller is. Al zou de opener dat niet doen vermoeden. Ik ben niet zo van de ballades, maar opener You Keep Me Hanging On is meeslepend gezongen met een verrassend zoet en toch effectief koortje. Het uptempo Rockin’ ‘n‘ Rollin’ Again was na het titellied nog zo’n favorietje bij de radioshows op Hilversum 3 van Alfred Lagarde en Hanneke Kappen. Het doet precies wat het zegt, zonder pretenties maar alweer raak.
End of the Line is slepender en bevat zowel sterke zanglijnen als een heerlijk slot, No Sweet Talk Honey was weer zo’n lekkere testosteronknaller met een riff die me aan Gonzo van Ted Nugent denken, een andere favoriet van Lagarde. The Night Lives to Rock tenslotte bevat een bijzondere riff en sterke zanglijnen; iets minder snel maar zeker niet minder intens.
Pas vele jaren later zou ik het origineel van You Just Keep… horen bij soultrio The Supremes; een sterk voorbeeld van de kwaliteiten van het schrijverstrio Holland-Dozier-Holland. Nog altijd echter moet ik, als ik het origineel of een cover hoor, onmiddellijk aan de versie van The Rods denken – ook bij die eveneens stevige cover die Rod Stewart ervan maakte. Bij The Rods klinkt mijn origineel.
Met de oren van nu is Wild Dogs vrij conservatief, maar nog altijd spatten talloze zweetdruppels en tomeloze energie van de muziek af, zeker met al die gitaarsolo's. Eerlijk en oprecht. De albumcover blijft eveneens prachtig. Uitvergroten en in een albumhoezenmuseum ophangen.
Sterker nog, ik leerde dat de twee samen in de groep Elf speelden op het banddebuut, hun eerste langspeler ooit. Hierna scheidden de wegen. Dio ging via Rainbow en Black Sabbath naar een illustere solocarrière.
Feinstein begon The Rods, buiten mijn waarneming, tot… Die titelsong! Feinstein is met zijn licht-grommende stijl geen Dio, maar wel degelijk pakkend. Voeg daarbij het eerlijke, pure, rauwe gitaarwerk dat brutaal via een transistortje mijn kamer binnenkwam. Dat werd nog meer bizar toen ik pas zo’n vier jaar later de elpee van een vriend kon lenen en het nummer hoorde zoals bedoeld: in de tweede solo laat Feinstein de gitaar afwisselend uit de linker- en rechterspeaker knallen. Het volume stond op een denderend maximum en ik lag plát.
Helaas stonden de andere nummers van de A-kant enigszins in de schaduw van deze onverbiddelijke kneiter, al moet ik niet klagen: ze bevatten steevast lekker gitaarwerk, een kunst die Feinstein vaardig tentoonspreidde. Tegelijkertijd is het wat makker, al klinkt in Waiting got Tomorrow een hakkende slaggitaar op een manier die kort daarop bij speed- en thrashmetal gemeengoed zouden worden. De leadzang bij dit alles wordt gedeeld door Feinstein en drummer Carl Canedy. Of is het bassist Garry Bordonaro?
De B-kant is sterker, omdat ie sneller is. Al zou de opener dat niet doen vermoeden. Ik ben niet zo van de ballades, maar opener You Keep Me Hanging On is meeslepend gezongen met een verrassend zoet en toch effectief koortje. Het uptempo Rockin’ ‘n‘ Rollin’ Again was na het titellied nog zo’n favorietje bij de radioshows op Hilversum 3 van Alfred Lagarde en Hanneke Kappen. Het doet precies wat het zegt, zonder pretenties maar alweer raak.
End of the Line is slepender en bevat zowel sterke zanglijnen als een heerlijk slot, No Sweet Talk Honey was weer zo’n lekkere testosteronknaller met een riff die me aan Gonzo van Ted Nugent denken, een andere favoriet van Lagarde. The Night Lives to Rock tenslotte bevat een bijzondere riff en sterke zanglijnen; iets minder snel maar zeker niet minder intens.
Pas vele jaren later zou ik het origineel van You Just Keep… horen bij soultrio The Supremes; een sterk voorbeeld van de kwaliteiten van het schrijverstrio Holland-Dozier-Holland. Nog altijd echter moet ik, als ik het origineel of een cover hoor, onmiddellijk aan de versie van The Rods denken – ook bij die eveneens stevige cover die Rod Stewart ervan maakte. Bij The Rods klinkt mijn origineel.
Met de oren van nu is Wild Dogs vrij conservatief, maar nog altijd spatten talloze zweetdruppels en tomeloze energie van de muziek af, zeker met al die gitaarsolo's. Eerlijk en oprecht. De albumcover blijft eveneens prachtig. Uitvergroten en in een albumhoezenmuseum ophangen.
The Romantics - The Romantics (1980)

3,5
0
geplaatst: 19 februari 2025, 22:23 uur
Powerpop 1980. Overeenkomsten tussen The Romantics en The Knack? Beide groepen maakten powerpop met pittige gitaarriffs. Beide groepen worden herinnerd door een grote hit (of beter: in het geval van The Romantics twee) waarbij de overige nummers in de schaduw daarvan staan.
Wie tiener was in 1980 moet de groep kennen van What I Like About You, dat in Nederland eind maart de Nationale Hitparade betrad om begin mei op #5 te toppen. Met een pakkend fluisterzangdeel op 2/3, waarna het refrein luid wordt herhaald. Slim, effectief en leuk trucje.
Waar de Californiërs van The Knack begin 1980 hun tweede album ...But the Little Girls Understand uitbrachten, waren The Romantics uit Detroit kort daarna toe aan hun titelloze debuut. Gekleed in glimmend roze en kekke stropdasjes - dezelfde foto op single - klinkt onvervalste jaren '60 rock in modern jasje. De riff staat centraal.
Soms werkt dat, vaker minder. Dat heeft mede met de zangers te maken: zowel gitarist Wally Palmar, bassist Rich Cole als drummer Jimmy Marinos doen de leadzang, de laatste op de doorbraakhit. Zijn stem is de prettigste, de andere twee hebben het nét niet. Bovendien is de ene compositie pakkend en de andere minder.
Opener When I Look in Your Eyes is aangenaam, hetzelfde geldt voor het gitaargeluid in Keep in Touch dat als compositie echter minder pakt; afsluiter Gimme One More Chance (Spotisaai vermeldt de titel als Gimme Me
) is een lekkere afsluiter van de plaat. She's Got Everything, oorspronkelijk van Ray Davies en zijn Kinks, heeft vanzelfsprekend een sixtiesgevoel. Toch liever eigen werk van de groep. Maakt wél duidelijk dat The Romantics in deze geest muziek schreven.
Dat laatste ligt niet in mijn smaakzone. Het is me te sixties, ondanks de inventieve drumpartijen van Marinos. Een matte 7 als schoolcijfer. Laat onverlet dat als de radio What I Like About You laat horen, de volumeknop bijna vanzelf omhoog gaat en ik luid meebrul: "Hey!"
Ik kwam hier op reis door de wondere wereld van new wave en co. Vorige halte was de debuutsingle/EP van de Britse hardcorepunks Discharge. Volgende liedje op mijn afspeellijst met new wave is Missing Words van The Selecter, maar omdat ik het bijbehorende album Too Much Pressure al besprak, ga ik terug naar Engeland. Op naar punk-met-frisse-ingrediënten van The Members en hun tweede elpee 1980 - the Choice Is Yours.
Wie tiener was in 1980 moet de groep kennen van What I Like About You, dat in Nederland eind maart de Nationale Hitparade betrad om begin mei op #5 te toppen. Met een pakkend fluisterzangdeel op 2/3, waarna het refrein luid wordt herhaald. Slim, effectief en leuk trucje.
Waar de Californiërs van The Knack begin 1980 hun tweede album ...But the Little Girls Understand uitbrachten, waren The Romantics uit Detroit kort daarna toe aan hun titelloze debuut. Gekleed in glimmend roze en kekke stropdasjes - dezelfde foto op single - klinkt onvervalste jaren '60 rock in modern jasje. De riff staat centraal.
Soms werkt dat, vaker minder. Dat heeft mede met de zangers te maken: zowel gitarist Wally Palmar, bassist Rich Cole als drummer Jimmy Marinos doen de leadzang, de laatste op de doorbraakhit. Zijn stem is de prettigste, de andere twee hebben het nét niet. Bovendien is de ene compositie pakkend en de andere minder.
Opener When I Look in Your Eyes is aangenaam, hetzelfde geldt voor het gitaargeluid in Keep in Touch dat als compositie echter minder pakt; afsluiter Gimme One More Chance (Spotisaai vermeldt de titel als Gimme Me
) is een lekkere afsluiter van de plaat. She's Got Everything, oorspronkelijk van Ray Davies en zijn Kinks, heeft vanzelfsprekend een sixtiesgevoel. Toch liever eigen werk van de groep. Maakt wél duidelijk dat The Romantics in deze geest muziek schreven. Dat laatste ligt niet in mijn smaakzone. Het is me te sixties, ondanks de inventieve drumpartijen van Marinos. Een matte 7 als schoolcijfer. Laat onverlet dat als de radio What I Like About You laat horen, de volumeknop bijna vanzelf omhoog gaat en ik luid meebrul: "Hey!"
Ik kwam hier op reis door de wondere wereld van new wave en co. Vorige halte was de debuutsingle/EP van de Britse hardcorepunks Discharge. Volgende liedje op mijn afspeellijst met new wave is Missing Words van The Selecter, maar omdat ik het bijbehorende album Too Much Pressure al besprak, ga ik terug naar Engeland. Op naar punk-met-frisse-ingrediënten van The Members en hun tweede elpee 1980 - the Choice Is Yours.
The Rousers - A Treat of New Beat (1980)

3,5
1
geplaatst: 5 november 2025, 16:32 uur
Uit Broek op Langedijk bij Alkmaar kwamen The Rousers. Op 21 januari 1980 verscheen hun debuut, zo kwam ik tegen in een artikel uit 2004 in het ter ziele gegane tijdschrift Aloha, waar Jan van der Plas een ronkend artikel over ze schreef nadat hij gitaristen Cock de Jong en Wieb Zigtema had geïnterviewd. Overigens een andere Rousers dan deze coverband, maar hier is wel degelijk informatie over de groep te vinden.
De muziek is duidelijk geënt op de beatgitaargroepen van medio 1963, maar dan met de productie en energie van new wave gebracht. Koortjes mogen daarbij ook, zoals Life Is a Song bewijst. Het is dus melodieus, kleurig en fleurig, net als de iconische hoes van striptekenaar Joost Swarte. Verrassend scherp is de productie van Jakob Klaasse, bekend van onder meer Bram Vermeulen en De Toekomst.
De radiohit was Magazine Girl, dat ik 45 jaar later onmiddellijk herken aan dat sterke refrein. In 1979 zo'n fijne single voor VARA en KRO, maar de Tipparade haalde het niet. In Face the Day rost Jan de Jong zijn drumstel af alsof Keith Moon van The Who op de kruk zit: een volgend aangenaam groeiliedje op de plaat. Slotlied Lost and Broken Hearted is stevig als powerpop.
In 2016 herverschenen bij Concerto op zowel vinyl als cd, zoals hierboven door DjFrankie gemeld; zie daar op Discogs, want inmiddels hartstikke uitverkocht, is een nieuwe persing bepaald niet overbodig. En op streaming zou ook handig zijn...
Ik ben op reis door de new wave van begin jaren '80. Vorige halte was Thirst van Clock DVA. Alvorens ik terugkeer naar 1981, doe ik eerst nog de tweede / het debuut van The Boys Next Door / The Birthday Party uit november 1980. Ja ja, een groep met twee namen!
De muziek is duidelijk geënt op de beatgitaargroepen van medio 1963, maar dan met de productie en energie van new wave gebracht. Koortjes mogen daarbij ook, zoals Life Is a Song bewijst. Het is dus melodieus, kleurig en fleurig, net als de iconische hoes van striptekenaar Joost Swarte. Verrassend scherp is de productie van Jakob Klaasse, bekend van onder meer Bram Vermeulen en De Toekomst.
De radiohit was Magazine Girl, dat ik 45 jaar later onmiddellijk herken aan dat sterke refrein. In 1979 zo'n fijne single voor VARA en KRO, maar de Tipparade haalde het niet. In Face the Day rost Jan de Jong zijn drumstel af alsof Keith Moon van The Who op de kruk zit: een volgend aangenaam groeiliedje op de plaat. Slotlied Lost and Broken Hearted is stevig als powerpop.
In 2016 herverschenen bij Concerto op zowel vinyl als cd, zoals hierboven door DjFrankie gemeld; zie daar op Discogs, want inmiddels hartstikke uitverkocht, is een nieuwe persing bepaald niet overbodig. En op streaming zou ook handig zijn...
Ik ben op reis door de new wave van begin jaren '80. Vorige halte was Thirst van Clock DVA. Alvorens ik terugkeer naar 1981, doe ik eerst nog de tweede / het debuut van The Boys Next Door / The Birthday Party uit november 1980. Ja ja, een groep met twee namen!
The Rubinoos - The Rubinoos (1977)

2,5
1
geplaatst: 12 april 2024, 17:23 uur
Ben op reis door new wave en aanverwanten. Deze etappe komt vanaf The Jam en leidt naar een plaat die een maand later verscheen, mei 1977.
In de annalen van de popmuziek wordt dit titelloze debuut van The Rubinoos vermeld als één van van proto-newwavegroepen dankzij de powerpop die hier klinkt. De beschrijving van Dibbel uit 2012 vermeldt terecht dat dit in 1977 ten onrechte onder new wave werd geschaard. Wat klinkt is namelijk brave en keurige jaren '70 pop, met één uitzondering: Rock and Roll Is Dead is een stevig nummer in de stijl van glamrock uit de jaren '73-'75. Een buitenbeentje op de plaat dat kant 1 afsluit. Over dat nummer vond ik een aardige analyse op de site van oldtimemusic.com.
Verder klinken echo's van keurige pop uit de jaren '50 en '60 in warme jaren '70-jasjes, waarvan ik Nothing a Little Love Won't Cure en I Never Thought It Would Happen wel kan waarderen. Cover Peek-a-Boo haalde in juni 1978 #37 in de Nationale Hitparade, maar is niet mijn ding. Ze reisden daardoor wel af naar Hilversum voor TopPop.
Twee maanden later beleefde Nederland een volgende hit die sterker met new wave werd geassocieerd: op naar het Australische Flash and the Pan en Hey, St. Peter.
In de annalen van de popmuziek wordt dit titelloze debuut van The Rubinoos vermeld als één van van proto-newwavegroepen dankzij de powerpop die hier klinkt. De beschrijving van Dibbel uit 2012 vermeldt terecht dat dit in 1977 ten onrechte onder new wave werd geschaard. Wat klinkt is namelijk brave en keurige jaren '70 pop, met één uitzondering: Rock and Roll Is Dead is een stevig nummer in de stijl van glamrock uit de jaren '73-'75. Een buitenbeentje op de plaat dat kant 1 afsluit. Over dat nummer vond ik een aardige analyse op de site van oldtimemusic.com.
Verder klinken echo's van keurige pop uit de jaren '50 en '60 in warme jaren '70-jasjes, waarvan ik Nothing a Little Love Won't Cure en I Never Thought It Would Happen wel kan waarderen. Cover Peek-a-Boo haalde in juni 1978 #37 in de Nationale Hitparade, maar is niet mijn ding. Ze reisden daardoor wel af naar Hilversum voor TopPop.
Twee maanden later beleefde Nederland een volgende hit die sterker met new wave werd geassocieerd: op naar het Australische Flash and the Pan en Hey, St. Peter.
The Rumour - Frogs Sprouts Clogs and Krauts (1978)

4,0
1
geplaatst: 20 augustus 2024, 12:52 uur
Op reis door de albums achter mijn afspeellijsten met new wave, was mijn vorige halte het debuut van de Simple Minds uit 1979. Die oogstte in het eigen Verenigd Koninkrijk meer succes dan deze tweede van The Rumour, maar de laatste deed het bij ons weer beter.
Dit is de opvolger van Max uit 1977. De begeleidingsgroep van Graham Parker stuurde hun frontman op vakantie en gaf de plaat de naar Europa verwijzende titel Frogs Sprouts Clogs and Krauts. Wat klinkt is vakmanschap: een vijftal veteranen uit de Londense pubrockwereld waarbij Brinsley Schwarz, die enkele jaren eerder nog zijn eigen groep leidde.
Met deze plaat werd afstand genomen van pubrock. Ik hoorde de onderkoelde new wave van single Frozen Years toen deze in mei 1979 twee weken #38 stond in de Nationale Hitparade en was er meteen aan verknocht. Gezongen door Martin Belmont, enkele jaren eerder actief bij Duck Deluxe. TopPop toonde de zelfgemaakte clip, met een kneuterig script waarbij de groep bij badhokjes staat te playbacken en wordt bedreigd door een sluipschutter. In eigen land had men geen verkoopsucces en dus is het extra leuk dat er in Nederland wél enig succes was, al haalde de elpee ook hier niet de albumlijst.
Dan blijkt dit bovendien een heel aangenaam album te zijn, met tien nummers die meestal niet zo lang duren: het betere lied met kop en staart, sterk in melodie en goed uitgevoerd. Stevige kwaliteitspop en vriendelijke rock. Dit bij het pubrock- en punklabel Stiff.
Een ahaaa-ohooo-zanglijntje als in Tired of Waiting doet aan de popsingles van Madness denken, mede door de piano erbij, terwijl coupletten, refrein en gitaarsolo weer andere sferen brengen. Het is één van de voorbeelden van een album waar het ene na het andere sterke nummer langskomt.
Loving You (Is Far Too Easy) is ook al zo’n juweeltje, deze keer klinkt een scherpe stem – de hoes vermeldt helaas niet wie wat zingt. Ook al zo mooi is Euro over ”The European man” met Europese radiogeluiden in het uittro.
Of All Fall Down : hoe krijg je reggae en een klassiekachtige trompetpartij passend bij elkaar? Ze flikten het, petje af! In One Good Night is het dan weer bijna powerpop.
Ik kan zo doorgaan, feit is dat ik deze wel op lp of cd wil hebben. Ook al omdat vanaf 2006 cd-edities verschenen met interessante bonussen, zie daar. Niet te vinden op mijn streamingkanaal, daarom doe ik het voorlopig met YouTube.
De reis door new wave blijft in 1978: op naar het debuut van Squeeze.
PS Het zwembad in de clip: dat kan wel eens het Hilversumse Crailoo zijn geweest, ontworpen door bouwmeester Dudok, tot 1984 in gebruik.
Dit is de opvolger van Max uit 1977. De begeleidingsgroep van Graham Parker stuurde hun frontman op vakantie en gaf de plaat de naar Europa verwijzende titel Frogs Sprouts Clogs and Krauts. Wat klinkt is vakmanschap: een vijftal veteranen uit de Londense pubrockwereld waarbij Brinsley Schwarz, die enkele jaren eerder nog zijn eigen groep leidde.
Met deze plaat werd afstand genomen van pubrock. Ik hoorde de onderkoelde new wave van single Frozen Years toen deze in mei 1979 twee weken #38 stond in de Nationale Hitparade en was er meteen aan verknocht. Gezongen door Martin Belmont, enkele jaren eerder actief bij Duck Deluxe. TopPop toonde de zelfgemaakte clip, met een kneuterig script waarbij de groep bij badhokjes staat te playbacken en wordt bedreigd door een sluipschutter. In eigen land had men geen verkoopsucces en dus is het extra leuk dat er in Nederland wél enig succes was, al haalde de elpee ook hier niet de albumlijst.
Dan blijkt dit bovendien een heel aangenaam album te zijn, met tien nummers die meestal niet zo lang duren: het betere lied met kop en staart, sterk in melodie en goed uitgevoerd. Stevige kwaliteitspop en vriendelijke rock. Dit bij het pubrock- en punklabel Stiff.
Een ahaaa-ohooo-zanglijntje als in Tired of Waiting doet aan de popsingles van Madness denken, mede door de piano erbij, terwijl coupletten, refrein en gitaarsolo weer andere sferen brengen. Het is één van de voorbeelden van een album waar het ene na het andere sterke nummer langskomt.
Loving You (Is Far Too Easy) is ook al zo’n juweeltje, deze keer klinkt een scherpe stem – de hoes vermeldt helaas niet wie wat zingt. Ook al zo mooi is Euro over ”The European man” met Europese radiogeluiden in het uittro.
Of All Fall Down : hoe krijg je reggae en een klassiekachtige trompetpartij passend bij elkaar? Ze flikten het, petje af! In One Good Night is het dan weer bijna powerpop.
Ik kan zo doorgaan, feit is dat ik deze wel op lp of cd wil hebben. Ook al omdat vanaf 2006 cd-edities verschenen met interessante bonussen, zie daar. Niet te vinden op mijn streamingkanaal, daarom doe ik het voorlopig met YouTube.
De reis door new wave blijft in 1978: op naar het debuut van Squeeze.
PS Het zwembad in de clip: dat kan wel eens het Hilversumse Crailoo zijn geweest, ontworpen door bouwmeester Dudok, tot 1984 in gebruik.
